De drie steden: Rome

Part 56

Chapter 563,903 wordsPublic domain

Toen had donna Serafina zich bezig gehouden met het laatste toilet der dooden. Volgens het gebruik was het dienstpersoneel daarbij aanwezig; Victorine, als de oudste, had de familie geholpen. Men had de beide geliefden eerst in het losgeraakte haar van Benedetta moeten hullen, het geurige, dikke, lange, op een koninklijken mantel gelijkende haar; daarna had men hen in dezelfde witzijden lijkwade gewikkeld, die vastgemaakt werd onder den hals en in den dood één enkel wezen van hen gemaakt had. En weer had de kardinaal geëischt, dat zij naar zijn vertrekken gebracht en in het midden der troonzaal op een praalbed gelegd zouden worden, om hun daardoor een laatste eerbewijs te geven, hun, den laatsten van hun naam, den tragischen geliefden, met wie de eertijds zoo groote roem der Boccanera's tot het stof terugkeerde. Donna Serafina had zich dadelijk bij dat plan neergelegd, want zij vond het weinig passend, dat haar nicht, zelfs als doode, in deze kamer op het bed van een jongen man gezien zou worden. De door den kardinaal gemaakte voorstelling der feiten was reeds in omloop: het plotselinge verscheiden van Dario, die in enkele uren door een infectiekoorts weggerukt was; de waanzinnige smart van Benedetta, die op zijn lijk den laatsten adem uitgeblazen had, toen zij hem voor een laatste maal in haar armen drukte; de koninklijke eer, die men hun bewees; de prachtige doodenbruiloft, die men hun bereidde, terwijl zij beiden op hetzelfde eeuwige rustbed lagen. Geheel Rome zou, door deze geschiedenis van liefde en dood geschokt, gedurende twee weken over niets anders praten.

In zijn haast, die hij had, om deze stad, waar hij het laatste overschot van zijn geloof had verloren, te verlaten, zou Pierre nog dienzelfden avond naar Frankrijk vertrokken zijn. Maar hij wilde de begrafenis medemaken en had daarom zijn vertrek tot den volgenden avond uitgesteld. Den geheelen dag nog zou hij hier doorbrengen In dit paleis, dat instortte, dicht bij deze dooden, die hij had liefgehad, en hij zou trachten voor hen de gebeden in de diepte van zijn leege, gemartelde ziel terug te vinden.

Toen hij voor de receptievertrekken van den kardinaal op de eerste verdieping stond, kwam de herinnering in hem op aan den eersten dag, dat hij zich hier voor de audiëntie bij den kerkvorst aangemeld had. Het was dezelfde indruk van een oude, nu versleten en door het stof van het verleden bedekte, vorstelijke pracht. De deuren der drie groote antichambres stonden wijd open; de vertrekken met hun hooge donkere plafonds waren in dit vroege ochtenduur nog geheel ledig. In het eerste stond slechts Giacomo, onbeweeglijk in zijn zwarte livrei, tegenover den ouden, rooden kardinaalshoed, die met zijn half vergane kwasten, waartusschen de spinnen hun netten weefden, onder den baldakijn hing. In het tweede, waarin zich vroeger de secretaris ophield, wachtte abbé Paparelli, de sleepdrager, die ook de functie van kamerheer vervulde, de bezoekers af en liep met kleine, bijna onhoorbare passen heen en weer: nog nooit had hij met zijn innemenden ootmoed, zijn verdacht uiterlijk van kruipende almacht, meer op een oude, door al te strenge godsdienstige oefeningen vale en gerimpelde, jongejuffrouw in een zwarten rok geleken. Ten slotte had in de derde antichambre, de eere-antichambre, waar de baret op een tafeltje tegenover het groote, gebiedende portret van den kardinaal in gala-costuum lag, don Vigilio zijn schrijftafel verlaten en stond nu aan de deur der troonzaal, om de personen, die deze betraden, met een buiging te begroeten. En op dezen somberen winterochtend schenen deze zalen nog droefgeestiger en meer vervallen; de behangsels hingen aan flarden, de enkele meubelen waren vuil door het stof, het oude houtwerk brokkelde af onder het aanhoudende knagen der wormen, alleen de zolderingen behielden nog haar pronk van triomphantelijke verguldingen en beschilderingen.

Maar Pierre, dien abbé Paparelli met een overdreven diepe buiging gegroet had, waarin een ironisch soort afscheid, zooals men dat aan een overwonnene geeft, niet te miskennen viel, werd vooral getroffen door de droefgeestige grootschheid van deze drie groote, in puin vallende zalen, die dezen dag naar de in een doodsvertrek veranderde troonzaal leidden, waarin de twee laatste kinderen des huizes sliepen. Welk een prachtige en troostelooze doodenpraal! Al deze wijd geopende deuren, al het ledige van deze te groote vertrekken, nu zij niet meer door de vroegere menigten bevolkt werden, en die thans leidden tot den diepen rouw over het einde van een geslacht! De kardinaal had zich opgesloten in zijn studeerkamer, waar hij de familieleden en intieme vrienden ontving, die erop stonden hem hun deelneming te betuigen, terwijl donna Serafina harerzijds een vertrek ernaast gekozen had, om haar vriendinnen te ontvangen. Pierre, die door Victorine van het ceremonieel op de hoogte gebracht was, moest ertoe besluiten onmiddellijk naar de troonzaal te gaan, waar hij opnieuw begroet werd met een diepe buiging, ditmaal door don Vigilio, die, bleek en zwijgend, hem zelfs niet scheen te herkennen.

Hier wachtte den priester een verrassing. Hij had zich een volkomen donkere chapelle ardente gedacht, waarin honderden kaarsen branden zouden om een katafalk, die midden in de met zwarte draperieën behangen zaal zou staan. Men had hem gezegd, dat de lijken hier op het praalbed gelegd waren, omdat de oude kapel van het paleis, die op den rez-de-chaussée lag, sedert vijftig jaren gesloten en buiten gebruik was en de kleine particuliere kapel van den kardinaal te klein voor een dergelijke plechtigheid zijn zou. Men had dan ook een altaar in de troonzaal moeten oprichten, waar sedert den ochtend de eene mis op de andere volgde. Bovendien moesten er eveneens den geheelen dag missen gelezen worden in de particuliere kapel, evenals men twee andere altaren opgeslagen had, een in een klein naast de eere-antichambre gelegen vertrek en een in een soort alkoof, dat uitkwam op de tweede antichambre. Zoo kwam het, dat priesters, voornamelijk Franciscanen, en tot arme orden behoorende monniken op deze vier altaren onafgebroken het heilige misoffer celebreerden. De kardinaal had gewild, dat het goddelijk bloed geen oogenblik zou ophouden in zijn huis te vloeien voor de verlossing der twee hem zoo dierbare zielen. In het treurende paleis klonken onophoudelijk door de rouwzalen de bellen bij de elevatie, zweeg het gemompel der Latijnsche woorden geen oogenblik; hosties werden gebroken, kelken geledigd, zoodat God zich geen oogenblik uit deze zware, naar den dood ruikende atmospheer kon verwijderen.

Tot zijn verbazing vond Pierre de zaal, zooals hij haar op den dag van zijn eerste bezoek gezien had. De gordijnen der vier groote vensters waren zelfs niet dichtgetrokken, de sombere winterochtend viel met een zwak, vaal en koud licht binnen. Onder het plafond van gebeeldhouwd en verguld hout waren nog het roode behang, een door het lange gebruik verteerd brokaat met groote palmen, de oude troon, de naar den muur gekeerde fauteuil, die vergeefs wachtte op den paus, die nooit komen zou. Alleen het naast dien troon opgeslagen altaar veranderde eenigszins den aanblik van het vertrek, waaruit de stoelen, tafeltjes en wandtafeltjes verwijderd waren. In het midden had men op een lage estrade het praalbed geplaatst, waarin Benedetta en Dario onder een rijkdom van bloemen lagen. Aan het hoofdeinde brandden eenvoudig twee kaarsen. Verder niets--niets dan bloemen en nog eens bloemen, een zoo groote oogst van bloemen, dat men niet wist in welken chimerischen tuin die geplukt konden zijn; vooral witte rozen, rozenruikers op het bed, rozenruikers, die van het bed afvielen, rozenruikers op de estrade, rozenruikers, die van de estrade op de prachtige vloertegels der zaal vielen.

Met een door een diepe ontroering geschokt hart was Pierre nader bij het bed getreden. Die twee kaarsen, waarvan het gele licht half gedempt werd door het vale daglicht, die voortdurend fluisterende, klagende tonen van de mis, die doordringende, de atmospheer zwaar makende geur der rozen vervulden de groote, ouderwetsche, stoffige zaal met een grenzenlooze troosteloosheid. Geen beweging, geen ademhaling was te hooren--niets anders dan van tijd tot tijd een zacht geluid van verstikte snikken van een der weinige aanwezigen. De bedienden van het huis wisselden elkaar onophoudelijk af; steeds stonden er vier als trouwe en vertrouwde wachters onbeweeglijk aan het hoofdeinde. Nu en dan kwam de kerkelijke advocaat Morano, die zich sedert den ochtend met alles belastte, haastig en stil door het vertrek. Op de estrade knielden allen, die binnenkwamen, neer, baden en weenden. Pierre zag er drie dames, die haar gezicht in haar zakdoek drukten. Ook was er een oude priester; hij beefde van verdriet en hield zijn hoofd diep gebogen, zoodat men zijn gezicht niet onderscheiden kon. Maar vooral werd hij ontroerd door den aanblik van een jong, armoedig gekleed meisje, dat hij voor een dienstbode hield; het verdriet had haar zoo verpletterd, dat zij, daar op de vloer, niet meer was dan een armzalig hoopje ellende en leed.

Nu knielde ook hij neer en trachtte in het beroepsmatig geprevel van zijn lippen de Latijnsche woorden der heilige gebeden terug te vinden, die hij, als priester, zoo dikwijls aan het doodsbed gebeden had. Zijn steeds grooter wordende ontroering bracht zijn geheugen in de war; hij ging geheel op in den heerlijken en vreeselijken aanblik der beide gelieven, van wie hij zijn oogen niet afwenden kon. Onder de bloemen waren de lijken in hun omhelzing bijna niet te onderscheiden, doch de twee hoofden kwamen uit het aan den hals toegeknoopte doodskleed te voorschijn. En hoe mooi waren zij nog, zooals zij daar, hun haar vermengend, op hetzelfde kussen rustten. Het was de schoonheid van eindelijk bevredigden hartstocht. Benedetta, liefhebbend en trouw tot in de eeuwigheid, verrukt, omdat zij haar laatsten ademtocht in een liefdeskus uitgeblazen had, had haar goddelijk lachend gelaat behouden. Dario had, ondanks zijn laatste opperste geluk, een smartelijker uitdrukking. Hun oogen, die tot in het diepst van elkaars zielen blikten, stonden nog steeds open en bleven elkaar aankijken met een liefkoozing, die nooit meer gestoord zou worden.

God, was het dan waar, dat hij deze Benedetta liefgehad had met een zoo reine, zoo van iedere zelfzuchtige gedachte vrije liefde? En Pierre werd tot in het diepst van zijn ziel ontroerd door de heerlijke uren, welke hij in een zoo reine vriendschap, die even zoet was als liefde, in haar nabijheid had doorgebracht. Zij was zoo mooi, zoo verstandig, zoo brandend van hartstocht! Hij zelf had zoo'n heerlijken droom gedroomd: zijn bevrijdende broederliefde zou dit wonderbare wezen met haar vurige ziel en haar indolente wijze van optreden tot leven brengen: hij zag in haar het oude Rome, dat hij wilde wekken en veroveren voor het Italië van morgen. Hij droomde ervan haar hart en haar geest grooter te maken door haar liefde voor armen en ongelukkigen te geven. Nu zou dit hem doen glimlachen, wanneer zijn oogen niet door tranen overstroomd werden. Hoe bekoorlijk was zij geweest, toen zij trachtte zijn zin te doen ondanks de onoverwinnelijke hinderpalen, als afkomst, opvoeding en omgeving, die haar beletten hem te volgen. Eén dag echter scheen zij nader tot hem gekomen te zijn, alsof het lijden haar ziel voor alle barmhartigheid geopend had! Dan kwam de illusie van het geluk en zij had de ellende der armen niet meer begrepen, was geheel opgegaan in de zelfzucht van haar eigen hoop en vreugde. Groote God, moest dit tot verdwijnen veroordeelde ras daarom zoo eindigen, omdat het geheel gesloten was voor de liefde tot de armen, voor de wet van barmhartigheid en gerechtigheid, die door de regeling van den arbeid, voortaan alleen de wereld redden kon?

Maar ook een andere wanhoop nog deed Pierre stamelen, zonder dat de gebeden over zijn lippen kwamen. Hij dacht aan de gewelddaad, die de beide kinderen door een verpletterende revanche der natuur weggerukt had. Welk een hoon, dat zij de Heilige Maagd beloofd had haar maagdelijkheid slechts te geven aan den uitverkoren echtgenoot; welk een hoon, dat zij haar geheele leven onder dezen eed als onder een boetegordel gebloed had, om zich ten slotte in den dood, wanhopig door berouw, brandend van verlangen, om zich geheel te geven, in de armen van den geliefde te werpen. En zij had zich gegeven in de razernij van een laatste protest--het brutale feit der dreigende scheiding, dat haar op haar vergissing opmerkzaam maakte en tot het instinct der universeele liefde terugbracht, was voldoende daarvoor geweest. Dat was een nieuwe nederlaag der Kerk, dat was Pan, de zaaier der kiemen, die de paren met zijn voortdurend bevruchtend gebaar vereenigt. Al mocht in den tijd der Renaissance de Kerk niet bezweken zijn onder den aanval van de uit den ouden Romeinschen bodem opgegraven Venussen en Herculessen, de strijd werd daarom niet minder verbitterd voortgezet en ieder uur dreigden de nieuwe, van sap overloopende, naar het leven snakkende volkeren in den strijd tegen een godsdienst, die slechts een zucht naar den dood is, het oude Katholieke gebouw, welks muren reeds aan alle kanten van onvruchtbaren ouderdom wankelen, neer te rukken.

En op dat oogenblik had Pierre de gewaarwording, dat de dood van deze aanbiddelijke Benedetta de grootste ramp was. Hij keek haar nog steeds aan en tranen brandden in zijn oogen. Zij vernietigde zijn droombeeld geheel. Evenals den vorigen avond in het Vaticaan bij den paus voelde hij zijn hoop, zijn laatste hoop, de zoo vurig verlangde wederopstanding van het oude Rome in een nieuw, jeugdig, heilbrengend Rome, ineenstorten. Ditmaal was het voor goed uit: Rome, het Katholieke, het vorstelijke Rome was dood, lag daar als een marmeren beeld op het doodsbed. Het had niet kunnen gaan tot de armen, tot de lijdenden van deze wereld; het was verscheiden in den onmachtigen kreet van zijn zelfzuchtigen hartstocht, toen het te laat was om lief te hebben en te baren. Nooit meer zou het kinderen krijgen; het oude Romeinsche huis was voortaan ledig, onvruchtbaar, zonder kans op herleving. En Pierre, wiens ziel de dierbare doode tot weduwe gemaakt en in rouw om een zoo grootschen droom achtergelaten had, werd, nu hij haar daar zoo onbeweeglijk en verstard liggen zag, door een zoo groote smart aangegrepen, dat hij zich een onmacht nabij gevoelde. Hij was bang dwars op de estrade te vallen, stond moeilijk op en verwijderde zich.

Toen hij in een vensternis vluchtte, om weer zichzelf meester te worden, vond hij daar tot zijn verbazing Victorine, die op een half verscholen bankje zat. Donna Serafina had het haar bevolen; zij waakte van uit dat hoekje over haar dierbare kinderen, zooals zij ze noemde, en had geen oog af van de personen, die kwamen en gingen. Toen zij zag, dat de jonge priester zoo bleek en een flauwte nabij was, liet zij hem onmiddellijk op haar plaats zitten.

"O," zeide hij heel zacht, na diep adem gehaald te hebben; "mogen zij tenminste het geluk smaken elders samen te zijn, in een andere wereld herleven tot een nieuw leven."

Zij haalde haar schouders op en zeide dan, ook op zacht fluisterenden toon:

"Herleven, mijnheer de abbé? Waarvoor? Kom, wanneer men dood is, is het het beste nog maar dood te zijn en te slapen. De arme kinderen hebben op aarde genoeg verdriet gehad, om nog te wenschen, dat zij ergens anders opnieuw daarmede beginnen!"

Dit zoo naïeve en diepe woord der onontwikkelde ongeloovige joeg Pierre een rilling door zijn leden. Hij, hij had zoo dikwijls 's nachts bij de plotselinge gedachte aan het Niet geklappertand! Zij kwam hem in haar niet bang zijn voor de eeuwigheid en de oneindigheid heldhaftig voor. O, als iedereen die kalme ongodsdienstigheid, die zoo verstandige, zoo vroolijke zorgeloosheid van het gewone mindere Fransche volk had, welk een plotselinge kalmte, welk een gelukkig leven zou er dan onder de menschheid heerschen!

En toen zij merkte hoe hij rilde, voegde zij eraan toe:

"Wat wilt u dan toch, dat er na den dood is? Men heeft zijn slaap heusch wel verdiend, en slapen is toch het meest begeerlijke en troostende. Als God de goeden beloonen en de slechte straffen moest, dan zou hij heusch veel te veel te doen hebben. Is een dergelijk gericht mogelijk? Is het goede en het slechte in ieder onzer niet zoo vermengd, dat het dan nog maar het beste zijn zou iedereen vrij te spreken?

"Maar die beiden daar," prevelde hij, "die zoo beminlijk waren en zoo bemind werden, hebben niet geleefd. Waarom zou men zich dan niet het geluk geven te gelooven, dat zij herleven en in elkaars armen elders beloond worden?"

Weer schudde zij haar hoofd.

"Neen, neen!... Ik heb het immers altijd gezegd, dat Benedetta verkeerd deed zich zoo te martelen met die gedachten aan een andere wereld, en met zich niet te willen geven aan Dario, naar wien zij toch zoo vurig verlangde! Als zij maar gewild had, dan zou ik hem wel in haar kamer gebracht hebben, zonder burgemeester en zonder pastoor! Het geluk is zoo zeldzaam! Later, wanneer het te laat is, heb je er des te meer berouw over... Dat is de heele geschiedenis van die twee arme lievelingen. Het is nu te laat voor hen; zij zijn dood en het helpt niets, of je ze nu al in de sterren zet--want als je dood bent, ziet u, dan ben je dood; en van al dat omhelzen worden zij niet koud of warm meer."

Nu werd zij op haar beurt door haar tranen overmand en snikte zij:

"De arme lievelingen! De arme lievelingen! Te moeten denken, dat zij niet eenmaal een gelukkigen nacht gehad hebben en dat nu de groote nacht er is, die niet meer eindigen zal! Kijk toch eens hoe bleek zij zijn. En stel u voor, wanneer er op het kussen niets meer over zijn zal dan de beenderen van hun hoofden en wanneer alleen nog maar de beenderen van hun armen elkaar zullen omhelzen?... O, laten zij slapen, laten zij slapen! Dan weten zij tenminste, dan voelen zij tenminste niets!"

Een lange stilte volgde. In de huivering van zijn twijfel, in zijn angstig willen, dat een leven hiernamaals bestaat, keek hij die vrouw, die van de priesters "niets moest hebben", die ondanks haar nederige positie van huishoudster sedert vijf-en-twintig jaar in een vreemd land, welks taal zij zelfs niet had kunnen leeren, haar Beauceronneesche vrijmoedigheid behouden had, die er zoo tevreden en gelukkig uitzag in het bewustzijn, dat zij haar plicht gedaan had. O, zoo te zijn als zij, haar heerlijk evenwicht te bezitten van gezond, bekrompen wezen, dat tevreden is met de aarde, dat 's avonds, na volbrachte dagtaak volkomen rustig slapen gaat en zich niet bang maakt, niet meer wakker te zullen worden.

Maar Pierre, die zijn blik weer op het doodsbed richtte, herkende nu den ouden priester, die daar op de estrade geknield lag, en wiens gezicht hij daareven niet had kunnen onderscheiden.

"Is dat abbé Pisoni niet, de pastoor van de S. Brigitta, waar ik een paar maal de mis gelezen heb? Wat heeft die arme man een verdriet!"

"Daar heeft hij ook wel reden voor," antwoordde Victorine kalm, maar met iets spijtigs in haar stem. "Den dag, dat hij op het denkbeeld gekomen is mijn arme Benedetta met graaf Prada te laten trouwen, heeft hij waarachtig wat moois uitgehaald. Er zou van al die ellendige dingen niets gebeurd zijn, als men het lieve kind dadelijk haar Dario gegeven had. Maar zij zijn in deze idiote stad met hun politiek allemaal even gek; en deze, die toch werkelijk een heel braaf man is, dacht een echt wonder te doen en de wereld te redden door den paus en den koning samen te laten trouwen, zooals hij zeide met zijn zacht lachje van een ouden geleerde, die nooit van iets anders dan van oude steenen gehouden heeft! Kom, u weet wel, al die antikiteitenrommel, hun patriottische ideeën van honderdduizend jaar geleden. En nu ziet u het zelf, vandaag heeft hij geen tranen genoeg. Nog geen twintig minuten geleden is die andere hier ook geweest, pater Lorenza, de Jezuïet, die na abbé Pisoni de biechtvader van de contessina geweest is en ongedaan gemaakt heeft, wat de ander gedaan had. Ja, een mooie kerel, zoo'n echte knoeier, die haar belet heeft om gelukkig te zijn door al die gemeene complicaties, die hij in de echtscheiding gebracht heeft!... Het zou me wat waard zijn, als u er bij geweest was, om te zien, hoe hij eerst neerknielde en dan een groot teeken des kruises maakte... Hij heeft niet gehuild, geen traan heeft hij gelaten. Het was, alsof hij zeide, dat de zaak zoo slecht eindigde, omdat God er zich heelemaal uit teruggetrokken had. Daar komen de dooden wat verder mee!"

Zij sprak zacht, aan één stuk door, als gaf het haar verlichting na de vreeselijke uren van drukte en beklemdheid, die zij sedert den vorigen dag doorgemaakt had, haar hart eens uit te kunnen storten.

"En die daar," ging zij nog zachter voort; "herkent u haar niet?"

Zij wees met haar blik op het armoedig gekleede jonge meisje, dat hij voor een dienstbode gehouden had, en dat, verpletterd door haar verdriet, voor het bed op den grond lag. Met een beweging van radeloos lijden had zij zich juist opgericht en haar hoofd achterovergeworpen--een buitengewoon mooi gezicht, overstroomd door het mooiste zwarte haar, dat men zich denken kan.

"Pierina!" zeide hij. "Het arme kind!"

Victorine maakte een gebaar vol toegevend medelijden.

"Wat zal ik u zeggen? Ik heb haar toegestaan hierheen te gaan... Ik weet niet, hoe zij het ongeluk te weten is gekomen. Het is waar, zij sluipt altijd in den omtrek van het paleis rond. Zij heeft mij laten roepen... O, als u eens gehoord hadt, hoe zij mij smeekte, hoe zij met luide snikken om de groote genade vroeg nog eenmaal haar prins te mogen zien... Lieve God, zij doet er niemand kwaad mee, wanneer ze met haar mooie verliefde oogen vol tranen naar hem kijkt. Zij is hier nu al een half uur en ik heb mij voorgenomen haar weg te sturen, wanneer zij zich niet netjes houdt. Maar nu zij verstandig is en zich niet eens verroert, mag zij blijven en net zoo lang naar hen kijken, als zij wil!"

En waarlijk, Pierina, de dochter van onwetendheid, schoonheid en hartstocht, leverde, zooals zij daar verpletterd en vernietigd aan den voet van het bruidsbed, waarin de twee gelieven in den dood hun eersten en eeuwigen nacht in een omhelzing sliepen, een verheven schouwspel op. Zij liet haar armen met de geopende handen hangen, haar gezicht was omhoog gericht, onbeweeglijk, als verstard in de extase van een doodsstrijd, haar oogen hadden geen blik af van het aanbiddelijke en tragische paar. Nooit nog had een menschelijk gelaat zoo schoon gestraald in den glans van lijden en liefde; met haar koninklijk voorhoofd, haar trotsch-bekoorlijke wangen, haar goddelijk volmaakten mond was zij als een antieke, maar van leven trillende Smart. Waaraan dacht zij, wat leed zij, terwijl zij zoo strak naar haar prins, die voor eeuwig in de armen van haar mededingster lag, keek? Verstijfde een ijverzucht, waaraan geen einde komen kon, het bloed in haar aderen? Of was het alleen maar de smart hem verloren te hebben, zich te moeten zeggen, dat zij hem voor de laatste maal zag--zonder haat tegen deze andere vrouw, die vergeefs trachtte hem tegen haar lichaam, dat even koud was als het zijne, te verwarmen? Haar door tranen omsluierde oogen bleven echter zacht, haar lippen behielden hun liefdevolle uitdrukking. Zij vond ze zoo kuisch, zoo mooi, zooals zij daar onder die bloemenpracht lagen. En zij in haar eigen schoonheid, haar koninklijke schoonheid, die zij zich niet bewust was, lag daar ademloos als een nederige dienstmaagd, als een liefhebbende slavin, wier hart haar meesters door hun dood uitgerukt en medegenomen hebben.