Part 55
Bovendien was hij een Italiaansch priester, een paus, bijgeloovig en despotisch, gebonden aan de traditie, onderworpen aan de invloeden van ras en omgeving, aan geld en politieke noodzakelijkheden; afgezien van zijn mateloozen trots, van de zekerheid, dat hij de God was, aan wien men moet gehoorzamen, de eenige wettige en redelijke macht op aarde. Daarin lagen de oorzaken van de fatale misvorming van dit verder toch zoo rijk begaafde hoofd met zijn vlug begrip, zijn geduldigen wil, zijn onmetelijke kracht, die generaliseerde en handelde. Vooral zijn intuïtie moest wonderbaarlijk zijn, want deze toch liet hem in zijn vrijwillige gevangenschap de reusachtige evolutie der tegenwoordige menschheid raden. Hij behoefde zich niet aan zijn venster te plaatsen, om zich het vreeselijk gevaar bewust te zijn, waarin hij zich bevond; hij zag den stijgenden vloed der democratie, den grenzenloozen oceaan der wetenschap, die het kleine eilandje, waarop nog de dom van de St. Pieter triomphantelijk omhoog stak, dreigde te overstroomen. En zijn eenige politiek, zijn eenige drang was te overwinnen, om te heerschen.
Dat hij verzoening predikte, dat hij op vormquaesties toegaf, dat hij het brutale optreden der Amerikaansche bisschoppen duldde, kwam alleen voort uit zijn vrees, die hij zichzelf echter niet bekennen wilde, voor een plotseling schisma, dat de uiteenspatting der Kerk zou verhaasten. En hoe verklaarde die vrees zijn liefdevollen terugkeer tot het volk, zijn zich bezig houden met het socialisme, de Christelijke oplossing, die hij wilde geven aan de ellende hier op aarde. Was, nu de Caesar ter aarde lag, de lange strijd, van wien van beiden het volk zijn zou, niet opgelost door het feit, dat de paus alleen nog bestond en dat het volk eindelijk gaan spreken en zich aan hem geven zou? De proef was in Frankrijk genomen; hij liet daar de overwonnen monarchie aan haar lot over, erkende daar de Republiek, die hij sterk en krachtig wilde zien, want Frankrijk was steeds de oudste dochter der Kerk, de eenige Katholieke natie, die nog machtig genoeg was, om eenmaal misschien de wereldlijke macht van den Heiligen Stoel te herstellen. Heerschen, heerschen over deze wereld, zooals Augustus geheerscht had, dat was de eenige eerzucht van dezen stervenden grijsaard!
"En mijn zoon," ging Leo XIII voort, "uw groote fout is, dat gij het gewaagd hebt een nieuwen godsdienst te vragen. Dat is goddeloos, godslasterlijk, een heiligschennis. Er bestaat slechts één godsdienst--onze heilige Roomsch-Katholiek-Apostolische godsdienst. Buiten dezen kan er slechts nacht en verdoemenis bestaan... Ik begrijp heel goed, dat ge u verbeeldt een terugkeer tot het Christendom voor te staan. Maar de zoo misdadige, zoo rampzalige Protestantsche dwaalleer gebruikte hetzelfde voorwendsel. Zoodra men zich verwijdert van het in eere houden der dogma's, van den onvoorwaardelijken eerbied van de tradities, valt men in de vreeselijkste afgronden... Het schisma, mijn zoon, is een zonde, waarvoor geen vergiffenis bestaat, het is een moord op den waren God, het onreine dier der verzoeking, door de hel opgehitst om de geloovigen ten verderve te voeren. Al stonden in uw boek niets anders dan die woorden: nieuwe godsdienst, dan reeds zou men het moeten vernietigen, verbranden als een vergif, dat doodelijk is voor de zielen."
Nog langen tijd sprak hij door. Maar Pierre dacht aan wat don Vigilio hem verteld had omtrent de Jezuïeten, die overal, zoowel in het Vaticaan als elders, in het duister werken en de Kerk onbeperkt regeeren. Was het dan waar, dat deze politieke, steeds opportunistische paus, zonder dat hij het zelf wist, een der hunnen was, een gewillig instrument in hun soepele veroveraarshanden? Ook hij schipperde met den geest der eeuw, vleide de wereld, om haar te bezitten. Pierre had nooit zoo pijnlijk-wreed gevoeld, dat de Kerk daar voortaan toe gedwongen was, dat zij slechts door concessies en diplomatie leven kon. En eindelijk ging hem een helder licht op over dien Romeinschen clerus, die in den beginne voor een Fransch priester zoo moeilijk te begrijpen is, over de regeering der Kerk, die vertegenwoordigd wordt door den paus, zijn kardinalen, zijn prelaten, die God persoonlijk belast heeft met het bestuur van zijn aardsch domein, de menschen en de wereld.
Zij beginnen God ter zijde te stellen achter in den tabernakel, dulden niet meer, dat men over hem discussieert, dringen de dogma's op als aan zijn wezen inhaerente waarheden, bekommeren zich niet meer over hem en verliezen hun tijd niet met zijn bestaan door nuttelooze theologische discussies te bewijzen. Blijkbaar bestaat hij, omdat zij in Zijn naam regeeren. Dat is voldoende. Van af dat oogenblik zijn zij in den naam van God de meesters, zeker, dat eenmaal de dag van hun volkomen heerschappij komen zal. In afwachting van dien dag handelen zij als diplomaten, organiseeren zij de langzame verovering als beambten van den triompheerenden God van morgen, en is de godsdienst met de pracht en de praal, die de groote menigte verblindt, niets dan de openlijke hulde, die zij hem bewijzen met het doel alleen hem over de veroverde menschheid te doen regeeren, of liever in zijn plaats en in zijn naam te regeeren, omdat zij zijn zichtbare, door hem afgevaardigde vertegenwoordigers zijn. Zij stammen af van het Romeinsche recht, zij zijn nog steeds de kinderen van dezen ouden Romeinschen heidenschen bodem, en wanneer zij nog voortbestaan, wanneer zij eeuwig, tot aan het lang verbeide uur, dat de wereldheerschappij hem teruggegeven zal worden, hopen te blijven voortbestaan, dan vindt dat zijn reden in hun geloof, dat zij de rechtstreeksche erfgenamen der Caesars zijn, dat zij, in hun purper gehuld, de afstammelingen zijn van het bloed van Augustus.
Pierre schaamde zich nu over zijn tranen, als had hij zijn naakte ziel laten zien. Waartoe diende het? Het was nutteloos in deze kamer, waarin nooit iets dergelijks gezegd was tegen dezen paus-koning, die hem niet begrijpen kon. Die politieke gedachte des pausen om door middel van de armen en ongelukkigen te regeeren, boezemde hem afschuw in. Was die gedachte, om tot het thans van zijn oude meesters verloste volk te gaan, ten einde zich op zijn beurt daarmede te voeden, niet iets duivelachtigs?
Maar Leo XIII sprak met zijn dikke, onuitputtelijke stem steeds door. En de priester hoorde hem zeggen:
"Waarom hebt gij die door een zoo slechten geest bevlekte bladzijde over Lourdes geschreven? Lourdes, mijn zoon, heeft den godsdienst groote diensten bewezen. Ik heb tegenover personen, die mij de ontroerende, bijna dagelijks voorkomende wonderen der Grot kwamen mededeelen, dikwijls mijn levendigen wensch te kennen gegeven die door de strengste wetenschap bevestigd en vastgesteld te zien. En te oordeelen naar wat ik gelezen heb, komt het mij voor, dat thans zelfs de meest sceptisch gezinden niet meer kunnen twijfelen, want die wonderen zijn op onweersprekelijke wijze wetenschappelijk bewezen... De wetenschap, mijn zoon, moet de dienaresse van God zijn. Zij vermag niets tegen Hem, door Hem alleen komt zij tot de waarheid. Alle oplossingen, welke men tegenwoordig beweert te vinden en die de dogma's schijnen te vernietigen, moeten vroeg of laat valsch blijken te zijn, want de waarheid Gods zal zegepralen, zoodra de tijden in vervulling zullen gaan. Het zijn toch heel eenvoudige zekerheden, die reeds de kleine kinderen weten, die voor het heil en den vrede der menschheid voldoende zouden zijn, als zij er zich mede tevreden stellen wilde... En wees er van overtuigd, mijn zoon, dat het geloof niet onvereenigbaar is met de rede. Heeft de Heilige Thomas van Aquino niet alles vooruitgezien, uitgelegd en geregeld? Uw geloof is onder de aanvallen van den geest tot onderzoek aan het wankelen gebracht, gij hebt angsten en beproevingen gekend, die de Hemel aan mijn Italiaansche priesters moge besparen. Maar wij vreezen den geest tot onderzoek niet; studeer verder, lees den Heiligen Thomas nogmaals grondig door, en uw geloof zal terugkeeren, krachtiger, vuriger, triompheerend."
Verbijsterd, alsof stukken van het hemelgewelf op zijn hoofd neerkwamen, luisterde Pierre. O, God van waarheid! De wonderen van Lourdes wetenschappelijk bewezen, de wetenschap de dienaresse van God, het geloof vereenigbaar met de rede! Wat te antwoorden, o God? En waarom te antwoorden?
"Het is het zondigste en gevaarlijkste boek, dat ik ken," ging Leo XIII voort; "een boek, waarvan de titel: Het Nieuwe Rome alleen reeds een leugen en vergif is, een boek, des te vloekwaardiger, omdat het alle verleidingen van den stijl, alle valsche bekoringen van hersenschimmen heeft, in één woord, een boek, dat een priester, wanneer hij het in een oogenblik van afdwaling geschreven heeft, tot straf en boete in het openbaar verbranden moet met dezelfde hand, die deze ergerlijke bladzijden op het papier gebracht heeft."
Pierre stond op, plotseling, in zijn volle lengte.
"Het is waar," wilde hij uitroepen, "ik had het geloof verloren, maar ik meende het teruggevonden te hebben in het medelijden, dat de ellende der wereld in mijn hart gestort had. Gij waart mijn laatste hoop, de verwachte verlosser. En nu blijkt ook dat een droom te zijn, gij kunt geen nieuwe Jezus wezen, gij kunt op den vooravond van den vreeselijken broederoorlog, die nabij is, geen vrede brengen aan de menschheid. Gij kunt uw troon niet verlaten en met de ongelukkigen en armen langs de wegen zwerven, om het verheven werk der broederliefde uit te voeren. Welaan, het is uit met u, met uw Vaticaan, met uw St. Pieter. Alles stort in onder den aanval van het volk en van de wetenschap. Gij bestaat niet meer; hier zijn niets meer dan puinhoopen."
Maar hij sprak de woorden niet. Hij boog zijn hoofd en zeide:
"Heilige Vader, ik onderwerp mij en verloochen mijn boek."
Zijn stem beefde van bittere walging; zijn geopende handen maakten een hulpeloos gebaar, alsof hij zijn ziel losgelaten had. Het was de letterlijke formule der onderwerping: Auctor laudabiliter se subiecit et opus reprobavit--de schrijver heeft zich loffelijkerwijze onderworpen en zijn boek verloochend. Er was geen groote vertwijfeling, geen verhevener grootheid denkbaar dan die bekentenis van een dwaling, dan die zelfmoord van een hoopvolle verwachting! Maar welk een bittere ironie! Dit boek, dat hij gezworen had nooit terug te zullen nemen, voor den triomf waarvan hij zoo hartstochtelijk gestreden had, ditzelfde boek verloochende hij nu plotseling, niet omdat hij het als zondig beschouwde, maar omdat hij zooeven gevoeld had, dat het nutteloos en hersenschimmig was als een dichtersdroom. Ach ja, waarom te blijven volharden in de illusie van een ontwaken, dat toch niet mogelijk was, nu hij zich vergist, nu hij gedroomd had, nu hij hier noch den God noch den priester vond, dien hij voor het geluk der menschheid zoo vurig wenschte. Dan was het maar beter, dat hij zijn boek als een dood blad op den grond wierp, dat hij het verloochende, dat hij het als een gestorven, voortaan nutteloos lid afsneed.
Een weinig verbaasd over een zoo plotselinge overwinning, uitte Leo XIII een kreet van blijdschap.
"Zeer goed, zeer goed, mijn zoon! Gij hebt de eenige wijze en verstandige woorden, die u als priester pasten, uitgesproken."
En hij, die nooit iets aan het toeval overliet, die al zijn audiënties met de woorden, die hij zeggen, met de gebaren, die hij maken zou, van te voren overdacht, werd in zijn blijdschap wat vriendelijker en zachter gestemd. Daar hij de ware motieven van de onderwerping niet begrijpen kon en zich daarin dus vergiste, smaakte hij de trotsche vreugde hem zoo makkelijk tot zwijgen gebracht te hebben, want zijn omgeving had Pierre als een verschrikkelijken revolutionnair afgeschilderd. Een dergelijke bekeering streelde dan ook zijn ijdelheid zeer.
"Ik verwachtte trouwens niet anders van uw verheven geest. Er bestaat geen grooter voldoening dan zijn fout te erkennen, boete te doen en zich te onderwerpen."
Met een familiaar gebaar had hij weer zijn glas limonade van het tafeltje genomen en roerde het, voor hij dronk, met den langen, verguld-zilveren lepel nogmaals om. Het viel Pierre bijzonder op dat hij er, evenals in den beginne, weer zoo ingekrompen en ontdaan van zijn verheven majesteit uitzag; hij geleek op een ouden burgerman, die zijn glas suikerwater dronk vóór hij naar bed ging.
De audiëntie was afgeloopen, Pierre maakte een diepe buiging.
"Ik dank Uwe Heiligheid voor de vaderlijke ontvangst, die u wel zoo goed geweest is mij te willen bereiden."
Maar Leo XIII wilde nog een oogenblik met hem spreken, begon weer over Frankrijk en drukte nogmaals zijn vurigen wensch uit het tot het heil der Kerk gelukkig, rustig en krachtig te zien. En gedurende dat laatste oogenblik had Pierre een vreemd visioen, dat hem benauwde. Terwijl hij naar het ivoren voorhoofd van den Heiligen Vader keek, terwijl hij aan zijn hoogen ouderdom dacht, waarbij de geringste verkoudheid zijn dood zou kunnen zijn, herinnerde hij zich door een onwillekeurige gedachtenassociatie, het woest-grootsche tooneel: Pius IX, Giovanni Mastaï, twee uur geleden gestorven, het gelaat met een stuk wit linnen bedekt, omgeven door de geheele, van streek gebrachte pauselijke omgeving; kardinaal Pecci, kardinaal-voorzitter, nadert het doodsbed, laat het linnen verwijderen, klopt driemaal met zijn zilveren hamer op het voorhoofd van het lijk en roept daarbij telkens: "Giovanni, Giovanni, Giovanni!" En daar het lijk niet geantwoord heeft, draait de kardinaal zich, na eenige oogenblikken gewacht te hebben, om en zegt: "De paus is dood!" Tegelijkertijd zag Pierre in de Via Giulia kardinaal Boccanera, den kardinaal-voorzitter, met zijn zilveren hamer wachten en Leo XIII, Joachim Pecci, sedert twee uur overleden, het gezicht bedekt met een stuk wit linnen, omgeven door zijn prelaten, in deze zelfde kamer liggen. En hij zag hoe de kardinaal-voorzitter naar voren trad, het linnen liet verwijderen, driemaal op het ivoorkleurige voorhoofd klopte en telkens riep: "Joachim! Joachim, Joachim!" Dan draaide hij, daar het lijk niet geantwoord had, zich om en zeide: "De paus is dood!" Herinnerde Leo XIII zich de drie slagen, die hij op het voorhoofd van Pius IX gegeven had--voelde hij dikwijls op zijn voorhoofd het ijskoude zweet van de vrees voor de drie slagen, de doodskilte van den hamer, waarmede hij den kardinaal-voorzitter, den onverzoenlijken tegenstander, dien hij, naar hij wist, in kardinaal Boccanera bezat, gewapend had:
"Ga in vrede, mijn zoon," zeide Zijne Heiligheid eindelijk als slotzegen. "Uw zonde zal u vergeven worden, daar gij haar erkend hebt en berouw erover toont."
Zonder te antwoorden en zielsbedroefd, verwijderde Pierre zich, volgens de etiquette achterwaarts loopend. Driemaal boog hij diep; dan ging hij, zonder zich om te keeren, de deur uit, gevolgd door de donkere oogen van Leo XIII, die geen blik van hem af hadden. Toch zag Pierre hoe hij de courant, in het lezen waarvan hij gestoord was, om hem te ontvangen, weer van de tafel nam. De beide lampen brandden met een zacht, onbeweeglijk licht, de kamer viel weer terug in haar diepe stilte, in haar oneindigen vrede.
In het midden der geheime antichambre stond mijnheer Squadra onbeweeglijk en zwart te wachten. Toen hij bemerkte, dat Pierre in zijn verdooving zijn hoed op het wandtafeltje vergat, nam hij dezen en gaf hem Pierre met een zwijgende buiging. Dan begon hij, zonder eenige haast, met denzelfden pas als daareven, voor hem uit te loopen, om hem naar de Sala Clementina te geleiden.
Nu volgde in tegenovergestelde richting, dezelfde wandeling, de eindelooze tocht door de eindelooze zalen. En steeds nog geen levende ziel, geen geluid, geen ademtocht. In ieder ledig vertrek walmde de eenige, eenzame, als vergeten lamp en brandde nog zwakker in de nog grootere stilte. De woestijn scheen nog grooter geworden te zijn, nu het later geworden was en de nacht de enkele meubelen, die verspreid stonden onder de hooge, vergulde plafonds, tronen, lage, houten stoeltjes, wandtafeltjes, crucifixen, armluchters, die in iedere zaal weer terugkeerden, in duisternis dompelde. Zoo kwam na de eere-antichambre, waarin het damast rosachtig scheen, de zaal der edelgarden, welke sluimerde in een zachten wierookgeur, dien een 's morgens gelezen mis daar achtergelaten had; dan kwamen de tapijtenzaal, de zaal der Palatijnsche garde, de zaal der gendarmes, terwijl in de laatste zaal, die der bussolanti, de laatste dienstdoende knecht op zijn bank zoo vast ingeslapen was, dat hij niet wakker werd. De stappen echoden zwak op de vloertegels, verstikten in de dikke atmospheer van dit gesloten, aan alle zijden als een graf ingemetseld paleis. Eindelijk kwam de Sala Clementina, die de post der Zwitsersche garde zoo juist verlaten had.
Tot aan die zaal had mijnheer Squadra niet omgekeken. Nog steeds zwijgend, trad hij zonder een gebaar ter zijde, om Pierre met een laatste buiging te laten passeeren. Dan verdween hij.
Pierre ging de beide verdiepingen der monumentale trap af, die de matglazen bollen der vleermuizen als met een schijnsel van nachtlichtjes verlichtten; er heerschte een vreemd-drukkende stilte, nu de stappen der dienstdoende soldaten van de Zwitsersche garde niet meer op de portalen weerklonken. Hij liep het onder het bleeke licht der bordeslantaarns ledige en uitgestorven Damasiushof door, ging de Scala Pia, die eveneens dood was in het halfdonker, af, en stapte eindelijk de bronzen deur uit, die een portier langzaam achter hem dichtschoof en sloot. Hoe knarste het harde metaal over alles, wat deze deur afsloot: zooveel opgehoopte donkerte; zooveel toenemende stilte; de onbeweeglijke eeuwen, die de traditie hier vereeuwigde; de onverwoestbare afgoden der dogma's, die hier bewaard werden onder hun windselen van mummies; al de ketenen, die drukken en boeien; het geheele apparaat van de laagste slavernij en de onbeperkte overheersching!
Op het St. Pietersplein was hij te midden van die sombere ontzaglijkheid geheel alleen. Geen wandelaar, die zich verlaat had, geen levend wezen. Niets dan tusschen de vier armluchters de hooge, uit het groote mozaïek van het grijze plaveisel opstijgende spookgestalte der Obelisk. De gevel der Basilica rees op als een kleurlooze droom; als twee reusachtige armen breidde zij de viervoudige rijen zuilen der colonnade uit, die, in donkerte gedompeld, aan een steenen bosch denken deden. Verder niets. De dom was slechts een matelooze ronding, die men aan den maanloozen hemel nauwlijks raden kon. Alleen de waterstralen der fonteinen, die men ten slotte als dunne, beweeglijke spookgestalten onderscheidde, lieten hun stem, een eindeloos, treurig, klagend gemurmel, hooren, waarvan men niet wist waar het vandaan kwam. O, de zwaarmoedige grootschheid van dezen slaap! O, dit geheele beroemde plein met het Vaticaan, met de St. Pieter, wanneer het 's nachts in donkerte gedompeld was! Plotseling sloeg de klok tien uur--zóó langzaam en zóó luid, dat het scheen alsof nooit een plechtiger, beslissender uur in een diepere, zwartere, onfeilbaarder oneindigheid geslagen had!
Onbeweeglijk stond Pierre te midden van deze groote ruimte en beefde over zijn geheele, arm, gebroken wezen. Wat, had hij daarboven nauwlijks drie kwartier met den bleeken grijsaard, die zijn ziel uit hem gerukt had, gesproken? Ja, dat was het einde: het laatste geloof was uit zijn bloedend brein gerukt. Het laatste experiment was genomen: een wereld was in hem ingestort. Plotseling dacht hij aan monsignor Nani en overwoog, dat deze alleen gelijk gehad had. Men had hem wel gezegd, dat hij ten slotte doen zou, wat monsignor zou willen; en tot zijn groote verbijstering merkte hij nu, dat hij het gedaan had.
Maar een plotselinge wanhoop, een zóó vreeselijke angst greep hem aan, dat hij van uit de diepte van den donkeren afgrond, waarin hij zich bevond, zijn beide bevende armen in het Niet ophief en luide sprak:
"Neen, hier zijt Gij niet, o God des levens en der liefde, God des heils! O, kom toch, openbaar u, daar uwe kinderen sterven, omdat zij niet weten, wie Gij zijt of waar Gij zijt in de oneindigheid der werelden!"
Boven het onmetelijke plein welfde zich de onmetelijke, donkerblauw-fluweelen hemel, de zwijgende en angstaanjagende oneindigheid, waarin de sterrenbeelden trilden. De Wagen op de daken van het Vaticaan scheen nog verder omgevallen te zijn, zijn gouden wielen waren als van den rechten weg afgeweken, zijn gouden dissel stak in de lucht, terwijl Orion in de richting van de Via Giulia verdween en nog slechts een der drie gouden sterren zien liet, die zijn bandelier sierden.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK
Gebroken van aandoening en brandend van koorts, was Pierre eerst tegen het aanbreken van den dag in een lichte sluimering gevallen. Bij zijn terugkeer in het paleis Boccanera in den laten avond had hij daar den vreeselijken rouw om den dood van Dario en Benedetta teruggevonden. En toen hij tegen negen uur opgestaan was, wilde hij, na ontbeten te hebben, onmiddellijk naar het appartement van den kardinaal gaan, waar men de twee lijken op een baar gelegd had, opdat de familie, de vrienden en de protégés daar hun tranen en gebeden zouden brengen.
Onder het ontbijt kwam Victorine, die, ondanks al haar wanhoop dapper en flink, niet naar bed geweest was, hem de gebeurtenissen van den nacht en van den ochtend vertellen. Donna Serafina had uit een soort preutsch respect voor de convenance een nieuwe poging gedaan om de beide lijken te scheiden. Deze naakte vrouw, die in den dood den eveneens ontkleeden man omhelsde, kwetste haar schaamtegevoel. Maar het was te laat geweest: de stijfheid des doods was ingetreden, en wat men in het eerste oogenblik niet had kunnen doen, kon nu niet meer geschieden zonder een vreeselijke ontheiliging. Hun liefdesomhelzing was zoo krachtig, dat men, om hen van elkaar los te maken, hun vleesch van hun lichaam had moeten rukken, hun ledematen breken. En de kardinaal, die reeds niet gewild had, dat men hun slaap, hun één-zijn voor eeuwig, stoorde, had bijna woorden gekregen met zijn zuster. Onder zijn priesterkleed voelde hij zich een zoon van zijn ras, trotsch op vroegere hartstochten, op de mooie, heftige liefde, op de mooie dolksteken. Al had de familie twee pausen geteld, toch hadden ook groote veldheeren en groote minnaars haar beroemd gemaakt. Nooit zou hij toelaten, dat men aan deze, in hun smartvol leven zoo rein gebleven kinderen, die het graf alleen vereenigd had, raken zou. Hij was heer en meester in zijn paleis, men zou hen in hetzelfde doodshemd naaien, hen in dezelfde kist bijzetten. Vervolgens zou de lijkdienst plaats hebben in de nabijgelegen San Carlokerk, waarvan hij den kardinaalstitel bezat en waar hij dus ook heer en meester was. Als het noodig was, zou hij zelfs naar den paus gaan. En zoo souverein was zijn op luiden toon uitgesproken wil, dat iedereen in het huis zich had moeten buigen, zonder zich een gebaar of een woord te veroorloven.