Part 54
Hij was er wanhopig onder: de aanklacht van den bisschop van Tarbes, het werktuig van de Paters der Grot, welke slechts hem trof als een antwoord op zijn bladzijde over Lourdes, kon hij nog begrijpen en desnoods goedkeuren, maar de geniepige oorlog der beide anderen verbitterde hem en vervulde hem met een pijnlijke verontwaardiging. Den zwakken grijsaard met zijn dunne vogelhals, die kalm zijn limonade dronk, zag hij een vertoornden, zoo grimmigen grijsaard worden, dat hij ervan beefde. Hoe had hij zich bij zijn binnenkomen door den schijn kunnen laten beetnemen, hoe had hij kunnen gelooven, dat dit slechts een arme, door ouderdom uitgeputte man was, die naar vrede verlangde en alles wilde toegeven? Een ademtocht was door de sluimerende kamer gestreken en bracht weer zijn twijfel, zijn angst mede. O, deze paus was precies zóó als men hem in Rome schilderde, zooals hij hem zich niet had willen voorstellen, meer geest dan gevoel, mateloos trotsch, van zijn jeugd af met den grootsten eerzucht vervuld, zoodat hij aan zijn familie den triomf beloofd had, ten einde van haar de noodige opofferingen te verkrijgen. Sedert hij den pauselijken troon beklommen had, toonde hij overal en in alles slechts één wil: heerschen, tot iederen prijs heerschen, als onbeperkt, almachtig meester heerschen! De werkelijkheid drong zich met onweerstaanbare kracht aan hem op; toch verzette hij zich, bleef hij hardnekkig trachten zijn droom weer te grijpen.
"O, Heilige Vader, het zou mij zoo vreeselijk verdrieten, indien tengevolge van mijn ongelukkig boek Zijne Eminentie ook maar één oogenblik in moeilijkheden zou moeten verkeeren! Ik, de schuldige, kan voor mijn fout verantwoordelijk zijn--maar Zijne Eminentie, die slechts gehoorzaamd heeft aan de ingeving van zijn hart, die slechts door zijn te groote liefde voor de onterfden dezer wereld gezondigd zou hebben! O, ik smeek u, Heilige Vader, wanneer er een waarschuwend voorbeeld gesteld moet worden, straf dan geen ander dan mij. Ik ben gekomen, hier ben ik, beslis over mijn lot, maar maak mijn straf niet nog zwaarder door de wroeging een onschuldige in het verderf gestort te hebben."
Zonder te antwoorden bleef Leo XIII hem met zijn vurige oogen aankijken. En Pierre zag nu niet meer Leo XIII, den tweehonderd drie-en-zestigsten paus, den Stedehouder van Jezus Christus, den opvolger van den prins der Apostelen, den souvereinen pontifex der algemeene Kerk, den patriarch van het Oosten, den primaat van Italië, den aartsbisschop en metropoliet der Romeinsche provincie, den heerscher over de domeinen der Heilige Kerk--neen, hij zag Leo XIII, zooals hij hem zich gedroomd had, als den verwachten Messias, als den redder, gezonden om de vreeselijke sociale catastrophe te bezweren, waarin de oude, verrotte maatschappij onderging. Hij zag hem met zijn veelomvattenden, soepelen geest, met zijn broederlijke verzoeningstaktiek, schokken vermijdend, met zijn van liefde overvloeiend hart werkend aan de eenheid, direct sprekend tot het hart der menigten, nog eenmaal, ten teeken van den nieuwen band, zijn beste bloed gevend. Hij stelde zich hem voor als de eenige moreele autoriteit, als den eenig mogelijken band van naastenliefde en vrede, als den Vader, die alleen een einde maken kan aan de ongerechtigheid onder zijn kinderen, de ellende dooden, de bevrijdende wet van den arbeid weer instellen kan door de volkeren terug te brengen tot het geloof der oorspronkelijke Kerk, tot de zachtheid en wijsheid der Christelijke gemeenschap. En deze verheven gestalte nam in de diepe stilte der kamer een onoverwinlijke almacht, een zeldzame majesteit aan.
"Om Gods wil, Heilige Vader, verhoor mij! Straf zelfs mij niet, straf niemand, o, niemand, geen levend wezen, geen ding, niets, dat op aarde lijden kan! Wees goed, o, wees goed met al de goedheid, die het lijden der wereld in u gelegd moet hebben."
Toen hij zag, dat Leo XIII nog steeds bleef zwijgen en hem voor zich liet blijven staan, viel hij op zijn knieën, als verpletterd door smart, een naamlooze smart, die geen bepaalde oorzaak had, een smart om niemand en niets, een algemeene, onbegrensde smart, waarin hij zich voelde ondergaan en verdrinken; misschien de smart te leven.
"O, Heilige Vader, ik besta niet, mijn boek bestaat niet. Ik heb, o, vurig en hartstochtelijk verlangd door Uwe Heiligheid ontvangen te worden, om uitleg te geven van mijn gedrag, om mij te verdedigen. Maar nu weet ik niets meer, ik vind niets meer van alles, wat ik had willen zeggen, en ik heb slechts tranen, tranen, die mij verstikken... O, ik ben maar een armzalig mensch, die geen anderen drang in zich voelt dan om met u over de armen te spreken. O, die armen, die ongelukkigen, die ik twee jaar lang in onze ellendige en treurige Parijsche voorsteden gezien heb, arme kleinen, die ik in de sneeuw ging zoeken, arme kleine engeltjes, die in geen twee dagen gegeten hadden; vrouwen, die door de tering weggeknaagd worden en zonder brood of vuur in vuile krotten hokten; mannen, die door het sluiten der werkplaatsen op straat geworpen werden en het moe waren om werk te bedelen, zooals men bedelt om een aalmoes, die dronken van woede naar hun donkere woningen terugkeerden, alleen vervuld met de wraakgedachte de stad aan de vier hoeken in brand te steken! En de avond, de verschrikkelijke avond, dat ik een jammerkamer binnentrad, waarin ik een moeder vond, die zich juist met haar vijf kinderen gedood had: de moeder was, haar jongste nog zogend, op een matras gevallen, de twee kleine meisjes, lieve aardige, jonge blondines, sliepen eveneens daar haar laatsten slaap, de twee jongens lagen iets verder--de eene tegen den muur, de andere op den grond, zich nog wringend in een laatst verzet... O, Heilige Vader, ik ben niets meer dan hun afgezant, gezonden door hen, die lijden en snikken, de deemoedige afgevaardigde der deemoedigen, die onder de misdadige hardheid, onder de vreeselijke sociale onrechtvaardigheid van ellende sterven. Ik breng aan Uwe Heiligheid hun tranen, ik leg aan uwe voeten hun martelingen, ik laat u hun noodkreet hooren als een kreet, die opstijgt uit den afgrond, die vraagt om gerechtigheid, als men niet wil, dat de hemel instort... O wees goed, Heilige Vader, wees goed!"
Hij had zijn armen uitgestrekt, hij smeekte hem met een gebaar, waarmede men het goddelijke medelijden aanroept. Dan ging hij voort:
"En is, Heilige Vader, de ellende in dit eeuwige en schitterende Rome ook niet verschrikkelijk? Sedert weken dwaal ik, wachtend, op goed geluk af, door het beroemde stof van zijn ruïnen en ik heb niets gezien dan ongeneeslijke kwalen, die mij met schrik vervullen. O, alles stort ineen, alles verdwijnt. Het is de doodsstrijd van zooveel glorie, van de vreeselijke zwaarmoedigheid eener wereld, die sterft van uitputting en honger!... Heb ik onder de ramen van Uwe Heiligheid niet een angstaanjagende wijk gezien, onvoltooide paleizen, welke met een jammerlijke erfelijke ziekte belast zijn als rhachitische kinderen, die niet door kunnen groeien, reeds in puin gevallen paleizen, welke de toevluchtsoorden geworden zijn voor de geheele beklagenswaardige ellende van Rome? En wat een vreeselijk lijdend volk, precies als in Parijs! Maar hier spreidt zich dat lijden met nog meer onbeschaamdheid in de open lucht ten toon en legt in zijn vreeselijke onbewustheid de geheele sociale wonde, den wegvretenden kanker bloot. Geheele families leven haar hongerig leven van nietsdoen onder de heerlijke zon. De ouden zijn gebrekkig geworden, de vaders wachten tot er een beetje werk voor hen uit den hemel vallen komt, de zoons slapen in het droge gras; de moeders en dochters, voor haar tijd verwelkt, lanterfanten en houden buurpraatjes... O, Heilige Vader, open morgen dadelijk bij het aanbreken van den dag uw venster en wek met uw zegen dit groote kind-volk, dat nog in zijn onwetendheid en armoede slaapt! Geef het de ziel, die het mist, een ziel, die zich de geheele menschelijke waardigheid, de noodzakelijke wet van den arbeid, het vrije en broederlijke, alleen door rechtvaardigheid bestuurde leven bewust is. Ja, Heilige Vader, maak een volk uit dit samenraapsel van ongelukkigen, wier eenige verontschuldiging is, dat zij lichamelijk en geestelijk zoo lijden, dat zij leven als het vee, dat leeft en sterft zonder iets te weten of te begrijpen, en dat men met slagen ranselt!"
Langzamerhand verstikten de snikken zijn stem; slechts met schokken kon hij, medegesleept door zijn hartstocht, spreken.
"En moet ik mij uit naam van die ellendigen niet wenden tot u, Heilige Vader? Zijt gij de Vader niet? Moet de afgezant van de armen en ongelukkigen niet neerknielen voor den Vader, zooals ik thans voor u neergeknield lig? Moet het den zwaren last van zijn smarten niet brengen tot den Vader en eindelijk medelijden, hulp en steun, en gerechtigheid, ja vooral gerechtigheid vragen? O, open, waar gij de Vader zijt, wijd de deur, opdat iedereen kan binnentreden, tot het ongelukkigste, van uw kinderen toe--de geloovigen, de toevallig voorbijkomenden, zelfs de opstandigen, de verdwaalden, zij, die misschien binnen zullen treden, die Uwe Heiligheid zal redden van algeheele verlatenheid. Wees het toevluchtsoord van de slechtbefaamde wegen, wees de liefderijke ontvangst, die den reiziger wordt geboden, wees de altijd brandende, van verre zichtbare, in den storm reddende lamp der gastvrijheid... Wees, o Vader, waar gij de macht zijt, de redding, het heil. Gij vermoogt alles, gij hebt eeuwen van macht achter u, gij zijt heden ten dage gestegen tot een moreele autoriteit, die u tot den scheidsrechter der wereld gemaakt heeft; gij staat hier voor mij als de majesteit der licht en vruchtbaarheid gevende zon zelf! O, wees de ster van goedheid en barmhartigheid, wees de verlosser, neem het werk van Jezus weer op, dat men in den loop der eeuwen bedorven heeft door het te laten in de handen der rijken en machtigen, die ten slotte uit het Evangelie het vloekwaardigste monument van hoogmoed en tyrannie gemaakt hebben. Begin het werk, nu het mislukt is, opnieuw, stel u weer aan de zijde van de kleinen, de ongelukkigen, de armen, breng ze terug tot den vrede, de broederliefde, de gerechtigheid der Christelijke gemeenschap... En zeg, Vader, zeg, dat ik u begrepen heb, dat ik slechts uitdrukking aan uw dierbaarste gedachten, aan den eenigen vurigen wensch van uw regeering gegeven heb. De rest, de rest, mijn boek, wat beteekent dat? Ik verdedig mij niet, ik wil slechts uw roem en het geluk der menschen. Zeg, dat gij uit de diepte van het Vaticaan het doffe kraken van de oude, verrotte maatschappijen gehoord hebt. Zeg, dat een siddering van medelijden en ontroering u doorhuiverd heeft; zeg, dat gij de verschrikkelijke catastrophe wilt verhinderen door uw met krankzinnigheid geslagen kinderen aan het Evangelie te herinneren, door hen terug te voeren naar de eeuw van eenvoud en reinheid, toen de eerste Christenen als broeders samenwoonden... Ja, daarom hebt gij u alleen weer aan de zijde der armen gesteld, niet waar, Heilige Vader, daarom slechts ben ik hier, om met mijne geheele ziel, ja met mijn geheele arme menschenziel, aan u medelijden, goedheid, gerechtigheid te vragen!"
Toen werd zijn ontroering hem te machtig en sloeg hij, uitbarstend in luide snikken, tegen den grond. Zijn hart brak. Het was een diep, een eindeloos snikken, een vreeselijke deining van snikken, die uit zijn geheele wezen kwam, die van nog verder kwam, van alle ongelukkige wezens, die kwam uit de wereld, wier aderen tegelijk met het levensbloed de smart met zich voeren. Daar lag de afgezant van het lijden, zooals hij zichzelf genoemd had, in zijn plotselinge zwakte als van een zenuwachtig kind. En aan de voeten van den onbeweeglijken, zwijgenden paus lag hij daar als de belichaming van de geheele menschelijke, weenende ellende.
Leo XIII, die graag sprak en wien het een groote zelfbeheersching kostte anderen te hooren spreken, had in den beginne tweemaal een van zijn bleeke handen opgeheven, als om hem tot zwijgen te brengen. Doch langzamerhand door verbazing aangegrepen en zelfs door ontroering bevangen, had hij Pierre in den onweerstaanbaren drang, die dezen voortdreef, uitspreken, zijn noodkreet uitschreeuwen laten. Een weinig bloed was opgestegen naar zijn sneeuwwit gelaat, zijn lippen en zijn wangen hadden een lichtroode kleur gekregen, terwijl zijn donkere oogen nog schitterender fonkelden. Toen hij hem sprakeloos en geschokt door die diepe snikken, welke zijn hart schenen uit te rukken, aan zijn voeten liggen zag, boog hij zich ongerust over hem heen.
"Wees kalm, mijn zoon, sta op..."
Maar het snikken hield niet op, sleepte, als de wanhoopsklacht van een gewonde ziel, die lijdt en worstelt met den dood, alle verstand en allen eerbied mede.
"Sta op, mijn zoon, zoo iets past niet... Hier, neem dezen stoel!"
En met een gebiedend gebaar noodigde hij hem eindelijk uit te gaan zitten.
Moeilijk stond Pierre op en ging zitten, om niet te vallen. Hij streek de haren van zijn voorhoofd, veegde, als waanzinnig, met zijn handen zijn brandende tranen af en trachtte zich weer te beheerschen. Wat er gebeurd was kon hij niet begrijpen.
"Gij doet een beroep op den Heiligen Vader. O zeker, wees overtuigd, dat zijn hart vol medelijden en liefde is voor de ongelukkigen. Maar dat is op het oogenblik de quaestie niet, het gaat om onzen heiligen godsdienst... Ik heb uw boek gelezen, een slecht boek, dat wil ik u dadelijk zeggen, het gevaarlijkste en vloekwaardigste boek, dat bestaat, juist om zijn goede eigenschappen en om de bladzijden, die mij zelf geïnteresseerd hebben. Ja, ik ben dikwijls onder de bekoring ervan gekomen, en ik zou het niet verder gelezen hebben, als ik mij niet meegesleept gevoeld had door den vurigen adem van uw geloof en van uw geestdrift. Het onderwerp is zoo mooi en trekt mij zoo aan! Het Nieuwe Rome! O, ongetwijfeld zou met dien titel een prachtig boek geschreven kunnen worden, maar dan moet het in een geheel anderen geest geschieden... Ge denkt, dat ge mij begrepen hebt, mijn zoon, dat ge u zóó ingeleefd hebt in mijn geschriften en in mijn daden, dat ge aan mijn dierbaarste denkbeelden uitdrukking gegeven hebt. Neen, neen, gij hebt mij niet begrepen, en daarom heb ik u willen spreken, om u op de hoogte te brengen, om u te overtuigen."
Nu luisterde Pierre zwijgend en onbeweeglijk. Toch was hij slechts gekomen om zich te verdedigen; hij had sedert drie maanden zoo koortsachtig naar dit onderhoud verlangd en, zeker van zijn overwinning, zijn argumenten gereed gemaakt. En nu hoorde hij zijn boek gevaarlijk, vloekwaardig noemen, zonder dat hij protesteerde, zonder dat hij alle goede gronden, waartegen hij meende, dat niets in te brengen was, naar voren bracht. Een vreemde moeheid drukte hem neer, als was hij door zijn tranen uitgeput. Straks zou hij weer dapper zijn, zou hij zeggen, wat hij besloten had te zeggen.
"Ik word niet begrepen, ik word niet begrepen," herhaalde Leo XIII geprikkeld en ongeduldig. "In Frankrijk vooral niet. Het is ongelooflijk zooveel moeite als het mij kost, mij daar begrijpelijk te maken!... Daar heb je bijvoorbeeld de wereldlijke macht! Hoe hebt gij kunnen gelooven, dat de Heilige Stoel ooit op dat punt tot een schikking bereid zou zijn? Het is een taal, die een priester onwaardig is, het is de hersenschim van een onwetende, die zich geen rekenschap geeft van de voorwaarden, waaronder het pausdom tot nog toe geleefd heeft en waarin het moet blijven voortleven, als het niet van de wereld verdwijnen wil. Ziet ge niet in, dat het een sophisme is, wanneer ge beweert, dat het des te hooger staat, naarmate het meer bevrijd is van de zorgen van een aardsch rijk? Ja zeker, het zuiver geestelijke koningschap, de souvereiniteit door barmhartigheid en liefde is een prachtige phantasie. Maar wie zal ons doen eerbiedigen? Wie zal ons een steen geven, om ons hoofd op neer te leggen, wanneer we verjaagd zijn en langs de wegen zwerven? Wie zal onze onafhankelijkheid verzekeren, wanneer wij aan de genade van alle Staten overgeleverd zijn?... Neen, neen, de Romeinsche bodem behoort ons toe, want wij hebben dien als erfdeel van een lange reeks van voorvaderen ontvangen; hij is de onverwoestbare, eeuwige bodem, waarop de Heilige Kerk gebouwd is; hem opgeven staat gelijk met den wensch de Roomsch-Katholiek-Apostolische Kerk ineen te zien storten. Trouwens wij zouden het niet kunnen, wij zijn gebonden door onzen eed voor God en voor de menschen."
Hij zweeg een oogenblik, om Pierre gelegenheid tot antwoorden te geven. Maar tot zijn groote verwondering voelde Pierre, dat hij niets te antwoorden wist, want hij besefte, dat deze paus sprak, zooals hij spreken moest. De verwarde en zware dingen, die zich in hem opgehoopt hadden en die hij zooeven in de geheime antichambre op zich had voelen drukken, verschenen nu voor hem in een helder licht, teekenden zich met een steeds grootere duidelijkheid af. Het was alles, wat hij sedert zijn aankomst in Rome gezien en begrepen had, de ophooping van zijn desillusies, van de bestaande werkelijkheid, waaronder zijn droom van een terugkeer tot het oorspronkelijke Christendom reeds half gestorven, verpletterd was. Alles was ingestort in hem, toen het ware Rome zich aan hem geopenbaard had, de eeuwenoude stad van hoogmoed en heerschzucht, waarin het pausdom niet zou kunnen bestaan zonder de wereldlijke macht. Te veel banden, het dogma, de traditie, het milieu, de bodem zelf maakten het voor eeuwig onveranderlijk. Het kon slechts schijnbaar toegeven; ondanks alles zou het uur komen, waarop die concessies zouden moeten ophouden, onmogelijk als het was verder te gaan zonder zelfmoord te plegen.
Het nieuwe Rome zou mogelijk eenmaal werkelijkheid kunnen worden buiten Rome; slechts daar zou het Christendom weder ontwaken, want het Katholicisme moest te Rome sterven, wanneer de laatste paus, vastgenageld aan dezen bodem van puinhoopen, onder het laatste kraken van den dom van de St. Pieter verdwijnen zou, die instorten moest, zooals de tempel van Juppiter Capitolinus ingestort was. Wat den tegenwoordigen paus betreft, hij mocht zonder koninkrijk zijn, hij mocht de ziekelijke zwakheid van zijn hoogen ouderdom, de kleurlooze bleekte van een oud afgodsbeeld van was hebben, desniettemin brandde de rood oplaaiende hartstocht naar de wereldheerschappij in hem, was hij de halsstarrige zoon van den voorvader, den Pontifex Maximus, den Caesar Imperator, in wiens aderen het bloed van Augustus, den wereldheerscher, stroomde.
"Het vurige verlangen naar eenheid, dat ons altijd bezield heeft, hebt gij zeer goed ingezien," ging Leo XIII voort. "Den dag, dat wij eenheid gebracht hebben in den ritus, door den Romeinschen ritus aan de geheele Katholieke wereld op te leggen, waren wij zeer gelukkig. Dat is een van onze dierbaarste overwinningen, omdat zij veel bijdraagt tot ons gezag. Ik hoop ook, dat onze bemoeiingen in het Oosten ten slotte onze lieve, verdwaalde broeders van de dissidente gemeenten tot ons zullen terugbrengen, evenals ik er niet aan wanhoop de Anglicaansche secten te overtuigen--afgezien van de Protestantsche secten, die in den schoot van de Eenige Roomsch-Katholiek-Apostolische Kerk terugkeeren moeten, zoodra de door Christus voorspelde tijden in vervulling zullen gaan... Maar wat ge niet gezegd hebt, is, dat de Kerk niets van het dogma kan opgeven. Integendeel schijnt gij gedacht te hebben, dat een schikking tot stand zou kunnen komen door van beide zijden tot concessies bereid te zijn; welnu, dat is een zeer te veroordeelen gedachte, een taal, die een priester niet bezigen kan, zonder misdadig te zijn. Neen, de waarheid is absoluut, geen steen van het gebouw mag veranderd worden. O, in den vorm--zooveel als men wil. Wij zijn tot de grootste toegeeflijkheid bereid, als het er slechts om gaat om zekere moeilijkheden uit den weg te gaan, om zich voorzichtig uit te drukken, ten einde het accoord te vergemakkelijken... Het is als met onze rol in het hedendaagsche socialisme: wij moeten elkaar begrijpen. O zeker, zij, die gij zoo terecht en juist de onterfden dezer wereld genoemd hebt, zijn het voorwerp van onze voortdurende zorg. Indien het socialisme eenvoudig een verlangen naar gerechtigheid, een wil, om den zwakken te hulp te komen is, wie werkt er dan krachtiger en met meer energie aan dan wij? Is de Kerk niet altijd de moeder der bedroefden, de weldoenster der armen geweest? Wij zijn alleen voor verstandigen vooruitgang, wij aanvaarden alle nieuwe maatschappelijke vormen, die zullen medewerken tot den vrede en de broederschap... Maar het socialisme, dat begint God weg te jagen, om het geluk der menschheid te verzekeren, kunnen wij niet anders dan veroordeelen. Dat is eenvoudig een toestand van woestheid, een afschuwlijke achteruitgang, waarbij catastrophen, bloedbaden en brandstichtingen schering en inslag moeten zijn. Dat is ook iets, dat gij niet met voldoenden nadruk gezegd hebt, want gij hebt niet aangetoond, dat buiten de Kerk geen vooruitgang mogelijk is, dat alles van haar uit moet gaan, dat zij de eenige leidster is, aan wie men zich zonder vrees toevertrouwen kan. Zelfs, en dat is nog een zeer groote fout van u, zelfs komt het me voor, dat gij God geheel ter zijde stelt, dat de godsdienst voor u alleen een zielstoestand, een opbloeien van liefde en barmhartigheid is. Een verfoeilijke ketterij! God is altijd tegenwoordig, meester van de zielen en van de lichamen; de godsdienst is en blijft de band, de wet der menschheid, zonder welke er in deze wereld slechts barbaarschheid en verdoeming in het hiernamaals mogelijk is. En nogmaals zeg ik u, de vorm beteekent niets, indien het dogma slechts blijft bestaan. Zoo bewijst bijvoorbeeld onze erkenning van de Republiek in Frankrijk, dat wij het lot van den godsdienst niet binden willen aan een regeeringsvorm, zelfs al is die eerbiedwaardig en oud. De dynastieën mogen haar tijd gehad hebben, God is eeuwig! Mogen de koningen ten gronde gaan, God leve! Trouwens de republikeinsche staatsvorm heeft niets anti-Christelijks; integendeel, het schijnt, dat hij iets heeft van een weder ontwaken der Christelijke gemeenschap, waarover gij in werkelijk betooverende bewoordingen geschreven hebt. Het jammere is, dat vrijheid dikwijls dadelijk in losbandigheid overslaat en dat men meestal onzen wensch, om een verzoening tot stand te brengen, zoo slecht beloont... O, mijn zoon, welk een slecht boek hebt gij geschreven; o, met de beste bedoelingen, dàt neem ik gaarne aan. En wat is uw zwijgen een bewijs, dat gij de noodlottige en rampzalige gevolgen van uw fout begint in te zien!"
Vernietigd bleef Pierre zwijgen; hij voelde inderdaad, dat zijn eene argument na het andere te pletter viel op een doove, blinde, ondoordringbare rots. Het zou nutteloos en belachelijk zijn, als hij trachten wilde zijn argumenten daarin te drijven. Waartoe zou het dienen? Hij had nog slechts één gedachte: hij vroeg zich met verbazing af hoe het mogelijk was, dat een man met zijn begrip, met zijn eerzucht zich geen juister denkbeeld gevormd had van de moderne wereld. Blijkbaar was hij van alles op de hoogte, had hij de onmetelijke kaart der Christenheid met haar behoeften, verwachtingen en daden in zijn hoofd. Maar toch welk een lacunes! Dat moest zijn, omdat hij van de wereld slechts wist, wat hij gedurende zijn kort verblijf te Brussel als nuntius en te Perugia gezien had. En nu was hij sedert achttien jaar opgesloten in het Vaticaan, afgezonderd van de overige menschen, met de volkeren slechts verkeerende door middel van zijn omgeving, die dikwijls zeer kortzichtig, leugenachtig en verraderlijk was.