De drie steden: Rome

Part 46

Chapter 463,849 wordsPublic domain

"O, op zeer vaderlijke wijze... Eerst wees hij mij op de moeilijkheid, waarin hij gebracht wordt, omdat hij de beschermer van Lourdes is. Maar toen ik wegging, was hij buitengewoon vriendelijk, hij heeft me formeel zijn hulp beloofd met een fijngevoeligheid, die mij zeer trof."

"Zoo, mijn waarde zoon! Het verwondert me trouwens heelemaal niet. Zijn Eminentie is zoo goed!"

"Ik moet u dan ook eerlijk bekennen, dat ik met een verlicht hart en vol goeden moed naar Rome teruggekeerd ben. Ik heb een gevoel, alsof ik mijn proces al half gewonnen heb."

"Dat is heel natuurlijk. Ik begrijp het volkomen."

Nani glimlachte nog steeds zijn fijn geestig glimlachje, waarin een zweem van ironie niet te miskennen viel, maar zoo gemaskeerd, dat men het scherpe ervan niet voelde. Na een kort zwijgen voegde hij er heel eenvoudig aan toe:

"Maar het ongeluk wil, dat uw boek eergisteren veroordeeld is door de Indexcongregatie, die voor uw zaak speciaal na een oproeping van den secretaris bijeengekomen is. Zelfs zal het besluit overmorgen aan Zijne Heiligheid ter onderteekening voorgelegd worden."

Verbijsterd keek Pierre hem aan. De instorting van het oude paleis boven zijn hoofd zou hem niet meer verstomd hebben doen staan. Het was dus beslist! De reis, die hij naar Rome gemaakt had liep dus uit op deze nederlaag, die hij zoo plotseling en bruusk midden onder dit feest vernam. En hij had zich zelfs niet kunnen verdedigen, hij had zijn tijd verloren, zonder iemand gevonden te hebben, met wien hij zijn zaak bespreken, voor wien hij zijn zaak bepleiten kon. Een woede rees in hem op en hij kon de halfgefluisterde bittere woorden, die in hem opkwamen, niet inhouden.

"O, wat heeft men mij voor den gek gehouden! Die kardinaal, die vanochtend nog tegen mij zeide: "Als God met u is, zal Hij u redden, zelfs tegen onzen wil!" Ja, ja, nu begrijp ik het, hij speelde met woorden, hij wenschte me slechts een onheil toe, opdat ik door mijn onderwerping den hemel zou winnen... Me onderwerpen, o, dat kan ik niet, dat kan ik nog niet! Mijn hart is vol verontwaardiging en verdriet."

Nani luisterde naar hem en sloeg hem oplettend gade.

"Maar, mijn waarde zoon, niets staat nog vast, zoolang de paus niet geteekend heeft. Gij hebt den geheelen dag van morgen en den ochtend van overmorgen nog voor u. Een wonder is altijd mogelijk."

En terwijl Narcisse, de op lange halzen en kinderlijke boezems verliefde aestheticus, naar de dames keek, nam hij Pierre ter zijde en fluisterde hem in:

"Ik moet u onder de diepste geheimhouding iets mededeelen... Kom straks tijdens den cotillon even bij me in de kleine spiegelzaal. Daar zullen we op ons gemak kunnen spreken."

Pierre beloofde het met een hoofdknikje; de prelaat verwijderde zich ongemerkt en verdween in de menigte. Maar de ooren van den priester gonsden, hij kon niet meer hopen. Wat zou hij in één dag kunnen doen, nu hij drie maanden verloren had zonder er in geslaagd te zijn door den paus ontvangen te worden. In zijn verdooving hoorde hij hoe plotseling Narcisse over kunst begon te spreken.

"Het is verwonderlijk, zooals het vrouwenlichaam sedert onze verschrikkelijke democratische tijden verminderd is. Het wordt dik, akelig alledaagsch. Kijk zelf maar, geen enkele van al deze dames heeft de Florentijnsche lijn, de kleine borst, de slanke, koninklijke hals..."

Hij viel zichzelf in de rede en riep:

"Ja, toch een, die het vrijwel bereikt, die blonde daar met de bandeaux... Monsignor Fornaro spreekt haar juist aan!"

Sedert enkele oogenblikken ging monsignor Fornaro met zijn vriendelijk veroveraarsgezicht van de eene dame naar de andere. Hij was dien avond met zijn groote, decoratieve figuur, zijn blozende wangen en zijn zegepralende lieftalligheid buitengewoon knap. Er deden geen verdachte praatjes de ronde omtrent hem; men beschouwde hem eenvoudig als een galanten prelaat, die gaarne in het gezelschap van dames verkeert. Hij bleef staan, praatte, boog zich over de bloote schouders, raakte die even aan en ademde haar geur met vochtige lippen en lachende oogen en een soort vrome verrukking in.

Hij zag Narcisse, met wien hij veel omging, en kwam naar hem toe. De jonge man moest hem begroeten.

"Gaat het goed, monsignor, sedert de laatste maal, dat ik de eer had u op de ambassade te zien?"

"Uitstekend, uitstekend!... Een schitterend feest, niet?"

Pierre had een buiging gemaakt. Dat was de man, wiens rapport tot de veroordeeling van zijn boek geleid had. Maar vooral nam hij hem zijn fleemende manieren, de leugenachtige beloften kwalijk, die hij hem bij zijn zoo vriendelijke ontvangst gedaan had. De sluwe prelaat scheen blijkbaar te voelen, dat hij het besluit der congregatie vernomen had, en vond het meer in overeenstemming met zijn waardigheid hem niet openlijk te herkennen. Glimlachend beantwoordde hij de buiging met een hoofdknikje.

"Wat een menschen!" herhaalde hij. "En wat een mooie vrouwen! Je zal je straks in dezen salon niet meer kunnen roeren."

Alle zitplaatsen waren nu door dames ingenomen; het begon in den viooltjesgeur, die door de uitwasemingen der blonde of bruine nekken verwarmd werd, benauwd te worden. De waaiers bewogen zich nu sneller, uit het toenemend lawaai steeg luid gelach op; in het geroezemoes der gesprekken hoorde men steeds weer dezelfde woorden. Blijkbaar was ergens een gerucht opgedoken, dat men elkaar influisterde en dat het eene groepje na het andere in koortsachtige opwinding bracht.

Monsignor Fornaro, die uitstekend op de hoogte was, wilde zelf het nieuws, dat men nog niet hardop durfde zeggen, vertellen.

"Weet u, wat de dames zoo opgewonden maakt?"

"De gezondheidstoestand van den Heiligen Vader toch niet?" vroeg Pierre ongerust. "Die is toch niet erger geworden vanavond?"

De prelaat keek hem verbaasd aan. Dan eenigszins ongeduldig:

"O neen, geen quaestie van! Zijne Heiligheid voelt zich veel beter, Goddank! Iemand van het Vaticaan vertelde me zooeven, dat de paus vanmiddag opgestaan is en zooals gewoonlijk zijn intieme vrienden ontvangen heeft."

"Maar men is toch bang geweest," mengde Narcisse zich in het gesprek. "Ik wil eerlijk bekennen, dat we op de ambassade allesbehalve gerust waren, want op dit oogenblik zou een conclave een ernstige zaak voor Frankrijk zijn. Het zou er in het geheel geen macht hebben. Het is een groote fout van onze republikeinsche regeering het pausschap als een quantité négligeable te beschouwen... Maar weet men eigenlijk ooit met zekerheid of de paus ziek is of niet? Ik heb uit zeer vertrouwbare bron gehoord, dat hij den vorigen winter, toen niemand er met één woord over sprak, op den rand van het graf geweest is, terwijl de vorige maal, toen alle couranten hem bijna dood waanden, ik persoonlijk hem heel opgewekt en vroolijk gezien heb... Hij is, geloof ik, ziek, wanneer het noodig is."

Met een vlug gebaar schoof monsignor Fornaro dit lastige onderwerp ter zijde.

"Neen, neen, men is weer heelemaal gerustgesteld, er wordt zelfs niet eens meer over gesproken. Neen, de dames winden zich zoo op, omdat vandaag de Conciliecongregatie zich in het proces-Prada met een groote meerderheid van stemmen voor de nietigverklaring van het huwelijk uitgesproken heeft."

Dat was een nieuwe ontroering voor Pierre. Daar hij bij zijn terugkeer uit Frascati geen tijd gehad had om in den palazzo Boccanera iemand te spreken, was hij bang, dat het een valsch gerucht zou kunnen zijn. De prelaat meende er zijn woord van eer op te moeten geven.

"Er is geen twijfel mogelijk, ik weet het van een van de leden der congregatie."

Maar plotseling excuseerde hij zich.

"Neem me niet kwalijk, maar ik zie daar een dame, die ik moet gaan begroeten!"

Hij liep regelrecht naar haar toe. Daar hij niet kon gaan zitten, bleef hij staan, zijn hooge gestalte wat voorover buigend, als hulde hij de jonge, knappe, laag gedecolleteerde vrouw, die bij de zachte aanraking van den kleinen violetzijden mantel luid òplachte, in zijn galante hoffelijkheid.

"U kent die dame toch wel?" vroeg Narcisse aan Pierre. "Niet?... Dat is de vriendin van graaf Prada, de allercharmantste Lisbeth Kauffmann, die hem zoo'n flinken jongen geschonken heeft en nu vanavond voor het eerst weer uitgaat... U weet, dat zij een Duitsche is, hier haar man verloren heeft en vrij aardig schildert. Er wordt hier van de dames der vreemdelingenkolonie veel door de vingers gezien, en deze is door de vriendelijkheid, waarmede zij in haar klein paleis in de Via Principe Amadeo ontvangt, bijzonder geliefd... U begrijpt wat een pleizier zij hebben zal in het gerucht omtrent de nietigverklaring van het huwelijk."

De hoogblonde, blozende, zeer opgewekte Lisbeth met haar als satijn zoo zachte huid, haar blank gezichtje, haar lichtblauwe oogen, haar om zijn vriendelijk glimlachje beroemden mond, was inderdaad een bekoorlijk persoontje. En in haar witzijden kleed met gouden loovertjes zag zij er dien avond zóó levenslustig uit, zóó gelukkig in haar zekerheid vrij te zijn, lief te hebben en bemind te worden, dat het gerucht, dat men elkaar influisterde, de boosaardigheden, die achter de waaiers gezegd werden, zich in een triomf voor haar scheen te veranderen. Aller blikken waren een oogenblik op haar gericht. Men herhaalde haar woorden tegen Prada, toen zij zich zwanger voelde van een man, dien de Kerk heden impotent verklaarde: "Arme jongen, dan moet ik zeker van een kleinen Jezus bevallen!" Er klonk onderdrukt gelach, oneerbiedige grappen gingen van mond tot mond, terwijl zij stralend in haar opgewekte kalmte, met een blos van verrukking luisterde naar de galanterieën van monsignor Fornaro, die haar zijn compliment maakte over een doek, een Heilige Maagd met een lelie, dat zij tentoongesteld had.

O, welk een opwinding verwekte deze nietigverklaring, welke sedert een jaar de chronique scandaleuse van Rome vormde, nog een laatste maal, nu de tijding daarvan midden in dit bal viel. De witte en de zwarte kringen hadden haar reeds lang als een slagveld uitgekozen, om elkaar met de ongelooflijkste lasterpraatjes, met eindelooze kwaadsprekerijen te bestoken. Ditmaal was het uit. Het onverzettelijke en onverstoorbare Vaticaan durfde de nietigverklaring uitspreken onder het voorwendsel, dat het huwlijk ten gevolge van de onmacht van den echtgenoot niet voltrokken had kunnen worden. Heel Rome zou erom lachen; zoodra het om de geldelijke aangelegenheden van de Kerk ging, stak het Romeinsche publiek zijn scepticisme niet onder stoelen of banken. Iedereen kende de verschillende phases van den strijd, iedereen wist, dat Prada zich, ondanks zijn heftige verontwaardiging, afzijdig gehouden had, dat de Boccanera's hemel en aarde bewogen hadden, dat onder de creaturen van de kardinalen geld rondgedeeld was, om hun invloed te koopen, dat men de gunstige memorie van monsignor Palma indirect met een groote som betaald had. Men sprak van meer dan honderdduizend francs bij elkaar, wat men niet te duur vond, daar de echtscheiding van een Fransche gravin bijna een millioen gekost had. De Heilige Vader heeft ook zooveel noodig! Niemand echter ergerde er zich aan, men bepaalde er zich toe er grappen over te maken.

"Wat zal de contessina gelukkig zijn!" begon Pierre weer. "Ik begreep daareven niet, waarom haar kleine vriendin zeide, dat zij vanavond zoo gelukkig en mooi zou zijn... Zeker komt zij daarom--zij, die zich sedert het proces als in rouw beschouwde!"

Maar Lisbeth had Narcisse, wiens blik zij ontmoet had, toegelachen en hij moest haar dus wel gaan begroeten, want hij kende haar, daar hij, evenals de geheele vreemdelingenkolonie, haar atelier bezocht had. Hij begaf zich weer terug naar Pierre, toen een nieuwe emotie de diamanten aigrettes en de bloemen van het kapsel der dames deed trillen. Men keek om, het geroezemoes der stemmen werd luider.

Met onbevangen, vroolijken, bijna triompheerenden blik kwam Prada binnen. Met zijn open, harde oogen, zijn energieken kop met de zware, bruine snor boven het breede, witte plastron van zijn overhemd, dat door zijn smoking zwart omlijst werd, had hij, zooals Narcisse zeide, werkelijk iets van een roofdier over zich. Nog nooit had zijn vraatzuchtige mond zijn wolvengebit door zijn verrukt-zinnelijken lach zóó doen uitkomen. Met een vluggen blik ontkleedde hij alle vrouwen. Maar toen hij de zoo blozende en blonde Lisbeth zag, ontspanden zijn trekken zich wat en ging hij naar haar toe, zonder zich in het minst te bekommeren om de brandend-nieuwsgierige blikken, waarmede men hem opnam. Hij boog zich over haar heen en sprak zacht met haar, zoodra monsignor Fornaro hem zijn plaats afgestaan had. Ongetwijfeld werd het in omloop zijnde gerucht door de jonge vrouw bevestigd, want hij lachte, toen hij zich weer oprichtte, eenigszins gedwongen.

Nu zag hij Pierre en hij voegde zich bij hem in de vensternis. Hij drukte ook Narcisse de hand en zeide dan onmiddellijk met zijn gewone bravoure tegen Pierre:

"Nu, wat heb ik u gezegd, toen we vanmiddag uit Frascati terugreden... Het schijnt nu zeker te zijn, zij hebben mijn huwlijk nietig verklaard... Het is zoo grof, zoo onbeschaamd, zoo idioot-stom, dat ik er daareven nog aan twijfelde."

"O, het is beslist zeker," veroorloofde Pierre zich te zeggen. "Het is ons zoo juist bevestigd door monsignor Fornaro, die het van een der leden van de Congregatie wist. En men zegt, dat de congregatie zich met een groote meerderheid voor de nietigverklaring uitgesproken heeft."

Weer schudde Prada van het lachen.

"Je kan je eigenlijk zoo'n klucht niet indenken. Het is, zoover ik weet, de mooiste klap, die men ooit aan de gerechtigheid en aan het gezonde verstand gegeven heeft. Wanneer het nu ook nog lukt om van de burgerlijke autoriteiten echtscheiding te krijgen en mijn vriendin, die u daar ziet, het wil, dan kan Rome pleizier hebben. Ja zeker, ik zal met alle pracht en praal met haar in de S. Maria Maggiore trouwen. En dan leeft er ergens een klein wezentje, dat op den arm van zijn min het feest zal meemaken!"

Hij lachte bij deze toespeling op zijn kind, het levend bewijs van zijn manlijkheid, te luid en te brutaal. Leed hij nog onder den smaad, dat er een plooi om zijn lippen kwam, die deze wat optrok en zijn witte tanden liet zien? Men voelde, dat hij beefde, dat hij streed tegen het ontwaken van een heimelijken, stormachtigen hartstocht, dien hij niet eens aan zichzelf bekende.

"En weet u ook het andere nieuws, waarde abbé?" ging hij druk doende voort. "Heeft men u al verteld, dat de gravin komen zal?"

Zoo noemde hij Benedetta uit gewoonte; hij vergat, dat zij zijn vrouw niet meer was.

"Ja, dat heeft men mij verteld," antwoordde Pierre.

Een oogenblik aarzelde hij, voor hij in zijn behoefte om iedere pijnlijke verrassing te voorkomen, eraan toevoegde:

"Ongetwijfeld zullen we ook prins Dario zien, want hij is niet naar Napels gegaan, zooals ik u vanmiddag zeide. Er is, geloof ik, op het laatste oogenblik wat tusschenbeide gekomen."

Prada lachte niet meer, doch mompelde, terwijl zijn gezicht plotseling ernstig werd:

"Zoo, komt de neef ook? Nu, dan zullen we ze beiden zien."

En terwijl de beide vrienden hun gesprek voortzetten, zweeg hij, overweldigd door een stroom van ernstige gedachten, die hem tot nadenken dwongen. Dan maakte hij een verontschuldigend gebaar, ging nog wat dieper in de vensternis staan, haalde een notitieboekje uit zijn zak, scheurde er een blaadje uit, waarop hij met dikke letters met potlood de volgende regels schreef: "Een legende beweert, dat de vijgeboom van Judas, doodelijk voor ieder, die eenmaal paus worden wil, weer te Frascati groeit. Eet de vergiftigde vijgen ervan niet en geef ze noch aan uw personeel noch aan uw kippen". Dan vouwde hij het blaadje papier toe, plakte er een postzegel op en schreef het adres: "Aan Zijne Zeer Eerwaarde en Doorluchtige Eminentie kardinaal Boccanera". Toen hij dat alles weer in zijn zak gestoken had, haalde hij diep adem en vond zijn lach weer terug.

Iets als een onoverwinlijk gevoel van vrees en van angst had hem verstijfd. Zonder dat hij het bepaald beredeneerde, voelde hij een drang om zich tegen de verleiding van een mogelijke gruweldaad te vrijwaren. Maar hij zou de ideeënverbinding, welke hem dwong die vier regels onmiddellijk en op de plaats zelf, waar hij zich bevond, te schrijven, niet hebben kunnen verklaren. Hij had slechts één vaststaande gedachte: hij zou den brief na het bal in de brievenbus van kardinaal Boccanera werpen. Nu was hij rustig.

"Wat hebt u toch, waarde abbé?" vroeg hij, zich weer in het gesprek mengend. "U ziet er zoo somber uit."

En toen Pierre hem de slechte tijding medegedeeld had, dat zijn boek veroordeeld was, dat hij nog maar één dag had, om te handelen, als hij niet wilde, dat zijn reis naar Rome een nederlaag werd, riep hij, alsof hij zelf een behoefte aan opwinding, aan verdooving voelde, om ondanks alles te kunnen hopen en leven:

"Kom, kom, den moed niet verloren. Een dag is heel veel, je kunt in een dag heel wat doen! Een uur, een minuut is voldoende voor het noodlot om te handelen en een nederlaag in een overwinning te veranderen."

En opgewonden voegde hij eraan toe:

"Kom, laten we naar de balzaal gaan. Het moet daar prachtig zijn!"

Terwijl Pierre en Narcisse hem volgden, wisselde hij een laatsten blik vol liefde met Lisbeth; met moeite drongen zij zich door de menigte heen en kwamen te midden van de zich haastende vrouwenrokken, de deining van nekken en schouders, waaruit de leven gevende hartstocht, de geur van liefde en dood opsteeg, in de galerij ernaast.

De tien meter breede en twintig meter lange zaal ontvouwde zich in een schitterende pracht. De acht kale, noch met gordijnen noch met vitrage voorziene ramen, die op den Corso uitzagen, deden de tegenoverliggende huizen ontvlammen. Het was een verblindend licht; zeven paar reusachtige marmeren kandelabers werden door electrische lampen in reusachtige pekfakkels veranderd, terwijl in de hoogte langs de kroonlijsten andere in lichte bloemen opgesloten lampjes een wondermooie guirlande van vlammenbloemen, tulpen, pioenen en rozen vormden. Het oude, roode, met goud omzoomde fluweel van het behang, kreeg een gloed als van een vlammend kolenvuur. De draperieën aan de deuren en vensters waren van oude kant, die in gekleurde zijde eveneens met krachtig levende bloemen bestikt waren.

Maar de weergalooze rijkdom, die eenig in de wereld was, werd gevormd door de verzameling meesterwerken onder het prachtige plafond met zijn met goudrosetten versierde vakken. Geen museum had een mooiere collectie. Er waren Raffaëls, Titiaans, Rembrandts, Rubens, Velasquez en Ribera's--wereldberoemde werken, welke in deze onverwachte belichting plotseling in triompheerende jeugd verschenen, als waren zij weder ontwaakt tot het onsterfelijke leven van het genie. Daar Hunne Majesteiten eerst tegen middernacht zouden komen, was het bal reeds geopend; een wals sleepte de paren mede, lichte toiletten vlogen door de menigte, één stroom van decoratie en kleinoodiën, met goud geborduurde uniformen en met parelen versierde japonnen.

"Het is werkelijk schitterend," zeide Prada op zijn nog steeds opgewonden toon. "Kom hier, dan gaan we weer in een vensternis staan. Er is geen betere plaats om goed te zien, zonder te erg in het gedrang te komen."

Zij hadden Narcisse verloren, zoodat Pierre en de graaf, toen zij eindelijk in hun nis kwamen, samen waren. Het op een kleine estrade achter in de zaal geplaatste orkest had de wals juist geëindigd en de dames liepen weer langzaam met verrukte gezichten door de steeds grooter wordende menigte, toen een paar personen verschenen, wier binnentreden allen deed omkijken. Donna Serafina, in een toilet van karmijnroode zijde, als droeg zij de kleuren van haar broeder, den kardinaal, maakte als een koningin haar entree aan den arm van advocaat Morano. Nooit had zij haar dunne, jongemeisjesachtige taille meer ingeregen, nog nooit had haar hard, met groote rimpels doorgroefd, door haar grijs haar nauwlijks verzacht gelaat een zoo koppige en zegepralende heerschzucht uitgedrukt. Een bescheiden, goedkeurend gemompel, een zucht van algemeene verlichting steeg op, want de Romeinsche kringen hadden het onwaardige gedrag van Morano, om een dertigjarige liaison, waaraan de salons zich gewend hadden als aan een wettig huwlijk, eenstemmig veroordeeld. Men sprak van een onmogelijke gril voor een burgermeisje, van een laag voorwendsel tot een breuk, die het gevolg zou zijn van een twist naar aanleiding van Benedetta's echtscheidingsproces. De breuk had ongeveer twee maanden geduurd tot groote ergernis van Rome, waar men nog steeds een groote vereering koestert voor lange, trouwe liefdeverhoudingen. De verzoening ontroerde dan ook alle harten als een der gelukkigste gevolgen van het dienzelfden dag voor de Conciliecongregatie gewonnen proces. Morano weer berouwvol verschijnend aan den arm van donna Serafina--dat was de overwinning der liefde, de redding der goede zeden, het herstel van de orde.

Maar een nog grootere sensatie verwekte het binnentreden van Benedetta aan de zijde van Dario. Deze kalme onverschilligheid voor de gewone convenances, deze overwinning van haar in het openbaar beleden liefde op denzelfden dag, dat haar huwlijk nietig verklaard was, leek een zoo aantrekkelijke vermetelheid, een zoo kranige bravoure van jeugd en hoop, dat een algemeen gemompel van bewondering haar dadelijk vergiffenis schonk. Evenals zooeven naar Celia en Attilio, vlogen thans aller harten naar hen om den schoonheidsglans, waarin zij straalden, om het groote geluk, dat uitging van hun gezichten. Dario, nog wat bleek door zijn lange bedlegerigheid, had bij zijn eenigszins teere zwakheid, zijn mooie, heldere kinderoogen, zijn bruine baard, welke kroesde als die van een jongen god, toch iets fiers en trotsch, waarin men het oude, vorstelijke bloed der Boccanera's terugvond. Benedetta, blank onder haar kroon van donkere lokken, heel kalm, heel vastberaden, liet haar helder lachje hooren, dat bij haar zoo zeldzaam lachje, dat in zijn onweerstaanbaar verleidelijke bekoring, haar als het ware tot een ander wezen maakte, aan haar eenigszins krachtigen mond den charme van een bloem gaf en haar groote, donkere, ondoorgrondelijke oogen met de helderheid als van een onbewolkten hemel vulde.

In haar terugkeerende, zoo vroolijke, zoo mooie jeugd had zij de kostelijke ingeving gekregen een witte japon aan te trekken, een heel eenvoudige jongemeisjesjapon, die als het ware het symbool was van haar maagdelijkheid, en verkondigde, dat zij de groote, reine lelie gebleven was voor den echtgenoot harer keuze. Niets van haar lichaam was te zien, zelfs was de toch aan ieder jong meisje veroorloofde uitsnijding aan haar hals niet in haar japon aangebracht. Het was het ondoordringbare, angstaanjagende liefdesmysterie, een verheven vrouwenschoonheid, die hier, in het wit gehuld sluimerde. Geen parure, geen juweel aan haar handen of in haar ooren. Alleen op haar corsage een collier, de collier van een koningin, de beroemde paarlencollier der Boccanera's, dien zij van haar moeder geërfd had en dien geheel Rome kende, fabelachtig groote parelen, die zij nonchalant om haar hals geworpen had, maar die, ondanks haar eenvoudige japon, voldoende waren haar een koningin te doen schijnen.

"O," prevelde Pierre in extase; "wat is zij mooi, wat is zij gelukkig!"

Onmiddellijk had hij er spijt van zoo hardop gedacht te hebben, want hij hoorde naast zich een doffen klaagtoon als van een wild dier, een onwillekeurig gebrom, dat hem er plotseling aan herinnerde, dat de graaf naast hem stond. Maar deze verstikte dadelijk den kreet van zijn zoo ruw weer geopende wond en vond zelfs nog de kracht een brutale vroolijkheid te huichelen.

"Bliksems, zij durven. Straks zullen ze nog in tegenwoordigheid van ons allen trouwen en naar bed gaan!"

Maar dan had hij spijt van die ruwe scherts, waarin de pijn van zijn onbevredigde mannelijke begeerte zich maar al te duidelijk deed gevoelen, en nam hij een onverschillige houding aan.