Part 40
Uitgeput en wanhopig liet Pierre zich weer vallen op zijn stoel tegenover den abbé, die, met zijn door het lange opzitten vaalbleek gezicht en zijn altijd bevende handen, zich in het geheel niet bewoog. Er volgde een lange stilte. Dan kwam don Vigilio nog met een ander denkbeeld: hij kende den biechtvader van den paus, een zeer eenvoudigen Franciscaner monnik, en wilde Pierre bij dezen aanbevelen. Misschien zou die pater, ondanks zijn bescheiden op den achtergrond blijven, kunnen helpen. Het was in ieder geval te probeeren. Dan begon het zwijgen weer, en Pierre, wiens oogen strak op den muur gericht waren, onderscheidde ten slotte de oude schilderij, die hem op den dag van zijn aankomst zoo getroffen had. Langzamerhand zag hij haar in het schemerachtige licht als het ware naar voren treden en levend worden als de belichaming van zijn eigen geval, van zijn nuttelooze wanhoop voor de ruw gesloten deur der waarheid en der gerechtigheid. O, hoe geleek deze verstooten, in haar liefde volhardende vrouw, wier gezicht men niet zien kon, die, snikkend in haar haren, van smart op de treden van dit paleis, voor de meedoogenloos gesloten deur neergevallen was, op hem! In haar eenvoudig linnen kleed rilde zij van de koude, zij verried haar geheim, ongeluk of eigen schuld, haar groot verdriet, zoo verstooten te zijn, niet. En hij gaf haar achter die tegen haar gelaat gedrukte handen zijn gezicht, zij werd zijn zuster, evenals alle andere armen zonder dak en bescherming, die weenen, omdat zij naakt en alleen zijn, die het vel van haar vuisten rukken bij haar pogingen, om de deur der menschen te forceeren. Hij kon nooit naar haar kijken zonder medelijden met haar te krijgen, en dien avond werd hij zóó ontroerd, nu hij haar nog altijd onbekend, zonder naam en zonder gezicht, nog altijd badende in haar tranen terugvond, dat hij plotseling aan don Vigilio vroeg:
"Weet u van wie die oude schilderij is? Zij ontroert mij tot in mijn ziel als een meesterwerk."
Verbaasd over die onverwachte vraag, die zoo zonder eenigen overgang gedaan werd, keek de priester op; hij verwonderde zich nog meer, toen hij het zwart geworden, verwaarloosde doek en de armzalige lijst zag.
"Weet u, waar die schilderij vandaan komt?" vroeg Pierre nogmaals. "Waarom heeft men het doek naar deze kamer verbannen?"
"O!" zeide hij met een onverschillig gebaar, "dat is niets. Zulke oude, waardelooze schilderijen vindt je hier overal... Dit doek zal wel altijd hier gehangen hebben. Maar ik weet het niet, ik heb er vroeger nooit op gelet."
Eindelijk stond hij voorzichtig op. Doch die enkele beweging gaf hem zoo'n rilling, dat hij nauwlijks iets zeggen kon. Zijn tanden klapperden van koorts.
"Neen, ga niet mee, laat de lamp in deze kamer... En om nog even op ons gesprek terug te komen: het zal nog maar het beste zijn u toe te vertrouwen aan monsignor Nani, want dat is tenminste nog een hoogstaand iemand. Ik heb het bij uw komst hier al gezegd, of u wilt of niet, zult u ten slotte toch doen wat hij wil. Waartoe dient het dan eigenlijk nog te strijden?... En nooit één woord over ons gesprek van vannacht, dat zou mijn dood zijn!"
Hij opende de deuren geruischloos, keek wantrouwend rechts en links de donkere gang in, verdween en ging zoo zacht naar zijn eigen kamer terug, dat men zelfs te midden van de grafstilte van het oude paleis het schuifelen van zijn voet niet hoorde.
Den volgenden dag liet Pierre, die weer opnieuw door strijdlust bezield was en alles wilde probeeren, zich door don Vigilio een aanbeveling geven voor den biechtvader van den paus, den Franciscanerpater, dien de secretaris van den kardinaal kende. Maar deze monnik was een pijnlijk angstvallig man; blijkbaar had men een zeer bescheiden en eenvoudig iemand zonder eenigen invloed gekozen, die geen misbruik zou maken van zijn almachtige positie bij den paus. In de omstandigheid, dat deze slechts de deemoedigste orde, den vriend der armen, den heiligen bedelaar langs de wegen als biechtvader had willen hebben, lag ook een gehuichelde ootmoed. Toch stond deze pater bekend als een redenaar van groote geloofskracht; de paus zelf luisterde, volgens de etiquette achter een sluier verborgen, naar zijn preeken, want al kon de paus als onfeilbaar pontifex maximus van geen enkelen priester iets leeren, men erkende toch, dat hij, als mensch, voordeel kon trekken uit goede woorden. Afgezien van zijn natuurlijke welsprekendheid was deze goede monnik een eenvoudige bleeker van zielen, een biechtvader, die luistert en absolutie geeft, zonder zich de onreinheden, die hij in het water der boetedoening schoon wascht, te herinneren. Toen Pierre zag, dat hij werkelijk zoo onbeteekenend en zonder invloed was, drong hij niet aan op zijn bemiddeling, wat, zooals hij voelde, toch nutteloos zijn zou.
Dien dag vervolgde het beeld van den schuchteren minnaar der Armoede, van den verrukkelijken Franciscus, zooals Narcisse Habert hem noemde, Pierre tot den avond. Hij had zich dikwijls verwonderd over de komst van dezen nieuwen Jezus, die zoo zacht voor menschen, dieren en dingen was en wiens hart brandde van een zoo vurige liefde voor de armen, in dit zelfzuchtige en genotzuchtige Italië, waarin slechts de vreugde over de schoonheid koningin gebleven is. Ongetwijfeld zijn de tijden veranderd, maar hoeveel liefdekracht moet er in die oude tijden, gedurende het groote lijden der Middeleeuwen, noodig geweest zijn dat een dergelijke uit den volksbodem opgeschoten trooster der nederigen de overgave van het eigen ik aan anderen, het afstand doen van rijkdom, den afschuw voor ruw geweld, de gelijkheid en gehoorzaamheid begon te preeken, die den wereldvrede verzekeren moest.
Hij ging, gekleed als de armsten, langs de wegen; een touw hield het grijze kleed om zijn lendenen vast, zijn naakte voeten staken in sandalen; beurs of stok had hij niet. Hij en zijn broeders spraken een trotsche, vrije taal, vol verheven, poëtische kracht, vol dapper uitgesproken waarheid. Overal traden zij op als rechters, vielen zij de rijken en machtigen aan, waagden zij het de slechte priesters, de ontuchtige, zich aan simonie schuldig makende, meineedige bisschoppen, aan te wijzen. Met een langen kreet van verlichting werden zij ontvangen; het volk volgde hen in dichte scharen, zij waren de vrienden, de bevrijders van alle kleinen, die lijden.
In den beginne maakte Rome zich dan ook niet weinig ongerust over dergelijke revolutionnairen; de pausen aarzelden lang vóórdat zij de orde erkenden; en toen zij ten slotte toegaven, geschiedde dat ongetwijfeld met de gedachte, deze nieuwe macht tot hun voordeel, tot de verovering van de lagere volksklassen, van de reusachtige, onbestemde massa te gebruiken, wier heimelijk dreigen door alle eeuwen heen, zelfs in de meest despotische tijden, gegromd en gebromd heeft.
Van dat oogenblik af bezat het pausdom in de zonen van den Heiligen Franciscus een steeds overwinnend leger, een zwervend leger, dat zich overal, op alle wegen, in alle dorpen en steden verspreidde, dat doordrong tot den huiselijken haard van werkman en boer en de harten der eenvoudigen voor zich won. Dat men zich de democratische macht van een dergelijke orde, die uit het volk zelf voortgesproten was, voorstelle! Vandaar zijn zoo spoedig gevolgde bloei; het aantal broeders vermeerdert zich in enkele jaren aanzienlijk, overal worden scholen opgericht; de Franciscaner-orde trekt de leeken-bevolking zoo tot zich aan, dat zij haar doordrenkt en opzuigt.
En dat men hier te doen heeft met een voortbrengsel van den bodem, met een krachtigen wasdom van den plebeïschen stam, bewijst wel het feit, dat een nationale kunst eruit opbloeide: de voorloopers van de Renaissance in de schilderkunst, en Dante zelf, de ziel van het Italiaansche genie.
Sedert enkele dagen zag Pierre nu deze groote orde van vroeger en kwam met hen in het hedendaagsche Rome in aanraking. De Franciscanen en de Dominicanen, de door hetzelfde geloof bezielde mededingers, die zoo lang gemeenschappelijk voor de Kerk gestreden hadden, woonden nog altijd in hun groote, schijnbaar bloeiende kloosters tegenover elkaar. Maar het scheen, dat de Franciscanen op den langen duur door hun nederigheid op zijde gedrongen waren. Misschien kwam dat ook, omdat hun rol van volksvrienden en volksbevrijders uitgespeeld was, sedert het volk zich door zijn politieke en sociale veroveringen zelf bevrijdt.
In ieder geval ging de strijd alleen nog tusschen de Dominicanen en de Jezuïeten, de predikers en de opvoeders, die beiden de pretentie behouden hebben de wereld te kneden naar het beeld van hun geloof. Men hoorde de verschillende invloeden dof grommen; het was een strijd, die geen uur ophield en waarvan Rome, de oppermacht in het Vaticaan, de inzet was. Het was voor de eerste van weinig nut, dat de Heilige Thomas van Aquino aan hun zijde streed; zij voelden hoe hun oude dogmatische wetenschap instortte, zij moesten dagelijks wat meer terrein afstaan aan de tweeden, die met behulp van den geest der eeuw overwonnen. Verder waren er nog de Karthuizers in hun witte pijen, de heilige, reine, zwijgende en contemplatieve monniken, die zich uit de wereld terugtrekken in hun kloosters met de stille cellen, de wanhopigen en getroosten, wier aantal gering kan zijn, maar die eeuwig zullen leven, zooals smart en behoefte aan eenzaamheid eeuwig zijn.
Dan waren er de Benedictijnen, de kinderen van den Heiligen Benedictus, wiens bewonderenswaardige orderegel den arbeid geheiligd heeft, de hartstochtelijke letterkundige en wetenschappelijke werkers, die in hun tijd lang machtige werktuigen der beschaving waren en door hun reusachtigen historischen en kritischen arbeid zooveel bijgedragen hebben tot de algemeene ontwikkeling. Hen had Pierre lief, bij hen zou hij twee eeuwen vroeger zijn toevlucht en zijn troost gezocht hebben; maar toch verwonderde het hem ten zeerste, toen hij zag, dat zij op den Aventinus een groot huis voor zich bouwden, waarvoor Leo XIII reeds millioenen gegeven heeft, alsof de wetenschap van heden en morgen nog een veld was, waarop zij zouden kunnen oogsten. Waartoe diende dat? De arbeiders waren toch veranderd, de dogma's versperren toch den weg aan ieder, die ze eerbiedig moet voorbijgaan, zonder ze geheel tegen den grond te werpen.
Verder krioelde het er nog van honderden minder beteekenende orden: de Carmelieten, de Trappisten, de Minnebroeders, de Barnabieten, de Lazaristen, de Eudisten, de Missionarissen, de Recoletten, de Broeders van de orde der Christelijke leer, de Bernardijnen, de Augustijnen, de Theatijnen, de Observantijnen, de Celestijnen, de Capucijnen, ongerekend de correspondeerende vrouwenorden, de Clarissen, de ontelbare nonnen, zooals de zusters van Maria Boodschap en van Golgotha. Iedere orde had haar meer bescheiden of meer weelderig ingericht huis, sommige wijken van Rome bestonden slechts uit kloosters, en achter die zwijgende gevels gonsde en intrigeerde dit volk in een voortdurenden strijd van belangen en hartstochten. De vroegere sociale evolutie, die hen voortgebracht had, werkte sedert langen tijd niet meer; toch bleven zij, steeds nutteloozer en zwakker wordend en als voorbestemd voor dien langen doodsstrijd, aan het leven hangen--tot den dag, waarop aan de borst der nieuwe maatschappij lucht en bodem voor hen ontbreken zou.
Maar bij zijn stappen en bezoeken, die weer begonnen waren, kwam Pierre niet veel met die monniken in aanraking; hij had voornamelijk te maken met den wereldlijken clerus, den Romeinschen clerus, dien hij al heel spoedig leerde kennen. Een nog zeer strenge hiërarchie hield de klassen en rangen in stand. Op den top, om den paus, heerschte de pauselijke huishouding, de kardinalen en prelaten, die zeer trotsch, zeer verheven en ondanks hun schijnbaar vertrouwelijkheid zeer laatdunkend waren. Onder hen vormde de clerus der parochiën als het ware een waardige, verstandige en gematigde bourgeoisie, waarin patriotische geestelijken zelfs niet zeldzaam waren. De Italiaansche occupatie had, doordat zij een geheele wereld van zedelijk hoogstaande ambtenaren aangesteld had, na een kwart eeuw het merkwaardige resultaat gehad, dat zij loutering gebracht had in het huiselijk leven der Romeinsche priesters, waarin de vrouwen vroeger een zoo overwegende rol speelden, dat Rome in den letterlijken zin des woords een regeering van huishoudsters was, die troonden in de woningen van jonggezellen.
Ten slotte kwam het plebs van den clerus, dat Pierre nauwkeurig bestudeerd had: een waar samenraapsel van ongelukkige, vuile, half naakte, als uitgehongerde dieren op een mis loerende priesters, die ten slotte met bedelaars en dieven in verdachte kroegen terecht kwamen. Maar nog meer interesseerde hem de menigte priesters, die uit de geheele Christenheid samengestroomd was, avonturiers, eerzuchtigen, geloovigen, krankzinnigen, die Rome aantrok, zooals 's avonds een lamp de insecten uit het donker aantrekt. Alle nationaliteiten, alle standen, alle leeftijden zijn er vertegenwoordigd, galoppeeren onder de zweep van hun hartstochten, verdringen zich van 's morgens vroeg tot 's avonds laat om het Vaticaan, om te bijten in den buit, waarvoor zij gekomen zijn. Overal vond hij ze weer en hij zeide een weinig beschaamd tot zichzelf, dat hij een hunner was, dat hij door zijn persoon dat ongelooflijk aantal soutanen vermeerderde, die men in de straten aantrof. O, die voortdurende ebbe en vloed van zwartrokken, van pijen in allerlei kleuren in dat Rome.
De seminaries der verschillende naties met hun dikwijls uit wandelen gaande leerlingen zouden voldoende geweest zijn alle straten te pavoiseeren: de Franschen geheel in het zwart, de Zuid-Amerikanen in het zwart met een blauwe sjerp, de Noord-Amerikanen in het zwart met een roode sjerp; de Polen in het zwart met een groene sjerp, de Grieken in het blauw, de Duitschers in het rood, de Romeinen in het lila en al de anderen in op honderden manieren geborduurde en omzoomde soutanes. Verder waren er nog de broederschappen, de boetepriesters met witte, zwarte, blauwe, grijze pijen of mantels. Zoo scheen het pauselijke Rome nog dikwijls te herleven; men voelde, dat het nog levend en taai was, dat het streed om in het hedendaagsche kosmopolitische Rome niet te verdwijnen.
Maar hoe Pierre ook van den eenen prelaat naar den anderen liep, hoe hij omging met priesters en kerken bezocht, hij kon zich aan dezen eeredienst, aan deze Romeinsche vroomheid, die hem verwonderde, wanneer zij hem niet wondde in het diepst van zijn ziel, niet wennen. Toen hij op een regenachtige Zondagochtend de S. Maria Maggiore binnenging, meende hij zich in een wachtkamer te bevinden, weliswaar van een ongehoorden rijkdom met haar zuilen en zoldering als van een tempel, met den weelderigen baldakijn van haar pauselijk altaar, met het schitterend marmer van zijn confessie en vooral met haar Borghesische kapel, waarin God echter niet scheen te wonen. In het middenschip was geen stoel of geen bank te zien; het was een voortdurend komen en gaan van geloovigen als in een station, terwijl zij met hun slijkschoenen den kostbaren mozaïekvloer nat maakten; mannen en vrouwen zaten vermoeid op de voetstukken van de zuilen, zooals men ze in het groote gedrang op perrons op de aankomst van treinen ziet wachten.
Voor deze in het voorbijgaan binnengekomen, rondloopende, voornamelijk uit kleine luiden bestaande menigte las een priester een stille mis, achter in een zijkapel, waarvoor zich een lange, smalle rij gevormd had, die denken deed aan de queue voor een schouwburgloket. Bij de elevatie bogen allen zich met een vroom gebaar, dan verstrooide zich de menigte, de mis was afgeloopen. Overal, zoowel in de S. Paolo als in de S. Giovanni di Laterano, zoowel in alle oude basilica's als in de St. Pieter zelf was hetzelfde te zien: de menigte was gehaast, hield er niet van te zitten, bracht God, behalve op groote receptiedagen, slechts korte, familiare bezoeken. Slechts in de Jezuïetenkerk woonde hij op een anderen Zondagochtend een hoogmis bij, die hem denken deed aan de vrome menigten uit het Noorden: daar zag men banken en vrouwen, die zaten, daar heerschte een menschelijke warmte onder den luxe der met goud, beeldhouwwerk en schilderwerk overladen gewelven, die een wondermooi vaalrooden tint bezaten, sedert de tijd den barokken, al te fellen stijl wat verzacht had. Maar hoeveel ledige kerken waren er zelfs onder de oudste en eerwaardigste! In de S. Clemente, in de S. Agnese, in de S. Cuore di Gerusalemme zag men tijdens de godsdienstoefeningen slechts enkele menschen uit de buurt!
Vierhonderd kerken te vullen was zelfs voor Rome te veel; verscheidene waren er, die slechts op bepaalde feestdagen bezocht werden; vele openden haar deuren slechts éénmaal per jaar, op den naamdag van haar Heilige. Andere leefden van de gelukkige omstandigheid, dat zij een fetisch, een afgodsbeeld bezaten, dat het menschelijk lijden verzachtte: de Aracoeli had een kleinen wonderdoenden Jezus "Il Bambino", die de zieke kinderen genas; de S. Agostino had een "Madonna del Parto", de Maagd, die zwangeren gelukkig verloste. Andere waren beroemd om haar wijwater, de olie van haar lampen, de macht van een houten heilige of een marmeren madonna. Andere schenen verwaarloosd, werden alleen bezocht door touristen, overgeleverd aan den kleinhandel van kosters, deden denken aan musea, die door doode goden bevolkt zijn. Nog andere waren storend, zooals de in het Pantheon ondergebrachte Santa Maria Rolanda, een ronde zaal, die op een circus gelijkt, en waarin de Heilige Maagd blijkbaar de huurster van den Olympus is.
Ook had Pierre zich geïnteresseerd voor de kerken in de volkswijken: de S. Onofrio, de S. Cecilia, de S. Maria in Trastevere, zonder daarin echter het verwachte levende geloof, de gehoopte groote menigte te vinden. Op een middag hoorde hij in deze laatste, volkomen ledige kerk de zangers met een luide stem te midden van deze woestijn een litanie zingen. Toen hij een andermaal de S. Crisogono binnentrad, vond hij de kerk, blijkbaar voor een den volgenden dag plaats hebbend feest, geheel bekleed: de zuilen met overtrekken van rood damast, de portieken met afwisselend gele en blauwe, witte en roode draperieën en gordijnen. Hij vluchtte voor deze afschuwelijke decoratie, die denken deed aan het klatergoud van kermissen. O, wat was hij ver verwijderd van de kathedralen, waarin hij in zijn jeugd geloofd en gebeden had! Overal vond hij dezelfde kerk terug, de oude, antieke basilica, die door Bernini en zijn leerlingen pasklaar gemaakt was voor den smaak van het Rome der achttiende eeuw.
In de S. Luigi de' Francesi, die een helderen, elegant-soberen stijl heeft, werd hij slechts ontroerd door de groote dooden, de heiligen en helden, die in vreemde aarde onder de vloertegels sliepen. Daar hij Gotiek zocht, ging hij ten slotte naar de Santa Maria sopra Minerva, die, naar men hem verteld had, het eenige staal van Gotische kunst te Rome was. Maar deze met marmer overdekte halfzuilen, deze spitsbogen, die zich niet durfden opheffen, verstikt als zij werden in de zoldering, die zich rondende, tot de zware majesteit van een dom veroordeelde gewelven, vormden voor hem een laatste teleurstelling. Neen, neen! Het geloof, waarvan de warme asch hier nog lag, was niet meer hetzelfde, welks gloed de geheele Christenheid tot in de verste uithoeken had doen branden. Monsignor Fornaro, dien hij toevallig bij het verlaten van de S. Maria sopra Minerva zag, schold tegen de Gotiek, die hij zuivere haeresie noemde. De eerste Christelijke kerk was de uit den tempel ontstane basilica; het was een godslastering, wanneer men de werkelijke, Christelijke kerk zag in de Gotische kathedraal, want de Gotiek was niets meer dan de vloekwaardige Angelsaksische geest, het oproerige genie van Luther.
Pierre wilde den prelaat een heftig antwoord geven; dan zweeg hij uit vrees te veel te zullen zeggen. Was het in werkelijkheid niet het beslissende bewijs, dat het Katholicisme de vrucht van den Romeinschen bodem zelf was, het door het Christendom gemetamorphoseerde heidendom? Elders heeft datzelfde Christendom zich in een geheel anderen geest ontwikkeld, zoodat het in opstand gekomen is en zich op den dag van het schisma tegen de moederstad gekeerd heeft. Die afscheiding nam steeds grootere uitbreiding aan en in de evolutie der nieuwe maatschappijen teekenen zich ondanks de wanhopige pogingen om eenheid te verkrijgen, de geschillen steeds duidelijker af, zoodat het schisma nogmaals onvermijdelijk en nabij schijnt. Pierre, het vroeger zoo vrome en sentimenteele kind, had nog een anderen wrok tegen de basilica's: haar ontbraken de klokken, de mooie, groote klokken, die aan de nederigen zoo lief zijn. Voor klokken zijn klokkentorens noodig, en er zijn in Rome geen klokkentorens, slechts dommen. O, er viel niet aan te twijfelen, Rome was de luidklinkende en klokkenluidende stad van Jezus niet, waaruit het gebed in welluidende klankgolven tusschen de zwevende zwermen kraaien en zwaluwen hemelwaarts steeg.
Toch bleef Pierre, aangegrepen door een heimelijke geprikkeldheid, die hem in zijn verzet stijfde, zijn bezoeken voortzetten; hij hield de belofte, die hij bij zichzelf gedaan had, en ging, ondanks de wonden, die zijn ziel er door geslagen werden, naar alle kardinalen der Indexcongregatie. En langzamerhand kwam hij ook met andere congregaties in aanraking, met de ministeries van de vroegere pauselijke regeering, welke heden ten dage minder talrijk zijn, maar nog steeds een buitengewoon gecompliceerd raderwerk bezitten, die ieder een kardinaal tot voorzitter, kardinalen tot leden hebben, vergaderingen houden en een groote menigte ambtenaren in dienst hebben. Hij moest meermalen naar de Cancellaria gaan, waarin zich de Indexcongregatie bevindt, en verdwaalde daar in het reusachtige labyrinth van trappen, gangen en zalen; dadelijk bij de zuilengaanderij van het binnenplein greep hem de ijzige rilling der oude muren aan; hij kon dat paleis, het meesterwerk van Bramante, het zuivere type der Romeinsche Renaissance, dat een zoo kale en kille schoonheid bezat, niet liefhebben.
De congregatie der Propaganda, waar kardinaal Sarno hem ontvangen had, kende hij reeds en op zijn talrijke bezoeken, op die jacht naar invloedrijke beschermers, waarbij hij van den een naar den ander gezonden werd, leerde hij ook de congregatie der bisschoppen en ordegeestelijken, de riten- en de Conciliecongregatie kennen. Zelfs zag hij vluchtig de consistoriecongregatie, de Dateria, het Heilige Boetgericht. Het was het reusachtige mechanisme van de administratie der Kerk. De geheele wereld moet beheerscht, de veroveringen uitgebreid, de zaken der veroverde landen bestuurd, de geloofs-, zeden- en personenquaesties beoordeeld, delicten onderzocht en gestraft, dispensaties verleend en gunsten verkocht worden. Men kan zich het reusachtige aantal zaken, die iederen ochtend op het Vaticaan inkomen, niet voorstellen. Het zijn de ernstigste, teerste, ingewikkeldste vragen, welker oplossing tot tallooze onderzoekingen en studies aanleiding geeft. De groote menigte van uit alle deelen der Christenheid saamgestroomde en Rome verstoppende bezoekers, al die verzoekschriften, al die dossiers, welker vloed zich in alle bureaux verspreidde en opstapelde, moesten natuurlijk beantwoord worden.
Wonderbaarlijk was de groote stilte, waarin dat reusachtige werk verricht werd; geen geluid drong tot de straat door; uit de gerechtshoven, de parlementen, de fabrieken, waarin men heiligen maakte, weerklonk zelfs niet het sidderen van het werk, het mechanisme was zóó goed geolied, dat het ondanks het roest der eeuwen, de groote en onherstelbare afslijting, functionneerde, zonder dat men vermoedde, dat het daar achter die muren aan het werk was.