De drie steden: Rome

Part 43

Chapter 433,883 wordsPublic domain

Langen tijd liep het gesprek over de Albaansche bergen, welker woeste gratie de vlakke Campagna Romana als een lust voor de oogen beheerscht. Pierre, die het klassieke uitstapje van Frascati naar Nemi gemaakt had, was nog onder de bekoring daarvan en sprak er met geestdrift over. Eerst kwam de heerlijke, langs de heuvelhellingen dalende en rijzende, tusschen riet, olijfboomen en wijngaarden loopende weg van Frascati naar Albano, vanwaar af men voortdurend een prachtig uitzicht heeft op de eindeloosheid der Campagna. Links ligt wit het dorp Rocca di Papa amphitheatersgewijze op een ronden heuvel aan den voet van den door eeuwenoude groote boomen gekroonden Monte Cavo. Van af dat punt ziet men, als men zich weer omdraait in de richting van Frascati, hoog aan den rand van een pijnboombosch de ruïnen van Tusculum, groote rotsachtige ruïnes, door eeuwen van zon verbrand en vanwaar het onbegrensde uitzicht prachtig zijn moet. Vervolgens komt men door Marino met zijn groote, zacht hellende straat, zijn groote kerk, zijn oud, zwart geworden, half verweerd paleis der Colonna's. Dan, na een steeneikenbosch rijdt men langs het Albaansche meer, dat een schouwspel biedt, zooals men er weinig vindt: tegenover zich, aan de overzijde van de onbeweeglijke, als een spiegel zoo gladde wateren, de ruïnen van Alba Longa links de Monte Cavo met Rocca di Papa en Palazzola; rechts Castel-Gandolfo, als van de hoogte van een steile kust het meer beheerschend. In den uitgedoofden krater sliep, als op den grond van een reusachtige, groene schaal, het meer zwaar en dood; het geleek op een tafel van gesmolten metaal, die de zon aan de eene zijde met goud vlamde, terwijl de andere in de schaduw liggende zijde zwart was.

Nu liep de weg vrij steil op naar Castel-Gandolfo, dat als een witte vogel tusschen het meer en de zee op zijn rots zit en steeds, zelfs gedurende de warmste zomeruren, door een briesje verfrischt wordt. Vroeger was het beroemd door zijn pauselijke villa, waarin Pius IX gaarne de warme dagen doorbracht, maar waar Leo XIII nooit geweest is. Daarna daalde de weg, begonnen de steeneiken weer, om hun grootte beroemde steeneiken, een dubbele rij van kolossen, twee- en driehonderdjarige monsters met knoestige ledematen. Eindelijk kwam men bij Albano, een kleine, minder reine en minder gemoderniseerde stad dan Frascati, een hoekje grond, dat nog iets van den geur van zijn vroegere woestheid behouden heeft. Dan kwamen nog Arricia met het paleis Chigi, met bosschen bedekte heuvels en bruggen, die over beschaduwde afgronden geslagen zijn; Gonzano en eindelijk nog Nemi, het eene nog meer afgelegen en woester dan het ander, verloren gaande tusschen rotsen en boomen.

O, dit Nemi, welk een onuitwischbare herinnering had Pierre daaraan behouden! Dit Nemi aan den oever van zijn meer, dit uit de verte zoo mooie, zoo betooverende Nemi, dat oude legenden en in het groen der mysterieuse wateren ontstane feeënsteden voor den geest riep. Doch wanneer men het eindelijk betreedt, is het afstootend vuil, stort overal in en wordt nog door den Orsinitoren beheerscht als door een boozen geest van den ouden tijd, die daar woeste zeden, heftige hartstochten en messteken in stand schijnt te houden. Vandaar kwam die Santobono, wiens broeder een moord gepleegd had en in wien zelf een moorddadige vlam scheen te branden, terwijl zijn misdadigersoogen gloeiden als een kolenvuur. En het meer--dit meer, rond als een in dezen krater, deze schaal, gevallen uitgedoofde maan! Deze schaal zag er nog dieper en smaller uit dan het Albaansche meer en was met boomen van wonderbaarlijke kracht begroeid. Pijnboomen, olmen, wilgen loopen in een groenen stroom van elkaar verstikkende takken tot aan den oever. Deze ontzaglijke vruchtbaarheid spruit voort uit de voortdurende waterdampen, die zich hier onder de brandende inwerking van de zon, wier stralen zich in dit hol als in een smeltoven ophoopen, ontwikkelen.

Het is een vochtige, zware warmte; de lanen der omliggende tuinen zijn met groen mos overdekt; dichte nevels vullen dikwijls 's ochtends de reusachtige schaal met een witten damp als met een rookende heksenmelk van verdachte tooverkracht. Pierre herinnerde zich nog heel goed het onaangename gevoel, dat hem aangegrepen had bij het zien van het meer, waarin te midden van de bewonderenswaardige omgeving oude gruweldaden, een geheele geheimzinnige godsdienst met afschuwlijke gebruiken scheen te slapen. Hij had het bij het vallen van den avond in de schaduw van zijn gordel van bosschen gezien als een dof zwarte en zilveren metalen plaat, en dit heldere, maar zoo diepe water, dit verlaten water zonder een bark, dit doode, verheven, grafachtige water had in hem een onbeschrijflijke treurigheid, een doodelijke zwaarmoedigheid achtergelaten.

Het was de vertwijfeling der groote, eenzame bronstigheid, wanneer aarde en wateren door de stomme smart der kiemen in angstwekkende vruchtbaarheid opzwellen. O, die donkere, wegzinkende oevers, dat droefgeestige, zwarte meer, dat daar onder in de diepte rust!

Graaf Prada begon te lachen om dien indruk.

"Ja, ja, het is zoo, het Nemimeer is niet alle dagen vroolijk. Ik heb het bij somber weer gezien; het was loodkleurig, en zelfs de sterke zonnestralen kunnen er geen leven in brengen. Wat mij betreft, ik weet, dat ik van verveling zou sterven, wanneer ik tegenover dat kale water zou moeten leven. Maar het heeft een groote aantrekkingskracht voor dichters en romantische vrouwen, voor haar, die groote hartstochtelijke liefdes met tragische ontknoopingen aanbidden."

Toen zij van tafel opgestaan waren, om op het terras een kop koffie te drinken, kwam het gesprek op een ander terrein.

"Gaat u vanavond naar de receptie van prins Buongiovanni?" vroeg de graaf. "Dat zal voor een vreemdeling een interessant schouwspel zijn en ik zou u aanraden het niet te verzuimen."

"Ja, ik heb een uitnoodiging," antwoordde Pierre. "Een van mijn vrienden, mijnheer Narcisse Habert, attaché aan ons gezantschap, heeft mij die bezorgd en zal er met mij heengaan."

Inderdaad zou dien avond in den palazzo Buongiovanni op den Corso een groot feest gegeven worden, een van die galafeesten, zooals die slechts twee of driemaal per jaar plaats vinden. Er werd verteld, dat dit in pracht en praal alles overtreffen zou, want het werd gegeven ter eere van de verloving van Celia, het kleine prinsesje. Plotseling had de prins, zoo ging het gerucht, na eerst zijn dochter geslagen en zelf in een hevigen aanval van woede bijna een beroerte gekregen te hebben, toegegeven tegenover de kalme en zachte hardnekkigheid van het jonge meisje en toegestemd in haar huwlijk met luitenant Attilio, den zoon van minister Sacco; alle salons van Rome, zoowel de zwarte als de witte, waren er vol van.

Weer werd graaf Prada vroolijk.

"U zult iets schitterends zien, dat verzeker ik u. Ik ben erg blij voor mijn besten neef Attilio; hij is heusch een fatsoenlijke en charmante jongen. Voor geen geld ter wereld zou ik de entree van mijn waarden oom Sacco, die eindelijk de portefeuille van Landbouw gekregen heeft, in de oude salons der Buongiovanni's willen missen. Dat zal werkelijk iets buitengewoons zijn. Vanochtend heeft mijn vader, die alles ernstig opneemt, mij gezegd, dat hij er den heelen nacht niet van heeft kunnen slapen."

Hij hield op, om dadelijk weer verder te gaan:

"Luister eens, het is al half drie; u kunt geen trein krijgen voor vijf uur. Weet u wat u doen moest? Met mij naar Rome terugrijden!"

Maar Pierre wilde daar niet van hooren.

"Neen, neen, duizendmaal dank! Ik zou met mijn vriend Narcisse dineeren en mag niet te laat komen."

"U zult niet te laat komen, integendeel! Wij rijden om drie uur af, dan zijn we voor vijven in Rome... Het is een prachtige rit met zonsondergang en ik verzeker u, dat die vandaag schitterend zal zijn."

Hij drong zóó aan, dat de priester, door zooveel vriendelijkheid gewonnen, het voorstel wel moest aannemen. Zij praatten nog een uurtje gezellig over Rome, Italië en Frankrijk en liepen intusschen Frascati, waar de graaf nog een aannemer spreken wilde, even in. Toen het drie uur sloeg, reden zij eindelijk weg, naast elkaar zacht gewiegd op de kussens van de victoria, die in lichten draf door de twee paarden voortgetrokken werd. Inderdaad was deze terugrit naar Rome door de onmetelijke, kale Campagna onder den eindeloozen helderen hemel op dezen prachtigen herfstnamiddag verrukkelijk.

Maar eerst moest de victoria in vollen draf tusschen wijngaarden en olijfboomboschjes de hellingen van Frascati afrijden. De bestrate weg kronkelde sterk en was heel stil: nauwlijks zag men hier en daar een boer met een vilten hoed, een witten muilezel, een met een ezel bespannen karretje; alleen 's Zondags was het vol in de kroegen en kwamen de handwerkslieden in de landhuisjes van den omtrek rustig hun geitenvleesch eten. Bij een kromming van den weg kwamen zij langs een monumentale fontein. Een groote kudde schapen belette de victoria een oogenblik verder te rijden. Op den achtergrond van de zachte golvingen der reusachtige rosachtige Campagna lag steeds het verre Rome in de violette avondnevels en scheen langzamerhand naar mate de victoria lager kwam, weg te zinken. Er kwam een oogenblik, dat het nog slechts een met den horizont evenwijdige, dunne, grijze streep vormde, die nauwlijks even wit gevlekt werd door de door de zon beschenen gevels. Dan verdween het in den grond, verdronk onder de deining der eindelooze velden.

De victoria rolde nu door de vlakte en liet de Albaansche bergen achter zich, terwijl rechts en links en vooruit de zee van prairiën en stoppels begon. Dan boog de graaf zich wat voorover en riep:

"Kijk, daar loopt onze man van vanochtend voor ons, Santobono in hoogst eigen persoon... Wat loopt die kerel, he? Mijn paarden zullen moeite hebben hem in te halen!"

Op zijn beurt boog Pierre zich nu uit de victoria. Het was inderdaad de pastoor van S. Maria del Campi in zijn lange zwarte soutane, groot en knokig en grof gebouwd. In het fijne licht der blonde zon vormde hij een harde inktvlek. Aan zijn rechterarm hing iets; een voorwerp, dat zij moeilijk onderscheiden konden.

Toen het rijtuig hem eindelijk ingehaald had, liet Prada den koetsier wat langzamer rijden, en knoopte een gesprek met den abbé aan.

"Dag, abbé! Hoe gaat het?"

"Heel goed, mijnheer de graaf. Dank u duizendmaal!"

"Waar loopt u zoo dapper naar toe?"

"Naar Rome, mijnheer de graaf!"

"Wat, zoo laat nog naar Rome?"

"O, ik ben er bijna even gauw als u. Ik zie niet op tegen een eindje loopen, en je spaart op die manier het reisgeld uit."

Hij nam zijn passen wat grooter, zoodat hij het rijtuig bijhouden kon.

"Wacht, hij zal ons aangenaam bezig houden," fluisterde Prada, die pleizier had in de ontmoeting, Pierre in.

Dan luid:

"Als u naar Rome gaat, kunt u net zoo goed instappen. Er is nog een plaatsje voor u."

Santobono liet het zich geen tweemaal zeggen.

"Heel graag, dank u duizendmaal... Dan verslijt ik gelijk mijn schoenen niet."

Hij stapte in en ging op het klapbankje zitten, in een plotselinge opwelling van nederigheid de plaats, die Pierre hem beleefd naast den graaf aanbood, weigerend. Dezen hadden eindelijk in het voorwerp, dat hij droeg, een klein mandje met netjes naast elkaar gelegde en met bladeren bedekte vijgen herkend.

De paarden hadden den draf weer aangenomen en vlug rolde het rijtuig over den mooien, vlakken weg.

"Zoo, gaat u naar Rome?" vroeg de graaf weer, om den pastoor aan het praten te krijgen.

"Ja, ik ga Zijne Eerwaarde Eminentie, kardinaal Boccanera, deze vijgen, de laatste van het seizoen, brengen. Dat heb ik hem indertijd beloofd."

Hij had het mandje, dat hij als iets zeldzaams en breekbaars, voorzichtig tusschen zijn groote, knokige handen hield, op zijn knieën gezet.

"O, de beroemde vijgen van uw vijgeboom! Dat is waar, zij zijn louter honig. Maar houd die mand toch niet op uw knieën. Geef maar hier, dan zet ik ze zoo lang in de kap."

Maar hij verdedigde ze, wilde er absoluut niet van scheiden.

"Duizendmaal dank, duizendmaal dank!... Die vijgen hinderen me heelemaal niet, zij staan hier heel goed; ik ben er tenminste nu zeker van, dat er niets mede gebeuren kan."

Prada, die Pierre met zijn schouder een stootje gaf, had veel pleizier in dezen hartstocht van Santobono voor de vruchten van zijn tuin. Weer vroeg hij:

"En houdt de kardinaal veel van uw vijgen?"

"Ja, mijnheer de graaf, Zijne Eminentie is wel zoo goed ze heerlijk te vinden. Toen hij vroeger 's zomers in Frascati logeerde, wilde hij ze van geen anderen boom eten. U begrijpt wel, dat ik, nu ik eenmaal zijn smaak ken, hem graag een pleizier doe."

Maar hij had een zoo scherpen blik op Pierre geworpen, dat de graaf zich verplicht gevoelde ze aan elkaar voor te stellen.

"Mijnheer de abbé Froment logeert al een maand in den palazzo Boccanera."

"Ik weet het, ik weet het!" zeide Santobono met de grootste kalmte. "Ik heb den abbé bij Zijne Eminentie gezien, toen ik de vorige maal vijgen bracht. Maar toen waren zij niet zoo rijp. Deze zijn prachtig."

Hij wierp een liefdevollen blik op het mandje, dat hij nog steviger in zijn groote, met rosachtig haar bedekte vingers scheen te drukken. Er volgde een stilte. Dan vroeg, zonder eenigen overgang, heel plotseling Prada:

"En is de paus al dood, mijnheer de pastoor?"

Santobono schrok zelfs niet.

"Ik hoop, dat Zijne Heiligheid nog vele dagen tot heil der Kerk leven zal," zeide hij eenvoudig.

"Dan hebt u vanochtend zeker goede berichten gehoord bij uw bisschop, kardinaal Sanguinetti?"

Ditmaal kon de pastoor een lichte rilling niet onderdrukken. Had men hem dan gezien? In zijn haast had hij 's ochtends de twee wandelaars, die achter hem geloopen hadden, niet eens opgemerkt.

"O," antwoordde hij, zich dadelijk herstellend, "we weten nooit precies of de berichten goed of slecht zijn... Het schijnt, dat Zijne Heiligheid een vrij slechten nacht heeft gehad, en ik hoop vurig, dat de volgende beter zijn zal."

Hij scheen even na te denken en voegde er dan aan toe:

"Maar mocht God het oogenblik gekomen achten om Zijne Heiligheid tot zich te roepen, dan zou Hij zijn kudde niet zonder herder achterlaten, maar reeds den pontifex maximus van morgen aangewezen hebben."

Dit antwoord scheen Prada nog vroolijker te maken.

"U bent buitengewoon naïef, abbé... Gelooft u heusch, dat de pausen zoo door Gods genade ontstaan? De paus van morgen wordt boven benoemd, niet waar? En nou wacht hij heel kalm af! Ik voor mij dacht, dat ook de menschen zich er wel eens mede bemoeiden... Maar misschien weet u reeds wie de door de goddelijke genade vooruit gekozen paus is!"

Hij ging met zijn goedkoope, ongeloovige grappen voort, die echter den priester volkomen kalm deden blijven. Hij begon zelfs te lachen, toen de graaf hem met een toespeling op den hartstocht, waarmede het speelzieke volk van Rome bij ieder conclave op den waarschijnlijk gekozene wedde, zeide, dat er voor hem een fortuin mede te winnen zou zijn, als hij het geheim van God kende. Dan spraken zij over de drie witte soutanes van verschillende grootte, die steeds in een kast van het Vaticaan hingen: zou men ditmaal de groote, de kleine of de middelste moeten gebruiken? Bij de minste ernstige ziekte van den regeerenden paus ontstond er een hevige opwinding, een opleven van alle eerzuchten, alle intriges, zoodat niet alleen in de zwarte kringen, maar in de geheele stad over niets anders gesproken, over niets anders gedacht werd dan over de kansen der kardinalen, die het meest in aanmerking kwamen. Aan voorspellingen omtrent den opvolger geen gebrek!

"Nu u het weet, moet u mij beslist zeggen, wie het is!" begon Prada weer. "Is het kardinaal Moretta soms?"

Ondanks zijn blijkbaren wil, om waardig en onpartijdig te blijven, zooals het een goed en vroom priester betaamt, wond Santobono zich langzamerhand op en liet hij zich door zijn hartstocht medesleepen. Dit uitvragen deed hem heelemaal zijn kalmte verliezen; hij kon zich niet meer inhouden.

"Moretta, kom nou. Die is aan heel Europa verkocht!"

"Kardinaal Bartolini dan?"

"Hoe komt u er bij?... Bartolini! Die heeft zijn geheele leven niets anders gedaan dan willen en nooit iets krijgen!"

"Dan zeker kardinaal Dozio?"

"Dozio! Dozio! Wanneer Dozio paus werd, zou het met onze Heilige Kerk gedaan zijn, want er bestaat geen lagere en hoogere geest dan hij!"

Prada haalde zijn schouders op, alsof hij nu geen ernstige candidaten meer kende. Hij schepte er een boosaardig genoegen in om kardinaal Sanguinetti, ongetwijfeld den candidaat van den pastoor, niet te noemen, om dezen nog meer op te winden. Dan scheen hij plotseling het ware getroffen te hebben en riep vroolijk:

"Ha, nu ben ik er achter. Ik weet uw man... Kardinaal Boccanera!"

Santobono was midden in zijn hart, in zijn wrok, in zijn patriotisch geloof getroffen. Reeds ging zijn vreeselijke mond open en wilde hij een krachtig: "Neen, neen!" roepen, maar het gelukte hem nog juist dien kreet in te houden; zwijgend hield hij op zijn knieën zijn geschenk, het kleine mandje vijgen, dat zijn handen tot brekens toe drukten; de krachtsinspanning, die hij zich getroosten moest, deed hem zóó beven, dat hij even wachten moest, voor hij kalm antwoorden kon:

"Zijne eerwaarde Eminentie kardinaal Boccanera is een vroom man, die den troon zeker waardig is; alleen zou ik bang zijn, dat hij in zijn haat tegen ons nieuw Italië een oorlog zou brengen."

Maar Prada wilde de wonde nog erger maken.

"Maar dezen aanvaardt u tenminste toch! U houdt te veel van hem, om u niet over zijn kansen te verheugen. Ik geloof, dat we ditmaal dicht bij de waarheid zijn, want iedereen is overtuigd, dat het conclave geen anderen benoemen kan... Hij is heel lang, dus zal de groote witte soutane dienst moeten doen."

"De groote soutane, de groote soutane," bromde Santobono onwillekeurig, "wanneer ten minste niet..."

Hij voltooide zijn zin niet, was zijn hartstocht weer meester. Pierre, die zwijgend luisterde, was ten hoogste verwonderd, want hij herinnerde zich het gesprek, dat hij bij kardinaal Sanguinetti afgeluisterd had. Blijkbaar waren de vijgen slechts een voorwendsel, om in den palazzo Boccanera te komen, waar een vertrouwde, abbé Paparelli ongetwijfeld, alleen zekere inlichtingen geven kon aan zijn ouden kameraad. Maar welk een zelfbeheersching bezat deze geëxalteerde!

De Campagna bleef aan beide zijden van den weg haar grasvlakten tot in het oneindige voortzetten; Prada, die ernstig geworden was en blijkbaar in gepeins was verzonken, keek ernaar, zonder echter iets te zien. Hardop zette hij zijn gepeins voort.

"Ik weet natuurlijk, wat men zeggen zal, als hij ditmaal sterft... Die plotselinge ongesteldheid, die kolieken, dat geheimzinnige zwijgen... Ja, zeker, vergif, net als bij alle anderen."

Pierre schrok heftig. De paus vergiftigd!

"Wat, vergif? Alweer?" riep hij uit.

Ontzet keek hij de twee anderen aan. Vergif als in de tijden der Borgia's, zooals in een romantisch drama! Het leek hem afschuwlijk en belachelijk tegelijk!

Santobono, wiens gezicht onbeweeglijk en ondoordringbaar geworden was, antwoordde niet. Maar Prada schudde zijn hoofd en het gesprek ging nu nog slechts tusschen hem en den jongen priester.

"Ja zeker, weer vergif... Te Rome is de vrees daarvoor nog steeds groot gebleven. Zoodra er voor een sterfgeval geen natuurlijke verklaring te geven is, zoodra dat wat plotseling of onder tragische omstandigheden plaats grijpt, is altijd de eerste gedachte, roept iedereen altijd eerst: "Vergif!" Voeg daarbij, dat er, voor zoover ik weet, geen enkele stad bestaat, waar zooveel plotselinge sterfgevallen voorkomen--waarom dat weet ik niet, koorts zegt men... Ja zeker, het vergif met zijn geheele legende, het vergif, dat doodt als een bliksemstraal en geen spoor achterlaat, het beroemde recept, dat van eeuw tot eeuw overgeleverd is--vanaf de keizers en de pausen tot in onze democratische dagen..."

Toch glimlachte hij ten slotte zelf een weinig skeptisch over dezen heimelijken, uit ras en opvoeding voortvloeienden angst. De Romeinsche matronen wisten zich indertijd door het vergif van een rooden pad te bevrijden van haar echtgenooten of minnaars. Locusta [24] was praktischer en kookte een vergif van planten, waarschijnlijk den wolfswortel. Na de Borgia's verkocht Toffana te Napels in met het beeld van den Heiligen Nicolaas van Bari versierde fleschjes een beroemd water, waarvan het hoofdbestanddeel ongetwijfeld arsenicum was. Er liepen verhalen omtrent naalden met plotseling doodende steken, omtrent een beker wijn, dien men vergiftigde door er een roos in te ontbladeren, omtrent een snip, die met een geprepareerd mes in tweeën gesneden werd en waarvan de vergiftigde helft een der beide dischgenooten doodde.

"Ik zelf heb in mijn jeugd een vriend gehad, wiens bruid op haar huwlijksdag in de kerk dood neergevallen is, alleen omdat zij aan een bouquet rook... Waarom zouden we dan niet gelooven, dat het beroemde recept werkelijk overgeleverd en aan eenige ingewijden bekend gebleven is."

"Omdat de scheikunde te groote vorderingen gemaakt heeft," antwoordde Pierre. "De ouden geloofden alleen aan mysterieuse giffen, omdat zij alle middelen voor analyse misten. Tegenwoordig zou het vergif der Borgia's den onnoozele, die er zich van zou willen bedienen, regelrecht naar de rechtbank brengen. Het zijn allemaal bakerpraatjes en zelfs de eenvoudigste menschen dulden ze bijna niet meer in feuilletons."

"Wat mij betreft," zeide de graaf met een verlegen glimlachje, "wil ik graag toegeven, dat u gelijk hebt. Maar zeg datzelfde bijvoorbeeld eens aan uw gastheer, kardinaal Boccanera, die een ouden, hartelijk geliefden vriend van hem, monsignor Gallo, in zijn armen gehouden heeft, toen hij verleden jaar binnen twee uren stierf."

"Een beroerte kan in twee uur doodelijk zijn, een slagadergezwel zelfs in twee minuten."

"Dat is zoo, maar vraag hem eens, wat hij bij de lange rillingen, het loodkleurige gelaat, de holle oogen, het door angst vertrokken gelaat, waarin hij zijn vriend niet meer herkende, gedacht heeft. Hij is er ten volle van overtuigd, dat monsignor Gallo vergiftigd is, omdat hij zijn vertrouweling was, zijn raadsman, wiens verstandige adviezen de overwinning waarborgden."

Pierre's verbazing werd steeds grooter. Hij wendde zich direct tot Santobono, wiens irriteerende onbeweeglijkheid hem prikkelde.

Geen spier van den priester bewoog. Hij hield zijn dikke, heftige lippen dicht op elkaar geklemd en wendde zijn donkere, vlammende oogen geen oogenblik af van Prada, die steeds meer voorbeelden gaf. En monsignor Nazzarelli dan, dien men verschrompeld en verkalkt als een stuk kool in zijn bed gevonden had. En monsignor Brando, die onder den Vesper in de sacristie, toen hij zijn priesterornaat nog aan had, dood tegen den grond geslagen was?

"Ach, lieve God!" zuchtte Pierre, "u zult mij nog zooveel vertellen, dat ik ook bang word en niets anders dan zacht gekookte eieren in uw verschrikkelijk Rome zal durven eten!"

Deze boutade wekte den graaf en hem even op. Maar waarlijk door hun gesprek rees een verschrikkelijk Rome voor hem op--de eeuwige stad van de misdaad, van den dolk en van het gif, de stad, waarin sedert meer dan twee duizend jaar, sedert den eersten steen van den muur, de begeerte naar macht, de woeste bezit- en genotzucht de handen gewapend, de straten met bloed gekleurd en slachtoffers in den Tiber of in de aarde geworpen had. Moorden en vergiftigingen onder de keizers, vergiftigingen en moorden onder de pausen--dezelfde vloed van gruwelen stuwde de dooden in de verheven glorie der zon over dezen tragischen bodem voort.

"Hoe het zij," begon de graaf weer, "voorzichtig zijn kan nooit kwaad. Men zegt, dat meer dan één kardinaal beeft en wantrouwen koestert. Ik ken er een, die niets anders eet dan vleesch, dat zijn kok koopt en klaar maakt. En wanneer de paus bang is..."

Weer ontsnapte Pierre een kreet van schrik.

"Wat, de paus zelfs? Is de paus bang voor vergif?"