Part 47
"Zij is werkelijk mooi vanavond. U moet weten, dat zij de mooiste schouders van de wereld heeft; het is een groot succes voor haar, dat zij nog mooier lijkt, nu zij ze niet laat zien."
Het gelukte hem onverschillig verder te praten en nog allerlei kleine bijzonderheden te vertellen omtrent haar, die hij hardnekkig "gravin" bleef noemen. Maar hij had zich, blijkbaar uit vrees, dat men zijn bleekheid en het zenuwachtige trekken van zijn lippen opmerken zou, wat dieper in de vensternis teruggetrokken. Hij was niet meer in staat te strijden, naast de zoo naïef ten toon gespreide vreugde van het jonge paar lachend en onbeschaamd op te treden, zoodat de komst van het koninklijk echtpaar een groote opluchting voor hem was.
"Daar zijn Hunne Majesteiten," riep hij, terwijl hij door het raam keek. "Kijk eens wat een gedrang op straat!"
Inderdaad drong, niettegenstaande de ramen gesloten waren, het tumult van een groote menigte in de zaal door. Toen Pierre naar buiten keek, zag hij in het licht der electrische lampen een deinende zee van menschenhoofden den rijweg overstroomen en om de koetsen heendringen. Reeds had hij op zijn dagelijksche wandelingen in de villa Borghese den koning ontmoet, die daar, als een eenvoudig burger, zonder gevolg of escorte, alleen vergezeld door een aide-de-camp, heen reed. Dikwijls was hij heelemaal alleen en stuurde zelf een lichten phaëton, waarin nog slechts een rijknecht in zwarte livrei zat. Zelfs had hij eenmaal de koningin medegenomen en beiden zaten naast elkaar als een gelukkig echtpaar, dat voor zijn pleizier uit is. Ook nog andere bijzonderheden omtrent het Quirinaal waren Pierre ter oore gekomen: men had hem verteld van de goedheid en den eenvoud van den koning, van zijn verlangen naar vrede, van zijn hartstocht voor de jacht, voor de eenzaamheid in het vrije veld, die hem in zijn afkeer voor de macht dikwijls van een ongedwongen leven deed droomen--ver van die autoritaire heerscherswerkzaamheden, waarvoor hij niet geschapen scheen te zijn. Maar vooral de koningin werd aangebeden; zij was zeer beschaafd, ontwikkeld, goed op de hoogte van talen en letterkunde en voelde zich gelukkig intelligent te zijn en ver boven haar omgeving uit te steken. Zij wist het en liet het gaarne met een volmaakte lieftalligheid blijken.
Prada, die evenals Pierre zijn gezicht tegen het raam gedrukt hield, wees hem met een gebaar op de menigte.
"Nu zij de koningin gezien hebben, zullen zij gelukkig en tevreden gaan slapen. En er is, dat verzeker ik u, daar beneden geen enkele politie-agent... O, bemind te worden, bemind te worden!"
Zijn pijn overweldigde hem weer; hij wendde zich opnieuw naar de galerij.
"Let goed op, waarde heer. De entree van Hunne Majesteiten mag u niet missen, dat is het mooiste van het geheele feest."
Enkele minuten verliepen; dan hield het orkest plotseling midden in een polka op en zette met al de kracht van zijn koperen instrumenten de koningsmarsch in. De dansers maakten het midden van de zaal vrij. Begeleid door prins en prinses Buongiovanni, die hen beneden aan de trap ontvangen hadden, traden Hunne Majesteiten binnen. De koning was eenvoudig in rok, de koningin droeg een stroogele, met prachtige witte kant gegarneerde japon van satijn; onder den diadeem van brillanten, die haar mooi blond haar omgaf, straalde een rond, frisch, jeugdig gezichtje vol vriendelijkheid, zachtheid en geest. De muziek speelde nog steeds met geestdriftig-verwelkomende heftigheid. Achter haar vader en haar moeder kwam Celia, dan Attilio, de Sacco's, bloedverwanten en officieele persoonlijkheden.
Eindelijk zweeg het orkest en kon men met het voorstellen beginnen. Hunne Majesteiten, die Celia reeds kenden, wenschten haar met ouderlijke vriendelijkheid geluk. Maar Sacco stond er, als minister zoowel als vader, op zijn zoon Attilio voor te stellen. De kleine man kromde zijn lenige ruggegraat, wist de passende mooie woorden te vinden, zoodat hij den luitenant voor den koning deed buigen, terwijl hij voor de koningin de huldiging van den knappen, zoo hartstochtelijk beminden jongen man reserveerde. Weer toonden Hunne Majesteiten een groote vriendelijkheid, zelfs tegenover mevrouw Sacco, die zich als altijd bescheiden op den achtergrond hield. Doch dan gebeurde iets, dat, van salon tot salon verder verteld, eindelooze commentaren zou verwekken. Toen de koningin Benedetta zag, die graaf Prada haar na zijn huwlijk voorgesteld had en voor wie zij om haar schoonheid en haar charme een bewonderende sympathie had opgevat, lachte zij haar toe, zoodat de jonge vrouw wel naar haar toe moest gaan en de buitengewone onderscheiding genoot eenige oogenblikken een gesprek te mogen voeren, waarin de koningin haar enkele vriendelijke woorden toevoegde, die alle omstanders konden hooren.
Blijkbaar wist de koningin niets van de groote gebeurtenis van den dag, het nietig verklaarde huwlijk met Prada, de aanstaande echtverbintenis met Dario, die bij dit feest openlijk geannonceerd werd, zoodat dit thans als het ware gegeven werd voor een dubbele verloving. Maar de indruk was er niet minder om, men sprak over niets meer dan over de complimenten, die de deugdzaamste en intelligentste van alle koninginnen tot Benedetta gericht had. Haar triomf werd er des te grooter door; zij werd in dit geluk eindelijk den uitverkoren echtgenoot toe te behooren, nog mooier, nog trotscher, nog zegepralender.
Het was voor Prada een onuitsprekelijke kwelling. Terwijl de souvereinen cercle bleven houden, de koningin van de dames, die haar kwamen begroeten, de koning voor de officieren, diplomaten en andere hoogwaardigheidsbekleeders, zag Prada niets anders dan Benedetta, die geluk gewenscht, gevleid, door liefde en roem omgeven werd. Dario stond naast haar, genoot en straalde met haar. Voor hen werd het bal gegeven, voor hen schitterden de lampen, voor hen speelde het orkest, hadden de mooie vrouwen van Rome zich gedecolleteerd, en prijkten nu met haar van diamanten fonkelende boezems; voor hen waren Hunne Majesteiten op de klanken van de koningsmarsch gekomen; voor hen veranderde dit feest in een apotheose; voor hen glimlachte een aangebeden vorstin; voor hen bracht zij als de goede fee uit de sprookjes, wier komst het geluk der jonggeborenen verzekert, aan dit verlovingsfeest het geschenk van haar aanwezigheid!
Dit uur van buitengewone schittering beteekende het toppunt van geluk en jubel, de zege van deze vrouw, wier schoonheid de zijne geweest was, zonder dat hij haar had kunnen bezitten, de zege van dezen man, die haar hem nu ontrooven zou--een zoo openlijke, voor hem zoo smadelijke zege, dat zij hem, brandend als een kaakslag, midden in zijn gezicht trof. Maar niet alleen zijn hoogmoed en zijn hartstocht bloedden, door den triomf der Sacco's voelde hij zich ook in zijn vermogen bedreigd. Was het dus waar, dat het verschrikkelijke klimaat van Rome ten slotte de ruwe veroveraars van het Noorden bedierf, dat hij dit gevoel van moeheid en uitputting kreeg. Dezen zelfden dag had hij in Frascati bij die ongelukkige bouwgeschiedenis zijn fortuin hooren kraken, hoewel hij zich nog niet bekennen wilde, dat zijn zaken, zooals het gerucht wilde, slecht stonden.
En nu zag hij dezen avond te midden van het feest het Zuiden overwinnen, zag hij Sacco de overhand krijgen als een, die op zijn gemak leeft van de warme buit, welke hij gulzig in de brandende zon gemaakt heeft. Sacco, de minister, Sacco, de vertrouwde des konings, Sacco, die zich door het huwlijk van zijn zoon verbond met een der edelste families van de Romeinsche aristocratie, die op weg was eenmaal de meester van Rome en Italië te worden, die nu reeds met volle handen in het geld en in het volk wroette--die Sacco was een nieuwe slag voor de ijdelheid, voor de altijd nog weer vraatzuchtige en gulzige begeerten van dezen genotzoeker, die zich vóór het einde van het feestgelag van de tafel gedrongen zag! Alles stortte ineen, niets bleef hem over: Sacco ontstal hem zijn millioenen, Benedetta liet in hem die vreeselijke wonde van onbevredigde zinsbegeerte achter, waarvan hij nooit meer genezen zou.
Op dat oogenblik hoorde Pierre weer dien klaagtoon als van een wild dier, dat onwillekeurige en wanhopige gebrom, dat hem reeds eenmaal zoo onaangenaam getroffen had. Hij keek den graaf aan en vroeg:
"Hebt u pijn?"
Maar bij het zien van dezen bleeken man, die door een bovenmenschelijke krachtsinspanning een groote kalmte wist te bewaren, had hij onmiddellijk reeds spijt om die indiscrete vraag, welke trouwens onbeantwoord bleef. Om hem wat af te leiden, sprak hij luide de gedachten uit, die het zien van al die pracht en praal in hem opwekte.
"Uw vader had wel gelijk! Wij Franschen met onze zelfs in deze dagen van algemeenen twijfel zoo streng Katholieke opvoeding zien in Rome nog steeds het eeuwenoude Rome der pausen, zonder van de diep-ingrijpende veranderingen, die er ieder jaar meer het Italiaansche Rome van heden van maken, iets te weten, iets te kunnen begrijpen. Als u eens wist hoe ik bij mijn aankomst den koning en zijn regeering en dit jonge volk, dat bezig is zich een groote hoofdstad te scheppen, als een quantité négligeable beschouwde! Ja, in mijn droom, om tot heil der volkeren Rome, een nieuw Christelijk en Evangelisch Rome tot nieuw leven te wekken, schoof ik dat alles ter zijde, hield ik er geen rekening mede."
Hij lachte zachtjes, had medelijden met zijn onschuldige naïeveteit; met een gebaar wees hij naar de galerij, naar prins Buongiovanni, die op dat oogenblik voor den koning boog, naar de prinses, die naar de galanterieën van Sacco luisterde--naar de overwonnen pauselijke aristocratie, naar de parvenu's, die thans in de hoogste kringen werden toegelaten, naar de witte en de zwarte kringen, die zóó vermengd waren, dat er niets meer dan onderdanen waren, die op het punt stonden één eenig volk te vormen. Wezen bij het zien van de dagelijksche evolutie, van deze vroolijke, lachende, opgesierde mannen en vrouwen, de feiten, zoo niet de principes, erop, dat een verzoening tusschen het Quirinaal en het Vaticaan onmogelijk was? Men moest leven, liefhebben, bemind worden, nieuw leven scheppen! Het huwlijk van Celia en Attilio zou het symbool worden van de noodzakelijke vereeniging: jeugd en liefde zouden den ouden haat overwinnen, alle twisten zouden vergeten worden in de omarming van den mooien jongen man, die komt en het mooie veroverde meisje in zijn armen wegdraagt, opdat de wereld kan voortduren.
"Kijk toch eens," zeide Pierre weer. "Hoe mooi, hoe jong, hoe vroolijk is het jonge paar, hoe lacht het de toekomst toe! Ik begrijp heel goed, dat uw koning hier gekomen is, om zijn minister een genoegen te doen en een der oudste Romeinsche families voor zijn troon te winnen. Dat is goede, flinke, vaderlijke politiek. Maar ik zou ook gaarne gelooven, dat hij de roerende beteekenis van dit huwlijk begrepen heeft: het oude Rome, dat zich in den persoon van dit mooie, zoo naïeve, zoo verliefde kind, geeft aan het jonge Italië, aan dezen zoo enthousiasten en zoo rechtschapen jongen man, die zoo kranig zijn uniform draagt. Moge hun huwlijk beslissend en vruchtbaar zijn, moge daaruit het groote land geboren worden, dat ik u, nu ik u begin te leeren kennen, zoo van harte gaarne zou zien worden."
In zijn smart over het wankelen van zijn oud ideaal van een Evangelisch en universeel Rome had hij dien wensch voor een nieuw geluk van de eeuwige stad met een zóó diepe ontroering uitgesproken, dat Prada ondanks zichzelf antwoordde:
"Ik dank u. Dat is een wensch, die in het hart van iederen goeden Italiaan leeft."
Maar de woorden stokten in zijn keel. Terwijl hij naar Celia en Attilio keek, zag hij hoe Benedetta en Dario met hetzelfde glimlachje van onbeperkt geluk naar hen toe gingen. En toen hij de beide paren daar zoo stralend en triompheerend van geluk en levensvreugde samen zag, had hij niet meer de kracht daar te blijven, hen te zien en te lijden:
"Ik heb een vreeselijke dorst," zeide hij. "Ga mee aan het buffet wat drinken."
Hij manoeuvreerde achter de menigte door, langs de ramen, om niet gezien te worden, terwijl hij naar de aan het uiteinde der galerij gelegen deur van de antieken-zaal ging.
Toen Pierre hem volgde, werden zij door een menigte menschen gescheiden; de priester werd medegevoerd in de richting van de twee paren, die nog steeds met elkaar stonden te praten. Celia, die hem zag, riep hem met een vriendschappelijk handgebaar. In haar vurige vereering voor de schoonheid stond zij in extase voor Benedetta en vouwde haar kleine lelie-handen voor haar als voor de Madonna.
"O, mijnheer de abbé, doe mij eens het groote pleizier tegen haar te zeggen, dat zij mooi is, mooier dan het mooiste dat er op aarde is, mooier dan de zon, de maan en de sterren!... O, lieveling, ik krijg er gewoon het kippenvel van, je zoo mooi te zien als het geluk, zoo mooi als de liefde!"
Benedetta begon te lachen, terwijl de jonge mannen elkaar vroolijk aankeken.
"Jij bent even mooi als ik, lieveling... Wij zijn mooi, omdat we gelukkig zijn."
"Ja, ja, gelukkig," herhaalde Celia zacht. "Herinner je je den avond nog wel, dat je tegen me zei, dat het niet mogelijk was den paus en den koning te laten trouwen. Nou doen Attilio en ik het en toch zijn we zóó gelukkig!"
"Maar Dario en ik doen het niet," antwoordde Benedetta vroolijk; "integendeel! Maar herinner je nu ook jouw antwoord maar: Het is voldoende, als men elkaar liefheeft, dan redt men de wereld."
Toen Pierre eindelijk in de antieken-zaal, waarin het buffet stond, komen kon, vond hij daar Prada onbeweeglijk staan. Hij stond als vastgenageld; zijn oogen dronken den vreeselijken aanblik in, dien hij had willen ontvluchten. Hij had zich moeten omdraaien, kijken, steeds weer kijken. Zoo zag hij met bloedend hart het weer beginnen van den dans, de eerste figuur van een quadrille, die het orkest met de volle klanken van zijn koperen instrumenten speelde. Benedetta en Dario, Celia en Attilio stonden vis-à-vis tegenover elkaar, en deze beide jonge, gelukkige paren zagen er in het schitterende licht en in de volheid en den geur van hun liefde zoo bekoorlijk, zoo aanbiddelijk uit, dat de koning en de koningin naderbij traden. Er weerklonken bewonderende bravo's, een oneindige teederheid vloeide uit alle harten.
"Ik verga van de dorst, ga mee!" herhaalde Prada, die eindelijk de kracht vond zich uit zijn marteling los te rukken, ruw.
Hij liet zich een glas ijslimonade geven en dronk het in één teug leeg op de gulzige manier van een koortslijder, die het inwendige vuur, waardoor hij verteerd wordt, niet blusschen kan.
De antieken-zaal was een groot, met mozaïek ingelegd vertrek, waarin zich tegen de muren een beroemde collectie vasen, bas-reliefs en beelden bevond. Het marmer voerde den boventoon, hoewel er toch ook enkele bronzen waren, o. a. een stervende gladiator van onvergelijkelijke schoonheid. Maar het glanspunt vormde de beroemde Venus, een pendant van de Capitolijnsche Venus, doch fijner en slanker, terwijl de linkerarm in een gebaar van wellustige overgave afhing. Dien avond wierp een groote electrische reflector een verblindend daglicht op haar, en het marmer scheen in zijn goddelijke en reine naaktheid een bovenmenschelijk, onsterfelijk leven te bezitten.
Tegen den achtermuur had men het buffet opgesteld, een lange, met een geborduurd laken bedekte tafel vol ooft, gebak en koud vleesch. Bloemruikers waren gezet tusschen champagneflesschen, warme punch, sorbets, een leger van glazen, kopjes en bekers, een grooten rijkdom van in het licht fonkelend kristal, porselein en zilverwerk. Een nieuwigheid was, dat men de eene helft der zaal gevuld had met rijen kleine tafeltjes, waaraan de gasten, in plaats van staande iets te gebruiken, konden gaan zitten en zich laten bedienen als in een café.
Pierre zag aan een dier kleine tafeltjes Narcisse met een dame zitten: toen Prada Lisbeth herkende, ging hij naar haar toe.
"U ziet, dat u mij in schoon gezelschap vindt," zeide de gezantschapsattaché galant. "Nadat ik u verloren had, kon ik niets beters doen dan mevrouw mijn arm aanbieden en haar hierheen brengen."
"Een prachtig denkbeeld," zeide Lisbeth met haar beminlijk lachje; "te meer, daar ik een vreeselijken dorst had."
Zij hadden zich café glacé laten brengen, die zij langzaam met kleine vermeillepeltjes aten.
"Ik verga ook van dorst," zeide de graaf. "Ik kan niet genoeg drinken... U vindt het toch goed, dat we hier ook plaats nemen, waarde heer? De koffie zal me misschien wat kalmeeren... Lieve vriendin, mag ik je mijnheer den abbé Froment voorstellen, een der voornaamste jonge Fransche priesters?"
Met hun vieren bleven zij lang zoo zitten; zij praatten en maakten zich vroolijk over de gasten, die nu en dan binnenkwamen. Maar Prada bleef ondanks zijn gewone galanterie voor zijn vriendin gepreoccupeerd; sommige oogenblikken vergat hij zelfs haar tegenwoordigheid en keerden zijn oogen terug naar de galerij ernaast, vanwaar de muziek en het dansen tot hem doordrong.
"Waar zit je toch zoo aan te denken?" vroeg Lisbeth, toen zij hem zoo bleek en als in gedachten verzonken zitten zag. "Voel je je niet lekker?"
Hij gaf er geen antwoord op, maar zeide plotseling:
"Kijk, daar heb je nu het echte liefdespaar--dat is de liefde en het geluk."
En hij wees met een bijna onmerkbaar handgebaar naar markiezin Montefiori, de moeder van Dario, en haar tweeden man Jules Laporte, den voormaligen sergeant der Zwitsersche garde, die vijftien jaar jonger was dan zij, dien zij met haar steeds nog prachtige vlammenoogen op den Corso opgevischt en van wien zij triomphantelijk een markies Montefiori gemaakt had, om hem geheel voor zich te bezitten. Op bals en soirées liet zij hem geen oogenblik los, hield hem tegen de etiquette in aan haar arm, liet zich door hem naar het buffet leiden, zoo gelukkig maakte het haar den mooien man, op wien zij trots was, te kunnen laten zien. Nu dronken zij beiden staande champagne en aten sandwiches--zij, ondanks haar vijftig jaar nog een buitengewone, krachtige schoonheid, hij, met zijn wapperende snor en zijn trotsche houding, een gelukkige avonturier, wiens vroolijke brutaalheid in den smaak der dames viel.
"Zij heeft hem uit een penibele zaak moeten redden," ging de graaf op fluisterenden toon voort. "Hij handelde in reliquieën, kon met moeite zijn brood verdienen door als tusschenpersoon op te treden voor de Fransche en Belgische kloosters, en was een heelen handel in valsche reliquieën begonnen. Hier wonende Joden maakten kleine ouderwetsche reliquieën-kastjes met stukjes schapenbeen, alles met het zegel en de onderteekening van de meest authentieke autoriteiten. Men heeft de zaak, waarin eveneens drie prelaten betrokken waren, in den doofpot gestopt... Een gelukkige kerel! Kijk eens, hoe zij hem met haar oogen verslindt! En ziet hij er niet uit als een grand'seigneur, zooals hij het bord vasthoudt, waarvan zij een stukje kip eet."
Dan bleef hij met bittere, grimmige ironie over de Romeinsche amourettes vertellen. De Romeinsche vrouwen waren onwetend, koppig en jaloersch. Wanneer een vrouw een man veroverd had, behield zij hem haar heele leven, werd hij haar eigendom, haar zaak, waarover zij op ieder uur naar welgevallen beschikte. En hij somde eindelooze liaisons op, o. a. die van donna Serafina en Morano, welke werkelijke huwlijken geworden waren; en hij spotte over het gemis aan phantasie, met die volkomen en al te drukkende overgave, met de burgerlijk makende zoenen, waaraan, wanneer er ooit een einde aan kwam, slechts een einde kon komen te midden van de onaangenaamste catastrophen.
"Maar wat scheelt je toch, lieve vriend, wat scheelt je toch?" riep Lisbeth lachende uit. "Wat je ons daar vertelt is juist heel aardig. Wanneer je van elkaar houdt, moet je altijd van elkaar houden."
Zij zag er met haar fijne, blonde, weerbarstige haren en in haar teere, blonde naaktheid werkelijk bekoorlijk uit; Narcisse, die haar met zijn half gesloten oogen kwijnend aankeek, vergeleek haar met een figuur van Botticelli, dat hij te Florence gezien had. Pierre was weer in zijn sombere overpeinzingen teruggevallen, toen hij een dame, die voorbijliep, hoorde zeggen, dat de cotillon reeds gedanst werd. Hij herinnerde zich plotseling de afspraak, die hij met monsignor Nani gemaakt had.
"Gaat u al weg?" vroeg Prada, die zag, dat de priester afscheid nam van Lisbeth.
"Neen, neen, nog niet."
"Dan is het goed. Ga niet weg zonder mij. Ik wil nog graag wat loopen, dan breng ik u thuis... U vindt me hier terug!"
Pierre moest twee salons doorgaan vóór hij, heelemaal aan het einde, aan de kleine spiegelzaal kwam. Het was inderdaad een wondervertrek, gehouden in een kostelijken rococostijl, en vormde een rotonde van matte spiegels in prachtig verguld en gebeeldhouwde lijsten. Zelfs aan de zoldering zetten de spiegels zich in hellende vakken voort, zoodat aan alle kanten de beelden vermenigvuldigd en tot in het oneindige teruggekaatst werden. Gelukkig waren hier geen electrische lampen aangebracht; er brandden slechts twee met rose kaarsen beladen kroonluchters. Het behang en de meubelen waren van lichtblauwe zijde.
Pierre zag onmiddellijk monsignor Nani op een lagen canapé zitten. Zooals de laatste gehoopt had, was hij geheel alleen, daar de cotillon de menigte naar de galerij gelokt had. Er heerschte een diepe stilte, nauwelijks hoorde men het orkest, dat hier in een zachten fluittoon wegstierf.
De priester excuseerde zich, dat hij op zich had laten wachten.
"Volstrekt niet noodig," antwoordde monsignor met zijn onuitputtelijke vriendelijkheid, "ik voelde mij in dit asyl heel rustig... Toen de menigte mij te dreigend werd, ben ik hierheen gevlucht."
Hij noemde het koninklijk echtpaar niet, maar gaf te verstaan, dat hij uit beleefdheid hun aanwezigheid vermeden had. Hij was slechts gekomen uit groote sympathie voor Celia--en ook uit een oogpunt van diplomatie, opdat het niet den schijn zou hebben, alsof het Vaticaan geheel brak met de Buongiovanni's, de oude, in de annalen van het pausdom zoo beroemde familie. Ongetwijfeld kon het Vaticaan dit huwelijk, dat het oude Rome met het jonge koninkrijk Italië scheen te vereenigen, niet goedkeuren; maar toch wilde het niet den schijn aannemen te verdwijnen en zijn belangstelling te verliezen door zijn trouwste dienaren in den steek te laten.
"Maar nu," ging de prelaat voort, "moeten we over u spreken, mijn waarde zoon... Ik heb u reeds gezegd, dat, al moge de Indexcongregatie tot de veroordeeling van uw boek besloten hebben, het vonnis eerst overmorgen aan den Heiligen Vader voorgelegd en door hem geteekend zal worden. Gij hebt dus nog aan geheelen dag voor u."
Pierre kon zich niet weerhouden hem in de rede te vallen.
"Maar wat moet ik doen, monsignor? Ik heb reeds nagedacht, maar ik kan geen enkele manier, geen enkel middel vinden, om mij te verdedigen. ... Zijne Heiligheid kan ik toch niet spreken, nu hij ziek is!"
"O ziek, ziek," prevelde Nani op zijn slimme manier. "Zijne Heiligheid voelt zich reeds veel beter, want ik heb vandaag, zooals alle Woensdagen, de eer gehad door hem ontvangen te worden. Wanneer hij wat moe is en men dan zegt, dat hij ziek is, laat hij de menschen praten, dat stelt hem in staat wat te rusten."
Maar Pierre was te wanhopig, om aandachtig te kunnen luisteren.
"Neen, het is uit," ging hij voort. "U hebt daareven over een wonder gesproken, maar ik geloof niet meer aan wonderen. Nu ik te Rome verslagen ben, ga ik weer terug naar Parijs, waar ik den strijd zal voortzetten... Ja, mijn ziel kan er zich niet bij neerleggen, mijn hoop op redding door liefde kan niet sterven; ik zal een nieuw boek schrijven en daarin zeggen in welke nieuwe aarde de nieuwe godsdienst opgroeien moet."