Part 45
"Het is voor mij volstrekt geen last, werkelijk niet... U kunt heusch niet te voet gaan, nu u zoo'n haast hebt!"
Reeds sliep de Via Giulia in haar honderdjarigen vrede; zij lag daar volkomen eenzaam met haar dubbele rij lantaarns, in de zwaarmoedigheid van haar verlatenheid. Toen Santobono uitgestapt was, wachtte hij niet op Pierre, die trouwens steeds van de kleine, in het steegje uitkomende trapje gebruik maakte.
"Tot ziens, abbé!"
"Tot ziens, mijnheer de graaf! Duizendmaal dank!"
Zij konden hem met hun blik volgen tot den palazzo Boccanera, waarvan de oude monumentale poort nog wijd open stond. Even zagen zij zijn hooge gestalte die schaduw versperren. Dan ging hij met zijn klein mandje naar binnen. Hij droeg het noodlot.
TWAALFDE HOOFDSTUK
Het was tien uur, toen Pierre en Narcisse, die in het Café de Rome gedineerd en daarna in een lang gesprek hun tijd verpraat hadden, zich te voet naar den palazzo Buongiovanni op den Corso begaven. Het kostte hun veel moeite de deur te bereiken. De rijtuigen reden in een dichte file aan en de menigte nieuwsgierigen, die ondanks de aanwezigheid van de politie staan bleven en den rijweg in beslag namen, werd zóó dicht, dat de paarden bijna niet meer vooruit komen konden. Uit de tien hooge vensters der eerste verdieping van den langen monumentalen vleugel stroomde een zee van licht, een groot wit licht, het daglicht van de electrische lampen, die de straat, de in den menschenstroom als vastgeplakte equipages, de deining der opgewonden menschen te midden van een tumult van kreten en gebaren als met een zonneglans bestraalden.
Het was niet de gewone nieuwsgierigheid, om uniformen en rijk-getoiletteerde dames uit de rijtuigen te zien stappen; Pierre hoorde al heel gauw, dat deze menigte op de komst van den koning en de koningin wachtte, die beloofd hadden te zullen verschijnen op het gala-bal, dat prins Buongiovanni gaf ter eere van de verloving van zijn dochter Celia met luitenant Attilio Sacco, den zoon van een der ministers van Zijne Majesteit. Bovendien was dit huwlijk de gelukkige ontknooping van een liefdesgeschiedenis, die de geheele stad in een hartstochtelijke opwinding bracht; het verhaal van den bliksemstraal der liefde, het jonge knappe paar, de standvastige, alle hinderpalen overwinnende trouw onder romantische omstandigheden ging van mond tot mond, bracht in aller oogen een traan, deed aller harten kloppen.
Dit verhaal had Narcisse aan het dessert verteld aan Pierre, die het gedeeltelijk kende. Men verzekerde, dat de prins na een laatste vreeselijke scène eindelijk slechts toegegeven had, omdat hij bang was anders Celia op een goeden avond aan den arm van haar geliefde het paleis te zullen zien verlaten. Niet, dat zij hem daarmede gedreigd had, maar in haar maagdelijk-onwetende kalmte lag zulk een minachting voor alles, wat niet haar liefde was, dat hij haar ertoe in staat achtte in alle naïeveteit de ergste dwaasheden te begaan. De prinses, zijn vrouw, een flegmatieke, nog knappe Engelsche, was geheel neutraal gebleven; zij meende genoeg voor het huis gedaan te hebben, door haar man een bruidsschat van vijf millioen en vijf kinderen te schenken.
De prins, bang en zwak ondanks al zijn heftigheid, waarin het oude, reeds door zijn vermenging met een vreemd ras bedorven Romeinsche bloed terug te vinden was, handelde nog slechts uit vrees, zijn tot dusverre te midden van de opgehoopte ruïnes van het patriciaat intact gebleven huis en vermogen ineen te zien storten; en toen hij ten slotte toegaf, had hij hoogstwaarschijnlijk gehoorzaamd aan het denkbeeld, dat hij door zijn dochter vasten voet zou kunnen krijgen op het Quirinaal, zonder zich daardoor van het Vaticaan terug te trekken. Ongetwijfeld was het een brandende smaad, zijn trots bloedde onder die toenadering tot de Sacco's, menschen van niets.
Maar Sacco was minister; het eene succes was zoo snel gevolgd op het andere, dat hij op weg scheen nog hooger te stijgen en na de portefeuille van Landbouw die van Financiën, waarnaar hij reeds lang gestreefd had, te veroveren. Met hem kon men zeker zijn van de gunst des konings en van een veiligen terugtocht naar dien kant, wanneer het pausdom eens ten onder mocht gaan. Bovendien had de prins inlichtingen ingewonnen omtrent den zoon en hij voelde zich eenigszins ontwapend tegenover dezen zoo knappen, dapperen en rechtschapen Attilio, die de toekomst, misschien het glorierijke Italië van morgen was.
Hij was soldaat, men zou hem tot de hoogste rangen kunnen pousseeren. En de boosaardige wereld voegde eraan toe, dat de laatste reden, welke den prins, die heel gierig was, en tot zijn wanhoop zijn vermogen onder zijn vijf kinderen zou moeten verbrokkelen, tot toegeven noopte, de gelukkige omstandigheid was, dat hij Celia een belachelijk kleinen bruidsschat kon medegeven. Nu hij eenmaal zijn toestemming tot het huwlijk gegeven had, wilde hij de verloving vieren met een schitterend feest, zooals er te Rome maar weinig gegeven werden. De deuren zouden voor ieder openstaan, het koninklijk echtpaar uitgenoodigd worden, het paleis stralen als in de roemrijke dagen van vroeger. Ook al zou het hem iets van zijn geld kosten, dat hij zoo grimmig verdedigde, hij wilde uit bravoure bewijzen, dat hij niet overwonnen was en dat de Buongiovanni's niets te verbergen hadden, zich voor niets behoefden schamen.
De waarheid echter was, dat deze bravoure niet van hem kwam, doch hem, zonder dat hij het zich bewust was, ingeblazen werd door de kalme, onschuldige Celia, die haar geluk aan den arm van Attilio wilde laten zien aan geheel Rome, dat deze als in een mooi sprookje zoo gelukkig eindigende liefdesgeschiedenis luide toejuichte.
"Alle duivels!" zeide Narcisse, die in den dichten menschenstroom niet verder kon; "wij zullen op die manier nooit boven komen. Zij hebben de heele stad blijkbaar geïnviteerd."
En toen Pierre zijn verwondering te kennen gaf, dat hij een prelaat in zijn karos voorbij zag rijden, voegde hij er aan toe:
"O, u zult er verscheidene aantreffen. De kardinalen zullen zich wegens de aanwezigheid van het koninklijk paar niet durven laten zien, maar de prelaten zullen zeker komen. Het is hier een neutrale salon, waarin wit en zwart zich verbroederen kunnen. En bovendien worden er zóó weinig feesten gegeven, dat men de enkele, die er nog zijn, niet graag verzuimt."
Hij legde den priester uit, dat er met uitzondering van de twee groote bals, die het Hof iederen winter gaf, bijzondere omstandigheden noodig waren om het patriciaat tot zulke gala-avonden te bewegen. Twee of drie zwarte salons openden nog tegen het einde van het carnaval hun deuren maar overal waren de groote recepties vervangen door intieme danspartijen. Enkele prinsessen hielden slechts op bepaalde dagen haar jour. De weinige witte salons bewaarden een dergelijke, min of meer gemêleerde intimiteit, want geen enkele vrouw des huizes was de onbetwiste koningin der nieuwe wereld geworden.
"Eindelijk," riep Narcisse uit, toen zij op de trap waren.
"Laten we bij elkaar blijven," zeide Pierre, die een beetje ongerust was. "Ik ken alleen de bruid een weinig, en zou graag zien, dat u mij voorstelt."
Maar het opgaan van de trap was nog een moeilijk en lang werk, zoo verdrong de menigte nieuw aangekomenen zich daar. Zelfs in de oude tijden van waskaarsen en olielampen was er nooit zoo'n lichtglans geweest. Electrische lampjes brandden in de prachtige bronzen kandelabres, die de portalen versierden, overgoten alles met een helder licht. De koude kalk van de muren was verborgen onder een reeks kostbare tapisserieën, die de geschiedenis van Amor en Psyche vertelden en sedert de Renaissance in het bezit der familie waren. Een dikke looper bedekte de uitgesleten treden en plantengroepen, palmen, die zoo groot als boomen waren, versierden de hoeken. Een nieuw bloed stroomde toe en verwarmde het oude huis; een nieuw ontstaand leven steeg met den stroom der lachende, welriekende vrouwen met haar bloote schouders en fonkelende diamanten, omhoog.
Toen zij boven waren, zag Pierre onmiddellijk bij den ingang van den eersten salon prins en prinses Buongiovanni, naast elkaar staande, hun gasten ontvangen. De prins, een reeds grijzende, groote, slanke en blonde man, had het energieke gezicht van een voormaligen, pauselijken veldheer en de lichte Noordelijke oogen van zijn moeder. De prinses met haar rond en tenger gezichtje zag er niet ouder uit dan dertig, hoewel zij de vier kruisjes reeds achter den rug had; zij was nog altijd knap, had een glimlachende opgewektheid, welke door niets verstoord kon worden, voelde haar grootste geluk in haar zelfaanbidding. Zij droeg een toilet van rose zijde; een prachtige parure van groote robijnen scheen korte vlammetjes te ontsteken op haar fijne huid en in haar blonde lokken. Van de vijf kinderen was, daar de oudste zoon zich op reis bevond en de drie andere meisjes nog in het pensionaat waren, alleen Celia aanwezig... Celia in een wit zijden kostuum, eveneens blond, verrukkelijk met haar onschuldige oogen en haar reinen mond, tot het einde van haar liefdesavontuur haar uiterlijk van groote, gesloten, in haar maagdelijk mysterie ondoorgrondelijke lelie bewarend.
De Sacco's waren juist gekomen; Attilio, die naast zijn bruid was blijven staan, droeg zijn eenvoudige luitenantsuniform, maar hij toonde zijn groot geluk zoo naïef, dat zijn knap gezicht met den liefdevollen mond en de dappere oogen in een buitengewonen glans van jeugd en kracht straalde. In dezen triomf van hun hartstochtelijke liefde naast elkaar staande, geleken zij reeds van den drempel af op de levensvreugde en levensgezondheid zelf, op de onbegrensde hoop op de beloften van morgen; en alle gasten, die hen bij hun binnenkomen daar zoo zagen staan, moesten glimlachen, werden ontroerd en vergaten hun boosaardige en babbelzieke nieuwsgierigheid zoo zeer, dat zij hun hart aan dit zoo mooi, in zijn geluk zoo verrukte liefdespaar gaven.
Narcisse wilde Pierre voorstellen, maar Celia liet hem den tijd daar niet voor. Zij ging den priester tegemoet en bracht hem naar haar vader en haar moeder.
"Mijnheer de abbé Pierre Froment. Een vriend van mijn lieve Benedetta."
Een ceremonieele begroeting volgde. Pierre was zeer getroffen door de lieftalligheid van het jonge meisje, dat nog tegen hem zeide:
"Benedetta komt straks met haar tante en Dario. Zij moet vanavond zoo gelukkig zijn! Nu zult u pas eens zien, hoe mooi zij is!"
Pierre en Narcisse boden haar hun gelukwenschen aan. Doch zij konden daar niet blijven staan, de stroom dreef hen verder. De prins en de prinses hadden slechts den tijd met een vriendelijk hoofdknikje te groeten, dan werden zij overstroomd, en Celia moest, nadat zij de beide vrienden bij Attilio gebracht had, weer haar plaats als kleine koningin van het feest naast haar ouders innemen.
Narcisse was met Attilio eenigszins bevriend. Weer volgden gelukwenschen en handdrukken. Dan manoeuvreerden beiden uit nieuwsgierigheid zóó, dat zij een oogenblik in den eersten salon konden blijven staan, welks aanblik werkelijk de moeite loonde. Het was een zeer groot, met groen, goudgebloemd fluweel behangen vertrek, dat de wapenzaal genoemd werd en inderdaad een zeer merkwaardige collectie wapenen bevatte--harnassen, strijdbijlen, degens, die in de vijftiende en zestiende eeuw aan de Buongiovanni's toebehoord hadden. En te midden van dat ruwe oorlogstuig zag men een prachtigen met het fijnste verguldsel en snijwerk versierden draagstoel uit de vorige eeuw, waarin de overgrootmoeder van den tegenwoordigen Buongiovanni, de beroemde Bettina, een legendarische schoonheid, zich naar de mis liet brengen. Verder vindt men aan de muren slechts historische schilderijen, veldslagen, onderteekeningen van vredesverdragen, koninklijke ontvangsten, waarbij de Buongiovanni's een rol gespeeld hadden; ongerekend de familieportretten--hooge, trotsche gestalten, veldheeren te land en ter zee, kerkelijke hoogwaardigheidsbekleeders, prelaten, kardinalen, waaronder, op de eereplaats, de paus, de in de witte soutane gekleede Buongiovanni triompheerde, wiens troonsbestijging de groote nakomelingschap rijk gemaakt had. Tusschen deze wapenen, naast den draagstoel, onder deze oude portretten, waren de Sacco's op enkele passen van den heer en de vrouw des huizes blijven staan, om hun deel in de gelukwenschen te ontvangen.
"Kijk!" fluisterde Narcisse Pierre in; "daar tegenover ons staan de Sacco's, die kleine donkere man en de dame in malvekleurige zijde."
Pierre herkende Stefana, die hij bij den ouden Orlando ontmoet had, aan haar opgewekt gezicht met het vriendelijk lachje en de fijne trekken. Maar vooral interesseerde hem de echtgenoot. Hij was donker en uitgedroogd, had groote oogen en een geel gezicht, een vooruitstekende kin en een neus als een gierensnavel, het vroolijke masker van een Napolitaanschen hansworst, en bezat een groote welsprekendheid en een stem, die een onvergelijkelijk betooverings- en veroveringswerktuig was. Alleen door hem daar in dien salon te zien kon men zijn groote successen in de brutale en zoo middelmatige wereld der politiek begrijpen. Voor het huwlijk van zijn zoon had hij met zeldzame handigheid gemanoeuvreerd; hij huichelde tegenover Celia, ja zelfs tegenover Attilio een overdreven teergevoeligheid en zeide, dat hij zijn toestemming weigerde, omdat hij bang was, dat men hem zou beschuldigen een bruidsschat en een titel te stelen. Hij had pas na de Buongiovanni's toegegeven en eerst het oordeel willen hooren van den ouden Orlando, wiens groote, heldhaftige ridderlijkheid in geheel Italië spreekwoordelijk was; en hij deed dat des te eerder, omdat hij bij voorbaat van diens goedkeuring zeker was, want de held geneerde zich niet luide te herhalen, dat de Buongiovanni's zich gelukkig mochten achten in hun familie zijn achterneef, een knappen, rechtschapen en dapperen jongen te krijgen, die hun uitgeput oud bloed zou regenereeren, door hun dochter mooie kinderen te geven. Sacco had in die zaak op bewonderenswaardige wijze gebruik gemaakt van den legendarischen naam van Orlando, door zijn verwantschap met hem uit te bazuinen, door een kinderlijke vereering te doen blijken voor den roemrijken stichter des vaderlands, zonder dat hij een oogenblik scheen te willen vermoeden hoe zeer deze hem verachtte en verwenschte, want Orlando twijfelde geen oogenblik of zijn ministerschap zou het land tot ondergang en schande leiden.
"O," ging Narcisse voort, "een soepel en praktisch man, die er niet tegen opziet een paar klappen te krijgen. Het schijnt, dat er nu eenmaal in staten, die in nood geraakt zijn en politieke, financieele en moreele crisissen doormaken, mannen noodig zijn, die zich niet door gewetensbezwaren laten weerhouden. Men zegt, dat hij met zijn onverstoorbaar aplomb, zijn scherpzinnigen geest en zijn voor niets terugschrikkende hulpmiddelen de gunst van den koning geheel veroverd heeft... Kijk slechts, kijk slechts! Zou men hem te midden van dien vloed hovelingen, welke hem omgeeft, niet reeds voor den meester van dit paleis houden?"
Inderdaad hoopten de gasten, die met een buiging langs de Buongiovanni's gingen, zich om Sacco op; want hij vertegenwoordigde de macht, goede posities, pensioenen, ordeteekenen; en ook al riep de aanwezigheid van den mageren, donkeren, druk doenden man tusschen de groote voorvaderen van dit huis nog een glimlach te voorschijn, toch vleide men hem als de nieuwe macht, de democratische macht, die overal, zelfs uit dezen ouden Romeinschen bodem, opsteeg, waarop het patriciaat in puin lag.
"Lieve hemel, wat een volte!" prevelde Pierre. "Wie zijn toch al die menschen?"
"O," antwoordde Narcisse, "het is een zeer gemengd gezelschap. Zij behooren niet meer tot de zwarte of tot de witte kringen, maar tot de grijze. De evolutie kon niet uitblijven, de starre onverdraagzaamheid van een kardinaal Boccanera kan niet die van een geheele stad, van een volk zijn. De paus alleen zal altijd neen zeggen en onveranderlijk blijven. Maar om hem heen schrijdt alles onoverwinlijk vooruit en verandert, zoodat, ondanks allen tegenstand, Rome binnen enkele jaren Italiaansch zijn zal... Zooals u weet, blijft tegenwoordig, wanneer een prins twee zoons heeft, een op het Vaticaan en gaat de ander naar het Quirinaal over. Men moet toch leven, niet waar? De groote families, die in doodsgevaar verkeeren, bezitten niet den heldenmoed hun koppige halsstarrigheid tot aan zelfmoord te drijven... Ik heb u reeds gezegd, dat we hier op een neutraal terrein waren, want prins Buongiovanni is een der eersten, die de noodzakelijkheid van een verzoening ingezien heeft. Hij voelt, dat zijn vermogen dood is; hij durft het noch in industrieele noch in financieele zaken te beleggen: hij ziet het reeds verbrokkeld tusschen zijn vijf kinderen, die het op hun beurt weer zullen verbrokkelen; daarom heeft hij zich aan de zijde van den koning geschaard, zonder met den paus te willen breken... U ziet dan ook in dezen salon het juiste beeld van de debacle, van den pêle-mêle, die in de meeningen en denkbeelden van den prins heerscht."
Hij hield even op, om dan de namen der binnentredende personen te noemen.
"Dat is een generaal, die na zijn laatste campagne in Afrika zeer populair is. U zult trouwens vanavond veel militairen zien, want alle superieuren van Attilio zijn uitgenoodigd om den jongen man een glorierijken entourage te geven... En kijk, daar is de Duitsche gezant. Waarschijnlijk zal door de aanwezigheid van Hunne Majesteiten het geheele corps diplomatique komen... En als tegenstelling ziet u daarginds dien corpulenten man. Dat is een zeer invloedrijk afgevaardigde, een parvenu van de nieuwe bourgeoisie. Een dertig jaar geleden was hij nog pachter van prins Albertini, een van die mercanti de campagna, die met hooge laarzen en slappen hoed de Campagna Romana afliepen... En kijk nu eens naar dien prelaat, die daar binnenkomt..."
"Dien ken ik," antwoordde Pierre. "Het is monsignor Fornaro."
"Precies, monsignor Fornaro, iemand, die wat in de melk te brokkelen heeft. Ja, dat is waar ook, u hebt mij verteld, dat hij rapporteur is in de zaak van uw boek... Een innemende persoonlijkheid! Hebt u gemerkt met welk een révérence hij de prinses begroette? Welk een edele houding, welk een gratie onder zijn violetzijden mantel!"
Narcisse bleef op deze wijze prinsen en prinsessen, hertogen en hertoginnen, politici en ambtenaren, diplomaten en ministers, burgers en officieren opnoemen--een ongelooflijke warboel, ongerekend nog de vreemdelingenkolonie, Engelschen, Amerikanen, Duitschers, Spanjaarden, Russen, het oude Europa, Noord- en Zuid-Amerika. Dan begon hij plotseling weer over de Sacco's, de kleine mevrouw Sacco, en vertelde van haar heldhaftige pogingen, die zij, in de meening daarmede het eerzuchtige streven van haar man te bevorderen, gedaan had door een salon te openen.
Deze zachte, uiterlijk zoo bescheiden vrouw was een zeer geslepen iemand met uitstekende karaktereigenschappen, echt-Piemonteesch geduld en weerstandsvermogen, zin voor orde en spaarzaamheid. In het dagelijksch leven herstelde zij het evenwicht, dat de man door zijn onstuimigheid ieder oogenblik in gevaar bracht. Zonder dat iemand het vermoedde, had hij haar veel te danken. Maar tot dusverre was haar poging om tegenover den laatsten zwarten salon een toonaangevenden witten salon te openen, mislukt.
Zij vereenigde slechts lieden van haar eigen kringen om zich, geen vorst maakte er zijn opwachting, en op haar Maandagen werd gedanst zooals men in twintig andere kleine, burgerlijke salons zonder glans of heerlijkheid danste. De echte witte salon, die als meester van Rome voor menschen en dingen den toon aangeven zou, bevond zich nog in den toestand van een chimère.
"Kijk eens naar haar flauw glimlachje, terwijl zij alles hier opneemt," zeide Narcisse. "Ik ben er zeker van, dat zij al plannen maakt tot navolging. Als zij aan een prinselijke familie geparenteerd raakt, hoopt zij misschien eindelijk ook de hoogere kringen bij zich te zullen ontvangen."
In het toch zoo groote vertrek werd de menigte zoo dicht, dat zij bijna stikten, weggedrongen en tegen een muur gedrukt werden. De gezantschapsattaché nam dan ook den priester mede, terwijl hij hem bijzonderheden vertelde over de eerste verdieping van het paleis, een der weelderigst ingerichte van Rome, en om de pracht van haar receptiesalon beroemd.
Gedanst werd er in de schilderijengalerijen, een twintig meter lange, koninklijke, met kunstwerken gevulde zaal, waarvan de acht ramen op den Corso uitzagen. Het buffet was opgericht in de antieke zaal, een marmeren zaal, waarin men een bij den Tiber gevonden Venus zag, welke wedijveren kon met die van het Capitool. Dan volgde een reeks prachtige, nog in hun ouden luxe schitterende salons, behangen met de zeldzaamste stoffen, en die van de vroegere inrichting nog enkele bijzondere stukken bevatten, waarop de antiquairs in de hoop op een toekomstige, onvermijdelijke ruïne, reeds loerden. Van deze salons was er vooral één, de zoogenaamde spiegelzaal, beroemd, het was een rond vertrek in Louis XV-stijl, geheel behangen met spiegels in kostbare, gebeeldhouwde rococolijsten.
"Straks zult u dat alles zien," zeide Narcisse. "Laten we nu hier even binnengaan, om wat uit te blazen... Hier heeft men de fauteuils uit de galerij hiernaast gebracht voor de dames, die graag willen zitten, gezien en gefêteerd worden."
Het was een groote salon, behangen met het mooiste Genueesche fluweel, dat men zich denken kan; oud fluweel met licht-satijnen ondergrond en schitterende bloemen, waarvan het groen, blauw en rood echter goddelijk mooi verbleekt is en den zachten, doffen tint van oude liefdebloemen aangenomen heeft. Op de wandtafeltjes en in glazen kastjes stonden de kostbaarste kunstvoorwerpen van het paleis, ivoren kistjes, beschilderd en verguld houtsnijwerk, oud zilver.
Inderdaad hadden reeds verschillende dames hun toevlucht gezocht op de talrijke stoelen en zaten in kleine groepjes te praten en te lachen met de enkele heeren, die dit bekoorlijke hoekje der galanterie ontdekt hadden. Er was moeilijk een lieflijker aanblik te denken dan het geplek van de bloote, als zijde zoo fijne schouders, dan die tengere nekken, waarom zich bruin of blond haar wond. De bloote armen kwamen als levende bloemen van vleesch uit het bekoorlijke gewirwar van lichte toiletten. De waaiers bewogen zich langzaam, als om het vuur der edelgesteenten nog te verhoogen en verspreidden bij ieder waaien een vrouwengeur, vermengd met een overheerschende viooltjesparfum.
"Kijk, daar heb je onzen goeden vriend, monsignor Nani," riep Narcisse uit. "Hij begroet de vrouw van den Oostenrijkschen gezant."
Zoodra Nani den priester en diens vriend zag, kwam hij naar hen toe, en met hun drieën gingen zij in een vensternis staan, om een oogenblik op hun gemak te kunnen praten. De prelaat glimlachte verrukt over het mooie feest, maar behield te midden van al die zich bloot gevende schouders de kalme rust van een driedubbel met onschuld gepantserde ziel, als had hij ze zelfs niet gezien.
"Wat ben ik blij u weer te ontmoeten, mijn waarde zoon," zeide hij tot Pierre. "En wat zegt u wel van ons Rome, wanneer het een groot feest geeft?"
"Het is prachtig, monsignor!"
De prelaat sprak met iets van ontroering in zijn stem over de groote vroomheid van Celia en hield zich, als zag hij bij den prins en de prinses slechts de getrouwen van het Vaticaan, om dit met dit schitterende feest te eeren. Hij liet het zelfs voorkomen niet te weten, dat de koning en de koningin komen zouden. Dan plotseling:
"Ik heb den geheelen dag aan u gedacht, mijn waarde zoon. Ja, ik heb gehoord, dat ge voor uw proces een bezoek gebracht hebt aan Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti.... Hoe heeft hij u ontvangen?"