Part 52
Pierre sloeg zijn blikken op naar het Vaticaan. Maar daar was slechts een opeenhooping van verwarde gevels te zien, waarin slechts op de verdieping der pauselijke appartementen het schijnsel van twee lampen òplichtte. Alleen in het inwendig verlichte Damasiushof blonken helder de achter- en linkervleugel in den witten weerschijn van hun groote serre-ramen. En steeds geen geluid, geen beweging, zelfs niet de verplaatsing van een schaduw. Twee personen staken de uitgestrektheid van het plein over; dan een derde, die ook weer verdween, waarna er niets meer overbleef dan in de verte de cadans der rhythmische stappen. Het was een volmaakte woestijn, geen voorbijgangers, geen wandelaars, zelfs niet de schim van een nachtelijk zwerver onder de colonnade in het zuilenbosch, dat even leeg was als de eeuwenoude oerwouden der eerste eeuwen. En welk een plechtige woestijn, welk een trotsch-troostelooze stilte! Nog nooit had hij den indruk van een zoo onmetelijke, zoo donkere sluimering vol van den majestueusen adel des doods gekregen.
Om tien minuten voor negen vermande Pierre zich en ging naar de bronzen deur. Nog slechts één der vleugels aan het einde van de rechtsche zuilengang stond open. Hij herinnerde zich de nauwkeurige instructies, die monsignor Nani hem gegeven had: aan iedere deur naar mijnheer Squadra vragen en er geen woord aan toevoegen--en iedere deur zou zich openen; hij behoefde zich slechts te laten leiden. Nu Benedetta niet meer leefde, wist niemand, dat hij hier was. Toen hij de bronzen deur doorgegaan was en voor den onbeweeglijken soldaat der Zwitsersche garde stond, die in een slapende houding de toegang bewaakte, zeide hij eenvoudig het afgesproken woord:
"Mijnheer Squadra."
Daar de soldaat zich niet bewoog en hem doorliet, liep hij door en sloeg dadelijk rechts af de groote vestibule van de Scala Pia in, naar de steenen trap, die naar het Damasiushof leidt. En geen levende ziel, niets dan de verstikte echo der stappen, niets dan het slapende licht der vleermuizen, welker matglazen bollen het licht zacht temperden.
Toen hij boven het Damasiushof door liep herinnerde hij zich, dat hij dat reeds van uit de loggia's van Raffaël gezien had met zijn porticus, zijn fontein, zijn wit, toen in de brandende zon liggend plaveisel. Maar nu zag hij zelfs de vijf of zes rijtuigen niet, die daar stonden met hun onbeweeglijke paarden en hun op hun bokken als verstijfde koetsiers. Het was een woestijn, een groot, kaal, kleurloos vierkant, als in de sluimering van een graf liggend onder het droeve licht der lantaarns, welker weerkaatsingen de hooge vensters der drie gevels verlichtten. Eenigszins onrustig en door een lichte rilling van het leege en stille aangegrepen, liep hij snel verder in de richting van het door een marquise beschermde bordes, dat met enkele treden naar de trap van de appartementen leidde.
Daar stond een reusachtige gendarm in groot tenue.
"Mijnheer Squadra."
Met een eenvoudig gebaar, zonder één woord, wees de gendarme op de trap.
Pierre ging naar boven. Het was een zeer breede trap met witmarmeren leuning en lage treden. Het licht in de matglazen bollen scheen uit wijze spaarzaamheid reeds laag gedraaid te zijn. Op ieder portaal hield een soldaat der Zwitsersche garde met zijn hellebaard de wacht; in den zwaren, diepen slaap, die het paleis bevangen had, hoorde men niets dan de regelmatige stappen van deze mannen, die ongetwijfeld steeds zoo op en neer liepen, om ook niet door de verdooving der omgeving overmeesterd te worden.
Aan het beklimmen van die trap te midden van de diepe, huiverende stilte en de toenemende duisternis scheen geen einde te komen. Toen hij eindelijk op het portaal der tweede verdieping kwam, was het alsof hij reeds honderd jaar die trap opklom. Voor de glazen deur der Sala Clementina, waarvan alleen de rechterdeurvleugel openstond, hield een laatste soldaat der Zwitsersche garde de wacht.
"Mijnheer Squadra."
De man trad ter zijde en liet den jongen priester binnengaan.
De reusachtige Sala Clementina scheen op dit uur in het schemerdonker der lampen grenzenloos te zijn. De zoo rijke decoratie, de beeldhouwwerken, de schilderijen, het verguldsel, alles zonk weg en was niets meer dan een vage, vale massa, spookachtige muren, waarop de terugkaatsingen van kleinoodiën en edelgesteenten sliepen.
Eindelijk meende Pierre aan het andere einde van de zaal op een bank gedaanten te onderscheiden. Het waren drie dommelende soldaten der Zwitsersche garde.
"Mijnheer Squadra."
Langzaam stond een der mannen op en verdween. Pierre begreep, dat hij moest wachten. Hij durfde zich niet bewegen: het geluid van zijn stappen op de tegels maakte hem bang. Hij keek om zich heen en trachtte zich de menigten voor den geest te roepen, welke deze zaal bevolkt hadden. Thans nog was het een zaal, die voor allen toegankelijk was, die allen moesten doorgaan, een eenvoudige zaal voor de wachtposten, steeds vervuld door het lawaai van tallooze stappen, van het onophoudelijke komen en gaan. Maar hoe zwaar drukte de dood erop, wanneer de nacht haar in bezit had genomen--hoe moe en uitgeput was zij door het voorbij zien gaan van zoovele dingen en menschen.
Eindelijk kwam de soldaat terug en achter hem verscheen op den drempel van het nevenvertrek een geheel in het zwart gekleede man van omstreeks veertig jaar, die het midden hield tusschen den knecht van een groot huis en den koster van een kathedraal. Hij had een mooi, gladgeschoren gezicht met een eenigszins grooten neus tusschen een paar groote, strakke en heldere oogen.
"Mijnheer Squadra," zeide Pierre nogmaals.
De man maakte een buiging, als om te zeggen, dat hij dat was. Met een tweede buiging noodigde hij den priester uit hem te volgen. Achter elkaar gingen zij dan de eindelooze reeks zalen door.
Pierre, die, doordat hij er meermalen met Narcisse over gesproken had, het ceremonieel kende, herkende de verschillende zalen, herinnerde zich de bestemming daarvan, vulde ze in zijn geest met de personen, die het recht hadden zich er op te houden. Iedere dignitaris mocht, volgens zijn rang, niet verder dan een bepaalde deur gaan, zoodat de personen, die door den paus ontvangen moeten worden, van hand tot hand gaan, van die der bedienden in die der edelgarden, dan in die van de eerekamerheeren, vervolgens in die der geheime kamerheeren. Maar van acht uur af waren de zalen ledig; slechts weinige lampen branden op de wandtafeltjes; het is niet meer dan een reeks verlaten, half donkere, in slaap gevallen vertrekken, ingesloten in het verheven Niet, waarin het geheele paleis verzinkt.
Eerst kwam de zaal der bedienden, van de bussolanti, de eenvoudige deurwachters, die, gekleed in rood, met het pauselijk wapen geborduurd fluweel, de bezoekers tot aan de deur der eerekamer brengen. Op dit late uur zat er nog slechts één op een bank in een zóó donker hoekje, dat zijn purperen tunica zwart scheen. Hij keek op en liet hen doorgaan in de donkerte, waarin de geheele verblindende pracht van de zaal verdween. Dan gingen zij door de zaal der gendarmen, waar de secretarissen van de kardinalen en andere hooge personnages op de terugkomst van hun meesters wachtten; zij was nu geheel leeg, geen enkele der mooie blauwe uniformen met het witte lederwerk, geen enkele der fijne soutanes, die zich hier gedurende de receptie-uren vermengden, was te zien. Leeg ook was de volgende, iets kleinere, voor de Palatijnsche garde bestemde zaal; deze uit de Romeinsche bourgeoisie gerecruteerde militie draagt een zwarte tunica met gouden epauletten en een door een roode pluim bekroonden schako.
Vervolgens sloegen zij rechtsaf in een nieuwe reeks zalen; ook de eerste, die zij betraden, de tapijtenzaal was leeg; dit is een wachtkamer met een prachtig geschilderd plafond en bewonderenswaardige gobelins van Audran, den wonderdoenden Jezus en de Bruiloft van Kanaän voorstellend. Leeg ook was de zaal der edelgarden met haar lage, houten stoeltjes, haar wandtafeltje, waarboven een hoog crucifix tusschen twee lampen hangt, haar breede deur op den achtergrond, die toegang geeft tot een ander klein vertrek, een soort alkoof met een altaar, waarvoor de paus geheel alleen de mis leest, terwijl de aanwezigen op de marmeren tegels van de zaal der edelgarde geknield liggen. Leeg ten slotte was ook de eere-antichambre, de troonzaal, waar de paus twee- en driehonderd personen tegelijk in openbare audiëntie ontvangt. Tegenover het venster staat op een lage estrade de troon, een vergulde fauteuil van rood fluweel onder een rood-fluweelen baldakijn. Daarnaast ligt het kussen voor den voetkus. Rechts en links staan twee wandtafeltjes; op het eene ziet men een pendule, op het andere een crucifix tusschen hooge, kaarsendragende armluchters met verguld-houten voeten. Het behang van rood damast met de groote Louis XIV-palmen loopt tot aan de prachtige fries, die het plafond met allegorische attributen en figuren omlijst; de schitterende, koude marmeren vloer is alleen voor den troon met een Smyrna-tapijt bedekt. Maar bij particuliere audiënties, wanneer de paus in de kleine troonzaal of zelfs in zijn kamer ontving, was de troonzaal eenvoudig de eere-antichambre, waar de prelaten en andere hoogwaardigheidsbekleeders, gezanten en andere hooge persoonlijkheden wachtten.
De dienst werd waargenomen door twee eerekamerheeren, die de tot de hooge eer van een particuliere audiëntie toegelaten personen van de bussolanti overnamen, om ze zelf te brengen naar de deur der geheime antichambre, waar zij ze overdragen aan de geheime kamerheeren. Dit was de weelderigst ingerichte en levendigste zaal zoowel door de schittering der uniformen als door de ontroering, die al grooter en grooter werd naarmate men dichter kwam bij den door den Uitverkorene en Eenige bewoonden tabernakel door die eindelooze reeks zalen, waarin het hart steeds luider en luider klopte en tot stikkens toe samengeperst werd door die handig aangebrachte stijging van geringere tot steeds meer toenemende pracht. Op dit late uur echter was er geen levende ziel te zien, geen beweging, geen stem te hooren--niets was er dan de stilte, die van het donkere plafond over den rood-fluweelen troon afdaalde; niets dan een walmende lamp, die in de ledige, sluimerende zaal op den hoek van een wandtafeltje brandde.
Mijnheer Squadra, die zich nog niet omgedraaid had, maar langzaam en zwijgend verder schreed, bleef een oogenblik voor de deur der geheime antichambre staan als om den bezoeker gelegenheid te geven zich wat te herstellen, alvorens het heiligdom te betreden. Alleen de geheime kamerheeren hadden het recht zich daar op te houden, slechts de kardinalen mochten hier wachten tot het den paus behagen zou hen te ontvangen. Aan zijn lichte, zenuwachtige huivering bemerkte Pierre, nadat mijnheer Squadra hem er binnen gebracht had, dat hij de andere zijde van deze lage, menschelijke wereld betrad. Overdag bewaakte een op wacht staand edelgarde de deur; doch op dit uur was deze vrij en het vertrek, evenals alle andere, ledig. Het was iets te smal en gangvormig; twee ramen zagen uit op de nieuwe wijk der Prati del Castello, een derde aan het einde dicht bij de naar de kleine troonzaal leidende deur op het Pietersplein. Daar tusschen die deur en dat venster zat gewoonlijk aan een klein tafeltje een thans afwezige secretaris. En ook nu weer kwam hetzelfde wandtafeltje met hetzelfde crucifix tusschen hetzelfde paar lampen terug. Een groot uurwerk in een ebbenhouten met koper beslagen kast sloeg zwaar het uur. De eenige merkwaardigheid onder het plafond met de gouden rosetten was het roode, met gele schilden bezaaide, damasten behang. De twee sleutels en de tiara wisselden af met den leeuw, die zijn klauw op den aardbol legt.
Maar mijnheer Squadra had bemerkt, dat Pierre, in strijd met de etiquette, nog steeds zijn hoed, dien hij in de zaal der bussolanti had moeten achterlaten, in zijn hand hield. Alleen de kardinalen hebben het recht hun hoofddeksel bij zich te houden. Met een bescheiden gebaar nam hij hem zijn hoed af en legde dien zelf op het wandtafeltje, als wilde hij zeggen, dat hij tenminste daar moest blijven. Dan, nog steeds zonder een woord te zeggen, gaf hij Pierre met een eenvoudige buiging te kennen, dat hij den bezoeker bij Zijne Heiligheid zou aandienen, en hij een oogenblik in deze kamer wachten moest.
Toen Pierre alleen was, haalde hij diep adem. Hij stikte, zijn hart klopte, alsof het breken zou. Toch bleef zijn verstand helder; hij had in dit halfdonker deze beroemde, deze prachtige pauselijke vertrekken zeer goed beoordeeld.
De ebbenhouten klok sloeg negen uur. Hij keek verbaasd op. Wat, waren er pas tien minuten verloopen, sedert hij de bronzen deur doorgegaan was? Hij had een gevoel, alsof hij al dagen en dagen geloopen had. Nu wilde hij deze zenuwachtige drukking, die hem benauwde, bestrijden; want hij was nog steeds niet zeker van zichzelf, was nog steeds bang zijn kalmte, zijn rede in een tranenvloed te zien verdwijnen. Hij liep op en neer en kwam langs de ebbenhouten klok, wierp een blik op het crucifix van het wandtafeltje en keek naar den bol van de lamp, waarop de vette vingers van een knecht hun sporen achtergelaten hadden. Zij gaf een zóó geel en zóó zwak licht, dat hij de lust in zich voelde opkomen haar wat op te draaien, maar hij durfde niet. Dan stond hij, met zijn gezicht tegen het raam gedrukt, voor het venster, dat op het St. Pietersplein uitzag. Even werden zijn gedachten geheel in beslag genomen. Door de slechtsluitende jaloezieën strekte het reusachtige Rome zich voor hem uit, Rome, zooals hij het reeds eenmaal gezien had van uit de loggia's van Raffaël, zooals hij het zich gedacht had op den dag, dat hij van uit het kleine restaurant op het paleis Leo XIII voor het raam van zijn kamer had meenen zien te staan.
Maar nu was het het nachtelijke Rome, het door de duisternis nog grooter lijkende Rome, grenzenloos als de bestarde hemel. In deze grenzenlooze zee met haar zwarte golven kon men slechts met zekerheid de groote, door het witte licht der electrische verlichting in melkwegen veranderde straten: den Corso Victor-Emanuele, de Via Nazionale, den Corso, die ze rechthoekig sneed en zelf werd doorsneden door de Via del Tritone, welke zich voortzette in de Via San Nicola da Tolentino. Aan de andere zijde van den corso Victor-Emanuele en de Via Nazionale in de richting van het oude Rome vlamden nog eenige pleinen en eenige straatdeelen, maar de duisternis overstroomde reeds alles. Overigens was het niets meer dan een gewemel van kleine, gele lichtjes, van kleine brokjes van een half uitgedoofden hemel, die over de aarde geveegd is. Enkele sterrenbeelden, enkele fonkelende, mysterieuse en edele figuren vormende sterren trachtten vergeefs zich los te maken.
De zenuwachtige angst van Pierre werd ondanks dezen oceaan van donkerte en verheven vrede, ondanks de pogingen, die hij deed om kalm te worden, van seconde tot seconde grooter. Hij verwijderde zich van het venster en huiverde over zijn geheele lichaam, toen hij een zacht geschuifel van voetstappen hoorde en dacht, dat men hem kwam halen. Het geluid kwam uit het vertrek ernaast, de kleine troonzaal, waarvan, zooals hij nu merkte, de deur op een kier was blijven staan. Daar hij verder niets meer hoorde, waagde hij zich in zijn koortsachtig ongeduld wat dichter bij en rekte zijn hals uit om wat te zien. Het was weer een met rood damast behangen zaal met een vergulden, roodfluweelen fauteuil onder een rood-fluweelen baldakijn; ook hier vond men het onvermijdelijke wandtafeltje, het hooge, ivoren crucifix, de klok, het paar lampen, de kandelabres, twee groote vazen op sokkels en twee andere van geringere grootte met het portret van den Heiligen Vader, afkomstig uit de fabriek te Sèvres. Toch voelde men hier meer comfort, het Smyrna-tapijt bedekte den geheelen vloer, enkele fauteuils stonden er tegen den muur.
De paus, wiens kamer in deze zaal uitkwam, ontving hier gewoonlijk de personen, die hij met bijzondere onderscheiding behandelen wilde. Pierre's zenuwachtigheid nam toe bij de gedachte, dat hij nog maar één vertrek behoefde door te gaan, dat zoo dicht bij hem, achter die eenvoudige houten deur, Leo XIII was. Waarom liet men hem wachten? Maakte men zich gereed om hem in dat vertrek te ontvangen, ten einde hem in een niet al te groote intimiteit toe te laten? Men had hem verteld van geheimzinnige bezoeken op dit uur, van onbekenden, die op dezelfde wijze zwijgend binnengelaten werden. Dat waren hooge persoonlijkheden, wier namen men heel zacht fluisterde. Hem scheen men voor compromitteerend te houden, dat men met hem buiten weten der omgeving, kalm met hem wenschte te praten, zonder zich tot iets te verbinden.
Dan kon hij zich plotseling de oorzaak van het geritsel, dat hij zooeven gehoord had, verklaren, hij zag op het wandtafeltje naast de lamp een klein houten kistje, een soort diep bord met handvaten, waarin zich het overschot van een avondmaaltijd, vaatwerk, een courant, een flesch en een glas bevonden. Hij begreep, dat mijnheer Squadra, nadat hij die overblijfselen in de kamer gezien had, deze in dit vertrek gebracht had en toen weer naar binnen gegaan was, om verder de tafel af te nemen. Hij wist, dat de paus zeer matig was; wist, dat hij zijn maaltijden aan een klein tafeltje gebruikte, waarbij alles tegelijk in dit kleine houten kistje binnengebracht werd: één vleesch, één groente, een paar slokjes bordeaux op voorschrift van den geneesheer, en voor alles bouillon, koppen bouillon, die hij gaarne aan oude kardinalen, die tot zijn vrienden behoorden, aanbood.
De gewone maaltijden van Leo XIII kostten niet meer dan acht francs per dag. O, zwelgerijen van Alexander VI! O, festijnen en feestgelagen van Julius II en Leo XI. Maar weer kwam er een geritsel uit de kamer, dat hij niet uitleggen kon; hij schrok van zijn onbescheidenheid en trok zijn hoofd terug, toen hij meende de geheele roode troonzaal in den dooden vrede, waarin zij sliep, te zien opvlammen.
Daar hij te zenuwachtig was, om onbeweeglijk te blijven, begon hij met zachte stappen op en neer te loopen. Die mijnheer Squadra--hij herinnerde zich nu plotseling het van Narcisse gehoord te hebben--was een voorname persoonlijkheid, een zeer invloedrijk man, de lievelingsdienaar van Zijne Heiligheid, de eenige, die hem ertoe kon overhalen op ontvangdagen een schoone witte soutane aan te trekken, wanneer degene, die hij droeg, vuil was van het vele snuiven. Zijne Heiligheid stond er beslist op zich iederen nacht geheel alleen in zijn kamer op te sluiten en niemand bij zich te laten slapen; dit geschiedde uit een gevoel van onafhankelijkheid, maar ook, naar men zeide, uit den angst van een vrek, die met zijn schat alleen slapen wil. Dit gaf voortdurende reden tot ongerustheid, want het was allesbehalve verstandig, dat een man van dien leeftijd zich zoo barricadeerde; mijnheer Squadra sliep in een aangrenzend vertrekje, steeds luisterend en gereed om bij het eerste alarm toe te snellen. Hij was het ook, die, zij het met grooten eerbied, er Zijne Heiligheid op wees, wanneer Zijne Heiligheid te laat op bleef zitten of te veel werkte. Op dat punt echter was hij moeilijk tot rede te brengen; dikwijls stond hij, wanneer hij niet slapen kon, weer op, liet door Squadra een secretaris wekken, om hem een paar aanteekeningen te dicteeren of een ontwerp-encycliek op papier te brengen. Wanneer hij met een encycliek bezig was, zou hij er dag en nacht mede bezig kunnen zijn, evenals vroeger, toen hij er zich nog op voor liet staan mooie Latijnsche verzen te kunnen maken, de dageraad hem dikwijls bij het schaven van een strophe verraste. Hij sliep heel weinig, daar zijn hersenen steeds werkzaam waren en zijn geest altijd bezig was, met de verwezenlijking van het een of ander oud plan. Alleen zijn geheugen was in den laatsten tijd wat zwakker geworden. Misschien had mijnheer Squadra Zijne Heiligheid weer minder goed gevonden tengevolge van overmatig werken, daar hij, naar men zeide, den vorigen dag nog vrij ernstig ziek geweest was en hij zich nooit ontzag.
Terwijl Pierre zachtjes heen en weer bleef loopen, werd zijn geest langzamerhand geheel door deze hooge en verheven figuur in beslag genomen. Na de weinig beteekenende bijzonderheden van het dagelijksch leven overdacht hij nu het intellectueele leven, de rol van den grooten paus, die Leo XIII toch zeker wilde spelen. In de S. Paolo fuori le Mura had hij den eindeloozen fries gezien, waarop de portretten der tweehonderd twee-en-zestig pausen afgebeeld zijn; en hij vroeg zich af op welken van die lange reeks middelmatige, heilige, misdadige en geniale pausen Leo XIII het liefst zou willen gelijken.
Was het een der eerste zoo nederige pausen, een van hen, die elkaar gedurende de drie eerste eeuwen van verborgen leven opgevolgd waren, die eenvoudige leiders van begrafenisvereenigingen, broederlijke herders der Christelijke gemeenschap waren? Was het paus Damasius, de eerste groote bouwmeester, de geleerde, die behagen schepte in de dingen van den geest, den geloovige met zijn vurig geloof, die voor de vromen de katakomben opende? Was het Leo III, wiens vermetele hand door de zalving van Karel den Groote de breuk met het Oosten, dat het groote schisma reeds afgescheiden had, voltooide, die krachtens den eenigen en almachtigen wil van God en Zijne Kerk aan het Westen de heerschappij gaf en van af dat oogenblik over kronen beschikte? Was het de verschrikkelijke Gregorius VII, den tempelreiniger, den beheerscher der koningen; was het Innocentius III, was het Bonifacius VIII, de meesters van zielen, volkeren en tronen, die met de grimmige banbliksems gewapend, met zulk een macht over de Middeleeuwen heerschten, dat het Katholicisme nooit dichter bij de verwezenlijking van zijn droom geweest is dan toen? Was het Urbanus II, was het Gregorius IX of een der andere pausen, in wier hart de brandende hartstocht voor de kruistochten, de drang naar heilige avonturen opvlamde, welke de menigte medesleepte en aanzette tot de verovering van het onbekende en het goddelijke? Was het Alexander III, die het pausdom tegen het keizerrijk verdedigde, tot het einde toe streed om niets af te staan van het hoogste gezag, waarmede God hen bekleed had en ten slotte overwon door zijn voet triompheerend op den nek van Frederik Barbarossa te zetten? Was het Julius II, die lang na de treurige tijden van Avignon het pantser droeg en de politieke macht van den Heiligen Stoel bevestigde? Was het Leo X, de prachtlievende, roemrijke beschermer der Renaissance, van een groot kunsttijdperk, maar die een bekrompen, niet vooruitzienden geest bezat en Luther als een eenvoudigen, opstandigen monnik beschouwde? Was het Pius V, de zwarte, wrekende reactie, de brandstapelvlam, die de weer heidensch geworden aarde tuchtigde? Was het een der andere pausen, die na het Concilie van Trente regeerden, toen het geloof in zijn integriteit weer hersteld, de Kerk door haar trots, haar onverdraagzaamheid, haar volharden in een volkomen eerbied voor de dogma's gered was? Was het een paus uit den tijd van het verval van het pausdom, toen het niet meer was dan een ceremoniemeester, die de galafeesten der groote Europeesche monarchieën leidde? Was het Benedictus XIV, de groote geest, de scherpzinnige theoloog, die, daar zijn handen gebonden waren en hij niet meer over de koninkrijken dezer wereld beschikken kon, zijn schoon leven doorgebracht had met het regelen der hemelsche zaken?