De drie steden: Rome

Part 58

Chapter 583,803 wordsPublic domain

Maar Pierre had nu zekerheid: kardinaal Sanguinetti was ongetwijfeld monsignor Nani's candidaat niet meer. Blijkbaar vond hij, dat de kardinaal door zijn ongeduldige eerzucht te zeer verzwakt en door de dubbelzinnige bondgenootschappen, die hij in zijn koorts met iedereen, ja zelfs met het jonge, patriottische Italië gesloten had, ook te gevaarlijk was. De stand van zaken was duidelijk: kardinaal Sanguinetti en kardinaal Boccanera waren bezig elkaar te verslinden, elkaar uit den weg te ruimen: de een door zijn voortdurende intriges, die voor geen enkel compromis terugdeinsden, en ervan droomend Rome door verkiezingen te heroveren; de ander onbeweeglijk en onwrikbaar in zijn intransigentie, den geest der eeuw met zijn banbliksems treffend, het wonder, dat de Kerk redden moest, alleen van God verwachtend. Waarom zou men die twee zoo tegenstrijdige theorieën elkaar niet laten vernietigen. Al was Boccanera aan het vergif ontsnapt, daarom was hij niet minder door de tragische gebeurtenis getroffen en voortaan onmogelijk als candidaat, vernietigd als hij was door de geschiedenissen, waarover geheel Rome praatte; en al kon Sanguinetti meenen, dat hij eindelijk bevrijd was van zijn voornaamsten mededinger, toch had hij niet ingezien, dat hij zichzelf trof, dat hij tegelijkertijd zijn eigen candidatuur onmogelijk maakte. Monsignor Nani zag dit alles blijkbaar met groot welgevallen: noch de een, noch de ander, de plaats vrij. Het was de oude geschiedenis van die twee legendarische wolven, die met elkaar gevochten en elkaar opgegeten hadden, tot zelfs het puntje van de staart niet meer over was. Maar een man als Nani was nooit werkeloos, moest een candidaat hebben. Maar wie, wie zou de toekomstige paus zijn?

Hij was opgestaan en nam hartelijk afscheid van den jongen priester.

"Mijn zoon, ik betwijfel of ik u nog zien zal. Ik wensch u een goede reis..."

Toch ging hij niet weg, maar bleef Pierre met zijn doordringenden blik aankijken; eindelijk ging hij weer zitten en wees Pierre ook een stoel aan.

"Gij zult natuurlijk dadelijk na uw aankomst in Frankrijk kardinaal Bergerot gaan begroeten... Wees zoo goed hem mijn eerbiedige groeten over te brengen. Ik heb hem toen hij hier was om zijn kardinaalshoed te halen, leeren kennen. Hij is een der corypheeën van den Franschen clerus... O, als een zoo verheven geest werken wilde voor de goede verstandhouding in onze heilige Kerk! Maar helaas ben ik bang, dat hij vooroordeelen van opvoeding en omgeving heeft; hij helpt ons niet altijd."

Pierre luisterde verbaasd; het verwonderde hem, dat de prelaat juist in deze oogenblikken voor de eerste maal over den kardinaal begon. Maar dan liet hij alle gereserveerdheid varen en antwoordde met alle vrijmoedigheid:

"Ja, Zijne Eminentie heeft over onze oude Kerk van Frankrijk zeer vaststaande meeningen. Zoo steekt hij bijvoorbeeld zijn afschuw voor de Jezuïeten niet onder stoelen of banken."

"Wat, een afschuw van de Jezuïeten?" viel monsignor Nani hem in de rede. "Waarmede kunnen de Jezuïeten hem verontrusten? Er bestaan er niet meer, de geschiedenis met de Jezuïeten is nu uit! Hebt u er te Rome gezien? Hebben die arme Jezuïeten, die er zelfs geen steen bezitten, om hun hoofd op neer te leggen, u een stroo breed in den weg gelegd?... Neen, dien vogelverschrikker moest men nu laten rusten, dat is kinderpraat!..."

Pierre keek nu op zijn beurt den prelaat aan: hij verwonderde zich over diens ongedwongenheid, over diens kalme zelfverzekerdheid in zake deze brandende quaestie. Monsignor Nani sloeg zijn blik niet neer, maar liet in zijn oogen lezen, als waren die het boek der waarheid.

"O, als gij onder Jezuïeten de verstandige priesters verstaat, die, inplaats van met de moderne maatschappijen een onvruchtbaren, gevaarlijken strijd aan te gaan, op humane wijze trachten deze tot de Kerk terug te brengen, lieve Hemel, dan zijn we allen min of meer Jezuïeten, want het zou krankzinnigenwerk zijn geen rekening te houden met den tijd, waarin men leeft... Bovendien hang ik niet aan woorden. Wat beteekenen die? Dus goed, Jezuïeten, voor mijn part Jezuïeten, als u dat wilt!"

Hij glimlachte reeds weer met zijn vriendelijk, fijn glimlachje, waarin zooveel spot en geest lag.

"Welnu zeg aan kardinaal Bergerot, wanneer u hem ziet, dat het onredelijk is de Jezuïeten in Frankrijk te vervolgen, hen als vijanden der natie te behandelen. Juist het tegendeel is waar: de Jezuïeten zijn voor Frankrijk, omdat zij voor den rijkdom, voor de kracht en den moed zijn. Frankrijk is de eenige groote Katholieke natie, die staande gebleven is, de eenige, waaraan het pausdom eenmaal een grooten steun hebben kan. Daarom heeft dan ook de Heilige Vader, nadat hij een oogenblik gehoopt had dien steun van het overwinnende Duitschland te krijgen, een verbond gesloten met het toch pas overwonnen Frankrijk, want hij begreep, dat buiten dat land geen heil voor de Kerk te wachten was. En in dat alles heeft hij slechts de politiek gevolgd der Jezuïeten, van die afschuwlijke Jezuïeten, die men in uw Parijs zoo verfoeit... Zeg bovendien aan kardinaal Bergerot, dat het zeer mooi van hem zou zijn, wanneer hij mede wilde werken aan de bevrediging door er op te wijzen, hoe verkeerd het van uw Republiek is den paus niet krachtiger te steunen in zijn vergevingswerk. Zij doet, alsof zij hem als een quantité négligeable beschouwt; dat is een gevaarlijke fout voor bewindslieden, want al schijnt het ook, dat hij van alle politieke actie beroofd is, toch blijft hij desniettemin een ontzaglijke moreele kracht, die ieder uur een religieuse agitatie van onberekenbare draagwijdte in het leven kan roepen. Hij is het altijd nog, die over de volkeren beschikt, omdat hij over de zielen beschikt; de Republiek handelt zeer lichtzinnig, ja zelfs in zijn voordeel, door te laten blijken, dat zij dat niet meer weet... En zeg hem ten slotte dat het jammerlijk is om te zien, op welk een treurige wijze die Republiek haar bisschoppen kiest, juist alsof zij met opzet haar episcopaat wil verzwakken. Afgezien van enkele gelukkige uitzonderingen zijn uw bisschoppen armzalige geesten en bijgevolg hebben uw kardinalen, middelmatige koppen, hier niet den minsten invloed, spelen zij hier geen rol. Welk een treurig figuur zult gij in het aanstaande conclave slaan! Waarom behandelt gij dus de Jezuïeten, die politiek gesproken uw vrienden zijn, met een zoo dwazen, zoo blinden haat? Waarom maakt gij geen gebruik van hun intelligenten ijver, die bereid is u te dienen, om u zoodoende de hulp van den toekomstigen paus te verzekeren? Gij hebt dien noodig, hij moet bij u het werk van Leo XIII voortzetten, het werk dat zoo verkeerd beoordeeld, zoo bestreden wordt; het werk, dat zich niet bekommert om kleine, tijdelijke resultaten, dat voor alles arbeidt voor de toekomst, voor de vereeniging van alle volkeren in hun heilige moeder, de Kerk... Zeg dat aan kardinaal Bergerot, zeg hem, dat hij aan onze zijde moet staan, dat hij voor zijn land werkt door voor ons te werken. De toekomstige paus! Daarin ligt alles! En wee Frankrijk, wanneer het in den paus van morgen niet een voortzetter vindt van het werk van Leo XIII!"

Hij was weer opgestaan en ditmaal ging hij werkelijk. Nooit nog had hij zich op die wijze zoo lang uitgelaten. Maar ongetwijfeld had hij slechts gezegd, wat hij wilde zeggen, en wel met een doel, dat hij alleen kende, met een vastberaden langzaamheid en vriendelijkheid, waarin men voelde, dat ieder woord van te voren rijpelijk overwogen was.

"Vaarwel, mijn zoon, en nogmaals raad ik u, denk over alles wat gij te Rome gezien en gehoord hebt, goed na, wees verstandig en bederf uw leven niet!"

Pierre boog en drukte de kleine, gevulde hand, die de prelaat hem toestak.

"Ik dank u nogmaals voor al uw goedheid, monsignor, en wees overtuigd, dat ik niets van mijn reis vergeten zal."

Hij keek hem na en zag hem in zijn fijne soutane, met zijn lichten veroveraarsstap, die alle overwinningen der toekomst tegemoet meende te gaan, verdwijnen. Neen, neen, hij zou niets van zijn reis vergeten. Hij kende die vereeniging van alle volkeren in hun heilige moeder, de Kerk, die wereldlijke slavernij, waarin de wet van Christus de dictatuur van Augustus werd. En wat de Jezuïeten betreft, hij twijfelde er geen oogenblik aan, dat zij Frankrijk liefhadden, de oudste dochter de Kerk, de eenige, die haar moeder nog helpen kon om de wereldheerschappij te veroveren: maar zij hadden het lief, zooals de zwarte sprinkhanen de oogstvelden liefhebben, waarop zij neerstrijken en die zij verslinden. Een oneindige droefheid was weer in zijn hart gekomen, want hij had het heimelijk gevoel, dat in dit oude, vernietigde paleis, in dezen rouw en deze ineenstorting zij en niemand anders dan zij de bewerkers van de smart en van het ongeluk waren.

Juist op dat oogenblik zag hij don Vigilio, die voor het groote portret van den kardinaal op het wandtafeltje leunde; hij hield zijn gezicht in zijn handen, alsof hij voor eeuwig verdwijnen wilde, en beefde over zijn geheele lichaam, zoowel van koorts als van angst. In een oogenblik, dat er geen bezoekers kwamen, was hij bezweken aan een aanval van angstige wanhoop.

"Mijn God, wat hebt u?" vroeg Pierre, die naar hem toeging. "Bent u ziek? Kan ik u helpen?"

Maar don Vigilio drukte zijn vuisten in zijn oogen, stamelde tusschen zijn samengeperste handen angstig:

"O, Paparelli, Paparelli!"

"Wat heeft hij u gedaan?" vroeg de priester verwonderd.

Toen nam de secretaris zijn handen van zijn gezicht weg en gaf nog eenmaal toe aan zijn behoefte om zich te uiten.

"Wat hij mij gedaan heeft?... Maar voelt u dan niets? Ziet u dan niets? Hebt u de manier opgemerkt, waarop hij zich van kardinaal Sanguinetti meester maakte, om hem naar Zijne Eminentie te brengen? Welk een vervloekte onbeschaamdheid, om Zijne Eminentie in een dergelijk oogenblik dien verdachten, verwenschten mededinger op te dringen! En hebt u niet gezien met wat voor een gemeene gluiperigheid hij een paar minuten te voren een oude dame de deur gewezen heeft, een heel oude vriendin, die slechts de hand van Zijne Eminentie wilde kussen, een bewijs van liefde, dat haar zoo gelukkig gemaakt zou hebben?... Ik zeg u, dat hij hier de meester is, dat hij de deur opendoet en dichtmaakt, zooals hij dat verkiest, dat hij ons allen tusschen zijn vingers houdt als een beetje stof, dat je in alle windrichtingen wegblaast!"

Pierre maakte zich ongerust, toen hij zag hoe hij beefde, hoe geel zijn gezicht was.

"Kom, kom, u overdrijft!"

"Ik overdrijven?... Weet u wat er vannacht voorgevallen is, van welk tooneel ik tegen mijn zin getuige geweest ben? Dan zal ik het u vertellen."

Hij vertelde, dat donna Serafina, toen zij den vorigen dag thuis gekomen was, om midden in de vreeselijke catastrophe, die haar wachtte, te vallen, reeds met een gebroken hart terugkeerde, geheel van streek door de slechte berichten, die zij vernomen had. Bij den kardinaal-secretaris en daarna bij de prelaten, die zij kende, had zij de zekerheid gekregen, dat de vooruitzichten voor haar broeder zeer slecht stonden, dat hij zich in het Heilig College steeds talrijker vijanden gemaakt had, zoodat zijn verkiezing tot paus, in het vorige jaar waarschijnlijk, thans zoo goed als onmogelijk geworden was. Plotseling stortte de droom van haar leven in; de eerzucht, die zij altijd gekoesterd had, lag in stof voor haar voeten. Hoe? Waarom? Wanhopig had zij naar de motieven gevraagd, en nu was zij allerlei fouten van den kardinaal te weten gekomen. Hij had zich tot nuttelooze manifestaties laten verleiden, had menschen door een woord, door een daad beleedigd, in het kort een zoo uitdagende houding aangenomen, dat men meenen zou, dat hij het opzettelijk had gedaan, om alles te bederven. Het ergste was, dat zij in ieder van die fouten omstandigheden ontdekt had, die door haar afgeraden en afgekeurd waren, maar die de kardinaal doorgedreven had onder den invloed van abbé Paparelli, dien zoo nederigen, zoo deemoedigen sleepdrager, in wien zij een noodlottige macht, een ondermijnen van haar eigen zoo waakzamen en toegewijden invloed voelde. Ondanks den rouw, waarin het huis verkeerde, had zij dan ook de executie van den verrader niet willen uitstellen, te meer waar zijn oude vriendschap met Santobono en de geschiedenis met het mandje vijgen, dat uit de handen van den laatste in die van den eerste overgegaan was, in haar een vreeselijk vermoeden gewekt had, waarvan zij zelfs geen nadere opheldering wilde hebben. Maar dadelijk bij haar eerste woorden, toen zij den formeelen eisch stelde den verrader onmiddellijk de deur te wijzen, was zij bij haar broeder op een plotselingen, onoverwinlijken tegenstand gestooten. Hij had zelfs niet naar haar willen luisteren, was boos geworden, in een van die buien van hartstochtelijke woede gevallen, die alle redelijkheid wegvaagde. Hij zeide, dat het slecht van haar was een zoo bescheiden, zoo vromen heiligen man aan te vallen, beschuldigde haar, dat zij in de kaart van zijn vijanden speelde, die, na monsignor Gallo gedood te hebben, nu trachtten zijn laatste genegenheid voor dien armen, onbeduidenden priester te vergiftigen. Hij noemde al die verhalen afschuwlijke verzinsels en zwoer, dat hij hem bij zich zou houden, al was het alleen om zijn minachting voor al dien laster te toonen.

Weer had don Vigilio, door een rilling aangegrepen, zijn gezicht met zijn handen bedekt.

"O, Paparelli, Paparelli!"

Hij stamelde gesmoorde scheldwoorden: de gemeene smeerlap, die bescheidenheid en deemoed huichelde; de lage spion, die in opdracht had alles in het paleis te hooren, te zien, ten gronde te richten: het onreine, verwoestende insect, dat zich meester maakte van den edelsten buit en de manen van den leeuw wegvrat; de Jezuïet, de echte Jezuïet, knecht en tyran tegelijk, in zijn minne gemeenheid, in zijn triompheerend wormenwerk!

"Houd u toch kalm, houd u toch kalm," herhaalde Pierre, die, hoewel hij de waanzinnige overdrijving in aanmerking nam, toch zelf huiverde voor het vreeselijke onbekende, voor de dreigende, onbestemde dingen, die zich, zooals hij voelde, werkelijk in de diepte van het onbekende bewogen.

Maar sedert hij bijna die verschrikkelijke vijgen gegeten had, sedert de bliksem vlak naast hem ingeslagen was, had don Vigilio dien ontzettenden angst, welke door niets tot rust gebracht kon worden, behouden. Zelfs wanneer hij alleen was, 's nachts, in bed, achter de gesloten deur, greep die angst hem aan, deed hem onder de dekens wegkruipen, alsof er door de muren menschen zouden komen, om hem te wurgen.

Ademloos en met een zwakke stem ging hij voort:

"Ik heb het u wel gezegd op dien avond, toen we in uw kamer gepraat hebben, hoewel de deur driedubbel gesloten was... Het was verkeerd van mij, zoo vrij over hen te spreken, mijn hart eens te luchten door u alles te vertellen, waartoe zij in staat zijn. Ik was er zeker van, dat zij erachter zouden komen, en u ziet, dat zij erachter gekomen zijn, want ze hebben mij willen dooden. Kijk, op dit oogenblik is het verkeerd van mij u dit te zeggen, want zij zullen het te weten komen, en ditmaal zullen ze het beter inrichten, om mij klein te krijgen... O, het is uit, ik ben dood, dit edele huis, dat ik zoo veilig waande, zal mijn graf worden!"

Een diep medelijden met dezen koortsachtigen, door schrikbeelden en waanvoorstellingen vervolgden zieke maakte zich van Pierre meester.

"Maar vlucht u dan! Blijf niet hier! Ga naar Frankrijk of waarheen gij wilt!"

Verbijsterd keek don Vigilio, die een oogenblik kalm werd, hem aan.

"Vluchten? Waarom? Daar zijn zij ook. Overal zijn zij. Vluchten helpt me niets, altijd zou ik met hen, bij hen zijn... Neen, neen, ik blijf liever hier. Liever sterf ik hier dadelijk, als Zijne Eminentie mij niet meer verdedigen kan."

Hij richtte een smeekenden blik, waarin nog een straal van hoop trachtte òp te glanzen, op het levensgroote portret van den kardinaal. Maar de aanval kwam terug en schokte hem met verdubbelde kracht.

"Laat mij alleen, laat mij alleen, ik smeek het u!... Laat mij niet verder praten. O, Paparelli, Paparelli! Als hij terugkwam, als hij ons zag, als hij mij hoorde praten... Nooit zal ik meer een woord zeggen. Ik zal mijn tong vastbinden, ik zal mijn tong afsnijden... Laat mij toch alleen! Ik zeg u, dat gij mij doodt, dat hij terug zal komen en dat dat mijn dood is! Ga toch weg, om Godswil, ga toch weg!"

En don Vigilio keerde zich naar den muur, als wilde hij daartegen zijn gezicht verpletteren en zijn mond erin vastmetselen, zoodat hij zwijgen zou als het graf. Pierre besloot heen te gaan, want hij was bang een nog heviger aanval te provoceeren, als hij zijn hulp bleef opdringen.

Pierre begreep, dat hij als huisgenoot, donna Serafina en den kardinaal zijn deelneming moest gaan betuigen. Onmiddellijk liet hij zich naar het aangrenzend vertrek brengen, waar de prinses ontving. Zij zat, in het zwart gekleed, mager en rechtop in een fauteuil, waaruit zij waardig en langzaam even opstond, om den groet van degenen, die binnenkwamen, te beantwoorden. Met een strak gelaat en haar physieke smart overwinnend, luisterde zij naar de betuigingen van deelneming, doch antwoordde daarop in het geheel niet. Maar Pierre, die haar had leeren kennen, kon uit haar ingevallen trekken, uit haar ledige oogen, uit de bittere plooi om haar mond, de verschrikkingen raden, die zij innerlijk onderging, alles wat in haar ingestort was, zonder dat eenige hoop op herstel mogelijk scheen. Niet alleen haar geslacht was uitgestorven, maar ook haar broeder zou nooit paus worden, de paus, dien zij zoolang gehoopt had van hem te maken door haar toewijding, haar zelfverloochening van vrouw, die aan dien droom haar hoofd en haar hart, haar zorgen, haar vermogen, haar mislukt echtgenoote- en moederleven gegeven had. Zij stond voor den jongen priester, haar gast, op, zooals zij voor de anderen was opgestaan. Maar het gelukte haar in de manier van haar opstaan een kleine schakeering te brengen; hij voelde heel goed, dat hij in haar oogen nog steeds de kleine, eenvoudige Fransche priester was, de laagste dienaar in God's dienst, nu hij zich zelfs niet tot den rang van prelaat had weten op te werken.

Toen, zij, na hem met een flauw hoofdknikje voor zijn betuiging van deelneming bedankt te hebben, weer was gaan zitten, bleef hij uit beleefdheid nog een oogenblik staan. Geen geluid, geen woord verstoorde den droefgeestigen vrede van het vertrek. Toch waren er vier of vijf dames, bezoeksters, aanwezig; zij zaten echter eveneens in een troostelooze, zwijgende onbeweeglijkheid op haar stoelen. Het meest werd Pierre echter getroffen door de aanwezigheid van kardinaal Sarno, een der oude huisvrienden, die met zijn zwak lichaam en zijn hoogeren linkerschouder met gesloten oogen in een fauteuil neergevallen was. Nadat hij donna Serafina zijn deelneming betuigd had, was hij onwillekeurig nog wat gebleven en toen, door de drukkende stilte en de benauwend-warme atmospheer in slaap gevallen. En iedereen eerbiedigde zijn slaap. Droomde hij in zijn sluimering van de kaart der geheele Christenheid, die hij in zijn laaggebouwd hoofd met de stompzinnige uitdrukking had? Zette hij, achter dat vale geloofsmasker van een door een halve eeuw van bureauleven afgestompten, ouden ambtenaar, in zijn droom zijn vreeselijk veroveringswerk voort, om de aarde van uit de diepte van zijn somber bureau in het paleis der Propaganda te onderwerpen en te regeeren? De dames richtten geroerde en eerbiedige blikken op hem; men beknorde hem soms zacht, dat hij te veel werkte, en zag in deze slaapzucht, die zich in den laatsten tijd overal van hem meester maakte, het bewijs van zijn buitensporigen ijver en zijn genie. Pierre echter zou van deze almachtige Eminentie slechts dit laatste beeld met zich nemen: een uitgeputte grijsaard, uitrustend na de aandoeningen van een catastrophe, slapend als een oud, onschuldig kind, zonder dat men zien kon, of dit het begin van kindschheid was of de uitputting na een in den dienst doorgebrachten nacht, om God over het een of andere ver weg gelegen stuk land te laten heerschen.

Twee dames gingen weg, drie andere kwamen binnen. Donna Serafina was uit haar fauteuil opgestaan, had geknikt en dan haar strakke houding hernomen. Kardinaal Sarno sliep nog altijd. Nu kreeg Pierre het te benauwd; hij dacht te stikken; een duizeling beving hem, zijn hart klopte met zware slagen. Hij boog en ging heen. Toen hij zich door de eetkamer naar het studeerkamertje wilde begeven, waar de kardinaal ontving, stond hij plotseling tegenover abbé Paparelli, die de deur jaloersch bewaakte.

Toen de sleepdrager hem herkende, begreep hij, dat hij hem den doorgang niet weigeren kon. Trouwens, daar de binnendringer den volgenden dag, verlegen en beschaamd, vertrekken zou, was er niets van hem te vreezen.

"U wenscht Zijne Eminentie te spreken? Uitstekend... Dadelijk, wacht maar even!"

En toen hij vond, dat hij te dicht bij de deur kwam, drong hij hem naar het andere gedeelte van het vertrek terug, ongetwijfeld bang, dat hij een woord opvangen zou.

"Zijne Eminentie is nog in gesprek met Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti... Wacht daar, wacht daar!"

Inderdaad was Sanguinetti voor den vorm zeer lang op zijn knieën voor de beide dooden in de troonzaal blijven liggen. Vervolgens had hij ook zijn bezoek aan donna Serafina gerekt, om goed te laten uitkomen hoezeer hij deel nam in de rouw der familie. En nu was hij reeds meer dan tien minuten bij den kardinaal, zonder dat men iets anders hoorde dan nu en dan het gemurmel van hun stemmen.

Nu Pierre Paparelli hier weer vond, werd hij opnieuw vervolgd door alles wat don Vigilio hem verteld had. Hij nam hem op: hij was dik, kort, ziekelijk opgeblazen door het vet en geleek met zijn slap gezicht, dat op veertigjarigen leeftijd reeds door rimpels misvormd was, en in zijn vuile soutane op een heel oude jongejuffrouw, waarvan het celibaat een half slap geworden varkensblaas gemaakt heeft. En Pierre vroeg zich met verwondering af, hoe kardinaal Boccanera, die hoogmoedige prins, die in zijn onverwoestbaren trots op zijn naam het hoofd zoo hoog droeg, zich had kunnen laten inpalmen en beheerschen door een wezen, dat zoo foei-leelijk was en dat zijn laagheid zoo aan te zien was. Of waren misschien juist het lichamelijke verval van dit wezen, deze groote moreele deemoed hem opgevallen als zeldzame, buitengewone gaven des heils, die hem ontbraken, en was hij daarna onder de bekoring daarvan gekomen? Zij waren een hoon voor zijn eigen schoonheid, voor zijn eigen trots. Hij, die niet zoo mismaakt kon worden, die zijn eigen begeerte naar roem niet overwinnen kon, moest er door een groote krachtsinspanning van zijn geloof in geslaagd zijn dit eindeloos leelijke, eindeloos lage creatuur te benijden, te bewonderen, als een hoogere, de poorten des hemels wijd open zettende macht der boete en der menschelijke vernedering te dulden. Wie zal ooit den invloed verklaren, dien het monster heeft op den held, dien de met ongedierte bedekte, tot een voorwerp van afschuw geworden heilige over de machtigen dezer wereld bezit, die bang zijn hun aardsche vreugden te moeten boeten in het eeuwige vlammenvuur? Ja, dat was wel de leeuw, die door het insect weggevreten wordt, nu zooveel kracht en glans door het onzienlijke vernietigd werd.