De drie steden: Rome

Part 41

Chapter 413,689 wordsPublic domain

Lag hierin niet de geheele politiek der Kerk? Zwijgen, zoo weinig mogelijk schrijven, afwachten! Maar hoe wonderbaarlijk was dit zoo oude en toch nog zoo machtige mechanisme! En hoe was Pierre zich bewust, dat hij te midden van die congregaties gevangen was in het ijzeren net van de meest onbeperkte macht, die men ooit georganiseerd heeft om de menschheid te beheerschen!

Hij kon scheuren en gaten en een hoogen ouderdom, die op een naderend einde wees, constateeren, dat nam niet weg, dat hij zichzelf niet meer toebehoorde, sedert hij er zich in gewaagd had: hij werd gegrepen, gekneusd, meegetrokken in dit onontwarbare net, in dit eindelooze labyrinth van invloeden en intriges, van ijdelheden en omkooperijen, van corruptie en eerzucht, van ellende en grootheid. Hoe ver was hij van het Rome, dat hij gedroomd had! Welk een toorn maakte zich meermalen van hem meester in zijn moeheid en zijn begeerte om zich te verdedigen!

Plotseling ging voor Pierre een licht op omtrent de dingen, die hij tot nog toe nooit begrepen had. Op een dag, dat hij weer naar de Propaganda gegaan was, sprak kardinaal Sarno op een zoo koud-woedenden toon over de Vrijmetselarij, dat hij alles in een helder licht zag. Tot dusverre had hij moeten glimlachen om de Vrijmetselarij; hij geloofde er even weinig aan als aan de Jezuïeten, hij vond de belachelijke verhalen, die er de rondte over deden, kinderachtig, verwees die geheimzinnige mannen, die in het donker werkten en wier geheime, onberekenbare macht de wereld regeeren zou, naar het rijk der legenden. Vooral verwonderde hij zich over den blinden haat, die sommige menschen bijna krankzinnig maakte, zoodra het woord vrijmetselaar op hun lippen kwam; een prelaat, en dat nog wel een van de meest intelligenten en de meest ontwikkelden, had hem met den grootsten ernst verzekerd, dat iedere vrijmetselaarsloge minstens éénmaal per jaar gepresideerd werd door den duivel in hoogst eigen persoon. Een eenvoudig menschenverstand stond daarbij stil. Doch nu begreep hij de rivaliteit, den verwoeden strijd van de Roomsch-Katholieke Kerk tegen de andere, haar vijandige Kerk. De eerste mocht zich de overwinnaresse wanen, zij voelde toch in de andere een concurrente, een zeer oude vijandin, die zelfs beweerde nog ouder te zijn dan zij en wier overwinning altijd mogelijk bleef.

De botsing kwam voornamelijk voort uit het feit, dat de beide secten hetzelfde eerzuchtige streven naar de wereldheerschappij, dezelfde internationale organisatie, hetzelfde net, dat over de volkeren geworpen werd, mysteriën, dogma's en riten bezaten. God tegen God, geloof tegen geloof, verovering tegen verovering. Op die wijze hinderden zij elkaar, zooals twee concurreerenden, aan beide kanten van een straat opgerichte magazijnen, en de een moest ten slotte de ander dooden. Maar al scheen het hem toe, alsof het Katholicisme wankelde en met ondergang bedreigd werd, toch bleef hij ook sceptisch gestemd ten opzichte van de macht der Vrijmetselarij. Hij had gevraagd en een onderzoek ingesteld, om zich rekenschap te geven van het werkelijk bestaan dezer macht in dit Rome, waar de beide hoogste machten tegenover elkander stonden, waar de grootmeester troonde tegenover den paus.

Men had hem wel verteld, dat de laatste Romeinsche prinsen zich genoodzaakt voelden vrijmetselaars te worden, om hun leven niet al te zwaar te maken, hun toch al moeilijke positie niet te verergeren, de toekomst van hun zoons niet te bederven. Maar gaven zij daarbij niet alleen toe aan de onweerstaanbare macht der hedendaagsche sociale evolutie? Zou de Vrijmetselarij ook niet ondergaan in haar eigen triomf, den triomf der denkbeelden van gerechtigheid, waarheid en rede, die zij zoo lang te midden van de duisternis en de gewelddaden der geschiedenis verdedigd had? Het was een vaststaand feit, dat de zege van een idee de secte, die haar propageert, doodt en het apparaat, waarmede zij zich omgeven heeft, om de phantasie te treffen, nutteloos en eenigszins wonderlijk maakt. Het carbonarisme heeft de verovering der politieke vrijheden, die het eischte, niet kunnen overleven, en den dag, waarop de Katholieke Kerk, na haar beschavingswerk volbracht te hebben, ineenstort, zal óók de andere Kerk, de Vrijmetselaarskerk verdwijnen, daar haar bevrijdingstaak dan afgeloopen is. Thans zou de beroemde almacht der loges een armzalig, eveneens door tradities belemmerd, door een belachelijk ceremonieel bedorven veroveringswerktuig zijn, niets meer dan een band van onderlinge verstandhouding en hulpverleening, indien de sterke adem der wetenschap de volkeren niet wegrukte en medehielp aan de vernietiging van verouderde godsdiensten.

Uitgeput door zooveel bezoeken en noodelooze stappen, kreeg Pierre, niettegenstaande hij als de soldaat van een hoop, die niet aan de nederlaag gelooven wil, hardnekkig erbij bleef Rome niet te verlaten zonder tot het einde toe gestreden te hebben, weer angst. Hij had alle kardinalen bezocht, wier invloed hem van eenig nut kon zijn. Hij had den vicaris-generaal bezocht, die het diocees Rome bestuurde, een ontwikkeld man, die met hem over Horatius gesproken had, een politiek warhoofd, dat hem gevraagd had naar Frankrijk, naar de Republiek, naar de oorlogs- en marinebudgetten, zonder zich in het minst te bekommeren over het vervolgde boek. Hij had den groot-penitentiarius bezocht, den kardinaal, dien hij eenmaal vluchtig in den palazzo Boccanera gezien had, een mageren ouden man met een uitgeteerd ascetengezicht, van wien hij een lang verwijt en strenge woorden tegen de jonge priesters, die, door den geest der eeuw bedorven, vloekwaardige boeken schreven, te hooren kreeg. Ten slotte had hij in het Vaticaan den kardinaal-secretaris bezocht, in zekeren zin den minister van Buitenlandsche Zaken van Zijne Heiligheid, de groote macht van den Heiligen Stoel, van wien men hem tot dusverre verwijderd gehouden had door hem bang te maken voor de gevolgen van een ongelukkig uitvallend bezoek.

Hij had zich verontschuldigd, dat hij zich nu eerst tot hem wendde, en den beminlijksten man tegenover zich gevonden, die door een diplomatieke welwillendheid zijn eenigszins ruw uiterlijk optreden verzachtte, hem verzocht te gaan zitten, hem belangstellend uitvroeg, naar hem luisterde, hem moed insprak zelfs. Maar toen hij weer op het Sint Pietersplein stond, had hij heel goed begrepen, dat zijn zaak geen stap verder was gekomen en dat, wanneer het hem nog eens gelukken zou de deur van den paus te forceeren, dit zeker niet door toedoen van den kardinaal-secretaris geschieden zou. Dien avond keerde hij overspannen en overprikkeld, gebroken door de vele bezoeken aan zooveel menschen, naar de Via Giulia terug, zóó wanhopig, dat hij zich langzamerhand heelemaal door die machine met haar honderden raderen meegesleept voelde worden, dat hij zich met schrik afvroeg, wat hij den volgenden dag moest doen, daar hem niets meer overbleef dan gek te worden.

Toevallig ontmoette hij don Vigilio in een gang; hij wilde hem even raadplegen, nog een goeden raad van hem vragen. Maar deze legde hem met een ongerust gebaar, zonder dat hij wist waarom, het zwijgen op. Hij had weer zijn gewone angstoogen en fluisterde hem in:

"Hebt u monsignor Nani gesproken? Neen?... Ga dan naar hem toe, ga dan naar hem toe, ik zeg u nogmaals, dat u niets anders te doen hebt."

Hij gaf toe. Waarom nog te weigeren? Afgezien van den hartstocht van vurige naastenliefde, die hem tot verdediging van zijn boek hierheen gevoerd had, was hij toch ook voor proefnemingen te Rome. Hij moest tot het einde toe volharden.

Den volgenden ochtend bevond hij zich te vroeg onder de zuilengang van de St. Pieter en moest dus vrij lang wachten. Nog nooit had hij de ontzaglijkheid van deze vier zuilenrijen, van dit woud van gigantische steenen stammen, waarin echter niemand wandelt, zoo sterk gevoeld. Het is een indrukwekkende, sombere woestijn. Men vraagt zich af waartoe een zoo majestueuse zuilengaanderij dient. Ongetwijfeld slechts voor de majesteit alleen, voor de pracht der decoratie; en ook daarin ligt weer Rome. Dan ging hij door de Via del S. Offizio en kwam bij den achter de sacristie gelegen palazzo del S. Offizio. Het is een eenzame wijk, welker stilte slechts zelden gestoord wordt door den stap van een voetganger of het rollen van een wagen. De zon, die haar schuine stralen op het wit geworden plaveisel werpt, is het eenige levende hier. Men ruikt er de nabijheid van de basilica, den geur van den wierook, den kloostervrede in den sluimer der eeuwen. Op een hoek staat de palazzo del S. Offizio drukkend en angstaanjagend kaal: een hooge, gele gevel, die slechts door een enkele rij ramen verbroken wordt, terwijl de andere gevel, die op het zijstraatje uitziet, met zijn kleine vensters--kijkgaatjes met bijna ondoorzichtige raampjes, er nog verdachter uitziet. Deze geweldige, modderkleurige, naar buiten bijna vensterlooze en als een gevangenis afgesloten een geheimzinnige kubus van metselwerk, schijnt in het verblindende zonlicht te slapen.

Een rilling, waarom hij dadelijk glimlachte als om een kinderachtigheid, doorhuiverde hem. De heilige, Romeinsche, algemeene Inquisitie, de heilige Congregatie van den S. Offizio, zooals men haar thans noemde, was niet meer die, waarvan de legende vertelt, de leverancier van brandstapels, het geheime gerecht, waartegen geen hooger beroep bestaat, dat recht had over de geheele menschheid de doodstraf uit te spreken. Toch bewaarde zij nog steeds het geheim van haar taak, kwam zij iederen Woensdag bijeen, oordeelde en veroordeelde, zonder dat er iets naar buiten van doordrong. Maar ook al bleef zij doorgaan de misdaad der haeresie te straffen, ook al bepaalde zij zich er niet alleen toe werken, maar ook menschen te treffen, toch bezat zij geen wapenen meer, geen kerker, geen zwaard en vuur; zij was beperkt tot protesteeren en kon zelfs den haren, den geestelijken, niets anders dan disciplinaire straffen opleggen.

Toen hij in den salon van monsignor Nani, die in zijn qualiteit van assessor in dit paleis woonde, gelaten werd, voelde Pierre een blijde verrassing. Het was een groot, op het Zuiden gelegen, door een vroolijk zonlicht overstroomd vertrek: er heerschte ondanks de stijve meubelen en de donkere kleur van het behang een heerlijke zachtheid, als had er een vrouw geleefd, die het wonder verrichtte iets van haar bekoorlijkheid in al die strenge dingen te leggen. Er waren geen bloemen en toch rook het er heerlijk.

Monsignor Nani met zijn blozend gezicht, de blauwe, levendige oogen en zijn blond, eenigszins grijzend haar, kwam hem met uitgestoken handen en glimlachend tegemoet.

"O mijn waarde zoon, hoe aardig van u, om me te komen opzoeken... Ga zitten en laten we als twee vrienden praten."

En onmiddellijk begon hij met blijkbaar groote belangstelling te vragen:

"En hoe staat het met uw zaak? Vertel me eens precies wat u gedaan hebt!"

En Pierre, ondanks de vertrouwelijke mededeeling van don Vigilio getroffen door de sympathie, die hij meende te voelen, biechtte alles zonder iets weg te laten. Hij vertelde van zijn bezoeken aan kardinaal Sarno, aan monsignor Fornaro, aan pater Dangelis, zijn stappen bij de invloedrijke kardinalen, bij alle kardinalen van den Index, bij den groot-penitentiarius, den kardinaal-vicaris en den kardinaal-secretaris, weidde uit over zijn eindelooze tochten van den een tot den ander door den geheelen clerus van Rome, door alle congregaties, door dezen reusachtigen, drukken en stillen bijenkorf, waardoor zijn beenen moede, zijn ledematen gebroken, zijn hersens stomp geworden waren.

Maar Monsignor, die met verrukking naar hem scheen te luisteren, riep bij iedere lijdensstatie van dezen calvariënberg:

"Maar dat is prachtig, het kan niet mooier. Uw zaak marcheert uitstekend. Wondermooi staat zij ervoor!"

Hij jubelde, zonder eenige ongepaste ironie te doen blijken. Slechts zijn doordringende blik doorboorde den jongen priester, om te zien of hij hem eindelijk tot dat punt van gehoorzaamheid gebracht had, waarop hij hem wilde hebben. Was hij moe genoeg, had hij genoeg teleurstellingen ondervonden, wist hij voldoende hoe de toestanden in werkelijkheid waren, om tot de slotacte te kunnen overgaan? Waren drie maanden te Rome voldoende geweest, om van den overdreven dweper van de eerste dagen iemand te maken, die zijn verstand gebruikte of ten minste zich bij het onvermijdelijke neerlegde?

Plotseling vroeg monsignor Nani hem:

"Maar gij spreekt in het geheel niet over Zijne Eminentie, kardinaal Sanguinetti."

"Zijne Eminentie is naar Frascati, ik heb hem niet kunnen spreken."

Dan hief de prelaat, alsof hij met het heimelijke genot van een diplomaat de ontknooping nog wat uit wilde stellen, zijn kleine, mollige handen naar den hemel op op de ongeruste manier van iemand, die alles verloren waant, en riep uit:

"O, maar ge moet Zijne Eminentie spreken, ge moet Zijne Eminentie spreken. Dat is absoluut noodzakelijk. Bedenk toch eens, de praefect der Congregatie! Wij zullen niet kunnen handelen voor na uw bezoek, want u hebt niemand gesproken, als u hem niet gesproken hebt... Ga naar Frascati, mijn zoon."

Pierre kon niet anders dan den raad opvolgen.

"Ik zal gaan, monsignor."

ELFDE HOOFDSTUK

Hoewel Pierre wist, dat hij zich niet voor elf uur bij kardinaal Sanguinetti kon laten aandienen, was hij toch met een vroegen trein gegaan en stapte reeds om negen uur aan het station Frascati uit. Reeds was hij er op een van zijn dagen van gedwongen nietsdoen geweest en had het klassieke uitstapje naar de Romeinsche Kasteelen gemaakt, die van Frascati naar Rocca di Papa en van Rocca di Papa naar Monte Cave loopen. Hij was er verrukt over geweest en verheugde zich thans reeds bij voorbaat op een kalmeerende wandeling van een paar uur op de dichtstbijzijnde heuvels van de Albaansche bergen, waarop Frascati tusschen riet, olijfboomen en wijngaarden gebouwd is. Het beheerscht de uitgestrekte rosachtige zee van de Campagna als van de hoogte van een voorgebergte, tot aan het in de verte liggende Rome, dat op een afstand van zes mijlen wit schittert als een eiland van marmer.

O, dit op zijn groenen ronden heuvel liggende Frascati aan den voet van de dichtbegroeide hoogten van Tusculum, met zijn beroemd terras, vanwaar men het mooiste uitzicht der wereld heeft, met zijn oude patriciërsvilla's met de trotsche, elegante Renaissancegevels en prachtige, altijd groene, met cypressen, pijnboomen en eiken beplante tuinen! Het was een heerlijkheid, een oogenlust, een betoovering, die hij nooit moede zou worden. In verrukking over alles dwaalde hij reeds meer dan een uur langs de met oude, knoestige olijfboomen omzoomde wegen, langs de door groote boomen van de naburige tuinen beschaduwde straten, langs de geurige voetpaden, aan het einde waarvan bij iederen bocht de Campagna zich in het oneindige uitstrekte, toen hij een onverwachte ontmoeting had, die hem in den beginne hinderde.

Hij was weer naar het lager gelegen station gegaan, dat gebouwd was op een plek, waar vroeger wijngaarden stonden en zich in de laatste jaren een geheele nieuwe wijk ontwikkeld had. Tot zijn groote verbazing zag hij een mooie, met twee paarden bespannen victoria, die uit de richting van Rome kwam, naast zich stilhouden en hoorde hij zich bij zijn naam roepen.

"Wat, mijnheer de abbé, al zoo vroeg op de wandeling hier?"

Nu herkende hij graaf Prada, die, na uitgestapt te zijn, het rijtuig verder liet rijden en de twee- of driehonderd meter naast den jongen priester te voet aflegde. Na een hartelijken handdruk zeide hij:

"Ja, ik kom zelden met den trein, ik prefereer een rijtuig. Dat geeft tevens mijn paarden wat beweging... Zooals u weet, heb ik hier zaken, een heele bouwgeschiedenis, die ongelukkig niet erg marcheert. Daarom ben ik ondanks het ver gevorderde seizoen verplicht hier meer te komen dan mij lief is."

Pierre kende inderdaad die geschiedenis. De Boccanera's hadden hun prachtige villa, die een van hun voorvaderen, ook een kardinaal, hier in de tweede helft der zestiende eeuw naar een ontwerp van Giacomo della Porta had laten bouwen, moeten verkoopen. Het was een koninklijk zomerverblijf met groote, schaduwrijke boomen, priëelen, fonteinen, bassins en een wereldberoemd terras, dat als een kaap uitstak boven de Campagna romana, welker onmetelijke vlakte zich van de Sabijnsche bergen tot aan de kust der Middellandsche Zee uitstrekt. Bij de boedelscheiding kreeg Benedetta van haar moeder de groote wijngaarden bij Frascati; zij had die als bruidsschat voor Prada medegebracht juist op het oogenblik, dat de bouwmanie van Rome naar de provincies oversloeg. Prada was toen op het denkbeeld gekomen hier een groote wijk burgerlijke villa's neer te zetten naar het model van die, welke men in de banlieue van Parijs zooveel vindt. Doch er hadden zich maar weinig koopers aangemeld, de financieele krach was er bovendien tusschen gekomen, en zoo moest hij deze onfortuinlijke onderneming liquideeren, nadat hij dadelijk bij hun scheiding zijn vrouw schadeloos gesteld had.

"En bovendien," ging hij voort, "met een rijtuig kan je komen en gaan, wanneer je wilt, terwijl je een slaaf van het spoorboekje bent. Zoo heb ik vanochtend een conferentie met aannemers, deskundigen en advocaten, en ik weet niet hoe lang die duren zal... Een prachtige streek, niet waar? Ja, we kunnen er trotsch op zijn. En al heb ik op het oogenblik minder aangename zaken, dat neemt niet weg, dat ik hier niet komen kan, zonder dat mijn hart van vreugde klopt."

Wat hij echter niet vertelde, was dat Lisbeth Kauffmann, zijn vriendin, zooals hij haar noemde, den zomer doorgebracht had in een der nieuwe villa's, waarin zij haar atelier had ingericht, dat bezocht werd door de geheele vreemdelingenkolonie, die dank zij haar vroolijkheid en haar schilderkunst, welke juist voldoende was, om haar onafhankelijk te maken, haar dubbelzinnige positie na den dood van haar man duldde. Zelfs haar zwangerschap nam men haar niet kwalijk. Veertien dagen geleden was zij naar Rome teruggegaan, om daar van een dikken jongen te bevallen, wiens komst de praatjes over de naderende scheiding van Benedetta en Prada in de zwarte en witte salons weer aangewakkerd had. De liefde van dezen laatste voor Frascati was ongetwijfeld grootendeels een gevolg van zijn teedere herinneringen en de groote trotsche vreugde, welke deze geboorte van een zoon hem gaf.

Pierre, die in zijn instinctieven haat tegen hebzuchtige geldmenschen, in Prada's tegenwoordigheid steeds een zekere verlegenheid voelde, wilde toch zijn vriendelijkheid beantwoorden en vroeg hem naar zijn vader, den ouden Orlando, den held van de verovering.

"O, afgezien van zijn beenen, maakt hij het uitstekend. Hij wordt zeker honderd jaar. Die arme vader! Ik had hem zoo graag dezen zomer in een van die kleine villa's willen hebben. Maar hij wil niet, hij weigert hardnekkig Rome te verlaten, alsof hij bang is, dat ze het hem in zijn afwezigheid zullen ontnemen."

Hij barstte in een helderen lach uit en maakte zich alleen vroolijk met die grap over den heldhaftigen, uit de mode geraakten tijd der onafhankelijkheid. Dan voegde hij eraan toe:

"Gisteren sprak hij nog over u, mijnheer de abbé. Het verwonderde hem, dat u hem nog niet eens was komen opzoeken."

Dat verdriette Pierre, want hij had voor Orlando een eerbiedige liefde opgevat. Tweemaal was hij na zijn eerste bezoek nog bij hem geweest, en beide malen had de oude man geweigerd over Rome te spreken, zoolang zijn jonge vriend niet alles gezien, alles doorvoeld, alles begrepen had. Later, wanneer zij beiden tot een conclusie zouden kunnen komen, zou het pas tijd daarvoor zijn.

"Zeg hem als het u blieft, dat ik hem niet vergeet, en dat ik, wanneer ik met mijn bezoek wat wacht, ik dat alleen doe, om hem tevreden te stellen. Maar ik zal niet vertrekken, zonder hem te komen zeggen, hoe ik door zijn ontvangst getroffen ben."

Beiden liepen langzaam den zwak stijgenden weg op tusschen enkele nieuwe villa's, waarvan verscheidene nog niet afgebouwd waren. Toen Prada hoorde, dat de priester naar Frascati gekomen was, om een bezoek te brengen aan kardinaal Sanguinetti, begon hij weer te lachen--zijn vriendelijk wolfslachje, dat zijn witte tanden liet zien.

"Dat is zoo, hij is hier, sedert de paus ziek is... Nu, u zult hem in een aardig opgewonden toestand vinden."

"Hoe zoo?"

"Omdat de berichten over de gezondheid van den Heiligen Vader alles behalve goed zijn van ochtend. Toen ik uit Rome ging, liep het gerucht, dat hij een heel slechten nacht gehad had."

Hij was bij een kromming van den weg blijven staan, voor een oude kapel, een klein kerkje, dat eenzaam en triest aan den rand van een olijfboschje stond. Vlak daarbij bevond zich een vervallen gebouwtje, ongetwijfeld de vroegere pastorie, waaruit een groote, knokige priester met een plomp, aardkleurig gezicht kwam, die, voor hij verder ging, de deur op het nachtslot draaide.

"Kijk!" spotte de graaf, "dat is er een, wiens hart even hard kloppen moet. Hij gaat nu ongetwijfeld bij uw kardinaal informeeren."

Verbaasd had Pierre den priester aangekeken.

"Ik ken hem," zeide hij. "Als ik mij niet vergis, heb ik hem den ochtend van mijn aankomst bij kardinaal Boccanera gezien, aan wien hij een mand vijgen bracht, toen hij hem om goede getuigen vroeg voor zijn jongeren broeder, die door het toebrengen van een messteek, geloof ik, in de gevangenis gekomen was. Maar de kardinaal heeft geweigerd zoo'n bewijs af te geven."

"Hij is het, daar behoeft u niet aan te twijfelen, want hij kwam vroeger veel in den palazzo Boccanera, waar zijn broer tuinman geweest is. Maar tegenwoordig is hij de protégé van kardinaal Sanguinetti... Een merkwaardige figuur, die Santobono, zooals u ze in Frankrijk niet veel hebben zult. Hij woont heelemaal alleen in dat instortende gebouwtje en is pastoor van die heel oude kapel S. Maria dei Campi, waar men geen driemaal per jaar de mis komt hooren. Ja, een echte sinecure, die hem met zijn duizend francs salaris in staat stelt als een philosophische boer te leven en den vrij grooten tuin, die u daar tusschen die hooge muren ziet, te bebouwen."

Inderdaad liep de ingesloten ruimte achter de pastorie om, aan alle kanten goed afgesloten, als een toevluchtsoord, waarin zelfs geen blik mocht doordringen. Boven den linkermuur uit zag men een prachtigen, reusachtigen vijgeboom, welks hoog loof zich zwart tegen den helderen hemel afteekende.

Onder het loopen vertelde Prada verder over Santobono, die hem blijkbaar zeer interesseerde. Een patriotisch priester, een Garibaldiaan. In Nemi, een nog woest gebleven hoek van de Albaansche bergen, uit het volk geboren, voelde hij zich ook nu nog aan de aarde verwant; maar hij had gestudeerd en wist genoeg van de geschiedenis, om de grootheid van Rome te kennen en van een herstel van het Romeinsche Rijk ten voordeele van het jonge Italië te droomen. Hij geloofde vast en zeker, dat slechts een groote paus dien droom zou kunnen verwezenlijken door zich van de macht meester te maken en dan alle andere volkeren te veroveren. Wat was eenvoudiger, daar de paus immers over millioenen Katholieken beschikte?