Part 53
Op die wijze ontrolde zich voor hem de geschiedenis van het pausdom, de wonderbaarlijkste geschiedenis, die er bestaat: het had alle wisselvalligheden der fortuin, de laagste en ellendigste zoowel als de hoogste en schitterendste tijden, gekend; het bezat een hardnekkigen wil om te leven, die het ondanks alles te midden van branden, bloedbaden en instortingen staande gehouden heeft, steeds strijdvaardig in den persoon van zijn pausen. Zij vormen een buitengewone reeks van onbeperkte, veroverende en gebiedende heerschers. Allen, zelfs de zwakke en nederige, waren de meesters der wereld, allen straalden in den onvergankelijken roem van den hemel, wanneer men ze zich voor den geest riep in dit eeuwenoude Vaticaan, waar hun schimmen 's nachts ongetwijfeld ontwaakten en te midden der doodelijke stilte door de eindelooze gangen, door de reusachtige zalen slopen.
Maar dan zeide Pierre tot zich zelf, dat hij den grooten paus, die Leo XIII wilde zijn, kende. Het was, geheel in het begin der Katholieke macht, Gregorius de Groote, de veroveraar en de organisator. Deze stamde af uit een oud Romeinsch geslacht; iets van het oude keizerbloed bruiste nog in zijn aderen. Hij bestuurde het van de barbaren geredde Rome, liet de Kerkelijke domeinen bebouwen en verdeelde de goederen dezer aarde: één deel voor de armen, één deel voor de geestelijkheid en één deel voor de Kerk. Hij stichtte de Propaganda, zond zijn priesters uit om de volkeren te beschaven en te pacificeeren, onderwierp zelfs Groot-Brittannië aan de goddelijke wet van Christus. Ook was het, na een tusschentijd van vele eeuwen, Sixtus V, de financier en politicus, de tuinmanszoon, die zich onder de tiara als een der meest omvattende en soepele geesten van een aan diplomaten rijk tijdperk kennen deed. Hij vergaarde schatten en was hard en gierig, om te regeeren als een vorst, die in zijn schatkist steeds het voor oorlog en vrede noodige goud liggen heeft. Jaren lang onderhandelde hij met koningen, nooit wanhoopte hij aan zijn triomf. Evenmin verzette hij zich tegen den tijdgeest; hij aanvaardde dien zooals hij was, en trachtte hem dan te wijzigen in het belang van den Heiligen Stoel; hij was verdraagzaam in alles tegenover allen en droomde reeds van een Europeesch evenwicht, waarvan hij het centrum en de meester wilde worden. Bij dat alles was hij een zeer vrome paus, een vurige mysticus, maar een paus, die de meest absolute, meest onbeperkte geest en tevens een tot handelen vastbesloten staatsman was, om het koninkrijk Gods op deze aarde te verzekeren.
Maar in zijn geestdrift, die ondanks zijn wil om kalm te zijn, weer in hem opsteeg en alle voorzichtigheid en allen twijfel wegvaagde, vroeg Pierre zich af, waarom hij zoo het verleden naging. Was dan de ware Leo XIII niet die van zijn boek, de groote paus, die zich aan hem geopenbaard had, dien hij geschilderd had naar zijn hart, zooals de zielen hem wenschten en verwachtten? Ongetwijfeld was het geen sprekend gelijkend portret, maar de groote lijnen ervan moesten toch juist zijn, wilde de menschheid niet wanhopen aan haar redding. En talrijke bladzijden van zijn boek vlamden voor zijn oogen op; hij zag Leo XIII weer voor zich, den wijzen staatsman, den verzoenenden bemiddelaar, die aan de eenheid der Kerk werkte, haar krachtig en onoverwinlijk maken wilde voor den nabijën dag van den onvermijdelijken strijd. Hij zag hem weer voor zich, bevrijd van de zorgen over de wereldlijke macht, grooter geworden, gelouterd, schitterend in moreele pracht, als de eenige, boven de volkeren staande autoriteit, die het doodelijke gevaar ingezien heeft, dat erin gelegen is, de socialistische oplossing te laten in de handen van de vijanden van het Christendom, en vanaf dat oogenblik vast besloten was om in den hedendaagschen strijd, zooals Jezus vroeger, in te grijpen ter verdediging van de armen en de lijdenden.
Hij zag hem zich plaatsen aan de zijde der democratieën, de republiek in Frankrijk erkennen, de van hun tronen gestooten koningen in ballingschap laten, de voorspelling verwezenlijken, die Rome opnieuw de wereldheerschappij zou verzekeren, wanneer het pausdom het geloof weer één gemaakt hebben en aan de spits van het volk marcheeren zou. De tijden gingen in vervulling: de Caesar was verpletterd, de paus alleen bleef nog over. En zou het volk, het groote zwijgende volk, dat de twee machten elkander zoo lang betwist hadden, zich niet geven aan den Vader, nu het wist, dat deze rechtvaardig en liefderijk was, dat deze de broodelooze arbeiders en de bedelaars van de straat met een van liefde brandend hart en een uitgestoken hand tegemoet kwam? Bij de vreeselijke catastrophe, die de verrotte maatschappij bedreigde, bij de afschuwlijke ellende, die de steden teisterde, was geen andere oplossing mogelijk als Leo XIII, de gepraedestineerde, de noodwendige verlosser, de herder, gezonden om zijn schapen te redden door de wederinstelling der Christelijke gemeenschap, de vergeten gouden eeuw van het oorspronkelijke Christendom! Eindelijk heerschte de gerechtigheid, schitterde de waarheid als de zon, waren alle menschen verzoend, vormden slechts één volk, dat in vrede leefde en gehoorzaamde aan de allen gelijkmakende wet van den arbeid onder de hooge bescherming van den paus, den eenigen band van barmhartigheid en liefde!
Nu werd Pierre als opgelicht, gedragen, voortgedreven door een vlam. Eindelijk, eindelijk zou hij hem zien, zijn hart lucht geven, zijn ziel openen! Reeds sedert zoo vele dagen snakte hij vurig naar deze minuut, streed hij met al zijn moed om die te verkrijgen. En hij herinnerde zich de hinderpalen, welke men hem sedert zijn aankomst te Rome telkens weer in den weg gelegd had; en deze lange strijd, dit ongehoopte succes maakten zijn koorts heftiger, prikkelden zijn wensch om te overwinnen. Ja, ja, hij zou overwinnen, hij zou de tegenstanders van zijn boek doen verstommen en ten schande maken. Kon, zooals hij tegen monsignor Fornaro gezegd had, de paus zijn boek desavoueeren? Had hij niet zijn geheime denkbeelden uitgesproken? Misschien te vroeg, maar dat was toch een vergeeflijke fout? En hij herinnerde zich ook wat hij tegen monsignor Nani gezegd had op den dag, dat hij gezworen had nooit uit eigen beweging zijn boek te zullen terugtrekken, want dat hij nergens berouw over had, niets loochende.
In deze minuut ging hij nogmaals met zichzelf te rade, en in de heftige, zenuwachtige opwinding, waarin het wachten hem na zijn eindeloozen gang door dit reusachtige Vaticaan, bracht, geloofde hij in het volle bezit van zijn moed, van zijn geheele wilskracht te zijn. Toch geraakte hij hoe langer hoe meer in verwarring, kwam er toe zijn gedachten bij elkaar te zoeken, vroeg hij zich af, hoe hij zou binnengaan, wat hij zeggen zou en in welke bewoordingen.
Verwarde en zware dingen moesten zich in hem opgehoopt hebben, want hun gewicht droeg veel tot zijn beklemming bij, zonder dat hij zich daarvan rekenschap wilde geven. Feitelijk was hij reeds gebroken en uitgeput, had hij geen veerkracht meer dan de vlucht van zijn droom en zijn kreet van medelijden met de afschuwlijke ellende. Ja, ja, hij zou vlug naar binnen gaan, zou op zijn knieën vallen, spreken zooals zijn hart hem ingeven zou. En ongetwijfeld zou de Heilige Vader glimlachen, hem laten gaan met de woorden, dat hij niet de veroordeeling van een werk teekenen zou, waarin hij zichzelf met zijn dierbaarste gedachten teruggevonden had.
Pierre voelde zich zóó zwak worden, dat hij opnieuw naar het raam liep, om zijn brandend voorhoofd tegen het koude glas te drukken. Zijn ooren suisden, zijn knieën knikten, terwijl het bloed met zware slagen in zijn hersens klopte. Hij trachtte aan niets meer te denken, keek naar het in donkerte gedompelde Rome en vroeg het een weinig van zijn slaap te schenken, waarin het zelf wegzonk. O, om kalm te zijn, om eindelijk niet meer te denken, moet het nacht zijn, een volkomen nacht, de nacht, waarin men, van ellende en lijden genezen, voor eeuwig slaapt! Plotseling had hij het duidelijke gevoel, dat er iemand onbeweeglijk achter hem stond; hij schrok en keerde zich om.
Achter hem stond inderdaad mijnheer Squadra in zijn zwarte livrei te wachten. Hij maakte weer een buiging als om den bezoeker uit te noodigen hem te volgen. Dan ging hij weer voorop loopen, schreed langzaam door de kleine troonzaal, opende zacht de deur van de kamer, trad ter zijde, liet den bezoeker binnengaan, sloot de deur geruischloos.
Pierre was in de kamer van Zijne Heiligheid. Hij was bang geweest voor een van die plotselinge gemoedsbewegingen, die krankzinnig maken of verlammen; men had hem verteld, dat vrouwen stervend, in onmacht, als dronken binnenkwamen, of wel als door onzichtbare vleugelen gedragen, dansend binnenstormden. Maar plotseling eindigde de angst, die hem tijdens het wachten aangegrepen had, zijn koorts van zooeven in een soort reactie, die hem kalm maakte, hem alles met heldere oogen deed zien.
Toen hij binnentrad, was hij zich van de beslissende beteekenis van deze audiëntie bewust geworden: hij, de eenvoudige priester, verscheen voor den hoogepriester, het hoofd der Kerk, den heerscher der zielen. Zijn geheele religieus en moreel leven zou van deze audiëntie afhangen. Misschien was het deze gedachte, die hem op den drempel van het heiligdom, waarnaar hij zoo bevend gegaan was als het ware tot ijs verstarren deed, het heiligdom, dat hij gedacht had slechts met een bevend hart en zijn kindergebeden stamelend te kunnen betreden.
Toen Pierre later zijn herinneringen classeeren wilde, herinnerde hij zich, dat hij Leo XIII het eerst gezien had, maar in de omlijsting, die hem omgaf, in die groote, met geel damast behangen kamer met het zoo diepe alkoof, dat het bed er in verdween, evenals een heel klein meubilair, een chaise longue, een kast, koffers, de beroemde koffers, waarin zich, naar men zeide, achter een driedubbel slot de schat van den Pieterspenning bevond. Een meubelstuk, in Louis XIV-stijl, een soort schrijfbureau met koper beslag stond tegenover een groote, vergulde en beschilderde wandtafel, waarop naast een hoog crucifix een lamp brandde.
Verder was de kamer kaal; slechts drie fauteuils en vier of vijf stoelen met trijp van lichte zijde, moesten de groote ruimte vullen. Op den vloer lag een reeds zeer versleten tapijt. Op een dier fauteuils zat naast een klein tafeltje, waarop men een tweede lamp met een kap gezet had, Leo XIII. Op het tafeltje lagen drie couranten, twee Fransche en een Italiaansche: deze laatste half opengevouwen, als had de paus haar even neergelegd om met een lang verguld-zilveren lepeltje een glas limonade, dat naast hem stond, om te roeren.
Zooals Pierre de kamer gezien had, zag hij ook het costuum, de witte soutane met witte knoopen, het witte kalotje, de witte pèlerine, de witte ceintuur met gouden franje, waarvan de einden met gouden sleutels geborduurd waren. De kousen waren wit, de pantoffels van rood, eveneens met gouden sleutels geborduurd, fluweel. Het meest werd Pierre echter getroffen door het gezicht, door de geheele persoonlijkheid, die hem kleiner voorkwam en die hij nauwlijks herkende. Dit was nu de vierde maal, dat hij den paus zag: de eerste maal op een mooien avond in een heerlijken tuin, glimlachend en vertrouwelijk luisterend naar het gebabbel van een lievelingsprelaat, terwijl hij met zijn kleine oude-heeren-pasjes als een gewond vogeltje voorttrippelde. Hij had hem gezien in de Sala dei Beatificazione als geliefd en ontroerd paus, wiens wangen bloosden van tevredenheid, terwijl vrouwen hem beurzen en met goud gevulde witte kalotjes brachten, haar juweelen afrukten om ze aan zijn voeten te werpen. Hij had hem in de St. Pieter gezien--hoog op het schild gedragen, in al zijn heerlijkheid van zichtbaren God, dien de Christenheid aanbidt als een in zijn gouden en met edelgesteenten versierde kast opgesloten afgod, terwijl zijn strak gelaat onbeweeglijk als uit steen gehouwen bleef. En nu zag hij hem hier in dezen fauteuil, in de intimiteit van zijn eigen kamer terug, en hij vond hem zoo mager, zoo teer, dat hij een onrust voelde, waaraan zich ontroering paarde. De hals vooral was onwaarschijnlijk dun als een draad, de hals van een heel ouden, witten vogel. Het albasten, bleeke gelaat was karakteristiek doorschijnend, men zag het schijnsel van de lamp door den grooten, gebiedenden neus, als was al het bloed daaruit weggevloeid. De groote mond met de sneeuwwitte lippen doorsneed met een dunne lijn het onderste gedeelte van het gelaat, de oogen alleen waren mooi en jong gebleven, prachtige, donkere, als zwarte diamanten fonkelende, krachtige, doorborende oogen, die de zielen openden en dwongen de waarheid met luide stem te bekennen. Het weinige haar kwam in dunne, witte lokken uit het witte kapje te voorschijn en legde een witte kroon om het magere, witte gezicht, welks leelijkheid door al het wit gelouterd werd.
Maar bij den eersten blik had Pierre opgemerkt, dat mijnheer Squadra hem niet had laten wachten, omdat hij den Heiligen Vader had willen dwingen een schoone soutane aan te trekken, want degene, die hij droeg, was vuil door de vele snuif, die langs de knoopen gevallen was. En echt burgerlijk had de Heilige Vader een zakdoek op zijn knieën, om zich af te vegen. Verder scheen hij zeer welvarend en geheel hersteld van zijn ziekte van den vorigen dag; hij was trouwens gewoonlijk gauw beter, want hij leefde zeer sober en matig en had geen enkel organisch gebrek. Door een natuurlijke uitputting verminderde hij dagelijks iets, zooals een fakkel door het voortdurende branden eenmaal uitgaat.
Reeds bij de deur had Pierre de twee fonkelende oogen, de twee zwarte diamanten oogen op zich voelen rusten. De stilte was angstaanjagend, de lampen brandden met een onbeweeglijke, bleeke vlam in deze grenzenlooze rust van het ingeslapen Vaticaan, zonder dat men iets anders hoorde dan in de verte het oude, in den nacht weggezonken oude Rome. Hij moest naderbij komen, maakte de drie kniebuigingen en boog zich dan voorover om de op een kussen rustende rood-fluweelen pantoffel te kussen. Geen woord, geen beweging, geen gebaar van den paus. Toen Pierre zich weer oprichtte, zag hij de twee zwarte diamanten, de fonkelende oogen, nog steeds op zich gericht.
Eindelijk begon Leo XIII, die hem den ootmoed van den voetkus niet had willen besparen en hem nu liet staan, te spreken, zonder echter zijn blik, die tot in het diepst van zijn ziel doordrong, van Pierre af te wenden.
"Mijn zoon, gij hebt vurig verlangd mij te spreken, en ik heb erin toegestemd aan uw wensch gevolg te geven."
Hij sprak Fransch, een eenigszins onzeker Fransch, dat hij op zijn Italiaansch uitsprak, en zoo langzaam, dat men de zinnen als bij een dictee had kunnen opschrijven. De nasale stem was sterk, een van die zware, diepe stemmen, die men bij zulke zwakke, schijnbaar bloed- en ademlooze lichamen niet verwacht.
Pierre had zich wederom gebogen om zijn dankbaarheid te betuigen, hij wist, dat de eerbied eischte, dat men niet sprak voor een direkte vraag gedaan werd.
"Gij woont te Parijs?"
"Ja, Heilige Vader."
"Behoort ge tot een der groote stedelijke parochieën?"
"Neen, Heilige Vader, ik ben kapelaan in de kleine kerk te Neuilly."
"O ja, ik weet al waar... dicht bij den Bois de Boulogne... En hoe oud zijt gij, mijn zoon?"
"Vier-en-dertig, Heilige Vader!"
Er volgde een korte stilte. Leo XIII had eindelijk zijn oogen neergeslagen. Met zijn teere, ivoorkleurige hand nam hij het glas limonade weer, roerde er met den langen lepel in en dronk een slok. Hij deed het langzaam, voorzichtig en bedachtzaam, zooals alles, wat hij moest doen en denken.
"Ik heb uw boek gelezen, mijn zoon. Ja, voor het grootste gedeelte. Gewoonlijk legt men mij slechts brokstukken voor. Maar iemand, die zich voor u interesseert, heeft mij het boek gegeven en gesmeekt het door te lezen. Op die wijze heb ik er kennis van kunnen nemen."
Hij maakte een klein gebaar, waarin Pierre een protest meende te moeten zien tegen de afzondering, waarin zijn omgeving hem hield--die vloekwaardige omgeving, die er, volgens de woorden van monsignor Nani zelf, goed voor waakte, dat niets verontrustends van uit de buitenwereld hier doordrong.
"Ik dank Uwe Heiligheid voor de zeer groote eer, die het haar behaagd heeft mij te bewijzen," waagde de priester te zeggen. "Geen grooter eer, geen vuriger verlangd geluk kon mij ten deel vallen."
Hij was zoo gelukkig! Hij verbeeldde zich, dat zijn zaak reeds gewonnen was, nu de paus kalm en zonder eenigen toorn, op dien toon met hem sprak over zijn boek als iemand, die hem nu door en door kende.
"Ge gaat veel om met mijnheer den vicomte Philibert de la Choue, niet waar, mijn zoon? De overeenkomst tusschen sommige van uw denkbeelden en die van dezen zeer toegewijden dienaar, die ons anderzijds kostbare bewijzen van zijn goede gezindheid gegeven heeft, is mij opgevallen."
"Inderdaad, Heilige Vader, mijnheer de la Choue is wel zoo goed belang in mij te stellen. Wij hebben veel samen gepraat, zoodat het niet te verwonderen is, dat ik verscheidene van zijn dierbaarste denkbeelden weergegeven heb."
"Natuurlijk, natuurlijk. Zoo bijvoorbeeld die quaesties van de corporaties, waarmede hij zich veel, zelfs wel wat te veel, bezighoudt. Bij zijn laatste reis heeft hij daar met grooten aandrang met mij over gesproken; evenals trouwens een andere landgenoot van u, een der beste en eminentste mannen, die ik ken, baron de Fouras, die onlangs de mooie bedevaart van den Pieterspenning hier gebracht heeft, niet rustte, voordat ik hem ontving, om er dan bijna een uur lang over te praten. Maar men kan moeilijk zeggen, dat zij het eens zijn, want de een smeekt mij te doen wat de ander niet wil, dat ik doe."
Dadelijk bij het begin dwaalde het gesprek op zijpaden af. Pierre voelde, dat het met zijn boek niets te maken had, maar hij herinnerde zich zijn belofte aan den vicomte, dat hij, wanneer hij den paus zou spreken en de gelegenheid zich daarbij voordeed, een poging wagen zou een beslissende uitspraak te krijgen over de beroemde vraag of de corporaties vrij of verplichtend, open of gesloten moesten zijn. Sedert hij te Rome was, had hij brief op brief van den armen vicomte gekregen, die door zijn jicht Parijs niet verlaten kon, terwijl zijn tegenstander, de baron, van de prachtige gelegenheid der bedevaart, waarvan hij de leider was, gebruik maakte om te trachten van den paus een goedkeurend woord te krijgen, dat hij triompheerend mee kon nemen naar Frankrijk. En de priester stond erop zijn belofte consciëntieus te houden.
"Uwe Heiligheid weet beter dan wij allen wat wijsheid is. Mijnheer de Fouras gelooft, dat het heil, de oplossing der arbeidersquaestie eenvoudig gelegen is in het weder in het leven roepen der oude, vrije corporaties, terwijl mijnheer de la Choue die verplichtend wil onder bescherming van den Staat en aan nieuwe regelen onderworpen. En ongetwijfeld is deze laatste opvatting veel meer in overeenstemming met de tegenwoordige sociale denkbeelden... Indien het Uwe Heiligheid mocht behagen zich in dien zin uit te spreken, dan zou de jonge Katholieke partij in Frankrijk daarmede zeker de schitterendste resultaten weten te bereiken, een geheele arbeidersbeweging tot roem van de Kerk."
"Maar dat kan ik niet," zeide Leo XIII op zijn gewone kalme manier. "Men vraagt mij uit Frankrijk altijd dingen, die ik niet kan en niet wil doen. Het eenige, wat ik u veroorloof uit mijn naam tegen mijnheer de la Choue te zeggen is, dat, al kan ik hem in dezen niet ter wille zijn, mijnheer de Fouras evenmin zijn wensch bevredigd ziet. Ook hij heeft van mij slechts de verzekering gekregen van mijn welwillendheid ten opzichte van de Fransche arbeiders, die zooveel vermogen voor de wederopleving van het geloof. Maar men moet bij u te lande ten slotte toch eens begrijpen, dat er detailquaesties, die per slot van rekening toch de organisatie betreffen, zijn, waarmede ik mij onmogelijk kan inlaten zonder mij bloot te stellen aan het gevaar daaraan een gewicht te geven, dat zij niet hebben, en sommigen een groote teleurstelling te bezorgen, indien ik anderen een groot genoegen doe."
Om zijn lippen verscheen een flauw glimlachje, waaruit duidelijk de conciliante, bedachtzame politicus sprak, die vastbesloten is zijn onfeilbaarheid niet in gevaar te brengen door onnoodige avonturen. Hij dronk weer een slok limonade en veegde zich met zijn zakdoek af als een heerscher, die nu zijn gala-dagtaak afgeloopen is, zich op zijn gemak zet en dit uur van stilte en eenzaamheid gekozen had om langzaam en zoo lang als hij er zelf lust in had, te spreken.
Pierre trachtte het gesprek op het boek te brengen.
"Mijnheer de vicomte Philibert de la Choue is zoo hartelijk voor mij, hij wacht met even groote ontroering op het lot van mijn boek als had hij het zelf geschreven. Daarom zou het mij zoo gelukkig gemaakt hebben, wanneer ik hem een aanmoedigend woord van Uwe Heiligheid had kunnen overbrengen."
Maar de paus antwoordde niet.
"Ik heb hem leeren kennen bij Zijne Eminentie, kardinaal Bergerot, wiens vurige naastenliefde voldoende zijn moest, om weer een geloovig Frankrijk te scheppen."
"O ja, kardinaal Bergerot! Ik heb zijn brief, die als voorrede in uw boek staat, gelezen. Hij was wel slecht geïnspireerd op den dag, dat hij dien schreef, en gij, mijn zoon, hebt u met het publiceeren daarvan aan een groote zonde schuldig gemaakt... Ik kan nog niet gelooven, dat de kardinaal sommige van uw bladzijden gelezen heeft, toen hij u zijn volkomen toestemming en goedkeuring gaf. Ik wil liever aannemen, dat het een gevolg van onwetendheid en lichtzinnigheid is. Hoe zou hij anders uw aanvallen tegen het dogma, uw revolutionnaire theorieën, die tot de totale vernietiging van onzen heiligen godsdienst leiden, hebben kunnen goedkeuren? Als hij uw boek gelezen heeft, heeft hij geen ander excuus dan een plotselinge, onverklaarbare, onvergeeflijke afdwaling... Weliswaar heerscht in een deel der Fransche geestelijkheid een kwade geest. De Gallicaansche denkbeelden schieten steeds meer als onkruid op, een bedilziek liberalisme, dat zich tegen ons gezag verzet en niets liever wil dan vrij onderzoek en andere sentimenteele avonturen."
Hij geraakte opgewonden, Italiaansche woorden mengden zich onder zijn aarzelend Fransch; zijn zware neusstem kwam luid-klinkend als een koperinstrument uit zijn tenger, als uit sneeuw en was gemaakt lichaam.
"En laat kardinaal Bergerot het goed weten: den dag, dat wij in hem niet meer kunnen zien dan een opstandigen zoon, zullen wij hem breken. Hij is ons het voorbeeld van gehoorzaamheid verschuldigd; wij zullen hem onze misnoegen te kennen geven en hopen, dat hij zich zal onderwerpen. Ongetwijfeld zijn ootmoed en naastenliefde groote deugden en wij hebben die steeds gaarne in hem geëerd. Maar zij moeten niet de toevlucht van een opstandig hart worden, want zij beteekenen niets, indien niet gehoorzaamheid daarmede gepaard gaat, gehoorzaamheid, het mooiste sieraad der groote heiligen!"
Verbijsterd en ontsteld luisterde Pierre naar hem. Zichzelf vergat hij; hij dacht alleen nog maar aan den man vol goedheid en verdraagzaamheid, op wien hij dezen almachtigen toorn had doen nederdalen. Dus had don Vigilio gelijk gehad: de beschuldigingen der bisschoppen van Poitiers en Evreux zouden over zijn hoofd heen den tegenstander van hun ultramontaansche onverdraagzaamheid, den zachtmoedigen, goedhartigen Bergerot, de ziel, welke open stond voor al de ellende en al het lijden der armen en der nederigen, treffen.