Part 5
Hij maakte zich dadelijk bekend, terwijl hij zijn beetje slecht Italiaansch bij elkaar zocht.
"Madame, ik ben abbé Pierre Froment..."
Maar zij liet hem niet uitspreken, maar zeide in heel goed Fransch met het eenigszins dikke en sleepende accent van Ile-de-France:
"O, mijnheer de abbé, ik weet het, ik weet het... ik verwachtte u..."
En toen hij haar verbaasd aankeek:
"Ja, ik ben een Française... Ik woon hier nu al vijf-en-twintig jaar in dit land, maar ik heb me nog steeds niet kunnen wennen aan hun verduiveld koeterwaalsch."
Toen herinnerde Pierre zich, dat vicomte Philibert de la Choue hem gesproken had over deze dienstbode, Victorine Bosquet, eene Beauceronnin uit Auneau, die op twee-en-twintigjarigen leeftijd met een teringachtige dame naar Rome gekomen was. Haar meesteres was plotseling gestorven en zij bleef wanhopig, als alleen midden in een land van wilden achter. Zij had zich dan ook met lichaam en ziel gegeven aan gravin Ernesta Brandini, geboren Boccanera, die pas bevallen was en haar van de straat opgenomen had als kindermeisje voor haar dochtertje Benedetta en in de hoop, dat zij haar zou helpen Fransch te leeren. Victorine, die nu vijf-en-twintig jaar in de familie was, had zich opgewerkt tot de rol van huishoudster, hoewel zij nog even onbeschaafd gebleven was en een zoo weinig ontwikkeld taalgevoel bezat, dat zij, wanneer zij voor het huishouden met het verdere dienstpersoneel spreken moest, nog slechts een afschuwlijk Italiaansch brabbelen kon.
"En maakt mijnheer de vicomte het goed?" vroeg zij met haar vrijmoedige familiariteit. "Hij is zoo aardig. Wij vinden het zoo prettig, dat hij telkens als hij in Rome is, hier komt logeeren. Ik weet, dat de prinses en de contessina gisteren een brief van hem gekregen hebben, waarin hij uw bezoek meldde."
Inderdaad had vicomte Philibert de la Choue alles voor het verblijf van Pierre in orde gebracht. Van het oude, krachtige geslacht der Boccanera's waren alleen nog over kardinaal Pio Boccanera, de prinses, zijn zuster, een ongetrouwde dame, die men uit eerbied donna Serafina noemde, hun nicht Benedetta, wier moeder, Ernesta, haar echtgenoot, graaf Brandini in het graf gevolgd was, en eindelijk hun neef, prins Dario Boccanera, wiens vader, prins Onofrio Boccanera gestorven en wiens moeder, een Montefiori, hertrouwd was. De vicomte was door een toevallig huwelijk aan deze familie geparenteerd: zijn jongste broer was met een Brandini, de zuster van Benedetta's vader, getrouwd; op die wijze had hij als oom-titulair tijdens het leven van den graaf verschillende malen in het paleis in de Via Giulia gelogeerd. Hij had zich zeer aan diens dochter gehecht, vooral sedert het intieme drama van een ongelukkig huwelijk, dat zij thans ontbonden trachtte te krijgen.
Sedert zij weer naar haar tante Serafina en haar oom, den kardinaal, teruggekeerd was, schreef hij haar dikwijls en zond haar Fransche boeken. Onder andere had hij haar het boek van Pierre doen toekomen, en daar nam de heele geschiedenis haar oorsprong: er werden brieven over gewisseld, tot eindelijk Benedetta meldde, dat het werk bij de congregatie van den Index aangegeven was, den schrijver aanraadde onmiddellijk naar Rome te komen en hem op de allervriendelijkste wijze gastvrijheid in het paleis aanbood. De vicomte, die even verbaasd was als de jonge priester zelf, had de zaak niet goed begrepen, maar toch uit een oogpunt van goede politiek en omdat hij zich ook hartstochtelijk interesseerde voor een overwinning, die hij bij voorbaat tot een eigen overwinning maakte, er bij Pierre op aangedrongen om te gaan. Uit dit alles is zeer goed te begrijpen, dat Pierre zich weinig op zijn gemak gevoelde, toen hij, gewikkeld in een avontuur, waarvan de redenen en de voorwaarden hem onbekend waren, in dit voor hem vreemde huis kwam.
"Maar ik zou u zoo waar hier laten staan, mijnheer de abbé," begon Victorine plotseling weer. "Ik zal u naar uw kamer brengen. Waar is uw koffer?"
Toen hij haar zijn handkoffertje, dat hij zoo lang naast zich neergezet had, gewezen en haar uitgelegd had, dat hij voor de veertien dagen, die hij blijven zou, alleen maar een schoone soutane en wat linnengoed meegebracht had, scheen zij zeer verbaasd.
"Veertien dagen? Denkt u maar veertien dagen te blijven? Enfin, we zullen wel zien."
Zij riep een langen slungel van een bediende, die eindelijk te voorschijn gekomen was.
"Giacomo, breng dat naar de roode kamer... Als mijnheer de abbé zoo goed wil zijn mij te volgen."
Pierre was door die onverwachte ontmoeting met een landgenoote, en bovendien nog zoo'n vriendelijke, hartelijke vrouw, in dit sombere Romeinsche paleis weer geheel opgevroolijkt en op zijn gemak gebracht. Terwijl zij de binnenplaats overstaken, vertelde zij hem, dat de prinses uit was en dat de contessina, zooals men ondanks haar huwelijk Benedetta uit liefde was blijven noemen, zich niet erg wel voelde en op haar kamer gebleven was. Maar men had haar opgedragen voor hem te zorgen.
De trap was in een hoek van de binnenplaats onder de zuilengang: een monumentale trap met breede, lage en zoo zacht oploopende treden, dat een paard haar makkelijk had kunnen opgaan; maar de steenen waren zoo kaal, de trapportalen zóó leeg en zóó deftig, dat een doodsche melancholie uit de hooge gewelven scheen te vallen.
Op de eerste verdieping glimlachte Victorine even, toen zij de gedachte van Pierre meende te raden. Het paleis scheen onbewoond te zijn, geen geluid kwam uit de gesloten zalen. Zij wees op een groote eikenhouten deur rechts.
"Zijne Eminentie bewoont hier den vleugel, die op de binnenplaats en op de rivier uitziet. O, nog niet het vierde gedeelte der verdieping... Alle ontvangsalons, die op de straat uitzien, zijn gesloten. Hoe zou men een dergelijke ruimte kunnen schoon houden? En waarom trouwens? Daarvoor zouden er meer menschen hier moeten wonen."
Zij bleef met haar stevigen pas doorloopen; ongetwijfeld was deze omgeving haar nog steeds vreemd, was zij zelf te zeer verschillend ervan, om door het milieu beïnvloed te worden. Op de tweede verdieping begon zij weer:
"Kijk, daar links is het appartement van donna Serafina, en daar rechts dat van de contessina. Dit is het eenige hoekje van het huis, waar het een beetje warm is en waar je tenminste leven kan... Trouwens het is vandaag Maandag, de prinses ontvangt vanavond. U zult het dus zelf kunnen zien."
Dan opende zij een deur, die op een breede, heel nauwe trap uitkwam, en zeide:
"Wij wonen op de derde verdieping... Als ik mijnheer den abbé voor mag gaan?"
De groote monumentale trap eindigde op de tweede verdieping. Victorine legde hem uit, dat de derde verdieping alleen langs deze trap te bereiken was, die beneden uitkwam in het steegje, dat langs het paleis naar den Tiber liep. Er was daar een afzonderlijke deur, wat heel makkelijk was.
Op de derde verdieping volgde zij een gang en wees zij hem opnieuw verschillende deuren.
"Dit is de kamer van don Vigilio, den secretaris van Zijne Eminentie... Dit is de mijne... En hier hebt u uw kamer. Mijnheer de vicomte wil, wanneer hij voor een paar dagen in Rome komt, nooit een andere hebben. Hij zegt, dat hij hier vrijer is, uit kan gaan en thuis kan komen, wanneer hij wil. Ik zal u, net als hem, een sleutel van de deur beneden geven... En u zult eens zien, wat een mooi uitzicht u hier hebt!"
Zij was naar binnen gegaan. De voor Pierre bestemde woning bestond uit twee vertrekken, een vrij grooten salon met een rood behang met veel bladwerk, en een kleiner kamer met een vlaskleurig behang bezaaid met verschoten blauwe bloemen. De salon lag op den hoek van het paleis en zag dus op het steegje en op den Tiber uit. Victorine ging dadelijk de beide ramen open zetten, waarvan het eene een ruim uitzicht gaf op de rivier stroomafwaarts, het andere op den Trastevere en den Janiculus aan de overzijde van het water.
"Ja, het is hier heel mooi," zei Pierre, die haar gevolgd was en nu naast haar stond.
Zonder zich te haasten kwam Giacomo met het handkoffertje achter hem aan. Het was nu even over elf. Victorine, die zag, dat de priester moe was, en begreep, dat hij na zoo'n lange reis wel honger hebben zou, bood hem aan dadelijk in den salon een ontbijt te laten brengen. Dan zou hij daarna den namiddag hebben, om te rusten of uit te gaan; de dames zou hij eerst 's avonds bij het diner zien. Hij protesteerde daartegen; neen, hij zou beslist uitgaan en niet een heelen middag verliezen. Maar heel graag wilde hij een ontbijt hebben, want hij stierf werkelijk bijna van honger.
Intusschen moest Pierre nog ruim een half uur geduld oefenen. Giacomo, wien Victorine opgedragen had voor het ontbijt te zorgen, maakte volstrekt geen haast. En deze verliet den gast niet eerder, voordat zij zich overtuigd had, dat het hem aan niets meer ontbrak.
"O, mijnheer de abbé, wat een menschen en wat voor een land! Daar kunt u zich geen denkbeeld van vormen. Al woonde ik hier honderd jaar, dan zou ik nog niet kunnen wennen... Maar de contessina is zoo mooi en zoo goed!"
En terwijl zij zelf een schotel met vijgen op tafel zette, deed zij hem versteld staan door haar opmerking, dat een stad, waarin niets dan geestelijken waren, geen goede stad zijn kon. Een ongeloovige, zij het dan ook levendige en vroolijke, huishoudster in dit paleis! Hij begon zich weer te verbazen.
"Wat, u bent toch niet ongodsdienstig?"
"Neen, neen, mijnheer de abbé, dat niet, maar van geestelijken moet ik niet veel hebben. Ik had er al een in Frankrijk gekend, toen ik nog klein was. En later, hier, heb ik er te veel gezien. Ik heb er meer dan genoeg van... O, ik spreek niet van Zijne Eminentie, die is een heilig en eerbiedwaardig man... En hier in huis weet men, dat ik een fatsoenlijk meisje ben; nog nooit heb ik me slecht gedragen. Waarom zou men mij ook niet met rust laten, daar ik heel veel van mijn meesters houd en voor mijn werk sta? Ja, zeker," voegde zij er lachend aan toe, "toen ze me vertelden, dat er een priester komen zou--net alsof we er nog niet genoeg gehad hebben--toen heb ik vreeselijk in de hoekjes zitten brommen... Maar u lijkt me een aardige, jonge man, ik geloof, dat we het best zullen kunnen vinden... Ik weet waarachtig niet, waarom ik u dat allemaal vertel! Zeker, omdat u uit Frankrijk komt, en misschien ook wel, omdat de contessina zich voor u interesseert... U neemt het mij niet kwalijk mijnheer de abbé, maar heusch, ik zou u aanraden vanmiddag wat te rusten. Wees niet zoo dwaas in de stad te gaan rondloopen. Wat u te zien krijgt, is bovendien lang zoo aardig niet, als ze zeggen."
Toen Pierre alleen was, voelde hij zich plotseling uitgeput. De vermoeienis van de lange reis was nog toegenomen door den ochtend, dien hij in koortsachtige geestdrift doorleefd had; en als bedwelmd door de twee eieren en de cotelette, die hij in groote haast opgegeten had, wierp hij zich, met het voornemen een half uurtje te rusten, op bed. Hij sliep echter niet dadelijk in, maar dacht aan de Boccanera's, wier geschiedenis hij gedeeltelijk kende, en over wier intiem leven hij peinsde in dit verlaten en stille paleis, dat hem van een zoo vervallen en zoo melancholieke grootschheid scheen. De verrassing van de eerste oogenblikken deed hem alles nog grooter zien. Dan verwarden zich zijn gedachten; hij sluimerde in te midden van een geheele schaar van nu eens tragische, dan weer vriendelijke schimmen, van verwarde gezichten, die hem met hun raadselachtige oogen aankeken.
De Boccanera's hadden twee pausen in de familie gehad, een in de dertiende en een in de vijftiende eeuw; en van deze twee uitverkorenen, deze almachtige meesters, was hun vroeger reusachtig vermogen afkomstig. Het bestond uit uitgestrekte landerijen in den omtrek van Viterbo, verschillende paleizen in Rome, kunstvoorwerpen, waarmede men musea, goud, waarmede men kelders zou kunnen vullen. De familie ging door voor de vroomste van het Romeinsche patriciaat; haar geloof was het vurigste en haar degen had zij altijd ter beschikking van de Kerk gesteld. Ja, zij was de geloovigste, maar ook de heftigste, de strijdlustigste, steeds in twist en oorlog, en zoo wild en woest, dat de toorn der Boccanera's spreekwoordelijk geworden was. Vandaar was ook hun wapenschild afkomstig, de gevleugelde, vlammen spuwende draak, en ook het vurige devies, dat een woordspeling op hun naam vormde: Bocca nera, Alma rossa, zwarte mond, roode ziel--de mond, in het donker gehuld door gebrul, de ziel vlammend als een vuur van geloof en liefde.
Nog steeds waren legenden van krankzinnige hartstochten en vreeselijke wraaknemingen in omloop. Zoo vertelde men nog altijd van het duel van Onfredo, den Boccanera, die tegen het midden der zestiende eeuw op de plaats van een oud, vervallen gebouw het tegenwoordige paleis had laten zetten. Onfredo, die wist, dat zijn vrouw zich door den jongen graaf Costamagna op de lippen had laten kussen, liet hem 's avonds ontvoeren en met touwen geboeid in zijn huis brengen; en in een groote zaal daarvan dwong hij den graaf, alvorens hem te bevrijden, aan een monnik te biechten. Daarna sneed hij de touwen met een dolk door, wierp alle lampen om, riep den graaf toe den dolk te houden en zich te verdedigen. Meer dan een uur lang zochten, vermeden, omvatten de beide mannen elkaar in het donker, in de met meubelen volgepropte zaal, en reten elkaar open met dolksteken. Toen men eindelijk de deuren intrapte, vond men, te midden van bloedplassen, van omgegooide tafels en gebroken stoelen, Costamagna met een afgereten neus en twee-en-dertig wonden in zijn dijen, terwijl Onfredo twee vingers van zijn rechterhand verloren had en zijn schouders gaten hadden als een schietschijf. Het wonder was, dat zij geen van beiden aan hun wonden stierven.
Honderd jaar later had, op dienzelfden oever van den Tiber, een Boccanera, een kind van zestien jaar nauwlijks, de mooie en hartstochtelijke Cassia, Rome met schrik en bewondering vervuld. Zij beminde Flavio Corradini, den zoon van een vijandige familie. Haar vader, prins Boccanera, had ruw zijn toestemming geweigerd, terwijl haar oudste broeder, Ercole, gezworen had hem te dooden, als hij hem ooit met haar samen mocht vinden. De jonge man kwam altijd in een bootje haar opzoeken en zij wachtte hem op bij het kleine trapje, dat naar de rivier voerde. Maar Ercole, die op hen loerde, sprong op een avond in het bootje en stak Flavio een mes in het hart. Eerst later kon men de feiten vaststellen en begreep men, dat Cassia, woedend van krankzinnigheid en wanhopig, en daar zij hem, dien zij liefhad, niet wilde overleven, zelf wraak genomen had, zich op haar broeder geworpen en het bootje had doen kantelen, terwijl zij den moordenaar en diens slachtoffer met dezelfde onweerstaanbare kracht omvatte. Toen men de drie lijken vond, hield Cassia nog steeds de beide mannen omkneld en drukte met haar bloote armen, die sneeuwwit gebleven waren, hun gezichten tegen elkaar.
Doch dit alles behoorde tot het verleden. Thans scheen, ook al was het geloof gebleven, bij de Boccanera's het heftige, woest stroomende bloed tot kalmte gekomen te zijn. Hun groot fortuin was ook verdwenen in het langzame verval, dat sedert een eeuw het Romeinsche patriciaat met ondergang bedreigt. De landerijen moesten verkocht worden, het paleis was leeg geworden en nam langzamerhand het kleinburgerlijke karakter van de nieuwere tijden aan. Maar de Boccanera's, trotsch op hun zuiver gebleven Romeinsch bloed, verzetten zich hardnekkig tegen ieder huwlijk met een vreemdeling. Armoede beteekende voor hen niets; zij hadden genoeg aan hun familietrots; zij leefden teruggetrokken, zonder een klacht, in de stilte en in de vergetelheid, waarin hun geslacht uitstierf. Aan prins Ascanio, die in 1848 gestorven was, had zijn vrouw, een geboren Corvisieri, vier kinderen geschonken: Pio, den kardinaal; Serafina, die niet getrouwd was, om bij haar broer te kunnen blijven; Ernesta, die slechts een dochter had nagelaten, zoodat de zoon van Onofrio, de thans dertigjarige Dario, de eenige mannelijke erfgenaam was. Met hem zou, als hij zonder nakomelingschap stierf, het krachtige geslacht der Boccanera's, wier daden de geschiedenis vervuld hadden, uitsterven.
Van hun jeugd af hadden Dario en zijn nicht Benedetta elkaar met een glimlachenden, diepen en natuurlijken hartstocht lief gehad. Zij waren voor elkander geboren en konden zich niet voorstellen, dat zij voor iets anders op de wereld gekomen waren dan om man en vrouw te worden, zoodra zij den huwbaren leeftijd bereikt zouden hebben. Toen prins Onofrio, een beminlijk en in Rome zeer populair man, die het kleine fortuintje, dat hij nog bezat, naar hartelust uitgaf, op zijn veertigste jaar met de dochter van markiezin Montefiori, de kleine markiezin Flavia, wier trotsche schoonheid hem dol gemaakt had, trouwde, was hij in de villa Montefiori gaan wonen, het eenige bezit van die dames. Zij lag dicht bij de Santa Agnese fuori le Mura in een grooten tuin, een waar park met oude boomen, waarin de villa zelf, een vrij onaanzienlijk gebouw uit de zeventiende eeuw, in een staat van verval verkeerde. Allerlei praatjes deden over de dames de ronde: de moeder was na den dood van haar man geheel beneden haar stand geraakt; de te mooie dochter was veel te vrijmoedig in haar optreden.
Het huwlijk was dan ook door de zeer strenge Serafina en door zijn ouderen broeder Pio, die toentertijd geheim kamerheer van den Heiligen Vader en canonicus van de Vaticaansche Basilica was, ten sterkste afgekeurd. Alleen Ernesta was met haar broeder, dien zij om zijn betooverende charme aanbad, blijven omgaan, zoodat het later haar prettigste afleiding geworden was met haar dochter Benedetta iedere week een dag op de villa Montefiori te gaan doorbrengen. En wat een heerlijke dag was het altijd voor de tienjarige Benedetta en den vijftienjarigen Dario--welk een gelukkigen dag brachten zij dan door in den grooten, bijna verwaarloosden en verlaten tuin met zijn piniepijnen, zijn reusachtige taxisboomen, zijn groene eikenboschjes, waarin men als in een maagdelijk woud verdwalen kon.
De arme, in haar levenslust verstikte Ernesta was een hartstochtelijke lijdende ziel geworden. Zij was met een groote levenslust geboren en smachtte naar zonneschijn, naar een gelukkig, vrij en druk leven in het volle daglicht. Zij was beroemd om haar mooie, groote oogen, om het bekoorlijke ovaal van haar zacht gezichtje. Zeer onwetend, zooals alle jonge meisjes van den Italiaanschen adel, die het kleine beetje, dat zij nog kenden, in een Fransch nonnenklooster geleerd hadden, was zij, geheel afgesloten van het leven, opgevoed in den somberen palazzo Boccanera, kende zij de wereld alleen maar van den dagelijkschen wandelrit, dien zij met haar moeder over den Corso en den Pincio maakte. Op haar vijf-en-twintigste jaar sloot zij, reeds moede en wanhopig, het gewone huwlijk. Zij trouwde met graaf Brandini, den laatst geborene van een zeer oud, talrijk en arm geslacht, die in het paleis in de Via Giulia moest komen wonen, waar een geheele vleugel van de tweede verdieping ter beschikking van het jonge paar gesteld werd.
Verandering bracht dit niet met zich mede, Ernesta bleef in dezelfde koude donkerte, in dat doode verleden, waarvan zij het gewicht, als een zwaren grafsteen, steeds zwaarder op zich voelde drukken, voortleven. Verder was het van beide kanten een zeer eervol huwlijk. Graaf Brandini ging weldra voor den domsten en hoogmoedigsten man van Rome door. Hij was streng godsdienstig, op de vormen gesteld en onverdraagzaam, en hij triompheerde, toen het hem, na tallooze intriges en kunstgrepen, na zes jaar gelukte tot opperstalmeester van Zijne Heiligheid benoemd te worden.
Van af dat oogenblik scheen met zijn ambt tegelijk de geheele sombere majesteit van het Vaticaan in zijn huis gekomen te zijn. Onder Pius IX, tot in 1870, was het leven van Ernesta nog draaglijk: zij durfde de ramen, die op straat uitzagen, nog openen, ontving openlijk enkele vriendinnen, nam uitnoodigingen voor feestelijkheden aan. Maar toen de Italianen Rome veroverd en de paus zich tot gevangene verklaard had, werd het paleis in de Via Giulia een graf. De groote poort werd gesloten en gegrendeld, de deurvleugels ten teeken van rouw dichtgespijkerd; gedurende twaalf jaar ging alles langs het kleine trapje, dat naar het steegje leidde. Eveneens was het verboden de jaloezieën aan den voorkant te openen. Dit was het boudeeren, het protest der zwarte kringen. Het paleis zonk terug in de onbeweeglijkheid van den dood en in een volkomen geïsoleerdheid: recepties werden niet meer gehouden, en slechts zelden, op Maandagen, slopen schimmen, vrienden van donna Serafina, door de nauwe, openstaande deur. Gedurende die twaalf lugubere jaren weende de jonge vrouw iederen nacht, haar arme ziel verteerde in stilte van wanhoop over dit levend begraven zijn.
Ernesta had haar dochtertje Benedetta vrij laat gekregen, eerst toen zij al drie-en-dertig was. In den beginne was het kind een afleiding voor haar. Dan geraakte zij echter weer in den doodenden sleur van het geregelde leven; zij moest het meisje in het klooster bij de Fransche nonnen doen, die haar zelf ook opgevoed hadden. Benedetta kwam er op haar negentiende jaar als volwassen meisje vandaan met als eenige kennis: Fransch, orthographie, wat rekenen, den catechismus en een heel klein beetje geschiedenis. En het leven der beide vrouwen, een leven in het vrouwenvertrek, dat reeds iets Oostersch had, werd als altijd voortgezet: nooit ging de echtgenoot en vader met haar uit; zij brachten den geheelen dag in de afgesloten kamers door, de eenige afleiding was de dagelijksche verplichte wandelrit over den Corso en den Pincio.
Thuis heerschte er volkomen gehoorzaamheid; de familieband was nog sterk en deed haar beiden buigen onder den wil van den graaf, zonder dat verzet mogelijk was. Daarbij kwam nog de wil van donna Serafina en van den kardinaal, die krachtige verdedigers van de oude gewoonten waren. Sedert de paus in Rome niet meer uitging, had de graaf als opperstalmeester veel vrijen tijd, want de stallen waren sterk ingekrompen; toch bleef hij zijn dienst, die niet meer dan een vorm was, met een groot vertoon van vromen ijver waarnemen als een voortdurend protest tegen de usurpatorische monarchie, die zich op het Quirinaal gevestigd had. Benedetta was twintig jaar, toen haar vader op een avond hoestend en rillend van een ceremonie in de St. Pieter thuis kwam. Acht dagen later stierf hij, weggerukt door een longontsteking. Voor de beide vrouwen was het, ondanks haar rouw, een opluchting, die zij echter niet bekennen wilden; zij voelden zich nu vrij.
Van af dat oogenblik had Ernesta nog slechts één gedachte, haar dochter te vrijwaren voor dat vreeselijke, ingemetselde en begraven bestaan. Zij had zich te zeer verveeld, voor haar was het te laat weer op te leven, maar zij wilde niet, dat Benedetta op haar beurt een tegennatuurlijk leven in een vrijwillig graf leven zou. Trouwens bij enkele patricische families begonnen zich eveneens teekenen van moeheid en verzet te toonen; na de eerste tijden van wrokken en boudeeren gingen zij toenadering zoeken bij het Quirinaal. Waarom zouden de naar werkzaamheid, vrijheid en buitenleven snakkende kinderen eeuwig den strijd hunner ouders voortzetten? En zonder dat een verzoening tusschen de zwarte en de witte kringen tot stand kon komen, begonnen toch de nuances samen te smelten, werden onvoorziene huwlijken gesloten.