Part 50
Minuten, waaraan geen einde scheen te komen, verstreken in het koortsachtige wachten op wat daar in die kamer ernaast gebeurde. Don Vigilio was zwijgend terzijde gaan zitten, terwijl Benedetta en Pierre zwijgend en onbeweeglijk bleven staan. De kardinaal had zijn eindelooze marsch hervat, dat instinctieve, in slaap wiegende heen en weer loopen, waardoor hij zijn ongeduld scheen te willen verdrijven en eerder tot de verklaring te komen, die hij te midden van de vreeselijke gedachten, die hem bestormden, vergeefs zocht. Terwijl zijn rhythmische pas met automatischen regelmaat weerklonk, heerschte in hem een doffe woede, een wanhopig zoeken naar het waarom en hoe, een verwarring van de meest tegenstrijdige en van het eene uiterste in het andere vallende gemoedsaandoeningen. Maar reeds had hij in het voorbijloopen tweemaal zijn blik laten gaan over de wanorde der tafel, als zocht hij daar iets. Was het misschien die onuitgedronken koffie? Dat brood, waarvan de kruimels nog rondslingerden? Die lamscoteletten, waarvan nog een been over was? Toen hij voor de derde maal keek, zagen zijn blikken het mandje met vijgen; hij bleef stokstijf staan, als door een plotselinge onthulling getroffen. De gedachte had hem aangegrepen, zich van hem meester gemaakt, zonder dat hij wist, welke proef hij moest nemen, om te zien of zijn vermoeden waarheid was. Een oogenblik bleef hij zoo, zoekend en niet vindend, met zijn blikken op het mandje gericht, staan. Eindelijk nam hij een vijg en bracht die wat dichter bij zijn oogen, als om de vrucht van dichtbij te bekijken. Doch er was niets bijzonders aan te zien en hij wilde haar weer bij de andere leggen, toen Tata, die dol op vijgen was, een schellen gil gaf. Het was een openbaring voor hem; nu kon hij de proef nemen.
Langzaam, op zijn bedachtzame manier, en met gebogen hoofd bracht de kardinaal de vijg aan de papegaai en gaf haar die zonder eenige aarzeling of spijt. Het was een heel aardig dier, het eenige, waar hij ooit iets om gegeven had. Zijn fijn, soepel lichaam uitrekkend, waarvan de grijsgroene zijde in de zon rose vlammen kreeg, had de papegaai de vijg sierlijk in zijn poot genomen en haar dan met zijn snavel opengemaakt. Maar hij at er slechts zeer weinig van en liet de bijna volle schil vallen. Hij, altijd ernstig nog en zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, keek, wachtte. Het wachten duurde drie lange minuten. Een oogenblik was hij gerust en krauwde den kop van den papegaai, die zich graag liet streelen, zijn kop omdraaide en zijn klein, rond, als een robijn schitterend oogje naar zijn meester opsloeg. Maar plotseling zakte hij in elkaar, viel, zonder zelfs met zijn vleugels te klappen, achterover. Tata was dood.
In zijn ontzetting over wat hij nu wist, had Boccanera slechts één gebaar: hij hief zijn beide handen op, slingerde ze ten hemel. Groote God, zoo'n misdaad, een zoo vreeselijke vergissing, een zoo afschuwlijk spel van het noodlot! Geen kreet van smart kwam over zijn lippen, de schaduw op zijn gezicht was grimmig en zwart geworden.
Toch klonk een gil--een luide gil van Benedetta, die, evenals Pierre en don Vigilio, de handelingen van den kardinaal eerst met verbazing gevolgd hadden, die daarna in een schrik veranderd was.
"Vergif! Vergif! Dario, mijn hart, mijn ziel!"
Doch de kardinaal had krachtig den pols van zijn nicht omvat, terwijl hij een schuinschen blik wierp op die twee priesters, zijn secretaris en den vreemdeling, die getuigen geweest waren van het tooneel.
"Zwijg, zwijg!"
Zij rukte zich los, meegesleept door razenden toorn en haat.
"Waarom zwijgen? Prada heeft het gedaan, ik zal hem aanklagen, ik wil, dat hij ook sterft... Ik zeg u, dat Prada het gedaan heeft, ik weet het zeker, want mijnheer Froment is gisteren in zijn rijtuig met pastoor Santobono en dit mandje vijgen uit Frascati teruggereden... Ja, ja, ik heb getuigen, het is Prada, het is Prada!"
"Neen, neen, je bent krankzinnig, zwijg!"
Hij had weer de handen van de jonge vrouw gegrepen en trachtte haar met zijn volle souvereine autoriteit tot kalmte te brengen. Hij, die den invloed kende, welken kardinaal Sanguinetti op dien geëxalteerden Santobono uitoefende, had reeds een verklaring voor het heele geval gevonden: het was geen directe medeplichtigheid, maar een heimelijke druk, het dier werd getergd en dan op den hinderlijken mededinger losgelaten op het oogenblik, dat de pauselijke troon naar alle waarschijnlijkheid vrij zou worden. De waarschijnlijkheid, de zekerheid van dit alles was plotseling voor zijn oogen opgeflitst, zonder dat hij alles behoefde te begrijpen, ondanks de lacunes en de duisterheden.
"Neen, versta je, het is Prada niet. Die man heeft geen enkele reden om iets kwaads tegen mij in het schild te voeren, want ik was de bedoelde persoon, aan mij zijn die vruchten gegeven... Denk toch zelf na! Een toevallig mij niet lekker voelen is de reden geweest, dat ik mijn deel ervan niet opgegeten heb, want men weet, dat ik er dol veel van houd, en terwijl mijn arme Dario ze alleen at, plaagde ik hem nog en zeide, dat hij de mooiste voor morgen voor mij moest bewaren... Dat verschrikkelijke was voor mij bestemd en heeft hem, groote God, getroffen door het gruwlijkste toeval, door de monsterachtige dwaasheid van het noodlot... Heer, Heer, Gij hebt ons wel verlaten!"
Tranen waren in zijn oogen gekomen, terwijl zij, rillend, nog steeds niet overtuigd scheen te zijn.
"Maar u hebt toch geen enkelen vijand, oom! Waarom zou die Santobono u naar het leven staan?"
Een oogenblik bleef hij zwijgen, zonder een geschikt antwoord te kunnen vinden. Reeds vormde zich in hem in een verheven grootheid de wil om deze zaak in stilte te hullen. Dan herinnerde hij zich plotseling iets en hij berustte in een leugen.
"Santobono is altijd een warhoofd geweest en ik weet, dat hij mij haat, sedert ik geweigerd heb zijn broeder, een voormaligen tuinman van me, uit de gevangenis te redden door hem een bewijs van goed gedrag te geven, dat hij zeker niet verdiende... Zoo'n doodelijke haat heeft dikwijls geen ernstiger oorzaak. Hij zal gedacht hebben, dat hij zich op mij moest wreken."
Toen liet Benedetta, gebroken, niet in staat verder te strijden, zich met een gebaar van de uiterste wanhoop op een stoel vallen.
"Mijn God, mijn God! Ik weet niet meer... En bovendien wat komt het er eigenlijk ook op aan, nu mijn Dario al zoo ver weg is? Er bestaat nog maar één ding: hij moet gered worden, ik wil, dat hij gered wordt... Wat voeren ze daar toch zoo lang in die kamer uit? Waarom komt Victorine ons niet halen?"
Weer viel de stilte neer, drukkend, zwaar. Zonder een woord te zeggen, nam de kardinaal het mandje vijgen van de tafel, zette het in een kast, die hij tweemaal sloot, en stak den sleutel in zijn zak. Ongetwijfeld lag het in zijn bedoeling, zoodra de avond gevallen was, zelf naar beneden te gaan, om de vijgen in den Tiber te werpen. Maar toen hij van de kast terugkwam, viel zijn blik op de twee eenvoudige priesters, wier oogen hem gevolgd hadden. En hij zeide eenvoudig, maar grootsch:
"Heeren, ik behoef u niet te verzoeken te zwijgen... Er zijn schandalen, welke we de Kerk, die niet schuldig is, die niet schuldig zijn kan, moeten besparen. Een der onzen, zelfs wanneer hij een misdadiger is, aan de burgerlijke rechtbank overleveren staat gelijk met de geheele Kerk te treffen, want de slechte hartstochten gebruiken dan de zaak om de verantwoordelijkheid van de misdaad op haar te schuiven. Onze eenige plicht is den moordenaar over te geven aan Gods hand, die hem zekerder zal weten te straffen... Wat mij betreft, al ben ik in mijn persoon of in mijn familie, in mijn dierbaarste gevoelens getroffen, ik verklaar in den naam van Christus, die aan het kruis gestorven is, dat ik noch toorn noch wraakzucht voel, dat ik den naam van den moordenaar uit mijn geheugen verdelg, dat ik zijn afschuwelijke daad in de eeuwige stilte van het graf begraaf."
Zijn hooge gestalte scheen nog grooter geworden te zijn, terwijl hij, zijn hand in een grootsch gebaar opgeheven, dien eed uitsprak, zijn vijanden aan de gerechtigheid Gods overliet; want hij bedoelde niet alleen Santobono, maar ook kardinaal Sanguinetti, wiens noodlottigen invloed hij geraden had. En bij de gedachte aan den in het donker gevoerden strijd om de tiara, aan al het gemeene en gulzige, dat in den afgrond der duisternis woelde, doorhuiverde hem, ondanks het heldhaftige van zijn trots, een eindelooze droefheid, een tragische smart.
Toen Pierre en don Vigilio hem met een hoofdknikje beloofden te zullen zwijgen, kneep een onoverwinnelijke ontroering zijn keel dicht; de snik, dien hij trachtte terug te dringen, ontwrong zich plotseling aan zijn keel, terwijl hij stamelde:
"Mijn arm kind! Mijn arm kind! Ach, de eenige zoon van ons geslacht, de eenige liefde en de eenige hoop van mijn hart. Te moeten sterven, zoo te moeten sterven!"
Maar Benedetta was weer heftig opgestaan.
"Sterven? Wie dan? Dario?... Ik wil het niet. We zullen hem verplegen, we zullen weer naar hem toegaan, hem in onze armen nemen en hem redden. Kom mee, oom, kom gauw mee... Ik wil niet, ik wil niet, ik wil niet, dat hij sterft!"
Zij liep naar de deur en niets zou haar verhinderd hebben naar de kamer terug te gaan, toen op datzelfde oogenblik Victorine met een door angst vertrokken gelaat binnenkwam. Zij had ondanks haar gewone kalme opgeruimdheid allen moed verloren.
"De dokter vraagt, of mevrouw en Zijne Eminentie onmiddellijk willen komen, onmiddellijk."
Verbijsterd en verdoofd door al die dingen, volgde Pierre hen niet, maar bleef een oogenblik met don Vigilio in de zonnige eetkamer achter. Wat, vergif? Vergif, netjes en sierlijk verborgen, als in den tijd der Borgia's, met die vruchten toegediend door een lichtschuwen verrader, welken men niet voor het gerecht durfde brengen. Hij herinnerde zich zijn gesprek op den terugrit van Frascati, zijn scepticisme als Parijzenaar ten opzichte van de legendarische vergiftige mengsels, waarvan hij het bestaan slechts erkende in het vijfde bedrijf van een romantisch drama. En nu waren zij toch waar, die afschuwlijke geschiedenis van vergiftigde ruikers en messen, van lastige prelaten en zelfs pausen, die men uit den weg ruimde met hun ochtend-chocolade, want die hartstochtelijke, tragische Santobono was een giftmenger, daaraan viel niet meer te twijfelen. En in dit vreeselijk licht zag hij den geheelen vorigen dag weer aan zijn geest voorbijtrekken: de eerzuchtige en dreigende woorden, die hij bij kardinaal Sanguinetti afgeluisterd had; zijn haast om nog voor den waarschijnlijken dood van den paus te handelen, zijn suggereeren van de misdaad in den naam van het heil der Kerk; dan de ontmoeting op den weg met den pastoor, die het mandje vijgen aan zijn arm droeg; het mandje, dat, door den priester vroom en deemoedig op zijn knieën gehouden, lang voortreed door de schemering van de melancholieke Campagna; dat mandje, dat hem nu als een nachtmerrie vervolgde; dat mandje, waarvan hij den vorm, de kleur en den geur steeds met een rilling terugzien zou. Vergif! Vergif! Het was dus waar, zoo iets bestond! Zoo iets was nog schering en inslag in het duister der zwarte kringen te midden van den grimmigen veroverings- en heerschzucht.
En plotseling richtte zich voor Pierre ook de gestalte van Prada op. Daareven, toen Benedetta hem zoo heftig had beschuldigd, was hij een oogenblik van plan geweest hem te verdedigen, om deze geschiedenis van het vergif, die hij kende, uit te schreeuwen, te zeggen, waarin dit alles zijn oorsprong had, te vertellen welke hand die vijgen aangeboden had. Maar onmiddellijk daarop had een gedachte hem als het ware tot ijs doen verstarren: Prada had de misdaad niet begaan, maar had haar toch ook niet belet. Nog een herinnering, scherp als een dolk, doorflitste hem; de herinnering aan de kleine, zwarte kip in de sombere osteria, die, als door den bliksem getroffen, met het dunne violetachtige bloedstroompje, dat uit zijn snavel vloeide, dood onder de loods lag. En hier lag, onder zijn stok, eveneens Tata, slap en warm, den snavel bezoedeld door een bloed-druppel. Waarom had Prada gelogen en het verhaal van het gevecht verzonnen? Het was een vreeselijke complicatie van hartstochten en in het duister gevoerden strijd, waarin Pierre zich den grond onder den voet voelde wegzakken. Hij kon zich den vreeselijken tweestrijd, welke in den nacht van het bal in dien man gewoed moest hebben, niet voorstellen. Hij kon hem niet meer aan zijn zijde terugdenken, hem zich niet meer voor den geest terugroepen gedurende hun nachtelijke wandeling naar den palazzo Boccanera, zonder te huiveren; want hij raadde, neen, wist met zekerheid al het vreeselijke, waartoe vóór dit paleis besloten was. Of hij uit haat tegen den kardinaal of in de hoop op een verdwaalde pijl, die hem wreken zou, gehandeld had, wist Pierre niet; het feit stond, ondanks alle onbegrijpelijkheden vast: Prada wist het, Prada zou den loop van het noodlot tegengehouden kunnen hebben en hij had het noodlot zijn blind doodenwerk laten voltooien.
Toen Pierre opkeek, zag hij don Vigilio zóó ontdaan, zóó bleek en zoo roerloos op een stoel zitten, dat hij een oogenblik meende, dat ook deze een slachtoffer was.
"Voelt u zich niet goed?"
Eerst scheen de priester niet te kunnen antwoorden, zóó snoerden angst en schrik hem de keel dicht. Dan zeide hij met zachte stem:
"Neen, neen, ik heb er niet van gegeten... Lieve God, als ik nog bedenk, dat ik er zoo'n trek in had en ik alleen uit deferentie voor Zijne Eminentie, die ze niet at, ook niet gegeten heb!"
Hij rilde over zijn geheele lichaam bij deze gedachte, dat alleen zijn nederigheid hem gered had. Het was, alsof op zijn handen en op zijn gezicht de koude van den dood, dien hij langs zich had voelen strijken, achterbleef.
Tweemaal zuchtte hij diep, terwijl hij het afschuwlijke met een gebaar van zich schoof en prevelde:
"O, Paparelli! Paparelli!"
Ontroerd trachtte Pierre, die heel goed wist, hoe don Vigilio over den sleepdrager dacht, hem verder uit te hooren.
"Wat wilt u daarmede zeggen? Gelooft u, dat hij medeplichtig is?... Denkt u, dat zij hem er toe aangedreven hebben, dat zij het zijn?"
Het woord "Jezuïeten" werd niet uitgesproken, maar de groote, zwarte schaduw gleed door de zonnige eetkamer, die zij een oogenblik te verduisteren scheen.
"Ja, zij zijn het!" riep don Vigilio. "Zij zijn het overal, zij zijn het altijd! Waar men weent en waar men sterft, zijn zij er bij. Het was voor mij bestemd, en ik begrijp nog niet, dat ik leef!"
En opnieuw jammerde hij vol haat, afschuw en toorn:
"O, Paparelli! Paparelli!"
Hij zweeg, wilde verder niets antwoorden, keek met angstig-gejaagde blikken naar de muren, alsof hij daaruit den sleepdrager te voorschijn zou zien komen met zijn slap oud-jongejuffrouwen-gezicht, met zijn trippelpasjes als van een knagende muis, met zijn geheimzinnige roovershanden, die in de keuken het vergeten mandje vijgen waren gaan halen, om het op tafel te zetten.
Toen besloten beiden naar de kamer terug te gaan, waar men hun hulp misschien noodig zou hebben. Bij het binnentreden werd Pierre diep aangegrepen door het vreeselijke schouwspel, dat zich aan zijn blikken vertoonde. Het laatste half uur had dokter Giordano, die eveneens vergiftiging vermoedde, vergeefs de gewone middelen, een braakmiddel en daarna magnesia, toegepast. Zelfs had hij Victorine eiwit in water laten kloppen. Doch de ziekte verergerde zóó bliksemsnel, dat nu alle hulp nutteloos werd. Ontkleed op zijn rug liggend, het bovenlichaam door kussens gesteund en de armen slap neerhangend langs de dekens, was Dario vreeselijk om aan te zien in die soort angstige dronkenschap, het symptoom van deze geheimzinnige, verschrikkelijke kwaal, waaraan reeds monsignor Gallo en zooveel anderen ten gronde gegaan waren. Hij scheen door een verdoovende duizeling overvallen te zijn, zijn oogen zonken steeds dieper weg in de zwarte kassen, terwijl het gezicht uitdroogde, zienderoogen ouder werd en door een grijze, aardachtige kleur overtrokken werd. Sedert een oogenblik had hij, geheel uitgeput, zijn oogen gesloten; niets levends was meer aan hem, dan de benauwde, pijnlijke en moeilijke ademhalingen, die zijn borst op- en neerbewogen. En over het arme, door den doodsstrijd vertrokken gezicht gebogen stond Benedetta, zij leed met hem mede en was zelf door zoo'n overmachtigen smart overmand, dat zij zelf zoo onherkenbaar, zóó bleek was, als had de dood, ook haar, tegelijk met hem, aangegrepen.
In de vensternis, waar kardinaal Boccanera dokter Giordano ter zijde genomen had, werden fluisterend eenige woorden gewisseld.
"Hij is verloren, niet waar?"
De dokter, zelf tot in het diepst van zijn ziel geschokt, maakte het wanhopige gebaar van een overwonnene.
"Helaas ja! Ik moet Uwe Eminentie er op voorbereiden, dat binnen een uur alles afgeloopen is."
Er volgde een korte stilte.
"Het is dezelfde ziekte als van Gallo zeker?"
En toen de dokter niet antwoordde, voegde hij er, bevend en zijne blikken afwendend, aan toe:
"Een infectiekoorts?"
Giordano begreep heel goed, wat de kardinaal van hem wilde. Hij eischte stilzwijgendheid, een eeuwig begraven van de misdaad ter wille van den goeden naam der Moederkerk. Men kon moeilijk iets grootschers, iets dieps-tragischers denken dan dezen zeventigjarigen grijsaard, nog zoo rechtop en verheven, die niet wilde, dat zijn geestelijke familie vervallen zou evenmin als hij duldde, dat men zijn wereldlijke familie door de onvermijdelijke modder van een opzienbarend proces sleepen zou. Neen, neen! Zwijgen, eeuwig zwijgen, waarin alles in vergetelheid rust!
Op zijn zachte, clericaal-discrete manier knikte de dokter.
"Zeker, een infectiekoorts, zooals Zijne Eminentie terecht opmerkt."
Twee dikke tranen kwamen onmiddellijk weer in de oogen van Boccanera. Nu hij God van alle bezoedeling gevrijwaard had, begon zijn menschelijke natuur opnieuw te bloeden. Hij smeekte den dokter een laatste poging te wagen, het bovenmenschelijke te beproeven, maar deze schudde zijn hoofd en wees met zijn arme, bevende handen naar den zieke. Voor zijn vader, voor zijn moeder had hij niet meer kunnen doen. De dood was er. Waarom een stervende af te matten en te kwellen; hij zou immers zijn lijden slechts erger kunnen maken? En toen de kardinaal in het aangezicht van de naderende catastrophe aan zijn zuster Serafina dacht en wanhopig zeide, dat zij haar neef niet voor de laatste maal zou kunnen omhelzen, indien zij zich op het Vaticaan verlaatte, bood de dokter aan haar in zijn rijtuig, dat hij had laten wachten, te gaan halen. Het was een quaestie van twintig minuten. Hij zou weer terug zijn, wanneer men zijn hulp in de laatste oogenblikken noodig hebben mocht.
Onbeweeglijk bleef de kardinaal nog een oogenblik in de vensternis staan. Zijn door tranen verduisterde oogen keken naar den hemel; zijn bevende armen strekten zich in een vurig smeekend gebaar uit. O God, waarom doet Gij, waar de wetenschap der menschen zoo gering en ijdel is, waar de geneesheer, blijde de verlegenheid over zijn onmacht te kunnen bedekken, weggaat; waarom doet Gij geen wonder, om dezen glans van uw grenzenlooze macht te toonen. Een wonder! Een wonder! Hij vroeg het uit het diepst van zijn geloovige ziel, met den aandrang, met het gebiedende gebed van een aardschen vorst, die meent door zijn geheel, aan de Kerk gegeven leven, den hemel een grooten dienst bewezen te hebben. Hij vroeg het voor de voortzetting van zijn geslacht, opdat de laatste manlijke spruit niet zoo jammerlijk verdwijnen, opdat hij met zijn teerbeminde, nu zoo bitter weenende en diep-ongelukkige nicht zou kunnen trouwen. Een wonder! Een wonder ter wille van deze twee hem zoo dierbare kinderen! Een wonder, dat het geslacht zou doen herleven! Een wonder, dat den roemrijken naam der Boccanera's vereeuwigen zou, doordat het uit deze jonge menschen een tallooze reeks van dapperen en geloovigen voortkomen liet.
Toen de kardinaal weer naar het midden der kamer terugkwam, scheen hij geheel veranderd; het geloof had zijn tranen gedroogd, zijn ziel was van nu af sterk en berustend, vrij van alle zwakten. Hij had zich weer geheel toevertrouwd aan Gods hand en wilde zelfs Dario het laatste oliesel geven. Hij wenkte don Vigilio tot zich en nam hem mede naar het kleine, aangrenzende, als kapel dienende vertrek, waarvan hij altijd den sleutel bij zich droeg. Dit kale vertrek, dat niemand ooit betrad, dit vertrek, waar zich slechts een klein altaar van geschilderd hout bevond, waarboven een groot koperen kruis hing, stond in het paleis bekend als een heilige, onbekende en vreeselijke plek, want men beweerde, dat Zijne Eminentie daar geheele nachten op zijn knieën en in gesprek met God zelf doorbracht. Nu hij er zoo openlijk binnen ging en de deur zoo wijd open liet doen, deed hij het zeker, om, in zijn verlangen naar een wonder, God te dwingen er met hem uit te komen.
Achter het altaar had men een kast gemaakt, waaruit de kardinaal de stola en het koorhemd nam. De doos met de heilige olie stond daar eveneens, een zeer oude, zilveren doos met het wapen der Boccanera's. Nadat don Vigilio achter den officiant in de kamer teruggekeerd was, om hem te assisteeren, wisselden de Latijnsche woorden elkaar dadelijk af.
"Pax huic domui."
"Et omnibus habitantibus in ea." [25]
De dood naderde zoo dreigend en onverwacht, dat de gewone voorbereidingen achterwege blijven moesten. Geen twee kaarsen, geen met een wit laken bedekt tafeltje. Eveneens moest de officiant, daar de assistent geen wijwaterbakje of -kwast had medegebracht, zich vergenoegen met een gebaar de kamer en den stervende te zegenen onder de woorden van het rituaal:
"Asperges me, Domine, hyssopo, et mundabor; lavabis me, et super nivem dealbabor." [26]
Toen Benedetta den kardinaal met het heilige oliesel komen zag, was zij in een hevige huivering aan het voeteneinde van het bed op haar knieën gevallen, terwijl Pierre en Victorine, aangegrepen door de smartelijke grootschheid van het schouwspel eveneens neerknielden. De groote, thans in het sneeuwwitte gezicht nog grooter lijkende oogen verlieten geen oogenblik haar Dario, dien zij met zijn vaal gezicht, zijn verschrompelde en gerimpelde huid als van een grijsaard niet meer herkende. Niet voor het door hem goedgekeurde en gewenschte huwlijk bracht hun oom, de almachtige Kerkvorst, het Sacrament--neen, voor de laatste scheiding, voor het menschelijk einde van iederen trots, voor den dood, die de geslachten uitroeit en meesleurt, zooals de wind het straatstof wegveegt.
Hij kon niet wachten; vlug zeide hij half-fluisterend het Credo.
"Credo in unum Deum..." [27]
"Amen," viel don Vigilio in.
Na de gebeden van het rituaal stamelde deze laatste de litanieën, opdat de hemel zich zou erbarmen over den ellendigen mensch, die voor God verschijnen zou, indien een wonder Gods hem geen genade schenken zou.
Nu opende de kardinaal, zonder zich den tijd te gunnen zijn handen te wasschen, de doos met de heilige olie; en zich bepalend tot één zalving, zooals dat in dringende gevallen veroorloofd is, legde hij met de punt van de zilveren naald, een enkelen droppel op zijn uitgedroogden, reeds door den dood verbleekten mond.
"Per istam sanctam unctionem, et suam plissimam misericordiam, indulgeat tibi Dominus quidquid per visum, auditum, odoratum, gustum, tactum, deliquisti." [28]
O, met welk een van geloof brandend hart sprak hij deze smeekbeden om vergiffenis uit, opdat de goddelijke barmhartigheid de door de vijf zintuigen, die vijf eeuwig voor de verleiding open staande deuren der ziel, begane zonden vergeven zou. Maar hij deed het nog in de hoop, dat God, indien Hij het arme schepsel voor zijn zonden gestraft had, misschien, na ze vergeven te hebben, nog de groote barmhartigheid hebben zou, om hem zelfs aan het leven terug te geven. Het leven, o Heer, het leven, opdat het oude geslacht der Boccanera's zich nog zal kunnen vermeerderen, U door alle tijden heen zal kunnen dienen in veldslagen en voor het altaar.