Part 49
Hij maakte slechts een gebaar, want hij wilde haar geluk niet verstoren door nogmaals de zaak te bepleiten van zooveel arme schepsels, die in deze zelfde minuut ergens in de verte den doodsstrijd streden, ten onder gegaan door lichamelijke en geestelijke pijn. Maar plotseling gleed door de zoo lichte en zoo zachte lucht een schaduw; hij voelde de eindelooze triestheid der vreugde, de grenzenlooze wanhoop der zon, alsof iemand, dien men niet kon zien, die schaduw had laten vallen. Was het de te scherpe geur van den laurierboom, de bittere lucht der oranjeappelen en taxisboomen, die hem zoo duizelig maakte? Was het de huivering van zinnelijke warmte, die zijn aderen onder deze puinhoopen, in dezen hoek vol oerouden hartstocht kloppen deed? Of wekte die sarkophaag met zijn woest bacchanaal, zelfs te midden van de onbewuste wellust der liefde, onder den onverzadigbaren kus der minnenden, de gedachte op van den nabijën dood? Een oogenblik scheen het vroolijke lied van den fontein hem een lange snik toe, had hij het gevoel, alsof in die reusachtige, uit het onzienlijke gekomen schaduw alles verdween.
Maar reeds had Benedetta zijn beide handen in de hare genomen en deed hem weer terugkeeren tot het bekoorlijke bewustzijn hier in haar tegenwoordigheid te zijn.
"De leerling is niet erg makkelijk, wel, en zij heeft een harden kop. Maar wat zal ik u zeggen? Er zijn van die denkbeelden, welke er bij ons niet ingaan. Nooit, nooit zult u zoo iets een Romeinsch meisje in het hoofd praten... Heb ons lief, stel u ermede tevreden ons lief te hebben zooals wij zijn--mooi uit al onze kracht, zoo mooi als wij zijn kunnen!"
Zij was zóó mooi op dat oogenblik, zóó mooi in haar stralend geluk, dat hij ervoor beefde als voor een God, als voor de almacht, die de wereld leidt.
"Ja, ja," stamelde hij, "de schoonheid, de schoonheid--zij is nog altijd de heerscheresse, nog altijd de heerscheresse... O, waarom kan zij niet den eeuwigen honger der arme menschen stillen?"
"Kom, kom!" riep zij vroolijk, "het leven is mooi. Laten we naar boven gaan, tante zal wel op ons wachten!"
Er werd om één uur gedineerd. De enkele malen, dat Pierre niet buitenshuis at, zat hij aan de tafel der beide dames in de kleine eetzaal op de tweede verdieping, die op het binnenplein uitzag. Op hetzelfde uur dineerde op de eerste verdieping in de zonnige, op den Tiber uitziende eetkamer, de kardinaal, die altijd blij was zijn neef Dario aan tafel te hebben, want zijn secretaris, don Vigilio, zijn andere, geregelde dischgenoot, zeide slechts iets, wanneer men hem iets vroeg. De twee huishoudingen waren geheel gescheiden; zij hadden noch dezelfde keuken, noch hetzelfde personeel.
Maar al was de eetkamer op de tweede verdieping somber, het dejeuner van de dames en den jongen priester was er niet minder opgewekt door. Zelfs de anders zoo gereserveerde donna Serafina scheen door een groot innerlijk geluk bezield. Blijkbaar had zij de zaligheid van haar triomf van den vorigen avond aan den arm van Morano nog niet ten volle uitgenoten; zij begon het eerst over het bal; zij was er vol lof over, hoewel de aanwezigheid van den koning en van de koningin, zooals zij zeide, haar zeer gehinderd had. Zij vertelde, hoe zij door een handige taktiek had weten te vermijden, dat zij voorgesteld werd. Trouwens zij hoopte, dat haar algemeen bekende sympathie voor Celia, wier peet zij geweest was, voldoende zijn zou om haar aanwezigheid in dezen neutralen salon te verklaren. Toch scheen haar geweten zich er bezwaard door te gevoelen, want zij zeide, dat zij van plan was onmiddellijk naar het Vaticaan te gaan, om met den kardinaal-secretaris te spreken over een werk, waarvan zij patrones was. Dit compensatie-bezoek op den dag na de soirée bij de Buongiovanni's, scheen haar onvermijdelijk, beslist noodzakelijk toe. Nooit had zij zich zoo ingespannen voor, nooit had zij vuriger gehoopt op de spoedige verheffing van haar broeder, den kardinaal, op den troon van St. Pieter: dat was voor haar de hoogste triomf, de verheffing van haar geslacht, die haar familietrots voor noodzakelijk en onvermijdelijk hield. Gedurende de laatste ziekte van den regeerenden paus had zij zich al zenuwachtig gemaakt over den uitzet, dien zij met het wapen van den nieuwen paus had willen merken.
Benedetta hield niet op met schertsen, lachte over alles, sprak over Celia en Attilio met de hartstochtelijke teederheid van een vrouw, wier liefdesgeluk zich verheugt in het geluk van een bevriend paar. Toen het dessert opgediend was, vroeg zij aan den knecht:
"En waar blijven de vijgen, Giacomo?"
Deze, met zijn langzame, als in slaap uitgevoerde bewegingen, keek haar wezenloos aan. Gelukkig kwam Victorine juist de kamer binnen.
"Waarom krijgen we de vijgen niet, Victorine?"
"Welke vijgen bedoelt u, contessina?"
"Wel, de vijgen, die ik vanochtend beneden gezien heb... Het waren prachtige vijgen in een klein mandje. Ik wist heusch niet, dat er in dezen tijd van het jaar nog zulke mooie zijn... Ik ben dol op vijgen. Ik had er me bij voorbaat al op verheugd."
Victorine begon te lachen.
"O nu weet ik het al, contessina, nu weet ik het al... Het zijn de vijgen, die de pastoor van Frascati gisteren avond persoonlijk voor Zijne Eminentie gebracht heeft. Ik was toevallig beneden en hij heeft zeker wel driemaal gezegd, dat het een cadeau was voor Zijne Eminentie, dat men zoo, zonder een blaadje te verleggen, op de tafel van Zijne Eminentie moest zetten... Nou, dat hebben we gedaan."
"Nou, dat is prachtig," riep Benedetta in komische woede. "Die zitten nu lekker te genieten zonder ons. We hadden toch best kunnen deelen!"
Dan mengde donna Serafina zich in het gesprek en vroeg aan Victorine:
"Je bedoelt zeker den pastoor, die vroeger dikwijls op de villa kwam?"
"Ja, pastoor Santobono van de Santa Maria del Campi... Als hij komt, vraagt hij altijd naar abbé Paparelli, met wien hij tegelijk op het seminarie geweest is. Gisterenavond ook heeft abbé Paparelli hem met zijn mandje bij ons in de keuken gebracht... Dat mandje! Stel u voor, dat we heelemaal vergeten hadden het op de tafel van Zijne Eminentie te zetten, zoodat niemand de vijgen gegeten zou hebben, als abbé Paparelli ze niet was komen halen en ze met een ware vroomheid, als droeg hij het Heilige Sacrament, naar boven gebracht had... Zijne Eminentie houdt er ook zoo van!"
"Nou, ik geloof niet, dat mijn broer er vanmiddag erg in zal happen, want hij heeft last van zijn ingewanden."
Bij het telkens weer terugkomen van den naam Paparelli was zij nadenkend geworden. De sleepdrager met zijn slap en gerimpeld gezicht, zijn dikke, korte gestalte als van een oude jongejuffrouw in een zwarte rok, wekte haar wantrouwen op, sedert zij de groote macht, die hij, ondanks zijn nederigheid en zijn op den achtergrond blijven, op den kardinaal kreeg, opgemerkt had. Hij was niet meer dan een bediende, schijnbaar de geringste, en toch heerschte hij; zij voelde, dat hij haar eigen invloed bestreed en dikwijls ongedaan maakte, wat zij voor den triomf der eerzucht van haar broeder tot stand gebracht had. Het ergste was, dat zij hem reeds een jaar had moeten verdenken hem tot handelingen aangezet te hebben, die zij als grove fouten beschouwde. Misschien had zij zich vergist en zij liet hem de gerechtigheid wedervaren te erkennen, dat hij enkele deugden had en buitengewoon vroom was.
Intusschen bleef Benedetta schertsen en lachen. Toen Victorine weg was, riep zij den knecht:
"Giacomo, je moet even een boodschap voor mij doen..."
Zij viel zichzelf in de rede, om tegen haar tante te zeggen:
"We zullen onze rechten laten gelden... Ik zie ze voor mij, zooals ze daar bijna beneden ons aan tafel zitten. Zij moeten even als wij aan het dessert zijn. Oom licht de blaadjes op, bedient zich met een glimlachje, geeft het mandje aan Dario, die het weer aan don Vigilio geeft. En nu eten ze alle drie met ernstig, nadenkend gelaat... Ziet u ze niet? Ziet u ze niet?"
Zij zag ze; het verlangen in de nabijheid van Dario te te zijn, haar voortdurend naar hem toevliegende gedachten riepen hem zoo met de twee anderen voor den geest. Haar hart was beneden, zij zag, zij hoorde, zij voelde met al de fijngevoelige zintuigen van haar liefde.
"Giacomo, ga naar beneden en zeg aan Zijne Eminentie, dat wij ook zoo graag eens van de vijgen zouden proeven en dat het heel vriendelijk van hem zijn zou, als hij degene, die hij niet meer lust, aan ons wil geven."
Maar weer kwam donna Serafina, die haar strenge stem teruggevonden had, tusschenbeide:
"Je blijft hier, Giacomo!"
En zich dan tot haar nicht wendend:
"En nu genoeg van die kinderachtigheden!... Ik houd volstrekt niet van die flauwiteiten!"
"Kom, tante, ik ben ook zoo gelukkig, ik heb in geen tijd zoo van harte gelachen!"
Pierre had tot dusverre slechts geluisterd; het maakte hem zelf vroolijk haar zoo vroolijk te zien. Toen nu een kleine, kille stilte ontstond, begon hij te spreken en vertelde, hoe hij zelf ook verbaasd geweest was den vorigen dag, zoo laat in den tijd, nog vruchten gezien te hebben aan den beroemden vijgeboom van Frascati. Het kwam zeker, doordat de boom door dien hoogen muur beschermd werd.
"Zoo, hebt u den beroemden vijgeboom gezien?" vroeg Benedetta.
"Ja, en ik heb zelfs gereisd met de vijgen, waar u zoo'n trek in hebt!"
"Gereisd met de vijgen?"
Reeds speet het hem, dat hij zich die woorden had laten ontvallen, maar hij vond het toch beter nu alles te zeggen.
"Ja, ik ontmoette er iemand, die per rijtuig naar Frascati gekomen was en met alle geweld wilde, dat ik met hem naar Rome terugreed. Onderweg hebben we pastoor Santobono, die dapper met zijn mandje te voet naar Rome ging, opgenomen... Zelfs hebben we nog een oogenblik in een osteria gezeten..."
Hij vertelde verder van den tocht en van zijn indrukken van de in de avondschemering gehulde campagna. Maar Benedetta keek hem strak aan, want zij wist heel goed, dat Prada ieder oogenblik voor zijn bouwspeculaties naar Frascati ging.
"Iemand, iemand?" prevelde zij; "de graaf zeker!"
"Ja, mevrouw, de graaf!" antwoordde Pierre eenvoudig. "Vannacht heb ik hem weer gesproken. Hij was geheel van streek, en men moet medelijden met hem hebben."
De jonge priester sprak deze barmhartige woorden in de overvloeiende liefde, die hij over alle wezens en dingen had willen uitgieten, met zoo diepe en natuurlijke ontroering uit, dat de beide dames er zich niet beleedigd door gevoelden. Donna Serafina bleef roerloos zitten en deed alsof zij het niet gehoord had, terwijl Benedetta door een gebaar te kennen scheen te willen geven, dat zij noch haat noch medelijden behoefde te gevoelen voor een man, die haar totaal vreemd geworden was. Toch lachte zij niet meer en zeide eindelijk, terwijl zij aan het mandje dacht, dat in het rijtuig van Prada medegekomen was:
"Ik heb heelemaal geen trek meer in die vijgen en ben nu maar blij, dat ik er niet van gegeten heb."
Onmiddellijk na de koffie verliet donna Serafina hen in de haast, die zij had, om naar het Vaticaan te gaan. Toen Benedetta en Pierre alleen waren, bleven zij, weer vroolijk geworden, nog een oogenblik als goede vrienden praten. De priester begon weer over zijn audiëntie van dien avond. Het was nauwlijks twee uur, dus had hij nog zeven uur voor zich. Hoe zou hij dien eindeloozen middag door moeten komen? Toen kreeg zij een aardigen inval.
"Weet u wat?" zeide zij. "Nu we allen zoo gelukkig zijn, moesten we elkaar niet verlaten... Dario heeft zijn eigen rijtuig. Hij zal nu wel klaar zijn met zijn dejeuner, ik zal hem zeggen, dat hij een grooten rit langs den Tiber met ons moet gaan maken."
Verrukt over dat mooie plan, klapte zij in haar handen. Maar juist op dat oogenblik kwam don Vigilio met een verschrikt gezicht binnen.
"Is de prinses niet hier?"
"Neen, tante is uitgegaan... Wat is er?"
"Zijne Eminentie stuurt me... De prins is na tafel onwel geworden... O niets ernstigs natuurlijk."
Zij gaf een gil, meer van verbazing dan van ongerustheid.
"Wat, Dario?... Maar dan komen we allemaal beneden. Ga mee, mijnheer de abbé! Hij mag niet ziek zijn, want hij moet met ons uit."
Toen zij op de trap Victorine zag, moest deze ook mede.
"Dario voelt zich niet lekker... We zullen je misschien noodig hebben."
Alle vier gingen zij de groote, ouderwetsche, eenvoudige kamer binnen, waarin de jonge man door zijn schouderwonde een maand lang aan het ziekbed gekluisterd was geweest. Men kwam er door een kleinen salon, een van de daarnaast liggende toiletkamer uitgaande gang verbond die vertrekken met de appartementen van den kardinaal: de betrekkelijk smalle eet-, slaap- en werkkamer, die men door het aanbrengen van beschotten uit een van de vroeger groote zalen gemaakt had. Verder was er nog de kapel, die met een deur op de gang uitkwam, een eenvoudig, kaal vertrek, waarin zich een altaar van beschilderd hout bevond, maar geen tapijt, geen stoel--niets dan de harde, koude vloer, om te knielen en te bidden.
Benedetta liep naar het bed, waarop Dario geheel gekleed lag. Naast hem stond in vreeselijke zorg kardinaal Boccanera, die, ondanks zijn beginnende ongerustheid zijn trotsche houding, de rust van een verheven ziel, die zich niets te verwijten heeft, bewaarde.
"Wat is er, Dario, wat scheel je?"
Maar de prins, die haar wilde geruststellen, glimlachte. Hij zag bleek en maakte den indruk van iemand, die dronken is.
"O, het is niets, een flauwte... Stel je voor, ik heb precies een gevoel, alsof ik te veel gedronken heb... Plotseling begon het voor mijn oogen te draaien en was het, alsof ik zou vallen... Ik had nog maar net den tijd, om naar mijn bed te komen."
Hij ademde diep als iemand, die behoefte aan lucht heeft. Dan vertelde de kardinaal op zijn beurt enkele bijzonderheden.
"We waren juist klaar, ik gaf don Vigilio orders voor vanmiddag en stond op het punt van tafel op te staan, toen ik Dario zag wankelen... Hij wilde weer gaan zitten, maar liep met onzekere stappen als een slaapwandelaar rond, terwijl hij tastend de deuren openmaakte. Zonder er iets van te begrijpen, gingen we hem na. Ik zoek nog steeds, maar begrijp het niet."
Met een gebaar gaf hij zijn verbazing te kennen en wees op de kamer, waardoor een plotselinge ongelukswind scheen gewaaid te hebben. Alle deuren waren wijd open blijven staan, men zag achter elkaar de toiletkamer, dan de gang en aan het eind daarvan de eetkamer in de wanorde van een vertrek, dat men plotseling verlaten heeft, met de nog gedekte tafel, de weggeworpen servetten, de achteruitgeschoven stoelen. Toch was men nog niet bang.
Hardop zeide Benedetta het in zulke gevallen gewone gezegde:
"Als je maar niets verkeerds gegeten hebt!"
Maar met een tweede gebaar zeide de kardinaal glimlachend:
"Neen, dat kan niet. Eieren, lamscoteletten en een bord zuring zullen zijn maag niet overladen hebben. Ik drink nooit iets anders dan water en hij hoogstens een paar slokjes witte wijn... Neen, met het eten heeft het niets te maken."
Dario, die een oogenblik zijn oogen dicht gedaan had, sloeg ze weer open, ademde opnieuw diep en trachtte te glimlachen.
"Kom, kom, het zal niets zijn, ik voel me al weer veel beter. Ik moet een beetje beweging hebben."
"Luister dan even naar het plan, dat ik gemaakt heb... Je moet met mij en den abbé een grooten toer gaan maken in de Campagna."
"Graag, een prachtig idee... Victorine help me even!"
Hij had zich opgericht, waarbij hij pijnlijk op zijn pols steunde. Maar voor de huishoudster bij hem was, kreeg hij een kramp en viel hij, als door een flauwte getroffen, weer neer. De kardinaal, die aan den rand van het bed was blijven staan, ving hem in zijn armen op, terwijl de contessina ditmaal haar hoofd verloor.
"God, God, alweer... Ga gauw een dokter halen!"
"Wil ik het doen?" vroeg Pierre, die zich ook ongerust begon te maken.
"Neen, neen, u niet, u moet hier blijven... Victorine zal het doen, die weet den dokter te wonen... Dokter Giordano, hoor Victorine!"
De huishoudster ging weg en een zware stilte viel in het vertrek, waarin een huivering van angst van minuut tot minuut sterker werd. Benedetta was, doodelijk bleek, weer naar het bed gegaan, terwijl de kardinaal, die Dario, wiens hoofd op zijn schouders gevallen was, in zijn armen bleef houden, strak naar hem keek. Een vreeselijk vermoeden, vaag en onbepaald nog, was in hem opgerezen: het kwam hem voor dat Dario's gezicht grauw was en dezelfde verschrikt-angstige uitdrukking had, die hij bij zijn besten vriend monsignor Gallo, had opgemerkt, toen hij hem twee uur vóór zijn dood, op deze zelfde wijze aan zijn borst gesteund had. Het was dezelfde flauwte, hetzelfde gevoel, dat hij nog slechts het koud lichaam van een geliefd wezen, wiens hart niet meer klopte, in zijn armen drukte, maar voor alles werd de gedachte aan vergif sterk in hem, het vergif, dat uit het donker komt en als een bliksemstraal in het donker treft. Langen tijd bleef hij zoo over het gezicht van zijn neef, den laatste van zijn geslacht, gebogen staan, zocht, ging na en vond de symptomen van het mysterieuse en onverzoenlijke, dat hem reeds de helft van zijn eigen ik ontnomen had.
Maar fluisterend smeekte Benedetta:
"Oom, u zult zoo moe worden... Laat ik hem een poosje vasthouden... Neen, u behoeft niet bang te zijn, ik zal het heel zacht doen, hij zal voelen, dat ik het ben, en dat zal hem misschien weer wakker doen worden."
Eindelijk hief hij zijn hoofd op, keek haar aan en stond haar zijn plaats af na haar met oogen vol tranen tegen zich aan gedrukt en gekust te hebben. Een plotselinge ontroering had zich van hem meester gemaakt, waarin de warme liefde, die hij voor haar voelde, de starre koude, die hij gewoonlijk huichelde, smelten deed.
"Mijn arm kind, mijn arm kind!" stamelde hij, bevend als een ontwortelde eik.
Onmiddellijk echter beheerschte hij zich weer, en terwijl Pierre en Vigilio onbeweeglijk en zwijgend en wanhopig, dat zij niets konden doen, wachtten of men hen misschien noodig zou kunnen hebben, begon hij langzaam door de kamer op en neer te loopen. Dan scheen echter de kamer voor de gedachten, die in zijn hoofd woelden, te klein te worden, en liep hij achtereenvolgens de toiletkamer, de gang en de eetkamer in. Steeds ging hij zoo op en neer, steeds kwam hij weer terug, ernstig, zonder een spier op zijn gelaat te vertrekken, met gebogen hoofd, verzonken in dezelfde sombere overpeinzing. Welk een wereld van gedachten woelde in het brein van dezen geloovige, van dezen hooghartigen prins, die zich aan God gegeven had en machteloos was tegen het onvermijdelijke lot? Nu en dan ging hij naar het bed terug, overtuigde zich van de vorderingen, die het vergif maakte, zag aan het gelaat van Dario hoe ver het met de crisis stond, en ging dan weer met dezelfden regelmatigen stap weg, verdween en kwam weer terug, als voortgedreven door de monotone regelmatigheid der krachten, die de mensch niet vermag tegen te houden. Misschien vergiste hij zich, misschien was het maar een eenvoudige ongesteldheid, waarom de dokter zou lachen. Hij moest hopen en verder afwachten. En zoo ging hij steeds weer weg en kwam hij steeds weer terug, en niets kon te midden der drukkende stilte, angstaanjagender klinken dan de rhythmische stappen van dezen grooten grijsaard, die het noodlot wachtte.
De deur ging weer open en Victorine kwam buiten adem binnen.
"Ik heb den dokter gevonden, hier is hij!"
Met zijn lachend gelaat, zijn klein blozend, door witte lokken omlijst gezicht, zijn vaderlijke gestalte, die hem de allures van een vriendelijken prelaat gaven, kwam dokter Giordano binnen. Maar zoodra hij de kamer en alle deze angstige menschen, die op hem wachtten, gezien had, werd hij ook ernstig en nam de gesloten houding, den volkomen eerbied voor de kerkelijke geheimen aan, die hij door zijn groote praktijk onder geestelijken geleerd had. Nauwelijks had hij een blik op den zieke geworpen, of hij liet zich de gefluisterde woorden ontvallen:
"Alweer? Begint het nu opnieuw?"
Ongetwijfeld zinspeelde hij op den messteek, dien hij onlangs behandeld had. Wie had het toch zoo voorzien op dezen armen jongen man, die niemand kwaad deed en niemand lastig viel? Niemand, behalve Pierre en Benedetta, konden zijn woorden begrijpen; en deze laatste verkeerde in zoo'n koortsachtig ongeduld, dat zij hem niet eens verstond.
"Dokter," smeekte zij, "onderzoek hem gauw en zeg, dat het niets te beteekenen heeft... Het kan niets zijn; daareven was hij nog zoo gezond en vroolijk... Het is niets, het is niets, niet waar?"
"Welneen, contessina, het zal zeker niets zijn... We zullen eens kijken."
Hij had zich omgedraaid en boog diep voor den kardinaal, die met zijn gelijkmatigen droompas uit de eetkamer terugkwam en onbeweeglijk aan het voeteneinde van het bed ging staan. Ongetwijfeld las hij in de oogen, die zich op de zijne richtten, een doodelijke ongerustheid, want hij zeide verder niets en begon als iemand, die de waarde der minuten heeft leeren kennen, Dario te onderzoeken. En naarmate zijn onderzoek vorderde, kreeg zijn vriendelijk optimistisch gezicht een bleeken ernst, een doffen angst, die zich slechts verried in het beven van zijn lippen. Hij was het ook geweest, die monsignor Gallo gedurende den aanval bijgestaan had, waaraan deze gestorven was, een aanval van infectiekoorts, zooals zijn diagnose voor de overlijdensaangifte geluid had. Ongetwijfeld herkende ook hij dezelfde angstaanjagende symptomen: het als lood zoo grijze gezicht, de wezenloosheid als van een vreeselijke dronkenschap, en als oud Romeinsch geneesheer, die aan plotselinge sterfgevallen gewend is, voelde hij de lucht langs zich strijken, die doodt, zonder dat de wetenschap nog uitgemaakt heeft of het de verpestende uitwasemingen van den Tiber of het eeuwenoude vergif der legende is.
Maar nu keek hij weer op en opnieuw ontmoette zijn blik den donkeren blik van den kardinaal, die niet van hem week.
"Mijnheer Giordano," vroeg deze eindelijk; "u maakt u toch, hoop ik, niet al te ongerust... Het is zeker niets dan een indigestie?"
De dokter boog een tweede maal. Aan het lichte beven van de stem raadde hij den wreeden angst van dezen machtigen man, die opnieuw in de gevoeligste plek van zijn hart getroffen werd.
"Uwe Eminentie moet gelijk hebben, het is zeker een indigestie. Soms zijn zulke gevallen, wanneer er koorts bij komt, gevaarlijk... Ik behoef Uwe Eminentie niet te zeggen, dat u op mijn voorzichtigheid en ijver rekenen kunt..."
Hij hield even op, om dadelijk daarop op den beslisten toon van een ervaren arts verder te gaan:
"De tijd dringt; we moeten den prins ontkleeden en vlug handelen. Laat me een oogenblik alleen, dat heb ik liever."
Victorine hield hij echter om te helpen. Als hij nog iemand anders noodig had, zou hij Giacomo roepen. Het bleek duidelijk, dat hij de familie uit de kamer wilde verwijderen, om vrijer en zonder hinderlijke getuigen te zijn. De kardinaal begreep het en leidde Benedetta zacht naar de eetkamer, waarheen Pierre en don Vigilio hen volgden.
Toen de deuren weer dicht waren, heerschte in deze eetkamer, die de heldere winterzon met heerlijk licht en heerlijke warmte vulde, de benauwendste en drukkendste stilte, die men zich denken kan. De tafel was nog steeds gedekt; de borden stonden door elkaar, het laken lag nog vol kruimels, een kop was nog half vol met koffie en in het midden stond de mand met vijgen, waarvan de bladeren weggenomen waren, doch waaruit slechts twee of drie vruchten ontbraken. Voor het raam zat in een grooten, gelen zonnestraal, waarin zonnestofjes dansten, Tata, de papegaai, die men uit zijn kooi gelaten had, verrukt en door het licht verblind op zijn stok. Toch had zij, verwonderd zooveel menschen te zien binnenkomen, opgehouden met schreeuwen en met haar snavel haar veeren glad te strijken; heel verstandig keerde zij haar kop half om, om de menschen met haar rond en onderzoekend oog beter te kunnen opnemen.