De drie steden: Rome

Part 57

Chapter 573,795 wordsPublic domain

Onophoudelijk kwamen nu met langzamen stap en rouwgezichten, menschen binnen, knielden neer, baden eenige minuten en gingen dan weer op dezelfde troostelooze, zwijgende wijze weg. Pierre voelde zijn keel samensnoeren, toen hij de moeder van Dario, de nog altijd mooie Flavia, binnenkomen zag. Zij was vergezeld door haar echtgenoot, den mooien Jules Laporte, den voormaligen sergeant der Zwitsersche garde, van wien zij een markies Montefiori gemaakt had. Zij was reeds den vorigen avond, toen men haar den dood van haar zoon medegedeeld had, gekomen, doch nu kwam zij officieel, in diepen rouw, prachtig nog in al dat zwart, dat haar eenigszins gezette Juno-gestalte zoo goed kleedde. Toen zij bij het bed gekomen was, bleef zij een oogenblik staan; twee tranen, die niet naar beneden vielen, hingen aan den rand van haar oogleden. Voor zij neerknielde, vergewiste zij zich of Jules wel naast haar was, en beval hem met een blik eveneens naast haar neer te knielen. Dan bleven beiden aan den rand der estrade den daarvoor passenden tijd in gebed verzonken; zij zeer waardig en door haar verdriet verpletterd, hij nog veel waardiger met de volmaakte wanhoop van een man, die zich in alle levensomstandigheden, zelfs de ernstigste, op zijn plaats gevoelt. Eindelijk stonden beiden op en verdwenen door de deur der vertrekken, waar de kardinaal en donna Serafina de familieleden en intieme kennissen ontvingen.

Vijf dames traden achter elkaar binnen, terwijl twee Capucijners en de Spaansche gezant bij den Heiligen Stoel weggingen.

"Daar is de kleine prinses," riep plotseling Victorine, die eenige oogenblikken gezwegen had. "Wat is zij bedroefd; zij hield ook zooveel van onze Benedetta!"

Inderdaad zag Pierre Celia, die zich voor dit vreeselijke afscheidsbezoek in het zwart gekleed had, binnenkomen. Achter haar hield de kamenier, die zij medegenomen had, in iederen arm een grooten ruiker witte rozen.

"De kleine schat!" prevelde Victorine weer. "Zij had zoo graag gewild, dat haar huwlijk met Attilio tegelijk gesloten zou worden met dat van de twee arme dooden, die daar in liefde rusten. Nu zijn zij haar nog voor geweest; zij zijn al getrouwd en slapen daar al hun eersten bruidsnacht."

Onmiddellijk was Celia nedergeknield en had het teeken des kruises gemaakt. Maar oogenschijnlijk bad zij niet; in wanhopige verbazing keek zij naar de twee dierbare gelieven, die zij zoo wit, zoo koud, in een zoo marmeren schoonheid terugvond. Waren enkele uren daarvoor voldoende geweest? Was het leven ontvloden, zouden die lippen elkaar nooit meer kussen? Zij zag ze weer voor zich, zooals zij op dien avond van het bal in levende liefde triomphantelijk gestraald hadden! Een woedend verzet rees uit haar jong, voor het leven openstaande, naar vreugde en zonlicht dorstend hart op tegen den onredelijken dood. En die woede, die afschuw, die smart in het aangezicht van het Niet, waarin alle hartstocht verstart, waren duidelijk te lezen op haar onschuldig gezichtje, dat op een reine, gesloten lelie geleek. Nooit had haar onschuldige mond met de over de witte tanden gesloten lippen, nooit hadden haar als bronwater heldere oogen een ondoorgrondelijker mysterie, een dieper hartstochtsleven uitgedrukt, dat zij niet kende, waarin zij nu binnentrad en dat dadelijk op den drempel tegen deze twee geliefde dooden stootte, wier verlies haar hart schokte.

Zacht sloot zij haar oogen en trachtte te bidden, terwijl nu dikke tranen uit haar neergeslagen oogen vielen. Een oogenblik verliep te midden van de huiverende stilte, die alleen door het zachte geluid der mis verstoord werd. Eindelijk stond zij op, liet zich door de kamenier de twee ruikers witte rozen geven, die zij zelf op het bed leggen wilde. Op de estrade staande, aarzelde zij even; dan legde zij ze rechts en links van het kussen, waarop de beide hoofden rustten, als had zij deze met die bloemen gekroond. Zij legde ze in hun haren en maakte hun jonge voorhoofden geurig met dien zoo zachten en sterken geur. Maar toen haar handen ledig waren, ging zij niet weg; zij bleef daar vlak bij hen staan, boog zich bevend over hen heen, vond nog niet wat zij hun zeggen, voor eeuwig van haar op hen achterlaten kon. Zij vond het: zij boog zich nog dieper over haar heen en drukte twee lange kussen, haar geheele, diepe, liefhebbende ziel op de kille voorhoofden der echtgenooten.

"De dappere kleine," zeide Victorine, wier tranen begonnen te stroomen. "Zij heeft hun een zoen gegeven; daar heeft nog niemand aan gedacht, zelfs zijn moeder niet. Het dappere kind! Zij heeft daarbij zeker aan haar Attilio gedacht!"

Toen Celia zich omdraaide om van de estrade af te gaan, zag zij Pierina, die in stomme, smartelijke aanbidding nog steeds half achterover lag. Zij herkende haar en kreeg een diep medelijden met haar, toen zij zag, dat zij weer zoo zwaar begon te snikken, dat haar lichaam, haar heupen en haar godinne-boezem heftig schokten. Deze liefdesmart trof haar tot in haar ziel als een ramp, waarbij al het overige in het niet zonk. Men hoorde haar op zachten, diep-medelijdenden toon zeggen:

"Kalmeer je, kalmeer je toch!... Ik smeek je, wees toch verstandig!"

Toen Pierina, maar nu van schrik, dat men haar zoo toesprak en beklaagde, nog heviger begon te snikken, richtte Celia haar op en steunde haar met haar beide armen uit vrees, dat zij vallen zou. Toen leidde zij haar in een zusterlijke omarming als een zuster in liefde en wanhoop uit de zaal, terwijl zij haar vriendelijke woorden influisterde:

"Ga haar toch na, ga toch kijken, wat er van haar wordt," zeide Victorine tegen Pierre. "Ik wil hier niet vandaan; het geeft mij zoo'n rust over die lieve kinderen te waken."

Voor het geïmproviseerde altaar begon een andere priester een nieuwe mis; weer begon het eentonig afzingen der Latijnsche woorden. De bloemengeur werd in de onbeweeglijke, droefgeestige atmospheer van het groote vertrek steeds sterker en drukkender en streelde bedwelmend de zinnen. Op den achtergrond stonden de bedienden roerloos als bij een gala-receptie. En voor het praalbed, dat de twee bleeke kaarsen als sterren verlichtten, bleef het treurdéfilé geruischloos doorgaan: vrouwen en mannen knielden een oogenblik neder en ging dan weer weg met het onvergetelijke beeld der twee tragische gelieven, die hun eeuwigen slaap sliepen.

Pierre haalde Celia en Pierina in in de eere-antichambre, waar don Vigilio zich bevond. Men had daar in een hoek de paar stoelen uit de troonzaal gezet, en de kleine prinses had de arbeidster gedwongen op een fauteuil te gaan zitten, om wat tot zichzelf te komen. In extase stond zij voor haar, verrukt over haar schoonheid. Dan sprak zij weer over de twee dooden, die haar ook zoo mooi toegeschenen waren: van een trotsche, zachte, vreemde schoonheid. Ondanks haar tranen werd zij geheel door haar bewondering medegesleept. Toen de priester Pierina aan het praten kreeg, hoorde hij, dat Tito, haar broer, met een door een messteek doorboorde heup in groot levensgevaar in het ziekenhuis lag; in de Prati del Castello was sedert het begin van den winter de toch al vreeselijke ellende nog grooter geworden. Iedereen had groot verdriet; degenen, die de dood wegnam, moesten eigenlijk blijde zijn. Maar met een gebaar van overwinlijke hoop verjoeg Celia het lijden, den dood zelf.

"Neen, neen, men moet leven. En om te leven, is het voldoende mooi te zijn... Kom, lieve kind, blijf niet hier, huil niet meer, leef voor het genot mooi te zijn!"

Zij nam haar mede en Pierre bleef door een zoo moe makende droefheid op een der fauteuils zitten, dat hij zich het liefst niet meer bewogen had. Don Vigilio bleef iederen bezoeker met een buiging groeten. 's Nachts had hij een hevigen koortsaanval gehad; hij rilde er nog van, terwijl zijn brandende oogen onrustig rondkeken. Telkens weer wierp hij een blik op Pierre, alsof hij zijn begeerte, om met hem te spreken, niet bedwingen kon, maar de vrees, dat abbé Paparelli het door de wijd openstaande deur der antichambre ernaast zien zou, weerhield hem blijkbaar, want hij bleef den sleepdrager steeds in het oog houden. Eindelijk moest deze zich een oogenblik verwijderen en kwam don Vigilio naar den priester toe.

"U is gisteren bij Zijn Heiligheid geweest?"

Verbaasd keek Pierre hem aan.

"Ik heb u toch al zoo dikwijls gezegd, dat je alles hoort. U hebt uw boek heel eenvoudig teruggetrokken, niet waar?"

De toenemende verbazing van den priester zeide hem genoeg, zoodat hij hem niet eens den tijd tot antwoorden liet.

"Ik vermoedde het, maar ik wilde er zekerheid van hebben. Dat is natuurlijk weer allemaal hun werk. Gelooft u me nu, is u nu overtuigd, dat zij hen, die zij niet vergiftigen, wurgen?"

Hij bedoelde natuurlijk de Jezuïeten. Voorzichtig keek hij rond, om te zien, of abbé Paparelli nog niet terug was.

"En wat heeft monsignor Nani u gezegd?"

"Pardon," antwoordde Pierre eindelijk; "ik heb monsignor Nani nog niet gesproken."

"O, ik dacht het... Hij is voor u door deze zaal gekomen. Als u hem niet in de troonzaal gezien hebt, is hij zeker donna Serafina en den kardinaal gaan condoleeren. Hij zal dadelijk wel terugkomen, let maar op."

En met zijn bitterheid van steeds geterroriseerd en overwonnen zwak man voegde hij eraan toe:

"Ik heb u wel voorspeld, dàt u ten slotte doen zoudt wat hij wilde."

Maar hij meende het zachte getrippel van abbé Paparelli te hooren, ging onmiddellijk naar zijn plaats terug en begroette twee oude dames, die binnen kwamen, met zijn buiging. Pierre, die terneergedrukt en met half gesloten oogen was blijven zitten, zag nu eindelijk Nani voor zich, zooals hij in werkelijkheid was; een sluw diplomaat. Hij herinnerde zich, wat don Vigilio in dien nacht, dat zij zoo vertrouwelijk gepraat hadden, hem verteld had over dezen man, die veel te handig en te slim was, om een impopulair kleed aan te trekken, maar verder zeer charmant was, de wereld door zijn verschillende functies aan de nuntiatuur en het H. College uitstekend kende, in alle zaken betrokken en van alles op de hoogte, met één woord een der geestelijke leiders van het moderne zwarte leger was, dat door zijn opportunisme den geest der eeuw voor de Kerk wilde terugwinnen. En plotseling ging een alles helder makend licht in hem op: hij zag in, door welke soepele en bewonderenswaardig handige politiek die man hem gebracht had tot de daad, die hij van zijn schijnbaar vrijen wil had willen verkrijgen: het zonder reserve terugnemen van zijn boek. Bij het eerste bericht, dat men het boek vervolgde, had zich een groote teleurstelling, een plotselinge vrees van hem meester gemaakt, dat men den geëxalteerden schrijver tot een verzet zou drijven, dat onaangename gevolgen hebben kon; dadelijk stond zijn plan vast; inlichtingen omtrent dezen jongen priester, die tot een schisma in staat was, werden ingewonnen, zijn reis naar Rome bewerkt, een onderdak hem aangeboden in een oud paleis, welks muren zelf hem verstarren en leeren zouden. Dan volgde de eene hinderpaal op de andere, zijn verblijf werd verlengd, doordat men hem belette den paus te spreken, door hem de zoo vurig begeerde audiëntie te beloven, zoodra het uur daartoe gekomen was, nadat men hem van den een naar den ander verwezen had: van monsignor Fornaro naar pater Dangelis, van kardinaal Sarno naar kardinaal Sanguinetti. Dan kwam eindelijk, toen alles--dingen en menschen--hem afgemat en uitgeput gemaakt had, hem weer opnieuw aan den twijfel overgeleverd had, de audiëntie, waarop men hem sedert drie maanden voorbereidde, dat bezoek aan den paus, dat zijn droom geheel vernietigen moest. Nu zag hij Nani weer voor zich met zijn fijn glimlachje, zijn heldere oogen van sluwen diplomaat, die plezier heeft in een experiment; hij hoorde hem met zijn licht spottende stem zeggen, dat het een ware genade der Voorzienigheid was, wanneer deze hinderpalen hem in staat stelden Rome te bezichtigen, na te denken, te begrijpen; een onderricht, een opvoeding, die hem vele fouten besparen zou. En hij, die gekomen was met zijn apostelgeestdrift, die van strijdlust gegloeid, die gezworen had zijn boek nooit te zullen terugnemen! Was het niet de hoogste diplomatie op die wijze zijn gevoel tegen zijn rede gebroken te hebben door een beroep te doen op zijn intellect, opdat dit, zonder ergernisgevenden strijd, het nuttelooze en leugenachtige boek terugnemen zou--iets, wat van zelf gebeuren zou, zoodra het zich in het aangezicht van het werkelijke Rome, rekenschap gegeven zou hebben hoe reusachtig belachelijk het was van een nieuw Rome te droomen?

Op dat oogenblik zag Pierre monsignor Nani uit de troonzaal komen; maar hij voelde niet den wrok, dien hij verwacht had te zullen voelen. Integendeel, hij was gelukkig, toen de prelaat, die op zijn beurt Pierre ook gezien had, met uitgestoken hand naar hem toekwam. Hij glimlachte echter niet, zooals gewoonlijk; zijn gelaat stond ernstig, was smartelijk vertrokken.

"O, wat een ontzettende catastrophe, mijn zoon! Ik kom zoo juist van Zijne Eminentie. Het is vreeselijk om zijn verdriet te zien."

Hij ging op een der stoelen zitten en noodigde met een handgebaar den priester uit ook weer plaats te nemen; dan zweeg hij een oogenblik, ongetwijfeld was hij moe van opwinding, en had hij enkele minuten noodig om zich te herstellen van de smartelijke gedachten, die zijn anders zoo opgewekt gezicht zoo versomberden. Dan scheen hij die gedachten met een gebaar te verjagen en vond hij zijn gewone vriendelijkheid terug.

"Welnu, mijn zoon, hebt gij met Zijne Heiligheid gesproken?"

"Ja, monsignor, gisterenavond, en ik dank u zeer voor de groote goedheid, waarmede u mijn verlangen tegemoet gekomen zijt!"

Nani keek hem strak aan, terwijl een onbedwingbaar glimlachje op zijn lippen verscheen.

"U bedankt mij... Ik zie wel, dat gij verstandig geweest zijt door u voor de voeten van Zijne Heiligheid geheel te onderwerpen. Ik was er zeker van, ik verwachtte niets anders van uw helder inzicht. Maar toch maakt u mij zeer gelukkig, want ik constateer tot mijn groote blijdschap, dat ik me niet in u vergist heb!"

Hij liet zich gaan en voegde er aan toe:

"Nooit heb ik met u gediscussieerd. Waartoe diende het, nu de feiten er waren, om u te overtuigen. En nu gij uw boek teruggenomen hebt, zou iedere verdere discussie nog nutteloozer zijn... Maar toch zou ik u wel in overweging willen geven het volgende eens goed te overdenken: wanneer het in uw macht was de Kerk terug te brengen tot haar begin, tot die Christelijke gemeenschap, waarvan u een zoo bekoorlijke schildering gegeven hebt, dan zou de Kerk zich toch slechts weer in die banen kunnen bewegen, waarin God haar reeds eenmaal geleid heeft... Neen, God heeft wat hij gedaan heeft, goed gedaan: de Kerk moet, zooals zij is, de wereld regeeren, zooals zij is; het staat aan haar alleen uit te maken hoe zij haar heerschappij hier op aarde krachtig verzekeren wil. Daarom was een aanval op de wereldlijke macht een onvergeeflijke fout, een misdaad, want door het pausdom van zijn grondbezit te berooven, levert zij het over aan de genade der volkeren... Uw nieuwe godsdienst is ten slotte niets anders dan het ineenstorten van allen godsdienst, de moreele anarchie, de vrijheid tot afscheiding, in één woord de vernietiging van het goddelijke gebouw, van het eeuwenoude, aan wijsheid en kracht zoo rijke Katholicisme, dat tot heden voldoende geweest is voor het heil der menschen, dat alleen hen vermag te redden--morgen en in alle eeuwigheid."

Pierre voelde, dat hij oprecht vroom was, een werkelijk onwrikbaar geloof bezat en de Kerk als een dankbare zoon lief had, vast overtuigd, dat zij de mooiste, de eenige sociale organisatie was, die de menschheid gelukkig zou kunnen maken. Wanneer hij de wereld wilde regeeren, dan was de vreugde om te heerschen in dien wil een overheerschende factor, maar ook uit de overtuiging, dat niemand hem beter regeeren zou dan hij.

"O zeker, over de middelen valt te praten. Wat mij persoonlijk betreft, ik zou die graag zoo zacht en humaan mogelijk willen zien, middelen, die geheel in overeenstemming zijn met de geest der eeuw, die ons schijnt te ontsnappen, juist omdat er een eenvoudig misverstand tusschen hem en ons bestaat... Daarom ben ik zoo blij, mijn zoon, u terug te zien keeren in den schoot der Kerk, denkend als wij, bereid met ons te strijden."

De priester vond in deze woorden als de argumenten van Leo XIII zelf terug. Daar hij een direct antwoord vermijden wilde, boog hij nogmaals en sprak langzamer, om het bittere beven van zijn stem te verbergen.

"Ik herhaal, monsignor, hoe dankbaar ik u ben, dat u met de ervaren hand van een volmaakt chirurg mij van mijn ijdele illusies bevrijd hebt. Morgen, wanneer ik geen pijn meer hebben zal, zal ik u er eeuwig dankbaar voor zijn."

Monsignor Nani bleef hem glimlachend aankijken. Hij begreep wel, dat deze jonge priester zich verder afzijdig houden zou, een voor de Kerk verloren kracht was. Wat zou hij morgen doen? De een of andere nieuwe dwaasheid natuurlijk. Maar de prelaat was reeds blijde, dat hij hem geholpen had de eerste goed te maken; de toekomst kon hij niet vooruitzien.

"Mag ik u ten slotte nog een raad geven?" vroeg hij. "Wees verstandig; uw geluk als mensch en priester ligt in deemoed. U zult vreeselijk ongelukkig worden, indien gij de buitengewone intelligentie, die God u gegeven heeft, tegen God gebruikt."

Dan gaf hij met een nieuw gebaar te kennen, dat de zaak voor hem afgeloopen, voor goed uit was. Nu maakte de andere zaak hem weer somber, de andere zaak, die ook ten einde liep--maar op zoo tragische wijze door den verpletterenden dood van die twee kinderen, die in de zaal ernaast sliepen.

"O," ging hij voort, "wat heb ik vreeselijk te doen met die arme prinses en dien armen kardinaal. Nog nooit is een zoo verschrikkelijke catastrophe op een huis neergekomen. Neen, neen, het is te veel! Het ongeluk gaat te ver; de ziel komt daartegen in verzet!"

Maar op dat oogenblik kwam een geluid van stemmen uit de tweede antichambre en tot zijn groote verbazing zag Pierre kardinaal Sanguinetti, dien abbé Paparelli met groote onderdanigheid begeleidde, langs zich gaan.

"Indien Uwe Eminentie de goedheid hebben wil mij te volgen, zal ik Uwe Eminentie zelf brengen."

"Ja, ik ben gisterenavond uit Frascati teruggekomen, en toen ik de droeve tijding hoorde, heb ik dadelijk mijn troost en deelneming willen brengen."

"Indien het Uwe Eminentie moge behagen enkele oogenblikken bij de lijken te vertoeven, dan zal ik u daarna bij Zijne Eminentie brengen."

"Uitstekend. Ik sta er op, dat men weet hoezeer ik deel neem aan den rouw, die dit illustere huis treft."

Hij verdween in de troonzaal en Pierre bleef, verstomd over een dergelijke kalme onbeschaamdheid, zitten. Hij beschuldigde hem niet van directe medeplichtigheid, hij durfde niet nagaan hoever zijn moreele medeplichtigheid ging. Maar nu hij hem daar met opgeheven hoofd en zoo beslist sprekend langs zich zag gaan, kreeg hij de plotselinge, vaste overtuiging, dat hij alles wist. Hoe? Door wien? Hij zou het niet kunnen zeggen. Ongetwijfeld op de wijze, waarop misdaden in deze duistere kringen, onder menschen, die er belang bij hebben ze te weten, aan het licht komen. Een rilling doorhuiverde hem nu hij nogmaals dacht aan het hautaine optreden van dezen man; hij kwam misschien om kwade vermoedens in hun geboorte te verstikken, zeker, om een handigen politieken zet te doen door zijn mededinger een openlijk bewijs van achting en toegenegenheid te geven.

"De kardinaal hier!" prevelde Pierre onwillekeurig.

Monsignor Nani, die Pierre's gedachten in zijn kinderoogen, die alles verrieden, las, deed, alsof hij de beteekenis van dien uitroep anders opvatte.

"Ja, ik had al gehoord, dat hij sedert gisterenavond weer in Rome is. Hij wilde niet langer wegblijven, nu de Heilige Vader zich weer beter gevoelt en hem misschien noodig hebben kan."

Hoewel het met een volmaakt onschuldig gezicht gezegd werd, liet Pierre er zich geen oogenblik door op een dwaalspoor brengen. En nadat hij op zijn beurt den prelaat aangekeken had, kwam hij tot de overtuiging, dat ook deze alles wist. Plotseling zag hij de geheele zaak in haar vreeselijke gecompliceerdheid, in de geheele wreedheid, die het lot eraan gegeven had. Nani, een zeer intiem vriend der Boccanera's, was toch zeker geen man zonder hart en hield zeker veel van Benedetta, door wier schoonheid en gratie hij ongetwijfeld bekoord was. Dat kon verklaren, waarom hij op zoo zegepralende wijze de nietigverklaring van het huwlijk had laten uitspreken. Maar volgens don Vigilio was deze ten koste van veel geld en onder den druk van zeer bekende invloeden verkregen scheiding een schandaal, dat hij in den beginne gerekt had en dan tot een opzienbare oplossing verhaast had met het eenige doel den kardinaal op den vooravond van het conclave, dat iedereen voor aanstaande hield in discrediet te brengen en voor de tiara onmogelijk te maken.

Trouwens, het scheen niet te betwijfelen, dat de intransigente en van alle diplomatie afkeerige kardinaal niet de candidaat van den zoo soepelen Nani, die een overtuigde voorstander van een algemeene vereeniging was, zijn kon; zoo kon de lange arbeid van dezen laatste in het huis, niettegenstaande hij de lieve contessina gelukkig trachtte te maken, niets anders geweest zijn dan een langzame, ononderbroken vernietiging van het eerzuchtig streven van broeder en zuster, dat hun geslacht aan de Kerk een derden paus zou geven. Maar ook al had hij dat ook altijd gewild, ook al had hij misschien een oogenblik voor kardinaal Sanguinetti gewerkt, ook al had hij op dezen zijn hoop gesteld, toch was het nooit in hem opgekomen, dat men het tot een misdaad zou laten komen, tot den afschuwlijken gruwel van een aan een verkeerd adres komend en onschuldigen treffend vergif komen zou. Neen, neen, het was te veel, zooals hij zeide, de ziel kwam daartegen in opstand. Hij gebruikte zachtere wapenen; een dergelijke ruwheid stootte hem tegen de borst. Op zijn zoo blozend en welgevormd gezicht was nog de ernst van zijn woede te lezen, die hem bij het zien van den treurenden kardinaal en die twee in zijn plaats getroffen gelieven aangegrepen had.

Pierre, die in de meening verkeerde, dat kardinaal Sanguinetti nog altijd de heimlijke candidaat van den prelaat was, werd ondanks alles nog steeds gekweld door de vraag hoe ver de moreele medeplichtigheid van dezen laatste ging. Hij vatte het gesprek weer op.

"Men zegt, dat Zijne Heiligheid het met Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti niet bijster goed vinden kan. Trouwens dat is vrij natuurlijk, want de regeerende paus kan den toekomstigen moeilijk met een vriendelijk oog aanzien."

Monsignor Nani liet zich een oogenblik in alle vrijmoedigheid gaan:

"O, de kardinaal heeft reeds drie of viermaal met het Vaticaan op gespannen voet gestaan, om zich dan weer met den paus te verzoenen. En in ieder geval behoeft de Heilige Vader geen posthume jaloezie te toonen; hij weet, dat hij Zijne Eminentie heel goed ontvangen kan."

Doch dan speet het hem, zich zoo beslist uitgelaten te hebben en verbeterde hij zich:

"Ik scherts maar wat, Zijne Eminentie is het groote geluk, dat hem misschien wacht, volkomen waard."