Part 51
Een oogenblik bleef de kardinaal met bevende handen, in afwachting van het wonder, naar het zwijgende gezicht, de gesloten oogen van den stervende staan kijken. Doch er gebeurde niets. Don Vigilio had met een klein watje den mond afgeveegd, zonder dat een zucht van verlichting van zijn lippen kwam. Toen het laatste gebed uitgesproken was, keerde de officiant, door den assistent gevolgd, in de vreeselijke stilte, die weer neerviel, naar de kapel terug. Dan knielden beiden neer en verzonk de kardinaal, op den kalen vloer, in een vurig gebed. Zijn oogen naar het koperen crucifix opgeheven, zag hij niets meer, hoorde hij niets meer, gaf hij zich geheel aan God, smeekte Jezus hem weg te nemen in plaats van zijn neef, indien een offer gebracht moest worden; nog steeds hoopte hij de goddelijke toorn te kunnen vermurwen, zoolang nog één ademtocht van het leven in Dario was, zoolang hij zelf hier op zijn knieën lag en met God sprak. Hij was zoo ootmoedig en zoo hooghartig tevens! Zou tusschen God en een Boccanera geen schikking te treffen zijn? Wanneer het oude paleis ingestort was, zou hij het vallen der balken niet gehoord hebben.
Intusschen had zich in de kamer, onder den druk der tragische majesteit, die de plechtigheid daar achtergelaten scheen te hebben, niets bewogen. Nu eerst sloeg Dario zijn oogen op. Hij keek naar zijn handen, zag, dat zij zoo ingeschrompeld, zoo verouderd geworden waren, dat een groote smart over het wegvliedende leven zich in zijn oogen afschilderde. Ongetwijfeld werd hij zich op dat oogenblik van helderziendheid midden in deze soort roes, waarin het vergif hem bracht, voor het eerst zijn toestand bewust. O, te moeten sterven onder zulke pijnen, in zulk een verval van zijn geheele lichaam! Welk een vreeselijke gruwel voor dit luchthartige, zelfzuchtige wezen, van dezen minnaar van schoonheid, vroolijkheid en licht, die niet lijden kon! Het wreede noodlot strafte zijn uitstervend geslacht wel al te streng aan hem. Hij had een afschuw van zichzelf; een wanhoop; een kinderlijke angst maakte zich van hem meester en gaven hem de kracht rechtop te gaan zitten en wanhopig de kamer rond te kijken, om te zien, of allen hem niet verlaten hadden. En toen zijn blik Benedetta ontmoette, die nog steeds aan het voeteneinde van het bed geknield lag, strekte hij zijn beide armen naar haar uit, als brandde het verlangen in hem haar aan zijn hals mede te nemen.
"Benedetta, Benedetta... Kom, kom; laat mij niet alleen sterven!"
In de verstarring van haar wachten had zij, onbeweeglijk, geen blik van hem afgehouden. De vreeselijke kwaal, die haar geliefde wegnam, scheen, naar mate hij zwakker werd, hoe langer hoe meer haar in bezit te nemen en te vernietigen. Haar gezicht werd onstoffelijk bleek, door de openingen van haar pupillen begon men haar ziel te zien. Maar toen zij hem als opstaande uit den dood, met uitgestrekte armen en haar naam roepend zag, toen stond zij op haar beurt op, deed een paar stappen vooruit en ging naast het bed staan.
"Ik kom, Dario... Daar ben ik, daar ben ik!"
En nu waren Pierre en Victorine, die nog steeds op hun knieën lagen, getuigen van iets van zoo verheven grootschheid, dat zij aan den grond genageld bleven als bij een buiten-aardsch schouwspel, waaraan de menschen niet meer konden deel hebben. Benedetta zelf sprak en handelde als een schepsel, dat bevrijd was van alle conventioneele en maatschappelijke banden, dat reeds buiten het leven stond en de wezens en dingen nog slechts uit een groote verte, uit de diepte van het onbekende, waarin zij verdwijnen zou, zag en hoorde.
"O, mijn Dario, men heeft ons willen scheiden. Ja, slechts opdat ik mij niet aan je zou kunnen geven, opdat wij nooit gelukkig zouden kunnen zijn in elkanders armen, heeft men tot uw dood besloten, heel goed wetend, dat jouw leven het mijne medeneemt... Die man heeft je gedood; ja, hij is je moordenaar, zelfs indien een ander je getroffen heeft. Hij is de eerste oorzaak; hij heeft mij aan jou ontstolen, toen ik op het punt stond de jouwe te worden; hij heeft ons beider levens verwoest; hij heeft om ons en in ons het afschuwlijke vergif geblazen, waaraan wij sterven... O wat haat ik hem, wat haat ik hem met een haat, waarmede ik hem zou willen verpletteren, vóórdat ik aan jouw hals deze wereld verlaat."
Zij verhief haar stem niet, zeide al deze vreeselijke dingen in een diep gefluister, eenvoudig, hartstochtelijk. Prada's naam werd zelfs niet genoemd en zij keek nauwelijks den door verwondering aangegrepen Pierre aan, toen zij er op bevelenden toon aan toevoegde:
"U zult zijn vader nog spreken, ik draag u op hem te zeggen, dat ik zijn zoon vervloekt heb. De held heeft mij liefgehad, ik heb hem nog lief en dit woord, dat gij hem over moet brengen, zal zijn hart verscheuren. Maar ik wil, dat hij het weet, hij moet het weten ter wille van de waarheid en van de gerechtigheid."
Waanzinnig van angst en snikkend strekte Dario opnieuw zijn armen naar haar uit, toen hij voelde, dat zij niet meer naar hem keek, dat haar heldere blikken niet meer op de zijne gericht waren.
"Benedetta, Benedetta... Kom, kom! O, die zwarte nacht, ik wil dien niet alleen binnengaan!"
"Ik kom, ik kom, mijn Dario... Daar ben ik!"
Zij was nog dichter bij gekomen, zij raakte hem nu bijna aan.
"O, ik had de Heilige Maagd gezworen geen man toe te zullen behooren, zelfs jou niet, voordat God dat door den zegen van een zijner priesters geoorloofd had. Ik stelde er een hooge, goddelijke eer in onbevlekt, maagd als de Heilige Maagd te zijn, de bezoedelingen en laagheden van het vleesch niet te kennen. Maar het was ook een kostbaar en zeldzaam liefdesgeschenk van onschatbare waarde, dat ik aan den door mijn hart uitverkoren geliefde wilde geven, opdat hij voor altijd de meester van mijn lichaam en mijn ziel zijn zou... Die maagdelijkheid, waarop ik zoo trotsch was, heb ik tegen den ander verdedigd met mijn tanden en nagels, verdedigd, zooals men zich tegen een wolf verdedigt; ik heb haar onder tranen verdedigd tegen jou, opdat je niet in een oogenblik van heiligschennenden hartstocht vóór het heilige uur der veroorloofde verrukkingen den schat zoudt bezoedelen... Als je eens wist, welk een vreeselijken strijd ik dikwijls tegen mezelf heb moeten voeren, om niet toe te geven! Ik voelde een waanzinnige drang om je toe te schreeuwen mij te nemen, mij te bezitten, mij weg te dragen... Want ik wilde jou geheel bezitten, ik gaf mijzelf geheel, ja, zonder eenige reserve, als vrouw, die de geheele liefde, de liefde, welke tot echtgenoote en moeder maakt, kent, aanvaardt en eischt... O, welk een strijd heeft het mij gekost den eed aan de Heilige Maagd te houden, wanneer het oude bloed in mijn aderen woelde en kookte. En nu, welk een ramp!"
Zij ging nog dichter bij hem staan, terwijl haar zachte stem nog inniger en hartstochtelijker werd:
"Herinner je je den avond nog, waarop je met een messteek thuis kwam... Ik dacht, dat je dood was en gilde van woede bij de gedachte, dat je heen zoudt gaan, dat ik je verliezen zou, voor we het geluk hadden leeren kennen. Ik smaalde op de Heilige Maagd, ik had er op dat oogenblik berouw van niet met jou vervloekt te worden, om in een zóó vaste omarming, dat men ons samen had moeten begraven, te sterven... En nu te moeten zeggen, dat deze vreeselijke waarschuwing tot niets gediend zal hebben! Ik ben blind en dwaas genoeg geweest om die les niet te begrijpen. En nu ben je weer getroffen--men ontsteelt jou aan mijn liefde en nu ga je heen, voordat ik me eindelijk, zoo lang het nog tijd was, gegeven heb... O, ellendige, trotsche vrouw, dwaze droomster!"
De toorn en woede van de praktische verstandsvrouw, die zij steeds geweest was, tegen zichzelf gromden thans in haar verstikte stem. Wilde de zoo moederlijke Maagd, het ongeluk der minnenden? In hoeverre zou het haar bedroefd of vertoornd hebben hen zoo hartstochtelijk, zoo gelukkig in elkanders armen te zien. Neen, neen, de engelen weenden niet, wanneer teer minnenden, zelfs zonder de priesters, zich op aarde aan elkaar gaven; integendeel, zij glimlachten, juichten en jubelden. Zeker, het was een afschuwlijke bedriegerij, dat men het genot niet tot den laatsten druppel uitputte, wanneer het levende bloed nog in de aderen klopte.
"Benedetta, Benedetta!" herhaalde de stervende vol kinderlijken angst, dat hij zoo alleen den eeuwigen, donkeren nacht ingaan moest.
"Hier ben ik, Dario, hier ben ik... Ik kom!"
Toen zij zich verbeeldde, dat de huishoudster, die zich echter in het geheel niet bewoog, een gebaar maakte, om op te staan en haar te beletten haar daad te verhinderen:
"Neen, neen, laat maar Victorine... Niets ter wereld zal het nu meer kunnen verhinderen, omdat het sterker is dan alles, sterker dan de dood. Toen ik daareven op mijn knieën lag, heeft iets mij opgericht, mij voortgedreven. Ik weet waarheen ik ga... En bovendien, heb ik het op den avond van de messteek niet gezworen? Heb ik niet beloofd hem alleen toe te behooren, zelfs in de aarde, als dat zijn moest? Laat ik hem kussen, laat hij mij medenemen! Wij zullen dood zijn, en toch getrouwd, voor eeuwig getrouwd!"
Zij ging naar den stervende terug en raakte hem nu aan.
"Mijn Dario, mijn Dario, hier ben ik!"
En dan gebeurde het ongehoorde. In een toenemende exaltatie, gedragen door de opvlamming van haar liefde, begon zij zich te ontkleeden. Eerst viel haar corsage en lichtten haar blanke armen en haar blanke schouders op; dan gleden haar rokken af en de blanke voeten en de blanke enkels bloeiden op het tapijt, nadat zij schoenen en kousen uitgetrokken had; dan verdwenen de laatste kleedingstukken één voor één en ontloken de blanke buik, de blanke boezem, de blanke dijen in een weelde van blankheid. Met een naïeve vermetelheid, met een verheven rust, alsof zij alleen was, had zij alles tot de laatste omhulling uitgetrokken. Als een groote lelie stond zij daar in haar kuische naaktheid, in haar zich om de blikken niet bekommerende koninklijkheid. Zij verlichtte, doorgeurde de sombere kamers met de schoonheid van haar lichaam, een wonder van schoonheid, de levende volmaaktheid der mooiste marmeren beelden, de hals eener koningin, de boezem van een krijgsgodin, de trotsche en soepele lijn van schouder tot hiel, de heilige rondingen van ledematen en heupen. En zij was zoo blank, dat geen marmeren beeld, geen duif, geen sneeuw zelfs blanker zijn kon dan zij.
"Hier ben ik, Dario, hier ben ik!"
Als ter aarde geworpen door een geestverschijning, door het glorierijke opvlammen van een heilig visioen, keken Pierre en Victorine haar met verblinde oogen aan. De laatste had zelfs geen beweging gemaakt om haar tegen te houden, geheel overmeesterd als zij was door dat soort verschrikten eerbied, dien men voelt tegenover hartstochts- en geloofswaanzin. En hij, verlamd, was zich bewust, dat hier zoo iets verhevens geschiedde, dat nog slechts een rilling van vurige bewondering hem doorhuiverde. Niets onreins, niets onkuisch kwam hem tegemoet uit deze sneeuw- en lelieblankheid, van deze reine, edele maagd, wier lichaam scheen te stralen van een eigen licht, van de schittering zelf der machtige, daarin brandende liefde. Zij gaf niet meer aanstoot dan een waarheidgetrouw, door het genie verheerlijkt kunstwerk.
"Mijn Dario, hier ben ik, hier ben ik!"
En Benedetta nam, nadat zij zich naast hem had neergelegd, den stervenden Dario in haar armen, wiens armen nog slechts de kracht hadden zich om haar heen te sluiten. Dat was het, wat zij ten slotte gewild had ondanks haar uiterlijke kalmte, ondanks de lelieachtige reinheid van haar halsstarrigheid, waaronder de hartstocht als een laaiend vuur gebrand heeft. Altijd, zelfs in de rustigste uren, had deze heftigheid haar verteerd. Maar nu het afschuwlijke noodlot haar haar geliefde ontnam, wilde zij zich niet langer nederleggen bij die bedriegerij, wilde zij hem niet verliezen zonder zich gegeven te hebben, omdat zij de dwaasheid begaan had zich niet te geven, toen zij beiden nog in glimlachende teederheid en kracht straalden. In haar liefdewaanzin barstte het verzet der natuur los, de onbewuste kreet der vrouw, die niet onvruchtbaar sterven wilde, nutteloos als een zaadkorrel, dien de wind medevoert en waaruit geen ander leven meer zal ontkiemen.
"Mijn Dario, hier ben ik, hier ben ik!"
Zij drukte hem met haar naakte leden, met haar naakte ziel tegen zich aan. Op dat oogenblik zag Pierre aan den muur boven het hoofdeinde van het bed het wapen der Boccanera's, een oud, van goud en veelkleurige zijde geborduurd panneau op violet fluweel. Ja, dat was de gevleugelde, vlammenspuwende draak; dat was het woeste, vurige devies: "Bocca nera, alma rossa", zwarte mond, roode ziel, de mond verduisterd door een gebrul, de ziel een vlammende gloed van geloof en liefde. Dit geheele oude, hartstochtelijke, heftige geslacht met de tragische legende was weer opgestaan, om zijn laatste aanbiddelijke dochter tot deze vreeselijke en wonderbare verloving in den dood te drijven. En het zien van het geborduurde wapen riep een andere herinnering in hem wakker, die aan het portret van Cassia Boccanera, de zelf recht doende amoureuse, die zich met haar broeder Ercole en het lijk van haar geliefde, Flavio Corradini in den Tiber geworpen had. Was dit niet dezelfde wanhopige omarming, die den dood trachtte te overwinnen, dezelfde heftigheid, die zich met het lichaam van den uitverkoren en eenigen geliefde in den afgrond wierp. Beiden--zij, die daar boven op het oude doek herleefde, en zij, die hier den dood van haar geliefde mede-stierf--geleken op elkaar met haar zelfde kinderlijk-teere trekken, denzelfden hartstochtelijk-begeerenden mond, dezelfde groote droomoogen en hetzelfde kleine, ronde, verstandige en koppige gelaat, alsof de laatste slechts het terugkeerende evenbeeld der eerste was.
"Mijn Dario, hier ben ik, hier ben ik!"
Een eeuwigheid, die misschien een seconde duurde, omhelsden zij elkaar. Zij legde in haar overgave een razernij, een heilige razernij, die aan gene zijde van het leven tot in de donkere oneindigheid van het onbekende ging, dat voor hen begon. Zonder vrees voor of weerzin tegen de kwaal, die hem onkenbaar maakte, smolt zij als het ware met hem samen, ging zij in hem op; en hij, die onder dat groote geluk, welks zaligheid eindelijk tot hem kwam, verscheiden was, bleef met krampachtig om haar heen gesloten armen liggen, als droeg hij haar met zich mede. Toen echter--was het uit smart over dit onvolkomen bezit bij de gedachte aan haar nuttelooze maagdelijkheid, die niet meer bevrucht kon worden, of geschiedde het te midden van de hoogste vreugde over het met de geheele wilskracht van haar wezen ondanks alles, voltrokken huwelijk?--toen echter steeg bij deze omhelzing van den machteloozen dood zulk een bloedstroom naar haar hart, dat het brak. Zij was gestorven aan den hals van haar gestorven geliefde; vast tegen elkaar gedrukt lagen zij voor eeuwig in elkanders armen.
Een snik weerklonk: Victorine was naderbij getreden en had begrepen, terwijl Pierre, die ook opgestaan was, door den verheven aanblik medegesleept werd en beefde van bewondering en tranen.
"Kijk, kijk," stamelde de huishoudster met zeer zachte stem, "zij beweegt zich niet meer, zij ademt niet meer. Mijn arm, arm kind; zij is dood!"
En de priester prevelde:
"Mijn God, wat zijn ze mooi!"
Het was waar; nooit nog had een zoo verheven, zoo glanzende schoonheid op gezichten van dooden gestraald. Het zooeven nog aardkleurige en verouderde gelaat van Dario had een bleekheid en een adel als van marmer aangenomen; zijn trekken waren als in een opwelling van onuitsprekelijken jubel verheerlijkt. Benedetta bleef ernstig: een hartstochtelijk-energieke plooi lag om haar lippen, terwijl haar geheele gelaat in een oneindige witheid een smartelijke, eindelooze zaligheid uitdrukte. Hun haren strengelden zich door elkaar, hun wijd geopende, diep in elkaar borende oogen, bleven elkaar aankijken in een eeuwige, zachte liefkoozing. Zij waren het in de verrukking van hun één-zijn de onsterfelijkheid binnengetreden paar, dat den dood overwonnen had en waarvan de verrukte schoonheid der onsterfelijke en overwinnende liefde uitstraalde.
Maar het snikken van Victorine barstte eindelijk met zulke jammerklachten los, dat er een geheele verwarring ontstond. Pierre, die geheel van streek was, kon zich niet verklaren hoe de kamer plotseling zoo vol menschen was, die zich zenuwachtig als in een soort wanhopigen angst heen en weer bewogen. De kardinaal was natuurlijk met don Vigilio uit de kapel toegesneld. Blijkbaar was op datzelfde oogenblik ook dokter Giordano teruggekomen met donna Serafina, die van den naderenden dood van haar neef op de hoogte gebracht was, want zij stond daar als verdoofd door al die plotselinge, op elkaar volgende slagen, welke het huis troffen. De dokter zelf was onrustig, verbaasd als de meeste oudere doktoren, die ondanks hun ervaring, toch steeds weer verbijsterd worden door de feiten. Hij trachtte een verklaring te geven, sprak aarzelend van een mogelijk slagadergezwel, misschien een embolie [29].
Maar Victorine, die haar smart tot de gelijke van haar meesteres maakte, durfde hem in de rede vallen.
"Maar mijnheer de dokter, zij hielden te veel van elkaar. Is dat niet een voldoende reden, om samen te sterven?"
Donna Serafina, wilde, nadat zij de dierbare kinderen op het voorhoofd gekust had, hun oogen sluiten. Maar het gelukte haar niet, de oogleden openden zich telkens weer, zoodra de vinger er niet meer op drukte, en de oogen begonnen elkaar weer toe te lachen, elkaar weer met hun eeuwigen blik te liefkoozen. En toen zij zeide welstandshalve de beide lichamen te willen scheiden en de ledematen trachtte los te maken, riep Victorine weer uit:
"Maar, signora, signora! U zult hun armen eerder breken! Kijk toch zelf, men zou denken, dat hun vingers in hun schouders gedrongen zijn; nooit zullen zij elkaar meer loslaten!"
Nu kwam de kardinaal tusschenbeide. God had geen wonder gewrocht. Hij was doodsbleek, zonder tranen, in een ijzige wanhoop, die hem grooter schijnen deed. Bij het zien van deze heerlijke liefde, tot in het diepst van zijn ziel geroerd door het leed van hun leven en de schoonheid van hun dood, maakte hij een verheven gebaar van absolutie en zegening, alsof hij, de Kerkvorst, die over den wil des hemels beschikt, goedkeurde, dat deze beide geliefden, elkaar omhelzend, voor het laatste gericht verschenen.
"Laat ze, laat ze, zuster! Stoor hen niet in hun slaap!... Laten hun oogen open blijven, nu zij elkaar tot het einde der dagen willen aanschouwen, zonder het ooit moede te worden. Laten zij in elkanders armen slapen, nu zij gedurende hun leven niet gezondigd hebben en zij zich slechts zóó omhelzen, om samen in de aarde te rusten."
En weer de Romeinsche prins met het trotsche, door oude gevechten en hartstochten nog warme bloed wordend, voegde hij er aan toe:
"Twee Boccanera's kunnen zoo slapen; heel Rome zal ze bewonderen en beweenen. Laat ze, laat ze, zuster. God kent ze en verwacht ze!"
Alle aanwezigen waren neergeknield, de kardinaal zelf sprak de gebeden der dooden. De avond kwam, en in een toenemende duisternis hulde zich de kamer, waarin weldra twee kaarsvlammen als twee sterren schitterden.
Zonder te weten hoe, bevond Pierre zich weer in het kleine, verwaarloosde tuintje van het paleis aan den Tiber. Door moeheid en verdriet benauwd en in een behoefte aan lucht was hij blijkbaar naar beneden gegaan. De duisternis lag over het bekoorlijke hoekje, over den ouden sarkophaag, waarin het dunne waterstraaltje, dat uit het tragische masker stroomde, zijn schrille fluittonen zong; de laurierboom, die hem overschaduwde, de taxis- en de oranjeappelboomen waren onder den blauwzwarten hemel niet meer dan onduidelijke massa's.
O, hoe verkwikkend en vroolijk was die heerlijke, melancholieke tuin 's ochtends geweest! En welk een troosteloozen echo hadden de lachjes van Benedetta nu achtergelaten, die heele uitgelaten vreugde over het nabije geluk, dat daarboven nu in het Niet der dingen en schepselen lag! En terwijl hij daar zat op dezelfde plaats, waar zij gezeten had, op het omgevallen stuk zuil, in de lucht, welke zij ingeademd had en die haar reinen geur van aanbiddelijke vrouw bewaarde, werd zijn keel zóó pijnlijk dichtgesnoerd, dat hij in luide snikken uitbarstte.
Plotseling sloeg een torenklok in de verte zes uur. Pierre schrok op: hij herinnerde zich, dat hij dienzelfden avond om negen uur door den paus ontvangen zou worden. Nog drie uur. Hij had er gedurende de vreeselijke catastrophe niet aan gedacht; het was alsof er maanden en maanden verloopen waren. Met moeite kwam hij weer tot zichzelf. Binnen drie uur zou hij naar het Vaticaan gaan, zou hij eindelijk den paus spreken.
VEERTIENDE HOOFDSTUK
Toen Pierre 's avonds uit den Borgo voor het Vaticaan kwam, liet in de diepe stilte van de donkere en reeds sluimerende wijk de klok één luiden, zwaren slag weerklinken: half negen. Hij was te vroeg en hij besloot nog een twintig minuten te wachten, om niet voor negen uur, het uur der audiëntie, boven bij de deur der appartementen te zijn.
In de groote ontroering en droefheid, die zijn keel nog toesnoerden, was dit uitstel een verlichting voor hem. Met gebroken ledematen en totaal uitgeput door den tragischen middag, dien hij doorgebracht had in die doodenkamer, waar Dario en Benedetta thans in elkanders armen hun eeuwigen slaap sliepen, was hij hierheen gekomen. Hij had niet kunnen eten, het wreed-smartelijke beeld van deze twee geliefden liet hem geen oogenblik los en vervulde hem zóó, dat steeds weer onwillekeurige zuchten aan zijn borst ontsnapten en tranen in zijn oogen kwamen. O, hoe gaarne had hij zich ergens verborgen, om zijn tranen, die hem verstikten en benauwden, den vrijen loop te kunnen laten. Het was een ontroering, die al zijn denken beheerschte; de jammerlijke dood van deze twee gelieven voegde zich in zijn geest bij de klacht, die oprees uit zijn borst en doorhuiverde hem met een nog grooter medelijden, met een bijna angstwekkende liefde voor alle ongelukkigen dezer wereld. Deze bezwering van zooveel lichamelijke en moreele wonden in Parijs, in Rome, waar hij zooveel onrechtvaardig en monsterachtig lijden gezien had, maakte hem zóó wanhopig, dat hij bang was bij iederen stap in snikken uit te barsten.
Om zich wat te kalmeeren, begon hij langzaam op de piazza S. Pietro heen en weer te wandelen, die op dit uur van den avond één onmetelijke duisternis en eenzaamheid was. Toen hij er kwam, meende hij verdwaald te zijn in een zee van donkerte. Maar langzamerhand geraakten zijn oogen er aan gewend. De reusachtige ruimte was slechts verlicht door de vier lantaarnpalen met zeven branders op de vier hoeken van de Obelisk en de enkele lantaarns rechts en links langs de naar de basilica loopende gebouwen. Onder de dubbele porticus van de zuilengaanderij brandden eveneens lantaarns met een geel licht om het groote bosch der vier rijen zuilen, welker voetstukken zich vreemd afteekenden.
Op het plein was niets zichtbaar dan de kleurlooze, als een spookgestalte oprijzende obelisk. Ook de gevel van de St. Pieter dook, nauwlijks herkenbaar, als gesloten, uitgestorven, in een vreemde, sluimerende, onbeweeglijke, zwijgende grootschheid op. Den dom zag hij niet, het was nauwlijks een blauwachtige, groote ronding, die zich even tegen den hemel afteekende. Zonder ze te zien, had hij ergens in de diepte van dit onbestemde donker het ruischen der fonteinen gehoord; eindelijk onderscheidde hij het dunne en bewegelijke spookbeeld der voortdurend opspuitende waterstralen, die weer als regendroppels naar beneden vielen. En boven het wijde plein welfde zich de wijde hemel, maanloos, als donkerblauw fluweel, waarin de sterren de grootte en de schittering van karbonkels schenen te hebben. De Wagen met zijn gouden wielen en zijn gouden dissel lag omgekeerd op het dak van het Vaticaan, en daaronder boven Rome, in de richting van de Via Giulia stond de prachtige, met de drie gouden sterren van zijn bandelier opgesmukte Orion.