De drie steden: Rome

Part 42

Chapter 423,873 wordsPublic domain

Was de helft van Europa niet van hem? Frankrijk, Spanje en Oostenrijk zouden toegeven, zoodra zij zagen dat hij machtig was en de wereld de wetten voorschreef. Duitschland en Engeland en alle Protestantsche naties zouden onvermijdelijk veroverd worden, daar het pausdom de eenige dam is, dien men tegen de dwaling kon oprichten en waartegen deze zich eenmaal te pletter zou loopen. Desniettemin had hij zich op politiek gebied voor Duitschland verklaard, want hij meende, dat Frankrijk verpletterd moest worden, om zich in de armen van den Heiligen Vader te werpen. Zoo botsten in dit warhoofd, waarin de gedachten brandden, en door de aangeboren ruwheid van het ras gauw tot geweld overgingen, al die tegenstrijdige ideeën en dolzinnige phantasieën tegen elkaar. Hij was een barbaar uit het Evangelie, een vriend van de nederigen en armen, een lid van de familie van die geëxalteerde sectarissen, die tot groote deugden en tot groote misdaden in staat zijn.

"Ja," ging Prada voort, "hij heeft zich nu met hart en ziel aan kardinaal Sanguinetti gegeven, omdat hij in dezen den grooten paus, den paus van morgen zag, die van Rome de eenige hoofdstad van alle volken moet maken. En ook dat gaat natuurlijk met een eerzuchtige bedoeling gepaard, misschien kan hij bijvoorbeeld den titel van kanunnik veroveren of zich bij de kleine onaangenaamheden, die het leven nu eenmaal medebrengt, laten helpen, zooals wanneer hij zijn broeder uit de gevangenis redden moet. Men zet zijn kans op een kardinaal, zooals men op een terno [22] in een loterij zet; als de kardinaal er als paus uitkomt, win je een fortuin... Daarom ziet u hem daar met zulke groote passen loopen, hij wil zoo gauw mogelijk weten of Leo XIII sterven en zijn terno met Sanguinetti als paus eruit komen zal..."

"Gelooft u werkelijk, dat de paus zoo ziek is?" vroeg Pierre ongerust.

"Wie kan dat zeggen?" antwoordde de graaf glimlachend. "Zij zijn allemaal ziek, wanneer ze daar belang bij hebben. Maar ik geloof wel, dat hij ziek is, een ingewandsstoring zegt men, en op zijn leeftijd kan de minste ziekte noodlottig worden."

Zwijgend liepen zij eenige passen verder; dan vroeg Pierre weer:

"Zou dan, wanneer de Heilige Stoel vacant mocht worden, kardinaal Sanguinetti groote kans hebben?"

"Groote kans! Groote kans! Dat is ook weer een van die dingen, die niemand weet. Waar is, dat hij tot de mogelijke candidaten behoort; en wanneer het verlangen om paus te worden voldoende was, dan zou Sanguinetti zeker de toekomstige paus zijn, want de eerzucht verteert hem tot op zijn beenderen. Het is zelfs zijn groote zwakheid, want hij raakt uitgeput en hij voelt dat. Hij moet dan ook voor de laatste dagen van den strijd tot alles besloten zijn. U kunt er zeker van zijn, dat, wanneer hij zich op dit kritieke oogenblik hier teruggetrokken heeft, hij dat alleen doet, om van verre beter den strijd te leiden."

En hij weidde verder uit over Sanguinetti, voor wien hij om zijn intriges, zijn grimmigen veroveringslust en zijn buitengewoon groote activiteit een zekere sympathie koesterde. Hij had hem na zijn terugkeer van de nuntiatuur te Weenen leeren kennen als iemand, die buitengewoon ervaren en toen reeds vast besloten was de hand op de tiara te leggen. Deze eerzucht verklaarde alles, zijn oneenigheden en zijn verzoeningen met den regeerenden paus, zijn liefde voor Duitschland, die door een plotselinge zwenking naar Frankrijk gevolgd werd, zijn wisselende houding ten opzichte van Italië: eerst het verlangen naar een goede verstandhouding, dan een volmaakte intransigentie, waarbij hij van geen concessie wilde hooren, zoolang Rome niet ontruimd was. Daaraan scheen hij te willen blijven vasthouden, want hij deed, alsof hij de politiek van Leo XIII betreurde en een gloeiende bewondering koesterde voor Pius IX, den grooten, heldhaftigen paus van het verzet, wiens goed hart een onwankelbare vastheid van wil niet buitensloot. Dat moet beteekenen, dat hij in de Kerk, die van geen gevaarlijk, politiek schipperen mocht weten, de gulle eenvoudigheid zonder zwakheid zou herstellen. Toch droomde hij in den grond der zaak van niets dan politiek, hij moest al een heel programma opgemaakt hebben, dat hij opzettelijk vaag hield, maar dat door zijn beschermelingen en protégés met een soort mysterieuse extase verspreid werd.

Sedert een vorige ongesteldheid van den paus, die reeds van het voorjaar dateerde, leefde hij in een doodelijke ongerustheid, want het gerucht ging, dat de Jezuïeten, hoewel kardinaal Boccanera volstrekt niet op hun hand was, er zich bij neergelegd hadden dezen te steunen. Ongetwijfeld was deze laatste overdreven en gevaarlijk vroom in deze eeuw van verdraagzaamheid; maar behoorde hij niet tot het patriciaat, zou zijn verkiezing niet een teeken zijn, dat het pausdom nooit af zou zien van de wereldlijke macht? Van dat oogenblik af was Boccanera in de oogen van Sanguinetti de meest te duchten man geworden; hij leefde bijna niet meer, voelde zich reeds beroofd, bracht zijn tijd met niets anders door dan met het zoeken naar combinaties, om zich van dien almachtigen tegenstander te ontdoen. Hij ontzag zich niet de lasterpraatjes te verspreiden, dat kardinaal Boccanera Benedetta en Dario één bed liet deelen, hield niet op hem af te schilderen als den Antichrist, wiens regeering de vernietiging van het pausdom ten gevolge zou hebben.

Zijn laatste combinatie, om zich den steun der Jezuïeten te verzekeren, was, dat hij door zijn vrienden liet uitbazuinen, dat hij niet alleen het principe van de wereldlijke macht zou hooghouden, maar dat hij zich verbond die macht weer te heroveren. Hij had daarvoor al een heel plan, dat men elkaar in het oor fluisterde--een ondanks enkele schijnbare concessies tot een zekere overwinning leidend, in zijn resultaten verpletterend plan: hij wilde den Katholieken niet langer verbieden te stemmen en candidaten te zijn, naar de Kamer honderd, dan tweehonderd, eindelijk driehonderd leden zenden, vervolgens de monarchie van Savoye van den troon stooten, om een soort reusachtige federatie der Italiaansche provincies te vormen, waarvan de alsdan weer in het bezit van Rome gekomen paus de verheven en souvereine voorzitter worden zou.

Toen Prada met zijn verhaal gereed was, begon hij weer te lachen, terwijl hij zijn witte tanden liet zien, die er al heel weinig uitzagen, om een buit los te laten.

"U ziet, dat wij ons goed verdedigen moeten, want hij wil er ons uitwerpen. Gelukkig bestaan er nog hinderpalen voor dergelijke dingen. Maar zulke phantasieën hebben toch altijd een grooten invloed op sommige overspannen geesten zooals op dien van Santobono bijvoorbeeld. Dit is er een, dien Sanguinetti zou kunnen brengen waar hij wil... Hij heeft goede beenen. Kijk eens naar boven. Hij is al bij het kleine paleis van den kardinaal, die heele witte villa met gebeeldhouwde balkons."

Inderdaad zag men het kleine paleis, een der eerste huizen van Frascati, een modern gebouw in Renaissance-stijl, dat uitzag op de uitgestrekte vlakte der Campagna romana.

Het was elf uur en toen Pierre afscheid nam van den graaf, om zelf zijn opwachting te gaan maken bij den kardinaal, hield de graaf de hand van den jongen priester een oogenblik in de zijne.

"Als u mij een genoegen wilt doen, dan moet u met mij dejeuneeren... Wilt u? Kom dan, zoodra u vrij bent, in het restaurant daar met dien rozen gevel. Binnen een uur ben ik klaar met mijn zaken en ik zou het prettig vinden, als ik niet alleen behoefde te dejeuneeren."

Eerst weigerde Pierre, maar hij kon geen enkel geldig excuus vinden, zoodat hij eindelijk moest toegeven, ondanks zichzelf door de vriendelijke manieren van Prada ingepalmd. Pierre behoefde slechts een straat door te loopen, om bij het paleis van den kardinaal te komen. Deze was altijd makkelijk te naderen, deels uit een behoefte om zich te uiten, deels uit berekening, omdat hij gaarne den populairen man uit wilde hangen. Vooral te Frascati gingen de deuren wijd open, zelfs voor de eenvoudigste soutane. De jonge priester werd dan ook dadelijk toegelaten; hij was over die ontvangst een weinig verbaasd, daar hij zich nog den slecht geluimden knecht te Rome herinnerde, die hem de reis afgeraden had, daar Zijne Eminentie er niet van hield gestoord te worden, wanneer hij ziek was. Maar in werkelijkheid was er geen sprake van ziekte, want alles in die vriendelijke, door zon overstroomde villa glimlachte en glansde. De wachtkamer, waarin men hem alleen gelaten had, was met afschuwlijk rood fluweelen meubelen voorzien en zonder eenige luxe of comfort; maar zij werd opgevroolijkt door het mooiste licht der wereld en zag uit op die buitengewone, zoo kale en vlakke Campagna, die in de voortdurende luchtspiegeling van het verleden een onvergelijkelijke droomschoonheid bezat. Hij ging dan ook, in afwachting, dat hij bij den kardinaal toegelaten zou worden, voor een der wijd openstaande en op het balkon uitkomende ramen staan kijken naar de eindelooze zee van weiden tot aan het in de verte wit schemerende Rome, waarboven de dom van de St. Pieter als een kleine fonkelende vlek, niet grooter dan de nagel van een pink, uitstak.

Hij stond er nauwlijks, toen enkele woorden van een gesprek, dat blijkbaar in de nabijheid gevoerd werd, duidelijk tot hem doordrongen. Hij boog zich wat voorover en begreep al heel gauw, dat het Zijne Eminentie zelf was, die op een balkon er naast met een priester, van wiens soutane hij slechts een stukje zag, stond te praten. Maar hij had onmiddellijk Santobono herkend. Zijn eerste opwelling was zich uit discretie te verwijderen, doch dan bleef hij door de woorden, die hij opving, toch staan.

"Wij zullen het dadelijk hooren," zeide Zijne Eminentie met zijn brommende stem. "Ik heb Eufemio naar Rome gestuurd. Hij is de eenige, dien ik vertrouwen kan. Daar komt de trein al."

Inderdaad was op de uitgestrekte vlakte een trein te zien, klein nog als een stuk kinderspeelgoed. Blijkbaar was kardinaal Sanguinetti op het balkon gaan staan, om ernaar te kijken.

Santobono sprak hartstochtelijk eenige woorden, die Pierre slechts half verstaan kon. Maar onmiddellijk daarop ging de kardinaal duidelijk voort.

"Ja zeker, mijn waarde, een catastrophe zou een groot ongeluk zijn. Moge God Zijne Heiligheid nog lang voor ons sparen..."

Hij hield even op en voltooide dan, daar hij niet huichelen kon, zijn gedachte.

"Tenminste in dit oogenblik, want het is een slechte tijd. Ik leef in verschrikkelijken angst, want de aanhangers van den Antichrist hebben in den laatsten tijd veel terrein gewonnen."

Een kreet ontsnapte Santobono.

"O, Uwe Eminentie zal handelen, zal overwinnen!"

"Ik, mijn waarde? Maar wat wil je, dat ik doe? Ik stel mij slechts ter beschikking van mijn vrienden, van hen, die, alleen voor den triomf van den Heiligen Stoel, in mij gelooven. Zij moeten handelen, een ieder moet naar de krachten, die hem gegeven zijn, medewerken om den slechten den weg te versperren, zoodat de goeden overwinnen... O, als de Antichrist regeert..."

Dit ook nu weer terugkeerend woord "Antichrist" maakte Pierre ongerust. Plotseling herinnerde hij zich, wat de graaf hem gezegd had: de Antichrist was kardinaal Boccanera.

"Stel je voor, mijn waarde, de Antichrist op het Vaticaan! Hij zal met zijn onverzoenlijken trots, met zijn ijzeren wil, met zijn krankzinnigen zucht naar het Niet de verwoesting van den godsdienst voltooien; want er is geen twijfel mogelijk; hij is het door de profetieën voorspelde beest des doods, dat in zijn woesten loop naar de donkerte van den afgrond alles met zich dreigt te verslinden. Ik ken hem; hij heeft geen ander ideaal dan hardnekkig volhouden en vernietigen; hij zal de zuilen van den tempel omvatten en ze schudden en uit haar voegen rukken, om zich en het geheele Katholicisme daaronder te begraven. Ik geef hem geen zes maanden, dan is hij al uit Rome verjaagd, in onmin met alle volkeren, vervloekt door Italië, en sleept het wandelende spook van den laatsten paus door de wereld."

Een dof gebrom, een gesmoorde vloek van Santobono was het antwoord op deze vreeselijke voorspelling. Maar de trein was aan het station aangekomen, en onder de weinige reizigers, die uitstapte, zag Pierre een kleinen abbé, die zoo hard liep, dat zijn soutane tegen zijn kuiten sloeg. Het was abbé Eufemio, de secretaris van den kardinaal. Toen hij dezen op het balcon zag staan, liet hij alle voorzichtigheid varen en begon hij hard de hellende straat af te loopen.

"Ha, daar is Eufemio!" riep Zijne Eminentie bevend van angst uit. "Eindelijk zullen we het weten! Eindelijk zullen we het weten!"

De secretaris was zoo hard de trappen opgevlogen, dat Pierre hem bijna onmiddellijk daarna ademloos door de wachtkamer zag stormen en in het vertrek van den kardinaal verdwijnen. Deze had het balkon verlaten, om zijn boodschapper tegemoet te gaan; maar dadelijk kwam hij er onder drukke vragen en haastige antwoorden weer terug.

"Dus het is zoo, hij heeft een slechten nacht gehad. Zijne Heiligheid heeft geen oog dicht gedaan... Kolieken, zeggen ze? Maar dat kan op zijn leeftijd binnen twee uur den dood beteekenen... En wat zeggen de doktoren?"

Het antwoord drong niet tot Pierre door, maar hij kon het opmaken uit de woorden van den kardinaal:

"O, die doktoren weten nooit wat! Trouwens, wanneer zij niets meer zeggen willen, beteekent dit, dat de dood niet ver meer is... Lieve God, wat een ramp, wanneer de catastrophe niet enkele dagen uitgesteld kan worden!"

Hij zweeg en Pierre voelde, hoe de oogen van den kardinaal weer rustten op Rome, hoe hij met al zijn eerzuchtigen angst staarde naar den dom van de St. Pieter, de kleine, fonkelende plek, niet grooter dan de nagel van een pink, te midden van de eindelooze, rossige vlakte. Welk een onrust, welk een opwinding, als de paus dood was. Hij had niets liever gewild dan zijn arm uitstrekken, om de Eeuwige Stad, de Heilige Stad, die aan den horizont niet meer plaats innam dan een door een kinderschop neergegooide hoop kiezelzand, in de holte van zijn hand te nemen. Reeds droomde hij van het conclave, wanneer de troonhemels van de andere kardinalen zouden dalen en de zijne alleen, onbeweeglijk en majestueus hem met het purper zou kronen.

"Maar je hebt gelijk, mijn waarde," riep hij uit, "we moeten handelen, het is voor het heil van de Kerk... En bovendien, het is niet mogelijk, dat de hemel niet met ons is, die alleen zijn triomf willen. Als het moet, zal hij op het uiterste oogenblik den Antichrist weten te verpletteren."

Toen voor het eerst verstond Pierre duidelijk Santobono, die met een ruwe stem en woeste vastberadenheid zeide:

"O, als de hemel talmt, zullen wij hem helpen!"

Dat was alles; daarna hoorde hij niets meer dan een verward gemompel. Het balkon was leeg en Pierre begon weer te wachten in den zonnigen, kalmen en kostelijk-vroolijken salon. Plotseling ging de deur van de studeerkamer wijd open en diende een knecht hem aan. Tot zijn verwondering vond hij den kardinaal alleen, zonder dat hij de beide priesters had zien vertrekken: zij waren door een andere deur weggegaan.

In het heldere licht stond de kardinaal met zijn blozend gezicht, zijn grooten neus, zijn dikke lippen en zijn ondanks zijn zestig jaren jeugdig-flinke en krachtige gestalte bij een der ramen. Om zijn lippen speelde weer het vaderlijk glimlachje, waarmede hij uit politiek zelfs de meest eenvoudige menschen ontving. Zoodra Pierre gebogen en zijn ring gekust had, wees hij hem een stoel aan.

"Ga zitten, mijn zoon, ga zitten... Ja, ge komt voor die ongelukkige geschiedenis met uw boek. Ik ben heel blij daar eens met u over te kunnen praten."

Zelf was hij ook gaan zitten bij het op Rome uitziend raam, waarvan hij zich niet scheen te kunnen verwijderen. Toen de priester zich verontschuldigde, dat hij hem in zijn rust kwam storen, merkte hij op, dat de kardinaal nauwlijks naar hem luisterde, doch zijn blikken weer strak gericht hield op den zoo vurig begeerden buit. Toch behield hij den uiterlijken schijn, alsof hij een en al aandacht was, en Pierre was verwonderd over de wilskracht, die deze man moest hebben, om zoo kalm en belangstellend in de zaken van anderen te schijnen, terwijl zoo'n stormwind in hem loeide.

"Uwe Eminentie is dus wel zoo goed, mij niet kwalijk te nemen..."

"Integendeel, u hebt er heel goed aan gedaan hier te komen, nu mijn gezondheidstoestand mij vooreerst nog wel zal beletten naar Rome terug te gaan... Ik voel me al wat beter, en het is heel natuurlijk, dat u mij inlichtingen geven, uw boek verdedigen en mijn oordeel wat verhelderen wilt... Ik heb me er zelfs al over verwonderd, dat ik u niet eerder gezien heb, want ik weet, dat uw geloof krachtig is en dat u geen moeite ontziet, om uw rechters te bekeeren... Spreek, mijn zoon, ik luister naar u met al de vreugde, die het mij geven zou, als ik u vrij zou kunnen spreken."

Pierre liet zich door die welwillende woorden vangen. Een nieuwe hoop ontwaakte in hem, dat hij den almachtigen praefect van den Index voor zich zou kunnen winnen. Hij beschouwde dezen voormaligen nuntius, die eerst te Brussel en later te Weenen de wereldlijke kunst geleerd had menschen tevreden van zich te laten gaan, door hun alles te beloven, maar nooit iets te doen, reeds als hoogst intelligent en buitengewoon goedhartig. Nog eenmaal vond hij dan ook zijn apostelgeestdrift terug, om zijn denkbeelden over het Rome van morgen, het Rome van zijn droomen, dat opnieuw de meesteres der wereld worden zou, wanneer het tot het Christendom van Jezus, tot de vurige liefde voor armen en nederigen zou terugkeeren.

Sanguinetti glimlachte, schudde zacht zijn hoofd en riep verrukt uit:

"Heel goed, heel goed! Voortreffelijk!... Ik denk als gij, mijn waarde zoon. Meer kan ik niet zeggen... Maar u bent hier in gezelschap van alle goede geesten."

Bovendien werd hij zeer getroffen door den poëtischen kant der zaak, zooals hij zeide. Ongetwijfeld uit rivaliteit ging hij, evenals Leo XIII, graag voor een goed Latinist door; vooral voor Virgilius had hij een bijzondere liefde opgevat.

"Ik weet het, ik weet het... o, ik heb die passage over de terugkeerende lente, die de door den winter verstijfde armen komt troosten, wel driemaal gelezen. Weet u wel, dat uw boek vol Latijnsche wendingen is? Ik heb bij u meer dan vijftig uitdrukkingen genoteerd, die men in de Eclogae [23] zou terugvinden. Een bekoorlijk boek, werkelijk bekoorlijk!"

Daar hij allesbehalve dom was en heel goed voelde, dat er in dezen eenvoudigen priester een groot intellect stak, begon hij langzamerhand belang te stellen--niet in hem, maar in het voordeel, dat hij misschien uit hem zou kunnen trekken. In zijn intrigenwoede was de eenige gedachte, die hem steeds bezig hield, uit anderen, uit de creaturen, die God hem toezond, alles te halen, wat zij medebrachten, dat nuttig kon zijn voor zijn eigen triomf. Hij wendde een oogenblik zijn blikken van Rome af en keek zijn bezoeker aan, luisterde naar hem, terwijl hij zich afvroeg, waarvoor hij hem wel òf dadelijk, in de crisis, die hij nu doormaakte, òf later, wanneer hij paus zou zijn, zou kunnen gebruiken. Maar de priester beging nogmaals de fout een aanval te doen op de wereldlijke macht van de Kerk en de ongelukkige woorden: "nieuwe godsdienst" uit te spreken.

De nog altijd glimlachende kardinaal viel hem met een gebaar in de rede, zonder iets van zijn vriendelijkheid te verliezen, ofschoon zijn reeds lang genomen besluit thans onherroepelijk vast stond.

"Zeker, mijn zoon, gij hebt op verscheidene punten groot gelijk, en ik ben het in vele opzichten volkomen met u eens. Maar zie eens, gij weet blijkbaar niet, dat ik hier de beschermer van Lourdes ben. Hoe kunt u na de passage, die u over de Grot geschreven hebt, willen, dat ik mij voor u en tegen de Paters uitspreek?"

Pierre werd door dit feit, dat hij inderdaad niet wist, geheel terneergeslagen. Niemand had de voorzorg genomen hem daaromtrent in te lichten. Te Rome hebben alle Katholieke werken als beschermers een door den Heiligen Vader daarvoor aangewezen kardinaal, die het moet vertegenwoordigen en zoo noodig als verdediger daarvan optreden moet.

"Die goede Paters!" ging Sanguinetti op zachten toon voort; "u hebt hun veel verdriet gedaan. Werkelijk, onze handen zijn gebonden en wij kunnen hun kommer niet nog grooter maken... Als u eens wist hoeveel missen zij ons zenden! Zonder hen zou meer dan één van onze arme priesters van honger sterven."

Er bleef niets anders over dan zich erbij neer te leggen. Weer stootte Pierre op die geldquaestie, op die noodzakelijkheid, waarin de Heilige Stad zich bevond, om zijn budget in goede en slechte jaren te verzekeren. Altijd was het weer de slavernij van den paus, dien het verlies van Rome van de regeeringszorgen bevrijd had, maar de gedwongen dankbaarheid voor de ontvangen aalmoezen toch nog steeds aan de aarde bond. De behoeften waren zoo groot, dat het geld alles beheerschte, de souvereine macht was, waarvoor alles aan het Romeinsche Hof zich boog.

Sanguinetti stond op ten teeken, dat het onderhoud afgeloopen was.

"Maar wanhoop niet, mijn zoon," ging hij met warmte voort. "Ik heb alleen maar over mijn eigen stem te beschikken, maar ik beloof u, dat ik rekening houden zal met de uitmuntende toelichting, die ge mij gegeven hebt... En wie weet? Als God met u is, zal Hij u redden, zelfs tegen onzen wil!"

Dat was zijn gewone taktiek; hij had als principe de menschen nooit tot het uiterste te drijven door ze zonder eenige hoop weg te zenden. Waartoe diende het hem te zeggen, dat de veroordeeling van zijn boek een fait accompli was en dat het de verstandigste weg zijn zou het te verloochenen? Alleen een woesteling als die Boccanera blies de woede over deze vurige zielen en zette ze daardoor nog meer tot verzet aan.

"Blijf hopen, blijf hopen!" herhaalde hij glimlachend, terwijl hij den schijn aannam, alsof hij zinspeelde op een menigte gelukkige dingen, die hij echter niet zeggen kon.

Diep ontroerd, voelde Pierre zich als het ware herleven. Hij vergat zelfs het gesprek, dat hij afgeluisterd had, de grimmige eerzucht, de doffe woede tegen den gevreesden mededinger. En bovendien kon bij de machtigen de geest niet de plaats van het hart innemen? Indien deze eenmaal paus was en alles begrepen had, zou hij dan niet de verwachte paus kunnen zijn, die de taak op zich nam de Kerk der Vereenigde Staten van Europa, de geestelijke heerscheresse der wereld, te organiseeren? Hij dankte hem ontroerd, boog en liet hem voor dit wijdgeopende raam, vanwaar Rome hem uit de verte in den glans der herfstzon tegenflonkerde als een kostbaar kleinood, de tiara van goud en edelgesteenten, over aan zijn droomen.

Het was bijna één uur, toen Pierre en graaf Prada eindelijk konden gaan dejeuneeren aan een der kleine tafeltjes van het restaurant, waar zij elkaar rendez-vous gegeven hadden. Beiden hadden zich door hun zaken verlaat. Maar de graaf scheen zeer opgewekt te zijn, daar hij moeilijke quaesties tot zijn voordeel geregeld had, terwijl de priester zelf, weer door nieuwe hoop vervuld, zich geheel overgaf aan de kostelijke levensvreugde van dezen laatsten mooien dag. Het dejeuner in de groote, lichte, in blauwe en rose tinten geschilderde, in dezen tijd van het jaar geheel verlaten zaal, was dan ook buitengewoon opgewekt. Amortjes vlogen over de zoldering, landschappen, die uit de verte aan de Romeinsche Kasteelen deden denken, versierden de muren. Zij aten alleen koude schotels en dronken den beroemden Frascatiwijn, die een brandenden grondsmaak had, alsof de vroegere vulkanen iets van hun vuur in den bodem achtergelaten hadden.