Part 44
"Zeker, mijn waarde abbé, men zegt het tenminste. Er zijn zeker dagen, waarop hij zich in de eerste plaats bedreigd waant. Weet u niet, dat in Rome het oude geloof heerscht, dat een paus niet te oud mag worden en men hem, wanneer hij met alle geweld niet op tijd sterven wil, daarbij wat helpt? Zoodra een paus kindsch wordt en door zijn ouderdomszwakte een hinderpaal, ja zelfs een gevaar wordt voor de Kerk, is zijn plaats in den hemel. Maar alles gaat heel kalm in zijn werk; de minste verkoudheid is een goed voorwendsel, dat hij niet langer op den troon van den Heiligen Petrus zit."
Hij gaf er nog interessante bijzonderheden bij ten beste. Zoo zeide men, dat een prelaat, die den angst van Zijne Heiligheid wat wilde kalmeeren, een geheel stelsel van voorzorgsmaatregelen uitgedacht had, o. a. een klein, geheel afgesloten en gegrendeld wagentje voor de voor de pauselijke tafel bestemde levensmiddelen. Maar met dit wagentje is het bij het plan gebleven.
"En dan, je moet toch eenmaal sterven," besloot hij lachend, "vooral wanneer het voor het heil der Kerk is... Niet waar, abbé?"
Sedert een oogenblik had Santobono, nog steeds even onbeweeglijk, zijn blikken neergeslagen, als keek hij eindeloos naar het kleine mandje vijgen, dat hij even voorzichtig als een Heilig Sacrament op zijn knieën hield. Nu hij zoo direct in het gesprek betrokken werd, moest hij wel opkijken. Maar hij liet zijn diep zwijgen niet varen, knikte slechts toestemmend.
"Alleen God en niet het vergif doet de menschen sterven, niet waar abbé?... Men zegt, dat dat de laatste woorden van monsignor Gallo geweest zijn, toen hij in de armen van zijn vriend, kardinaal Boccanera, den laatsten adem uitblies."
Weer knikte Santobono zonder een woord te zeggen toestemmend. Alle drie vervielen in een zwijgend nadenken.
"Matteo," riep eindelijk Prada tegen zijn koetsier, "houd even stil bij de Osteria Romana."
Dan tot de beide priesters:
"Ik verzoek u mij even te excuseeren, ik wou even zien, of ik versche eieren voor mijn vader kan krijgen. Daar is hij zoo dol op."
Op de aangegeven plaats hield het rijtuig stil. Vlak aan den rand van den weg stond een soort primitieve herberg met den welluidenden en trotschen naam: Antica Osteria Romana. Het was een eenvoudige pleisterplaats voor karrenvoerders, waar zich alleen jagers waagden, die er een flesch witten wijn drinken en een ommelette met ham eten gingen. Toch kwam het kleine volk van Rome 's Zondags meermalen daarheen, om zich wat te vermaken. Maar door de week verliepen er in de reusachtige, kale campagna dagen, zonder dat er een levende ziel binnenkwam.
Reeds sprong de graaf lenig uit het rijtuig en zeide:
"Binnen een minuut ben ik weer terug."
De osteria bestond slechts uit een lang, laag gebouw van één verdieping, die men langs een uit groote steenen gemaakte en door de zon verbrande buitentrap bereiken kon. Het geheele gebouw was verweerd en had de kleur van oud goud. Op den rez-de-chaussée bevonden zich een gelagkamer, een remise, een stal en loodsen. Aan de eene zijde was naast een boschje piniepijnen--de eenige boom, die op dezen onvruchtbaren bodem groeit--een priëel, waaronder vijf of zes houten, met een bijl vierkant gehakte tafeltjes stonden. Daarachter verhief zich, als ware het de achtergrond van dit armzalige en droefgeestige brok leven, een brokstuk van een oude waterleiding, welker open en half ingevallen bogen het eenige was, dat de vlakke lijn van den grenzenloozen horizont doorsneed.
Maar de graaf kwam dadelijk terug.
"Zeg eens, abbé, ik mag u zeker wel een glas witten wijn offreeren! Ik weet, dat u zelf een beetje wijnbouwer bent, en hier is een wijntje, dat men kennen moet."
Santobono liet het zich geen tweemaal zeggen en stapte op zijn beurt uit.
"Ik ken het, ik ken het. Het is een Marinowijntje, dat op een nog magerder bodem verbouwd wordt dan bij ons in Frascati."
Toen hij zijn mandje vijgen mede wilde nemen, werd de graaf ongeduldig.
"Laat dat ding toch in het rijtuig staan. Wat hebt u daar hier mee noodig?"
De pastoor antwoordde niet, maar liep verder, terwijl Pierre, die graag zoo'n osteria, een van die volksherbergen, waarover hij zoo dikwijls had hooren praten, wilde zien, eveneens uitstapte.
Prada was er bekend. Dadelijk vertoonde zich een oude, groote uitgedroogde vrouw, ondanks haar armoedige rok een koninklijke verschijning. De laatste maal had zij een half dozijn versche eieren gevonden; ook nu zou zij kijken, zij kon echter niets beloven, want zij wist het nooit, de kippen legden nu hier, dan daar.
"Goed, goed, ga maar eens zoeken en laat in dien tusschentijd een flesch wijn brengen."
Alle drie gingen zij de gelagkamer binnen. Het was er reeds heelemaal donker. Hoewel het warme seizoen reeds voorbij was, hoorden zij op den drempel reeds het gegons van een zwerm vliegen. Een scherpe geur van zuren wijn en ranzige olie sloeg hun op de keel. Zoodra hun oogen wat aan het donker gewend waren, konden zij het ruime, zwart geworden en door stank verpeste vertrek zien, waarin niets dan grove stoelen en tafels van nauwlijks geschaafd hout stonden. Het scheen heelemaal leeg, zoo stil was het er, uitgezonderd het gegons der vliegen. Toch zaten er twee mannen, onbeweeglijk en zwijgend, voor hun volle glazen. Op een lagen stoel dicht bij de deur rilde in het weinigje daglicht, dat erdoor binnenviel, de dochter des huizes van koorts, een mager, geel, jong meisje, haar twee handen samengedrukt op haar knieën.
De graaf, die merkte, dat Pierre zich onbehaaglijk gevoelde, stelde voor den wijn buiten te laten brengen.
"Het zal daar veel lekkerder zijn, het is zacht weer."
Daar de moeder naar de eieren zocht en de vader in een loods een wiel aan het repareeren was, moest het van koorts rillende meisje opstaan, om de flesch wijn en de drie glazen in het priëel te brengen. Zij stak de zes centesimi voor de flesch in haar zak en ging dan, zonder een woord te zeggen, met een knorrig gezicht, omdat zij zoo'n tocht had moeten maken, naar haar plaats terug.
Toen zij plaats genomen hadden, vulde Prada vroolijk de glazen ondanks het verzoek van Pierre, die zeide, dat hij wijn tusschen twee maaltijden in niet verdragen kon.
"Kom, kom, u wilt toch wel even met me klinken! Het is een heerlijk wijntje, niet waar, abbé?... Nu dan, op de gezondheid van den paus, omdat hij ziek is."
Santobono ledigde zijn glas in één teug en smakte met zijn tong. Hij had het mandje vijgen heel voorzichtig naast zich op den grond gezet, nam zijn hoed af en haalde diep adem. Het was werkelijk een prachtige avond, een zeldzaam heldere, lichtgouden hemel boven die eindelooze zee der Campagna, die op het punt stond in verheven rust en vrede in te sluimeren. Het zachte windje, welks ademtocht te midden van de groote stilte langs hen streek, geurde heerlijk naar kruiden en veldbloemen.
"Lieve God, wat is het hier heerlijk!" prevelde Pierre betooverd. "Welk een woestijn van eeuwige rust, waarin men de verdere wereld vergeet."
Maar Prada, die de flesch in het glas van den pastoor leeggeschonken had, vermaakte zich, zonder een woord te zeggen, met een tooneeltje, dat hij in den beginne alleen scheen op te merken. Hij gaf den jongen priester een knipoogje en van dat oogenblik af volgden beiden de dramatische ontwikkelingen ervan. In het roodachtige gras om hen heen waren een paar kippen aan het zoeken naar sprinkhanen. Nu had een van die kippen, een klein, zwart, fijn glanzend, heel brutaal hennetje, het mandje vijgen op den grond zien staan en ging er parmantig op af. Toen het er dicht bij was, werd het echter bang en schrok terug. Het rekte zijn hals uit, keerde zijn kop om en keek er met zijn rond oogje naar. Eindelijk behaalde zijn hebzucht de overhand, en daar er een vijg tusschen twee blaadjes uitstak, kwam het kalm dichter bij en lichtte daarbij zijn pooten hoog op; dan stak het plotseling zijn bek door de vijg, zoodat het sap eruit liep.
Prada, die pleizier had als een kind, kon zijn lachen nu niet meer bedwingen.
"Pas op uw vijgen, abbé!"
Santobono had juist met in zalige verrukking naar den hemel starende oogen zijn tweede glas uitgedronken. Hij sprong op, keek rond en begreep alles toen hij de kip zag. Er volgde een uitbarsting van woede: heftige gebaren, verschrikkelijke scheldwoorden. Maar de kip liet de vijg niet los en stormde er met klappende vleugels zoo vlug en komisch mede weg, dat Prada en ook Pierre zich tranen lachten ondanks de machtelooze woede van Santobono, die het dier een oogenblik met dreigende vuist naliep.
"Dat komt er nu van, dat u het mandje niet in het rijtuig hebt laten staan," zeide de graaf. "Als ik u niet gewaarschuwd had, zou de kip alles opgegeten hebben."
Zonder iets te antwoorden en nog steeds binnensmonds verwenschingen prevelend, had de pastoor het mandje op de tafel gezet; dan lichtte hij de bladeren op en legde de overige vijgen handig zóó, dat het gat gevuld werd. Toen de blaadjes weer op hun plaats lagen en de ramp hersteld was, kalmeerde hij wat.
Het was tijd, om weer weg te gaan, de zon was vlak aan den horizont en de avond viel. De graaf werd dan ook ongeduldig.
"Nu, waar blijven de eieren?"
Daar hij de vrouw niet terug zag komen, ging hij haar zoeken. Eerst liep hij den stal binnen, dan de remise. De vrouw was er niet. Vervolgens liep hij achter het huis om, om in loodsen te kijken. Iets onverwachts deed hem plotseling als aan den grond genageld staan. Op den grond lag de kleine zwarte kip dood. Aan haar snavel zag men slechts een dun, violet bloedstroompje, dat nog steeds vloeide.
Eerst was hij slechts verwonderd. Dan bukte hij zich, om het diertje te betasten. De kip was warm, soepel en slap als een lap. Zeker een beroerte. Doch onmiddellijk daarop werd hij doodsbleek: de waarheid flitste voor hem op en verstijfde hem. Als in een bliksemstraal rees de zieke Leo XIII voor hem op--dan Santobono, zooals hij naar kardinaal Sanguinetti vloog, om het laatste nieuws te hooren, en nu naar Rome ging, om kardinaal Boccanera dat mandje vijgen ten geschenke te geven. En hij herinnerde zich het gesprek in het rijtuig over den eventueelen dood van den paus, over de mogelijke candidaten van de tiara, over de legendarische vergiftigingsverhalen, die de omgeving van het Vaticaan nog angst aanjoegen; hij zag den pastoor weer voor zich met zijn mandje, dat hij vol vaderlijke zorg op zijn knieën hield; hij zag de kleine, zwarte kip weer voor zich, die in het mandje pikte en zich met een vijg uit de voeten maakte. En het kleine hennetje lag daar dood.
Zijn overtuiging stond onmiddellijk onwankelbaar vast. Maar hij had zelfs den tijd niet om zich af te vragen wat hij doen moest, want een stem achter hem riep:
"Daar ligt het kleine kippetje. Wat heeft het dier?"
Het was Pierre; hij had Santobono weer laten instappen en was zelf het huis omgeloopen om het brokstuk van de tusschen de piniepijnen ingevallen waterleiding van dichterbij te zien.
Bevend, alsof hij zelf de schuldige was, antwoordde Prada, toegevend aan zijn instinct, met een niet vooruit bedachte leugen:
"Het is dood... Stel u voor, het is een heele vechtpartij geweest. Toen ik hier kwam, vloog die kip daar op deze aan, om de vijg, die zij nog in haar bek had, te krijgen, en heeft haar toen met een stoot van zijn snavel de hersens ingeslagen... Kijk maar, het bloed stroomt eruit."
Waarom zeide hij dat alles? Hij verwonderde er zich zelf over, terwijl hij die dingen verzon. Wilde hij meester van den toestand blijven, niemand in zijn vertrouwen nemen, ten einde te kunnen handelen, zooals hij zelf wilde? Hij deed het zoowel uit een gevoel van schaamte tegenover een vreemdeling, als uit een persoonlijke neiging voor gewelddaden, die bij zijn verontwaardiging als fatsoenlijk man toch iets als bewondering voegde, als uit een onbewusten drang om de zaak uit een oogpunt van zijn persoonlijk belang te overwegen, alvorens een besluit te nemen. Een eerlijk, fatsoenlijk man was hij, hij zou zeker niet toelaten, dat men de menschen vergiftigde.
Pierre, die steeds vol medelijden met dieren was, keek naar de hen met de ontroering, die iedere plotselinge wegneming van het leven in hem wekte. Hij twijfelde geen oogenblik.
"Ja, die kippen zijn onderling zoo wreed, als menschen bijna niet kunnen zijn. Ik had thuis een heel groot hoenderhok, en geen kip daarvan kan een wondje aan haar poot hebben of de andere beginnen, zoodra zij een droppel bloed zien, op haar te pikken, totdat er niets meer dan beenderen over zijn."
Prada verwijderde zich onmiddellijk. De vrouw was juist ook naar hem aan het zoeken, om hem de vier eieren, die zij met groote moeite in een paar hoekjes en gaatjes gevonden had, te geven. Hij betaalde gauw en riep Pierre:
"We moeten ons haasten, anders kunnen we niet in Rome terug zijn voor het heelemaal donker is."
In het rijtuig zat Santobono kalm te wachten. Hij had zijn oude plaatsje op het klapbankje weer ingenomen, leunde met zijn rug tegen de bok, had zijn groote beenen onder zich getrokken en hield weer dat kleine mandje vijgen, dat hij met zijn knokige handen als iets zeldzaams en breekbaars, dat door den minsten schok beschadigd kon worden, op zijn knieën. Zijn soutane vormde een groote, zwarte vlek. In zijn ruw, aardkleurig gezicht--het gezicht van een boer, die steeds met den woesten bodem in aanraking is gebleven en door de paar jaar theologische studiën maar weinig ontbolsterd is--schenen alleen zijn oogen, die met een donkere, verterende vlam van hartstocht gloeiden, te leven.
Toen Prada hem daar zoo kalm en vierkant zitten zag, doorrilde hem een kleine huivering. Zoodra de victoria weer voortrolde op den rechten, eindeloozen weg, zeide hij: "Nu, abbé, dat is een glas wijn, dat ons tegen de ongezonde lucht beschermen zal. Als de paus net zoo doen kon als wij, zou hij gauw van zijn kolieken genezen zijn."
Als eenig antwoord liet Santobono een dof gemompel hooren. Hij wilde niet meer spreken en sloot zich, als door den langzaam naderenden avond overmand, in een volkomen zwijgen op. Prada zweeg eveneens, terwijl hij zijn blikken op hem gericht hield en zich afvroeg, wat hij doen moest.
Links van hen ging de zon prachtig onder. Pierre kon er zijn blikken niet aan verzadigen en gaf zich geheel aan het schitterende schouwspel over.
En in het peinzend zwijgen van zijn twee reisgenooten bleef Prada zich afvragen, wat hij doen moest. Hij had zijn blikken niet af van Santobono; het gezicht van den priester was langzamerhand in duisternis gehuld, maar hij zat uiterst kalm op zijn bankje en liet zijn groot lichaam door de victoria wiegen. Hij herhaalde bij zichzelf, dat hij de menschen niet zoo kon laten vergiftigen. De vijgen waren ongetwijfeld bestemd voor kardinaal Boccanera, en in den grond der zaak liet een kardinaal meer of minder, een mogelijke paus, wiens toekomstige historische werkzaamheid niet te voorspellen was, hem vrij koud. Bij zijn wreede veroveraarsbegrippen en geheel opgaande in den strijd om het bestaan, had hij het altijd het beste gevonden het noodlot zijn gang te laten gaan; en afgezien daarvan zag hij er absoluut geen kwaad in, wanneer de eene priester den anderen opvrat, integendeel dat was een aangename prikkeling voor zijn atheïsme. Hij overwoog ook, dat het gevaarlijk zijn kon zich in die afschuwelijke zaak, in die gemeene, verdachte en ondoorgrondelijke intriges van de zwarte kringen te mengen. Maar kardinaal Boccanera woonde niet alleen in het paleis: de vijgen konden aan een verkeerd adres bezorgd, bij andere personen komen, die men niet treffen wilde.
Dit denkbeeld aan een noodlottig zich vergissend toeval liet hem niet meer los, vervolgde hem. En zonder dat hij er zijn gedachte bij wilde bepalen, rezen de gezichten van Benedetta en Dario voor hem op, kwamen steeds weer terug, ondanks zijn poging om ze niet te zien, drongen zich aan hem op. Als Benedetta, als Dario die vruchten aten? De gedachte aan Benedetta kon hij onmiddellijk ter zijde schuiven, want hij wist, dat zij afzonderlijk met haar tante at en het eten niet uit dezelfde keuken kwam. Maar Dario dejeuneerde dagelijks met zijn oom. Een oogenblik zag hij Dario voor zich, aangegrepen door een kramp en evenals monsignor Gallo met een aschgrauw gezicht en holle oogen binnen twee uur stervend in de armen van den kardinaal.
Neen, neen, dat was afschuwlijk, hij kon een dergelijke gewelddaad niet toelaten. Zijn besluit was nu genomen. Hij zou wachten, tot de avond heelemaal gevallen was, dan heel eenvoudig het mandje van de knieën van den priester nemen en het, zonder een woord te zeggen, in het een of ander donker gat gooien. De pastoor zou het dan wel begrijpen. De andere, de jonge priester, zou het misschien niet eens merken. Trouwens dat kwam er minder op aan, want hij was vastbesloten geen uitleg van zijn handeling te geven. En hij voelde zich heelemaal gerust gesteld, toen hij op het denkbeeld kwam het mandje weg te werpen, wanneer zij onder de Porta Furba, op enkele kilometers voor Rome, zouden doorrijden. In de donkerte van de poort zou dat heel goed gaan; zou men niets kunnen zien.
"We hebben ons verlaat en zullen niet voor zes uur in Rome zijn," zeide hij tot Pierre. "Maar u zult nog tijd genoeg hebben om u te verkleeden en uw vriend op te zoeken."
Dan richtte hij zich, zonder een antwoord af te wachten, tot Santobono.
"Uw vijgen zullen wel laat komen."
"O," antwoordde de pastoor; "Zijne Eminentie ontvangt tot acht uur. En bovendien de vijgen zijn niet voor vanavond. 's Avonds eet je geen vijgen. Ze zijn voor morgenochtend."
Hij viel weer in zijn stilte terug en sprak niet meer.
"Voor morgenochtend, ja, ja, dat spreekt!" herhaalde Prada. "Het zal een heele traktatie voor hem zijn, vooral als niemand met hem mede eet."
Onbezonnen vertelde Pierre nu iets, dat hij wist.
"Dat zal zeker wel het geval zijn, want zijn neef, prins Dario, zou vandaag naar Napels gaan--een klein herstellingsreisje na het ongeval, dat hem een maand te bed gehouden heeft."
Plotseling bedacht hij tegen wien hij sprak, en zweeg. Maar de graaf had zijn verlegenheid opgemerkt.
"Kom, kom, mijn waarde heer Froment, u kwetst mij heelemaal niet. Dat is al zoo'n oude geschiedenis... Zoo, is de jonge man vertrokken?"
"Ja, als hij tenminste zijn reisje niet uitgesteld heeft. Maar ik geloof niet, dat ik hem nog in het paleis vinden zal."
Gedurende een oogenblik hoorde men weer niets dan het voortdurende rollen der wielen. Prada zweeg; hij werd weer door onrust, door het onaangename gevoel, dat hij niet wist, wat hij doen moest, aangegrepen. Waarin wilde hij zich mengen, nu Dario er toch niet was. Al die overwegingen vermoeiden hem en ten slotte dacht hij hardop:
"Als hij werkelijk naar Napels is, dan heeft hij dat uit convenance gedaan, om vanavond niet aanwezig behoeven te zijn op het feest der Buongiovanni's, want vanochtend heeft de Conciliecongregatie vergaderd, om definitief uitspraak te doen in het proces, dat de gravin mij aangedaan heeft... Ja ik zal dadelijk hooren, of de nietigverklaring van ons huwlijk door den Heiligen Vader geteekend zal worden."
Zijn stem was wat heesch geworden; men voelde, dat de oude wond weer openging en bloedde--de wond, welke aan zijn mannentrots was toegebracht door deze vrouw, die de zijne was en zich aan hem geweigerd had, om haar maagdelijkheid voor een ander te bewaren. Het gaf niet, of zijn vriendin Lisbeth hem een kind geschonken had; de beschuldiging van impotentie, die beschimping van zijn manlijkheid herleefde steeds weer en deed zijn hart opzwellen van blinde woede. Een heftige plotselinge rilling doorhuiverde hem, als had een ijskoude wind over zijn lichaam geblazen, en, het gesprek een andere wending gevend, voegde hij eraan toe:
"Het is heelemaal niet warm vanavond... Dit is het slechtste uur voor Rome, het uur na zonsondergang, waarin men heel makkelijk een flinke koorts kan oploopen, als men niet voorzichtig is... Trek de deken over uw voeten; pak u maar goed in."
Dan ontstond, terwijl zij de Porta Furba naderden, weer een stilte, maar nu nog drukkender dan zooeven; zij geleek op den onbedwingbaren slaap, die de door den nacht overmande Campagna deed insluimeren. Eindelijk werd in het licht der heldere sterren de poort zichtbaar; het was niet meer dan een boog van de Acqua Felice, waaronder de straatweg doorliep. Uit de verte was het, alsof dat waterleiding-brokstuk met zijn reusachtige massa's oude, halfingevallen muren den weg trachtte te versperren. Dan echter vertoonde de groote, geheel met schaduw gevulde boog zich als een gapende poort, en de wagen reed er in volle duisternis met luider wielengeratel onder door.
Toen zij aan den anderen kant waren, had Santobono nog steeds het mandje vijgen op zijn knieën; Prada keek hem verstoord aan en vroeg zich af tengevolge van welke plotselinge verlamming van zijn handen hij het mandje niet weggenomen en in het donker geslingerd had. Hij was er, alvorens onder het gewelf door te gaan, nog zoo vast toe besloten. Hij had er nog naar gekeken, om de beweging, die hij zou moeten maken, te berekenen. Wat had er in hem plaats gegrepen? Hij voelde zich ten prooi aan een steeds grooter wordende besluiteloosheid, dat hij niet in staat meer was, iets beslist te willen, daar hij in de onbewuste gedachte om voor alles zichzelf geheel te bevredigen, als het ware gedrongen werd om te wachten. Waarom zou hij zich haasten, nu Dario ongetwijfeld weg was en de vijgen toch zeker niet vóór den volgenden dag gegeten zouden worden? Dienzelfden avond nog zou hij hooren of de Conciliecongregatie zijn huwlijk nietig verklaard had, zou hij weten in hoeverre de gerechtigheid Gods te koop en leugenachtig was. Zeker, hij zou niemand laten vergiftigen, zelfs kardinaal Boccanera niet, wiens leven hem per slot van rekening toch volkomen koud liet. Maar was sedert hun vertrek uit Frascati dat kleine mandje als het ware niet het voortschrijdend noodlot? Gaf hij niet toe aan een genieten van onbeperkte macht, terwijl hij tegen zichzelf zeide, dat hij er heer en meester van was om het tegen te houden of het zijn doodelijk werk tot het einde toe te laten volbrengen? Bovendien ging hij geheel op in de geheimzinnigste van alle strijden; hij zocht niet meer naar redenen, zijn handen waren zóó gebonden, dat hij niet anders kon. Voor zichzelf vast besloten, dat hij, alvorens naar bed te gaan, een waarschuwingsbrief zou werpen in de brievenbus van het paleis, voelde hij zich toch gelukkig bij de gedachte, dat hij het niet zou doen, indien hij er belang bij hebben zou het niet te doen.
Het laatste gedeelte van den rit werd te midden van die drukkende stilte, te midden van de avondrillingen, die de drie mannen verstijfd schenen te hebben, afgelegd. Tevergeefs begon de graaf, om aan den onderlingen strijd van zijn gedachten te ontkomen, weer over het groote feest bij de Buongiovanni's, vertelde bijzonderheden, beschreef de pracht, die men aanschouwen zou: zijn woorden klonken moeilijk, verlegen, verstrooid. Dan trachtte hij Pierre te troosten, hem moed in te spreken, door nogmaals over den vriendelijken, met beloften zoo kwistigen kardinaal Sanguinetti te beginnen; maar hoewel de priester heel gelukkig naar Rome terugkeerde in de gedachte, dat zijn boek nog niet veroordeeld was en hij, indien men hem hielp, misschien nog zou overwinnen, antwoordde hij toch nauwelijks, geheel als hij opging in zijn overpeinzingen. Santobono sprak niet, bewoog zich niet, was als verdwenen, zwart in den zwarten nacht.
De lichten van Rome vermenigvuldigden zich; rechts en links verschenen weer huizen, eerst op groote afstanden van elkander, dan dichter opeen gebouwd. Het was de voorstad, in den beginne nog stoppelvelden, dan mooie hagen, olijfboomen, welker toppen boven de hooge tuinmuren uitstaken, groote gevels met door vazen gekroonde zuilen en eindelijk de stad met haar rijen kleine, grijze huizen, armzalige winkels, verdachte kroegen, waaruit dikwijls geschreeuw en twistlawaai opsteeg.
Prada wilde met alle geweld zijn reisgenooten naar de Via Giulia, tot vijftig meter van het paleis, brengen.