Part 48
Er volgde een stilte. Nani keek hem aan met zijn heldere oogen, welker intelligente uitdrukking de scherpte van staal had. In de diepe stilte, in de zware, heete atmospheer van de kleine zaal, waarvan de spiegels de tallooze kaarsen weerkaatsten, drong plotseling een luidere uitbarsting van het orkest door. Langzame, wiegende walstonen klonken en stierven weer weg.
"Mijn waarde zoon, toorn is altijd verkeerd... Herinnert ge u, dat ik u bij uw aankomst beloofd heb, om, wanneer ge vergeefs getracht zoudt hebben door den Heiligen Vader ontvangen te worden, zelf op mijn beurt een poging te zullen doen? Neen, luister nu kalm en wind u niet op," ging hij voort, toen hij zag, dat de priester zenuwachtig werd. "Zijne Heiligheid krijgt, helaas, niet altijd even verstandige adviezen. De paus heeft personen om zich heen, wier toewijding niet steeds met de zoo gewenschte intelligentie gepaard gaat. Ik heb u dat al meer gezegd en u voor onberaden stappen gewaarschuwd. Daarom heb ik, reeds drie weken geleden, den voorzorgsmaatregel genomen om zelf uw boek aan den Heiligen Vader ter hand te stellen, in de hoop, dat het hem zou behagen een blik daarin te slaan. Ik vermoedde wel, dat men dat nooit zou doen... En nu heb ik de opdracht gekregen u te zeggen: De Heilige Vader, die de buitengewoon groote goedheid gehad heeft uw boek te lezen, verlangt beslist u te spreken."
Een kreet van vreugde en dank sprong uit Pierre's keel.
"O, monsignor! O, monsignor!"
Maar Nani legde hem het zwijgen op en keek ongerust rond, als was hij bang, dat men hem zou kunnen hooren.
"Stil, stil! Het is een geheim! Zijne Heiligheid wil u particulier ontvangen, zonder iemand in het vertrouwen te nemen. Luister goed. Het is nu twee uur in den ochtend, nietwaar? Welnu vanavond om negen precies moet u zorgen aan het Vaticaan te zijn en aan iedere deur naar mijnheer Squadra vragen. Overal zal men u dan laten passeeren. Boven zal mijnheer Squadra u wachten en binnen brengen... Maar aan niemand een woord hierover. Geen levende ziel mag er ook maar het minste vermoeden van hebben!"
Het geluk en de dankbaarheid van Pierre kenden geen grenzen meer; hij greep de weeke, dikke handen van den prelaat.
"O, monsignor, hoe moet ik aan mijn dankbaarheid uitdrukking geven? In mijn ziel was nacht en verzet en opstand, sedert ik mij voelde als een speelbal van die machtige Eminenties, die zich vroolijk over mij maakten!... Maar u redt mij, ik ben weer zeker te zullen overwinnen, nu ik mij eindelijk aan de voeten zal kunnen werpen van Zijne Heiligheid, den Vader van alle waarheid en gerechtigheid. Hij moet mij vrijspreken--mij, die hem liefheb, die hem bewonder, die overtuigd ben nooit anders dan voor zijn politiek en voor zijn dierbaarste ideeën gestreden te hebben... Neen, neen, het is onmogelijk, hij zal niet teekenen, hij zal mijn boek niet veroordeelen!"
Nani, die zijn handen losgemaakt had, trachtte hem met een vaderlijk gebaar tot kalmte te brengen, zonder dat daarbij een minachtend glimlachje over zooveel nutteloos verspilde geestdrift van zijn lippen week. Het gelukte hem den priester te kalmeeren en hij verzocht hem dan heen te gaan. Het orkest was weer begonnen te spelen. Toen de priester, hem nogmaals dankend, wegging, zeide hij eenvoudig:
"Herinner u, mijn waarde zoon, dat alleen gehoorzaamheid groot is."
Pierre, die nu nog slechts aan weggaan dacht, vond bijna dadelijk Prada in de wapenzaal terug. Hunne Majesteiten hadden juist, uitgeleide gedaan door de Buongiovanni's en de Sacco's, het bal verlaten. De koningin had Celia een moederlijken kus gegeven, terwijl de koning Attilio de hand drukte, een eer, waarover de beide families straalden. Vele gasten volgden het voorbeeld van het koninklijk echtpaar en gingen reeds in kleine groepen weg. De graaf, die buitengewoon opgewonden scheen en nog bitterder en grimmiger geworden was, brandde eveneens van ongeduld om weg te gaan.
"Bent u daar eindelijk? Ik heb op u gewacht. Laten we maken, dat we wegkomen. Uw landgenoot, mijnheer Habert, heeft mij gevraagd u te zeggen, dat u maar niet naar hem zoeken moet. Hij heeft mijn vriendin Lisbeth naar haar rijtuig gebracht... Maar ik voel behoefte aan frissche lucht; ik zal u naar de Via Giulia brengen."
Toen zij in de garderobe hun jassen aantrokken, kon hij niet nalaten te grijnslachen en er op ruwen toon aan toe te voegen:
"Ik heb uw vrienden met hun vieren zien weggaan; en u hebt groot gelijk, dat u te voet naar huis gaat, want er was geen plaats meer voor u in de karos... Die donna Serafina! Wat een onbeschaamdheid op haar leeftijd met haar Morano hier te komen, om te geuren met den terugkeer van den trouwelooze... En die twee anderen, die twee jongen! O, ik wil volstrekt niet ontkennen, dat het me moeilijk valt kalm over hen te praten, want zij hebben vanavond door hier te verschijnen een zeldzaam brutaal en onbeschaamd stukje uitgehaald!"
Zijn handen beefden, terwijl hij nog mompelde:
"Goede reis, goede reis, jonge man, wanneer je naar Napels gaat!... Ja, ik heb gehoord, dat men tegen Celia zeide, dat hij vanavond om zes uur vertrekt. Nu, mijn beste wenschen vergezellen hem! Goede reis!"
Buiten, nu zij uit de benauwde hitte der zalen in de heldere, koele, frissche nachtlucht kwamen, voelden beide mannen zich opgelucht. Het was een prachtige vollemaannacht, een van die Romeinsche nachten, waarin de stad, als door een droom der oneindigheid gewiegd, sluimert onder den wijden hemel. Zij volgden den Corso en den Corso Victor Emanuele.
Prada was wat kalmer geworden, maar hij bleef ironisch, blijkbaar om zich te bedwelmen begon hij met een koortsachtige luidruchtigheid weer over de Romeinsche vrouwen, over het feest, dat hij schitterend gevonden had en waarover hij zich nu vroolijk maakte.
"Ja, zij hebben mooie japonnen, maar die haar niet staan, japonnen, die zij uit Parijs laten komen, maar natuurlijk niet hebben kunnen passen. Het is precies als met haar edelgesteenten, zij hebben nog diamanten en vooral buitengewoon mooie paarlen, maar zoo zwaar en grof gezet, dat zij per slot van rekening foei-leelijk zijn. En als u eens wist hoe dom en triviaal zij onder haar schijnbaren trots zijn! Alles ligt bij haar aan de oppervlakte, zelfs de godsdienst, daaronder is niets dan een onpeilbare diepte. Ik heb haar aan het buffet gulzig zien eten. Ja, eten, dat kunnen ze! Maar ik moet er u op wijzen, dat zij zich vanavond netjes gedragen hebben, ze hebben niet te veel naar binnen geschrokt. Doch als u eens een Hofbal bij kon wonen, dan zoudt u eens een plundering zien: het buffet wordt dan belegerd, de schotels verslonden, het is een gedrang van een ongekende vraatzucht!"
Pierre antwoordde slechts met monosyllaben. Hij gaf zich geheel over aan zijn groote vreugde over de audiëntie, die hij bij den paus zou hebben, droomde er reeds van, bereidde haar voor tot in de kleinste bijzonderheden, zonder er iemand deelgenoot van te kunnen maken. De stappen der beide mannen weerklonken in de breede, verlaten, lichte straat op het droge plaveisel, terwijl de maan de zwarte schaduwen duidelijk afteekende.
Plotseling zweeg Prada. Hij kon niet meer spreken; de vreeselijke strijd, die in hem woedde, had hem geheel overmand en als het ware verlamd. Tweemaal had hij reeds in zijn zak het met potlood geschreven briefje aangeraakt, waarvan hij de vier regels voor zichzelf herhaalde: "Een legende beweert, dat de vijgeboom van Judas, doodelijk voor ieder, die eenmaal paus worden wil, weer te Frascati groeit. Eet de vergiftigde vijgen ervan niet en geef ze noch aan uw personeel noch aan uw kippen." Het briefje was er nog, hij voelde het, en hij was slechts met Pierre medegegaan, om het in de brievenbus van den palazzo Boccanera te werpen. Hij bleef met een flinken pas doorloopen, binnen tien minuten zou het briefje in de bus zijn: geen macht ter wereld zou hem kunnen beletten het erin te werpen, zijn besluit stond onherroepelijk vast. Nooit zou hij de misdaad begaan menschen te laten vergiftigen.
Maar hij onderging een zoo vreeselijke marteling! Die Benedetta en die Dario hadden zoo'n storm van ijverzuchtigen haat in hem ontketend. Hij vergat er Lisbeth door, die hij liefhad, en het kind, dat kleine wezentje van zijn vleesch en bloed, waarop hij zoo trotsch was. Altijd had de vrouw de manlijke veroveringsbegeerte in hem wakker gemaakt; alleen zij, die tegenstand boden, hadden hem echt, heftig zingenot gegeven. En nu bestond er één in de wereld, die hij gewild had, die hij gekocht had door een huwlijk, en die zich daarna niet had willen geven. Die vrouw, die de zijne geweest was, had hij nooit gehad, zou hij nooit hebben. Om haar te hebben, zou hij vroeger Rome in brand gestoken hebben; nu vroeg hij zich af, wat hij doen moest, om te verhinderen, dat zij van een ander was. Deze gedachte, de gedachte, dat die andere zou genieten van wat hem toebehoorde, opende weer de wond, die in zijn hart bloedde. Wat zouden zij zich samen vroolijk maken over hem! Wat een genot had het hun reeds gegeven hem door het rondstrooien van de leugen over zijn zoogenaamde impotentie belachelijk te maken! Hij voelde zich ondanks alle bewijzen, die hij voor zijn manlijkheid aanvoeren kon, daardoor in zijn eer getast. Zonder het zelf te gelooven, had hij hen beschuldigd, dat zij reeds sedert lang samen sliepen in dat sombere paleis Boccanera, welks liefdesgeschiedenissen legendarisch waren. Thans nu zij vrij, tenminste van de kerkelijke banden bevrijd waren, zou dat zeker het geval zijn. Hij zag ze reeds naast elkaar in hetzelfde bed, hij riep zich hartstochtelijke visioenen voor den geest, omarmingen, kussen, de verrukkingen van hun wellust. Neen, neen, neen, het was onmogelijk; eerder moest de hemel instorten!
Toen Pierre en hij den Corso Victor Emanuele verlieten, om door de oude, smalle, kronkelende straten in de Via Giulia te komen, zag hij weer, hoe hij het briefje in de bus zou werpen. Dan stelde hij zich voor hoe het verder zou gaan. Het briefje zou tot den ochtend in de bus slapen. Don Vigilio, die op speciaal bevel van den kardinaal den sleutel van de bus onder zijn berusting had, zou vroeg naar beneden komen, den brief vinden en aan Zijne Eminentie geven, die niet wilde, dat een ander de brieven opende. De vijgen zouden weggeworpen worden, er zou geen misdaad meer mogelijk zijn, de zwarte wereld zou het stilzwijgen erover bewaren. Maar wat zou er gebeuren, indien het briefje niet in de bus was? Hij ging op die veronderstelling in en zag duidelijk de zoo sierlijk met bladeren bedekte vijgen in haar mooi mandje 's middags om één uur op tafel komen. Dario was, zooals gewoonlijk, alleen met zijn oom, daar hij pas 's avonds naar Napels zou gaan. Oom en neef zouden samen van de vijgen eten, of slechts een van beiden--maar wie dan. Hier werd het visioen onduidelijk. Het was opnieuw de loop van het noodlot, het noodlot, dat hij op den terugrit van Frascati ontmoet had, toen het, zonder tegengehouden te worden, door alle hinderpalen heen, zijn onbekend doel tegemoet ging. Het kleine mandje vijgen ging verder, steeds verder naar de taak, die het verrichten moest; geen hand ter wereld was sterk genoeg om het te beletten.
De Via Giulia strekte zich eindeloos in het witte maanlicht uit en Pierre ontwaakte voor het zwart tegen den zilveren hemel afstekende paleis Boccanera als uit een droom. Hij voelde een rilling, toen hij naast zich dien smartelijken klaagtoon van een doodelijk gewond wild dier hoorde, het onwillekeurige gebrom, dat de graaf in zijn vreeselijken strijd zich weer ontvallen liet.
Maar onmiddellijk lachte hij spottend, terwijl hij den priester de hand drukte:
"Neen, neen, ik ga niet verder mee... Als ze me op dit uur hier zagen, zouden ze gaan denken, dat ik weer verliefd op mijn vrouw geworden was."
Hij stak een sigaar aan en ging dan verder in den lichten nacht, zonder om te kijken.
DERTIENDE HOOFDSTUK
Toen Pierre wakker werd, hoorde hij het tot zijn groote verbazing elf uur slaan. Na de vermoeienis van het bal, waar hij zoo lang gebleven was, had hij als een kind in heerlijken vrede geslapen, als voelde hij in zijn sluimering zijn geluk. Nauwelijks had hij zijn oogen opgeslagen, of het door het raam binnenvallend zonlicht baadde hem in hoop. Zijn eerste gedachte was, dat hij eindelijk dien avond om negen uur den paus zou spreken. Nog tien uur! Wat moest hij dezen gezegenden dag, welks prachtige en heldere hemel hem zoo'n gelukkig voorteeken scheen, doen?
Hij stond op, sloeg de ramen open en liet de warme lucht binnenstroomen, die hem toescheen den vruchten- en bloemengeur te hebben, welken hij reeds op den dag van zijn aankomst geroken had en waarvan hij vergeefs getracht had de natuur te analyseeren: een geur van oranjeappelen en rozen. Was het mogelijk, dat men reeds in December was? Welk een heerlijk land, waarin op den drempel van den winter April opnieuw scheen te ontbloeien! Toen hij, na zich te hebben aangekleed, voor het raam ging staan, om naar de altijd groene hellingen van den Janiculus aan de overzijde van den Tiber te kijken, zag hij Benedetta bij de kleine fontein in het verwaarloosde tuintje van het paleis zitten. En toegevend aan een drang naar leven, vroolijkheid en schoonheid ging hij naar beneden.
Benedetta, stralend van geluk, uitte, terwijl zij hem haar beide handen toestak onmiddellijk den kreet, dien hij van haar verwacht had:
"Mijn beste abbé, wat ben ik gelukkig! Wat ben ik gelukkig!"
Dikwijls hadden zij zoo een ochtend in dit kalme, vergeten hoekje samen doorgebracht. Maar welk een treurige ochtenden waren het, toen zij beiden geen hoop meer durfden koesteren. Maar vandaag was het alsof de verwaarloosde, met onkruid overwoekerde lanen, de in het oude, volgegooide bassin opgegroeide taxis, de symmetrische oranjeappelboomen, die alleen nog den vroegeren loop der paden aanwijzen, een eindelooze bekoring, een droomerige en teedere vertrouwelijkheid bezaten, waarin men zoo heerlijk kon uitrusten van zijn vreugde. Vooral was het prettig warm naast den laurierboom in den hoek, waar zich de fontein bevond. Het dunne waterstraaltje stroomde met zijn fluittonen steeds maar door uit den wijdgeopenden mond van het tragische masker. Een frissche koelte steeg op uit den grooten marmeren sarkophaag, welks basrelief een tierend bacchanaal toonde van faunen, die vrouwen meevoerden en onder hun gulzige kussen op den grond wierpen. Men was daar, om zoo te zeggen, buiten ruimte en tijd, in een zoo ver verwijderd verleden, dat de omgeving, de nieuwe kadewerken, de tegen den grond geworpen, van het stof der, puinhoopen nog grijze wijk, het door elkaar gegooide, van een nieuwe wereld zwangere Rome verdwenen.
"O," herhaalde Benedetta; "wat ben ik gelukkig!... Het werd mij te benauwd in mijn kamer; ik moest naar buiten, zoo snakte mijn hart naar ruimte, lucht en zon, om al zijn vreugde uit te kunnen kloppen!"
Zij zat op het omgevallen, als bank dienende stuk zuil naast den sarkophaag en wilde, dat de priester naast haar plaats nam. Nooit had hij haar zoo mooi gezien met haar zwart haar, dat het reine, in de volle zon zoo teer blozende gelaat omlijstte. Haar groote, onpeilbare oogen waren in het licht als kolenvuur, waarin goud smolt, terwijl haar kindermond, haar reine, verstandige mond glimlachte--zooals een goedhartig schepsel glimlacht, dat vrij is eindelijk naar hartelust lief te hebben, zonder aanstoot te geven aan God of menschen. En hardop droomde zij haar toekomstplannen.
"0, het is nu heel eenvoudig. Nu ik reeds de scheiding van tafel en bed verkregen heb, zal het niet moeilijk vallen, nadat de Kerk mijn huwlijk nietig verklaard had, de burgerlijke echtscheiding ook te krijgen. En ik zal met Dario trouwen--ja, in het volgend voorjaar en misschien wel eerder, wanneer het gelukt de formaliteiten wat te bespoedigen... Vanavond om zes uur gaat hij naar Napels, waar hij een paar zaken te regelen heeft. Wij bezitten daar nog een paar eigendommen, die we hebben moeten verkoopen, want alles heeft veel geld gekost. Maar wat hindert dat, nu we toch elkaar toebehooren!... Wat een heerlijke uren zullen we binnen enkele dagen hebben, wanneer hij weer terug is--wat zullen we lachen! Ik heb er na het heerlijk bal heelemaal niet van kunnen slapen, zooveel plannen heb ik gemaakt. O, prachtige plannen! U zult het eens zien, u zult het eens zien, want ik wil beslist, dat u tot aan ons huwlijk in Rome blijft!"
Hij begon met haar te lachen, zóó medegesleept door deze uitbarsting van jeugd en geluk, dat hij zich slechts met de grootste moeite bedwingen kon, om haar niet zijn geluk, de hoop, waarmede zijn aanstaand onderhoud met den paus hem vervulde, mede te deelen.
In de rillende stilte van den smallen, zonnigen tuin weerklonk met geregelde tusschenpoozen dezelfde schreeuw van een vogel. Benedetta keek naar boven en zag een kooi, die voor een raam op de eerste verdieping hing.
"Ja, ja, Tata, schreeuw maar hoor, wees maar blij. Iedereen in huis moet blij zijn!"
En zich dan weer als een uitgelaten schoolmeisje, dat vacantie heeft, tot Pierre wendend:
"U kent Tata toch?... Wat, kent u Tata niet?... Dat is de papegaai van mijn oom den kardinaal! Ik heb hem in het voorjaar cadeau gegeven; hij is er dol op en laat het dier de lekkere brokjes van zijn bord eten. Hij zorgt er heelemaal voor, hangt hem buiten en haalt hem binnen en is zoo bang, dat hij koude zal vatten, dat hij hem in de eetkamer laat, het eenige vertrek, waarin het een beetje warm is."
Pierre keek nu ook op naar den papegaai, een van die aardige grijsgroene, zijdeachtige, kleine papegaaien. Hij hing met zijn snavel aan de tralies van zijn kooi, schommelde heen en weer en sloeg in zijn vreugde over de warme zon met zijn vleugels.
"Spreekt hij?" vroeg Pierre.
"O, neen, hij schreeuwt," antwoordde Benedetta lachend. "Maar oom beweert, dat hij alles wat hij zegt verstaan kan en uitstekend met hem kan praten."
Plotseling begon zij weer over een ander onderwerp, als had een onbewuste gedachtenassociatie haar doen denken aan haar anderen oom, den aangetrouwden oom, dien zij te Parijs had.
"U moet een brief van vicomte de la Choue gehad hebben... Hij heeft mij gisteren geschreven, hoe het hem spijt, dat het u niet gelukt door Zijne Heiligheid ontvangen te worden. Hij had voor de overwinning van zijn denkbeelden zoo op u, op uw zege gerekend!"
Inderdaad kreeg Pierre meermalen brieven van den vicomte, waarin deze jammerde over den invloed, dien zijn tegenstander, baron de Fouras, na het groote succes van zijn laatste campagne te Rome met de internationale bedevaart van de Pieterspenning, gekregen had. Het was het ontwaken van de oude, intransigente Katholieke partij; alle liberale veroveringen van het Neo-Katholicisme werden bedreigd, wanneer men niet van den paus een formeele adhaesie aan de verplichte corporaties verkreeg, om een bres te slaan in de door de conservatieven gesteunde vrije corporaties. In zijn ongeduld om Pierre eindelijk een audiëntie bij den paus te zien krijgen, overstelpte hij dezen met allerlei gecompliceerde plannen.
"Ja," mompelde Pierre; "Zondag heb ik reeds een brief gekregen en toen ik gisteren uit Frascati terugkwam, vond ik er weer een... O, ik zou zoo gelukkig zijn als ik hem eens een gunstig antwoord geven kon."
Bij de gedachte, dat hij den paus 's avonds spreken, hem zijn van liefde brandende ziel openen, van hem de aanmoediging krijgen zou voor zijn zending tot sociale redding in den broederlijken naam der kleinen en armen, stroomde zijn hart opnieuw van vreugde over. Hij kon zich niet langer inhouden, gaf zijn geheim, dat zijn hart deed opzwellen, prijs.
"Het is nu zeker, vanavond heb ik een audiëntie bij den paus."
Benedetta begreep het niet dadelijk.
"Hoe zoo?"
"Ja, monsignor Nani is wel zoo goed geweest mij van ochtend op het bal te zeggen, dat de Heilige Vader, aan wien hij mijn boek ter hand gesteld had, mij wenscht te spreken... Vanavond om negen uur zal ik ontvangen worden."
Een blos van geluk kwam op haar wangen, zoo deelde zij in de vreugde van den jongen priester, voor wien zij een innige vriendschap had opgevat. En dit succes van een vriend, zoo samenvallend met haar eigen geluk, kreeg in haar oogen een bijzondere beteekenis, als beteekende dit het zekere, volkomen welslagen voor alles. Als een geëxalteerde en verrukte bijgeloovige riep zij uit:
"Lieve God, dat zal ons geluk aanbrengen!... Hoe heerlijk, vriendlief, hoe heerlijk, dat het geluk tezelfdertijd komt tot u als tot mij, want het is ook voor mij een geluk, een geluk, dat ge u niet voorstellen kunt... Nu is het zeker, dat alles zich ten goede keeren zal, want een huis, waarin zich iemand bevindt, die den paus gesproken heeft, is gezegend en wordt niet meer door den bliksem getroffen."
Zij begon nog luider te lachen, klapte in haar handen en was zoo luidruchtig in haar vreugde, dat hij bang werd.
"Stil toch, stil toch! Mij is volkomen geheimhouding opgelegd... Ik smeek u, spreek er met niemand over, ook niet met uw tante, zelfs niet met Zijne Eminentie... Monsignor Nani zou er erg boos over zijn."
Toen beloofde zij te zullen zwijgen. Zij werd eenigszins week, sprak over monsignor Nani als over een weldoener, want had zij het ten slotte niet aan hem te danken, dat haar huwlijk nietig verklaard was? Dan maakte haar uitgelaten vreugde zich weer van haar meester.
"Vindt ge ook niet, dat het geluk het eenige is, dat goed is?... Vandaag vraagt ge geen tranen van me, zelfs niet voor de armen, die koude en honger lijden... Dat komt, omdat er feitelijk alleen maar levensgeluk bestaat! Dat geneest alles! Je hebt het niet koud, je lijdt geen honger, wanneer je gelukkig bent!"
In zijn verbazing over deze zonderlinge oplossing van het vreeselijke vraagstuk der ellende, keek hij haar verbijsterd aan. Plotseling besefte hij, dat zijn geheele apostelarbeid bij deze dochter van een mooien hemel, die het atavisme van zooveel eeuwen van souvereine aristocratie in zich had, vergeefsch was geweest. Hij had haar het Christendom in zijn waren vorm willen leeren, haar brengen tot de Christelijke liefde van armen en nooddruftigen, haar willen veroveren voor het nieuwe Italië, waarvan hij droomde--een Italië, dat, vol medelijden voor menschen en dingen, ontwaakt was voor de nieuwe tijden. Maar zie, zij, die met hem geweend had over het lijden van het lijdende volk in de oogenblikken, dat zij zelf leed en haar hart uit de vreeselijkste wonden bloedde, zij, het kind der brandende zomers en lenteachtig-zachte winters, jubelde onmiddellijk na haar genezing het geluk der geheele wereld uit.
"Maar iedereen is niet gelukkig," zeide hij.
"O ja, ja!" riep zij uit. "Dat zegt u, omdat u de armen niet kent. Geef aan een meisje van ons Trastevere den jongen man, dien zij liefheeft, en zij straalt als een koningin en vindt, wanneer zij 's avonds haar droog brood eet, dat heerlijk lekker. De moeders, die een kind van den dood redden, de mannen, die in een veldslag overwinnen of wel hun nummers uit de loterij zien komen--allen zijn ze zoo, allen vragen slechts geluk en genot... O, al tracht u nog zoo, om rechtvaardig te zijn en het geluk beter te verdeelen, tevreden zullen alleen zij zijn, wier hart, zelfs dikwijls zonder te weten waarom, zingt op een mooien, zonnigen dag als vandaag!"