Part 4
Nauwlijks is Leo XIII in den moeilijken, door Pius IX achtergelaten toestand, paus, of zijn dubbele natuur openbaart zich: hij is de onwankelbare hoeder van het dogma, de soepele politicus, vast besloten, de verdraagzaamheid zoo ver mogelijk door te drijven. Hij breekt onmiddellijk met de moderne philosophie, gaat over de Renaissance heen terug naar de Middeleeuwen, herstelt in de Katholieke scholen de Christelijke wijsbegeerte in den geest van Thomas van Aquino. Nadat het dogma op die wijze beschermd is, bereikt hij het evenwicht, geeft aan alle mogendheden onderpanden van den vrede, tracht hij alle gelegenheden te benutten. Men ziet hoe hij met ongekenden ijver een verzoening tot stand brengt tusschen den Heiligen Stoel en Duitschland, hoe hij toenadering zoekt tot Rusland, Zwitserland bevredigt, in vriendschappelijke verhouding met Engeland tracht te komen, aan den keizer van China vraagt de zendelingen en de Christenen in zijn rijk bescherming te verleenen. Later zal hij tusschenbeide komen in Frankrijk en de rechtmatigheid der Republiek erkennen. Van den beginne af is in al zijn daden één gedachte duidelijk merkbaar, de gedachte, die van hem een der eerste politieke personen maken zal. En deze gedachte is niets anders dan het eeuwenoude ideaal van het pausdom: alle zielen te veroveren, Rome het centrum en de meesteres der wereld. Hij heeft slechts één wil, één doel: werken aan de eenheid der Kerk, de afgescheiden gemeenten tot haar terugbrengen, om haar in den komenden socialen strijd onoverwinlijk te maken.
In Rusland tracht hij de moreele autoriteit van het Vaticaan tot erkenning te brengen; hij droomt ervan in Engeland de Anglicaansche Kerk te ontwapenen en haar tot een soort broedervrede te bewegen. Maar vooral in het Oosten streeft hij naar een hereeniging met de afvallige Kerken, die hij eenvoudig als gescheiden zusters behandelt, wier terugkeer zijn vaderhart zoo vurig wenscht. Over welke overwinnende kracht zou Rome niet beschikken, wanneer het zonder tegenspraak over alle Christenen der geheele wereld heerschen zou?
Hier kwam de sociale gedachte van Leo XIII terug. Nog als bisschop van Perugia had hij een herderlijken brief geschreven, waarin een nog wel vaag humanitair socialisme tot uiting kwam. Nauwlijks echter heeft hij zich de tiara opgezet, of hij verandert van meening, dreigt de revolutionnairen, wier vermetelheid toen geheel Italië schrik aanjoeg, met zijn banbliksems. Onmiddellijk echter wijzigt hij zijn koers, gewaarschuwd door de feiten, het doodelijk gevaar, om het socialisme in de handen van de vijanden van het Katholicisme te laten, inziende. Hij luistert naar de adviezen van de populaire bisschoppen in de propagandalanden, mengt zich niet meer in de Iersche quaestie, trekt den banvloek in, dien hij naar de Ridders van den Arbeid in de Vereenigde Staten geslingerd had, verbiedt de vermetele boeken van Katholiek-socialistische schrijvers op den Index te plaatsen. Deze omzwenking naar de democratie vindt men in zijn meest beroemde encyclieken terug: Immortale Dei over de constitutie der staten; Libertas over de menschelijke vrijheid; Sapientiae over de plichten van Christelijke burgers; Rerum novarum over den toestand der arbeiders. Met name deze laatste schijnt de Kerk verjongd te hebben. De paus constateert daarin de onverdiende ellende der arbeiders, den te langen werktijd, het onvoldoende loon. Ieder mensch heeft het recht om te leven; het door den honger afgeperste contract is onrechtvaardig.
Op een andere plaats verklaart hij, dat men den arbeider niet onbeschermd mag laten tegenover een uitbuiting, die de ellende der groote meerderheid in het geluk van enkele anderen verkeeren doet. Daar hij zich over de organisatiequaestie slechts zeer vaag kan uiten, bepaalt hij er zich toe de vereenigingsbeweging, die hij onder de bescherming van den Staat plaatst, aan te moedigen; en nadat hij aldus de gedachte van het burgerlijk gezag hersteld heeft, brengt hij God weer op zijn souvereine plaats terug. Hij verwacht voornamelijk heil van moreele maatregelen, van den ouden eerbied voor familie en eigendom.
Maar was deze hulpvaardige hand, die de verheven stedehouder van Christus openlijk aan de eenvoudigen van geest en de armen toestak, niet het zeker teeken van een nieuwen bond, niet de aankondiging van een nieuw koninkrijk van Jezus op aarde? Van nu af aan wist het volk, dat het niet verlaten was. En tot welk een glorie steeg van dat oogenblik af Leo XIII niet, wiens priester- en bisschopsjubilea door de gezamenlijke Christenheid gevierd werden onder den toevloed van een ontzaglijke menigte, van tallooze geschenken, van vleiende brieven, door alle souvereinen gezonden.
Vervolgens had Pierre de quaestie van de wereldlijke macht behandeld, wat hij vrijuit meende te mogen doen. Natuurlijk wist hij, dat de paus in zijn strijd met Italië even hardnekkig als op den eersten dag zijn rechten op Rome bleef handhaven; maar hij meende, dat dit slechts een noodzakelijke vormquaestie was, die door politieke overwegingen opgedrongen werd en verdwijnen zou, zoodra het uur daarvoor sloeg. Hij voor zich was overtuigd, dat de paus, die nog nooit zoo groot geweest was als thans, die uitbreiding van zijn autoriteit, die zuivere schittering van moreele almacht te danken had aan het verlies van zijn wereldlijke macht. Welk een lange reeks van misslagen en conflicten was sedert vijftien eeuwen niet de geschiedenis van het bezit van dit kleine Romeinsche koninkrijk! In de vierde eeuw verlaat Constantijn Rome, op den ledigen Palatinus blijven nog slechts enkele vergeten functionarissen achter; de paus maakt zich natuurlijk van de macht meester en het leven der stad gaat over naar den Lateranus. Maar eerst vier eeuwen later erkent Karel de Groote het fait accompli door aan den paus formeel den Kerkelijken Staat te schenken.
Van dat oogenblik af houdt de oorlog tusschen de geestelijke macht en de wereldlijke machten niet meer op, dikwijls in het verborgene, meestal echter hevig, vol bloed en vlammen. Is het niet onverstandig thans te droomen van een pausdom, dat te midden van het gewapende Europa tegelijk koning van een lapje grond was, waar het blootgesteld zou zijn aan alle kwellingen, waar het zich slechts met behulp van een vreemd leger zou kunnen handhaven? Wat zou er van het pausdom worden in het algemeene bloedbad, dat men dreigend naderen ziet? Hoeveel veiliger, hoeveel waardiger en hooger is zijn positie, wanneer het, bevrijd van alle aardsche zorgen, slechts over de wereld der zielen regeert!
In de eerste tijden der Kerk heeft het pausdom, oorspronkelijk geheel locaal en zuiver Romeinsch, zich langzamerhand gekatholiseerd, geüniversaliseerd, door zijn heerschappij over de geheele Christenheid uit te breiden. Eveneens heeft het Heilig College, dat oorspronkelijk niets anders was dan een voortzetting van den Romeinschen Senaat, zich geïnternationaliseerd, zoodat het heden ten dage de meest universeele van alle vereenigingen geworden is, waarin onderdanen van alle naties zitting hebben. En is het niet duidelijk, dat de paus, aldus door de kardinalen gesteund, de eenige groote internationale autoriteit geworden is, des te machtiger nu hij bevrijd is van monarchistische belangen en in naam der menschheid spreekt, ja zelfs boven het begrip vaderland staat. De zoo vurig gezochte oplossing, waarom zulke langdurige oorlogen gevoerd zijn, bestaat ongetwijfeld hierin: of men moet den paus de wereldlijke macht over de geheele aarde geven of hem slechts de geestelijke heerschappij laten. Wanneer hij, die reeds de meester der zielen is, niet door alle volkeren als de eenige meester der lichamen, als de koning der koningen erkend wordt, dan moet hij als stedehouder Gods, als absoluut en onfeilbaar souverein door goddelijke overdracht in zijn heiligdom blijven.
Maar welk een vreemd avontuur was dit nieuwe ontspruiten van het pausdom op het door de Fransche Revolutie bezaaide en bemeste veld! Misschien baant dit het den weg naar de heerschappij, het streven waarnaar het zooveel eeuwen staande gehouden heeft. Want nu staat het alleen voor het volk; de koningen zijn neergeworpen; aan het volk staat het thans vrij zich te geven aan wie het zelf wil; waarom zou het zich niet geven aan het pausdom? De zekere afbrokkeling, die de vrijheidsidee ondergaat, geeft het recht alles te hopen. Op economisch terrein schijnt de liberale partij overwonnen. De arbeiders, ontevreden over '89, klagen over hun steeds grooter geworden ellende, roeren zich, zoeken wanhopig naar het geluk. Anderzijds hebben de nieuwe regeeringsvormen de internationale macht der Kerk doen toenemen; in de parlementen der republieken en constitutioneele monarchieën zitten talrijke Katholieken.
Alle omstandigheden schijnen dus het buitengewone geluk van het verouderende, maar tot nieuwe jeugdkracht ontwakende Katholicisme te begunstigen. Tot de wetenschap toe, die men bankroet verklaart, wat den Syllabus van belachelijkheid redt, maakte de geesten ongerust, opent weer het onbegrensde gebied van het mysterie en van het onmogelijke. En dan herinnert men zich een prophetie, volgens welke het pausdom meester der wereld zijn zou, zoodra het zich aan de spits der democratie zou stellen, na al de afvallige Oostersche Kerken met de apostolische Roomsch-Katholieke Kerk vereenigd te hebben. Die tijd was blijkbaar gekomen, nu de paus, de machtigen en rijken dezer aarde van zich stootend, de van hun troon gejaagde koningen in hun ballingschap liet, om zich, zooals Jezus, aan de zijde van de arbeiders zonder brood en de bedelaars te scharen. Misschien nog enkele jaren van vreeselijke ellende, van verontrustende verwarring--en dan zal het volk, de groote Zwijger, waarover men tot dusverre naar willekeur beschikt heeft, zijn mond openen, terugkeeren naar de wieg, naar de geünifieerde Kerk van Rome, om de dreigende verwoesting der menschelijke maatschappij te voorkomen.
En Pierre eindigde zijn boek met een hartstochtelijke evocatie van het nieuwe Rome, het geestelijke Rome, dat weldra heerschen zou over de verzoende, in een nieuwe gouden eeuw als broeders vereenigde volkeren. Hij zag daarin zelfs het einde van het bijgeloof in, hij had, zonder echter de dogma's direct aan te vallen, zich in zijn dweperij zoozeer vergeten, dat hij van een uitgebreid, van alle ceremoniën bevrijd, geheel in de bevrediging der naastenliefde opgaand, religieus gevoel droomde. Nog gewond door zijn reis naar Lourdes, had hij toegegeven aan den drang, om zijn hart te bevredigen. Was dat zoo krasse bijgeloof van Lourdes niet het afschuwlijke symptoom van een tijdvak van al te groot lijden? Den dag, dat het Evangelie over de geheele wereld verbreid en in toepassing gebracht zou worden, zouden de lijdenden niet meer zoo ver en onder zoo tragische omstandigheden een illusoiren troost gaan zoeken, zeker als zij van af dat oogenblik zouden zijn thuis hulp te vinden, getroost en genezen te worden.
Te Lourdes had men een zondige verdraaiing van het lot, een voortdurende reden tot strijd, die aan God deed twijfelen, maar in de echt-Christelijke maatschappij van morgen verdwijnen zou. O, deze christelijke maatschappij, deze christelijke gemeenschap; het zwaartepunt van het geheele boek lag in het vurige verlangen naar de komst daarvan! O, mocht de tijd gauw komen, dat het Christendom weer de godsdienst van gerechtigheid en waarheid worden zou, die het vroeger geweest was, voor het zich had laten veroveren door de machtigen en rijken! De tijd, dat de kleinen en armen regeerden, de aardsche goederen onderling deelden en slechts gehoorzaamden aan de alles gelijk makende wet van den arbeid! De tijd, dat de paus alleen aan het hoofd van de federatie der volkeren staan zou, als een vredesvorst, wiens eenige en eenvoudige roeping was de regel der moraal, de band van liefde en barmhartigheid te zijn, die alle wezens samenbindt. Was dat niet de aanstaande verwezenlijking van Christus' beloften. De tijden zouden in vervulling gaan, de burgerlijke maatschappij en de religieuse maatschappij zouden elkaar zóó volkomen dekken, dat zij er slechts één zouden vormen. Dat zou de door alle propheten voorspelde eeuw van triomf en geluk zijn: geen strijd meer, geen antagonisme tusschen lichaam en ziel, een wonderbaar evenwicht, dat de zonde zou dooden, dat op aarde het koninkrijk Gods brengen zou. Het nieuwe Rome, het centrum der wereld, dat aan de wereld den nieuwen godsdienst gaf!
Pierre voelde, hoe de tranen hem in de oogen kwamen. Met een onbewust gebaar en zonder de verbazing van de magere Engelschen en de corpulente Duitschers, die over het terras heen en weer liepen, op te merken, breidde hij zijn armen uit naar het werkelijke Rome, dat, badend in de mooie zon, zich aan zijn voeten uitstrekte. Zou het zijn droom goedgunstig gezind zijn? Zou hij, zooals hij gezegd had, werkelijk het geneesmiddel voor al ons ongeduld, voor al onze smart vinden? Kon het Katholicisme zich hernieuwen, tot den geest van het oorspronkelijke Christendom terugkeeren, de godsdienst der democratie zijn, het geloof, dat de in doodsgevaar verkeerende moderne maatschappij verwacht, om tot kalmte te komen en verder te leven? Hij was vol edelen hartstocht, vol geloof. Hij zag den goeden abbé Rose terug, zooals hij bij het lezen van het boek van ontroering weende; hij hoorde vicomte Philibert de la Choue tegen hem zeggen, dat een dergelijk boek met een leger gelijk stond; hij voelde zich vooral sterk door de goedkeuring van kardinaal Bergerot, den apostel van de onuitputtelijke naastenliefde.
Waarom dreigde dan de congregatie zijn werk op den Index te plaatsen? Sedert veertien dagen, sedert men hem officieus gewaarschuwd had naar Rome te gaan, als hij zich verdedigen wilde, stelde hij zich telkens weer die vraag, zonder te kunnen ontdekken, welke bladzijden van zijn boek aanstoot konden geven. Het kwam hem voor, dat in alle het zuiverste Christendom brandde. Maar hij kwam, bevend van geestdrift en moed, hij verlangde vurig neer te knielen aan de voeten van den paus, zich onder zijn verheven bescherming te stellen, hem te zeggen, dat hij geen regel geschreven had, die niet door zijn geest geïnspireerd was, die niet den triomf van zijn politiek beoogde. Was het mogelijk, dat men een boek op den Index plaatste, waarin hij in volle oprechtheid meende Leo XIII verheerlijkt te hebben door hem bij zijn werk van Christelijke eenheid en algemeenen vrede te helpen?
Een oogenblik bleef Pierre tegen de borstwering staan. Bijna een uur lang stond hij daar reeds, zonder zich te kunnen verzadigen aan den aanblik van Rome's grootheid, dat hij dadelijk ondanks al het onbekende, dat het voor hem verborg, had willen bezitten. O, het te grijpen, het te kennen, oogenblikkelijk de waarheid te ervaren, die hij het vragen kwam! Het was een nieuw experiment, een nog ernstiger dan Lourdes, een beslissend experiment, waaruit hij òf gesterkt òf voor altijd verpletterd te voorschijn zou komen. Hij vroeg niet meer het naïeve, absolute kindergeloof, maar het hoogere geloof van den intellectueel, dat zich verheft boven ceremoniën en symbolen en werkt aan het grootst mogelijke geluk der menschheid, gebaseerd op zijn behoefte aan zekerheid. Zijn hart klopte in zijn keel: wat zou Rome's antwoord zijn? De zon was verder geklommen, de hooger gelegen stadswijken teekenden zich scherper tegen den in vuur staanden achtergrond af. In de verte namen de heuvels gouden en purperen tinten aan, terwijl de dichtst bij zijnde gevels helder en duidelijk met hun duizenden vensters te zien waren.
Maar de ochtendnevels waren nog niet geheel opgetrokken, lichte sluiers schenen uit de lage straten op te stijgen en de toppen te omhullen, waar zij zich dan in den vurigen, eindeloos blauwen hemel vervluchtigden. Een oogenblik dacht hij, dat de Palatinus verdwenen was; hij zag nauwlijks den donkeren zoom der cypressen, alsof hij door het stof van zijn ruïnen verborgen werd. Voornamelijk echter was de Quirinalis niet te onderscheiden, het koninklijk paleis met zijn onbeteekenenden, vlakken en lagen gevel scheen zich teruggetrokken te hebben en zag er in de verte zoo onbestemd en vaag uit, dat hij het niet meer onderscheiden kon. Links echter, boven de boomen, stak de dom van St. Pieter nog hooger uit in het heldere goud van de zon--nam den geheelen hemel in, beheerschte de geheele stad.
O, met welk een onbegrensde hoop vervulde hem deze eerste aanblik van Rome--het ochtend-Rome, welks nieuwe wijken hij in de koorts van zijn aankomst niet eens opgemerkt had, het Rome, dat hij hoopte zóó te vinden als hij het gedroomd had. En toen hij daar in zijn dunne zwarte soutane op dezen schitterenden morgen in aanschouwing verzonken stond--toen meende hij een kreet van naderende verlossing uit de daken te hooren oprijzen, een belofte van wereldvrede te hooren weerklinken uit die heilige aarde, welke tweemaal koningin der wereld geweest was. Dit was het derde Rome, het nieuwe Rome, welks vaderlijke liefde over de grenzen heen uitging naar alle volkeren, om ze, getroost, in één omarming aan zijn borst te drukken. Hij zag het, hij hoorde het--het lag daar zoo verjongd, zoo kinderlijk-zacht onder den wijden blauwen hemel, als opgeheven in den heerlijk-frisschen ochtend en de hartstochtelijke reinheid van zijn droom.
Eindelijk rukte Pierre zich van het verheven schouwspel los. Het paard en de koetsier hadden zich niet bewogen, met gebogen hoofd stonden zij in de volle zon. Op het bankje brandde het handkoffertje in de stralen van de nu reeds hoog staande dagvorstinne. Hij stapte weer in zijn rijtuigje, riep den koetsier opnieuw het adres toe:
"Via Giulia, palazzo Boccanera."
TWEEDE HOOFDSTUK
Op dat uur baadde de Via Giulia, die in een rechte lijn van ongeveer vijfhonderd meter van den palazzo Farnese naar de kerk San Giovanni de' Fiorentini loopt, zich in het volle zonlicht. Het kleine vierkante plaveisel van den rijweg--een trottoir was er niet--leek geheel wit. Het rijtuigje reed bijna de geheele straat door tusschen de oude, grauwe, als in slaap gevallen en ledige huizen met hun groote getraliede vensters en hun diepe voorportalen, waardoor men op de sombere, op putten gelijkende binnenplaatsen zien kon. Geopend door paus Julius II, wiens droom het was haar met prachtige paleizen te omzoomen, had de straat, in dien tijd de regelmatigste en mooiste van Rome, in de zestiende eeuw als Corso gediend. Nu nog was te merken, dat het eens een mooie wijk geweest was; thans echter was het tot stille eenzaamheid vervallen en van een clericale rust en kalmte vervuld. De eene oude gevel volgde op den anderen; de ramen waren gesloten, een paar traliewerken met klimplanten begroeid, op de drempels zaten katten, in de bijgebouwen waren eenvoudige, donkere winkels ondergebracht, terwijl zich slechts weinig voorbijgangers lieten zien: vrouwen, die kinderen achter zich aan trokken, een met een muilezel bespannen hooiwagen, een monnik in een grove wollen pij, een geruischloos voorbijsnellende wielrijder, wiens rijwiel in de zon schitterde.
Eindelijk keerde de koetsier zich om en wees met zijn zweep op een groot vierkant gebouw op den hoek van een naar den Tiber loopend steegje.
"Palazzo Boccanera."
Pierre keek op. Het streng-regelmatige, door den tijd zwart geworden, kale en massieve gebouw benauwde hem een weinig. Evenals de palazzo Farnese en de palazzo Sacchetti, zijn buren, was het omstreeks 1540 door Antonio da San Gallo gebouwd; ja zelfs beweerde men, dat, evenals voor het eerste, de architect voor den bouw uit het Colosseum en het Theatrum Marcelli gestolen steenen gebruikt had. De gevel, in verhouding tot de straat te groot en te vierkant, bestond uit drie verdiepingen, waarvan de eerste zeer hoog en voornaam was. Als eenige versiering rustten de hooge vensters van den rez-de-chaussée, die ongetwijfeld uit vrees voor een beleg met reusachtige, vooruitspringende tralies voorzien waren, op groote consoles en waren gekroond met attieken, die zelf weer op kleinere consoles steunden. Boven de monumentale ingangspoort met zijn bronzen deuren liep voor het middenraam een balcon. De gevel eindigde bovenaan in een prachtige lijst, waarvan de fries bewonderenswaardig zuivere en mooie versieringen had. Die fries, de consoles en de attieken waren, evenals de deurlijsten, van wit marmer, dat echter zoo vuil gevlekt en afgebrokkeld was, dat het er ruw en geel als zandsteen uitzag. Links en rechts van de poort stonden twee oude, door draken gedragen banken, eveneens van marmer; in een der hoeken zag men nog een in den muur ingemetselde, prachtige Renaissance-fontein, een op een dolfijn rijdende Amor, die echter nauwlijks meer te herkennen was, zoo was het relief in den loop der tijden weggevreten.
Maar Pierre's blikken werden vooral getrokken door een gebeeldhouwd wapenschild boven een der ramen van de rez-de-chaussée: het wapenschild der Boccanera's, een gevleugelde, vlammenspuwende draak; hij kon nog heel duidelijk het intact gebleven devies lezen: Bocca nera, Alma rossa--zwarte mond, roode ziel. Boven een ander raam bevond zich, als pendant, een van die kleine kapelletjes, die men nog zoo veel in Rome vindt, een in satijn gekleede Heilige Maagd, waarvoor in het volle daglicht een lantaarntje brandde.
De koetsier wilde, zooals dat gebruikelijk is, onder het donkere, openstaande voorportaal rijden, toen de jonge priester in zijn verlegenheid hem tegenhield:
"Neen, neen, niet inrijden. Het is niet noodig."
Hij stapte uit, betaalde en ging met zijn valiesje in zijn hand eerst onder de poort door en dan de binnenplaats op, zonder een menschelijk wezen te zien.
Het was een vierkant, groot, als een klooster door een overdekte zuilengang omgeven binnenplaats. Onder de arcaden waren tegen de muren overblijfselen van opgedolven marmeren standbeelden geplaatst--een Apollo zonder armen, een Venus, waarvan alleen de romp nog over was; tusschen de kiezelsteenen, die den grond met een zwart en wit mozaïek plaveiden, was fijn gras opgeschoten. Nooit scheen de zon tot dit door vochtigheid verweerde plaveisel door te dringen. Er heerschte daar een duisternis en een zwijgen als van een doode grootheid en een eindelooze droefheid.
Verbaasd door het ledige van dit zwijgende paleis, zocht Pierre naar een portier of naar een knecht; toen hij een schim meende te zien voorbijglijden, vermande hij zich onder een tweede gewelf door te gaan, dat naar een klein aan den Tiber gelegen tuintje leidde. Aan die zijde liet de hier geheel vlakke en onversierde gevel slechts zijn drie rijen symmetrische vensters zien. Maar de totaal verwaarloosde tuin benauwde hem nog meer. In het midden, in een toegegooid bassin, waren groote taxisboomen opgeschoten. Tusschen het onkruid wezen slechts de oranjeappelboomen met hun gouden vruchten de lijn der paden aan. Tegen den rechtermuur stond tusschen twee reusachtige laurierboomen een sarcophaag uit de tweede eeuw; het relief stelde faunen voor, die vrouwen schoffeerden, een ongebreideld bacchanaal, een van die wellustige liefdetooneelen, zooals het decadente Rome uit dien tijd ze op de graven liet aanbrengen.
Deze in een trog veranderde, afgebrokkelde, groen geworden, marmeren sarcophaag ving het fijne waterstraaltje op, dat uit een in den muur gemetseld, tragisch masker stroomde. Vroeger kwam hier een soort loggia met een zuilengalerij op den Tiber uit, een terras, vanwaar een dubbele trap naar de rivier stroomde. Maar de kadewerken brachten ook een verhooging van den oever met zich mede; het terras lag nu al lager dan de nieuwe grond, te midden van puin en gehouwen steenen, die waren blijven liggen.
Ditmaal was Pierre er zeker van de schim van een rok gezien te hebben. Hij ging naar de binnenplaats terug en stond tegenover een vrouw, die tegen de vijftig zijn moest, maar nog geen grijs haar had; met haar wat korte gestalte maakte zij een vroolijken, levendigen indruk. Toch kwam bij het zien van den priester iets als wantrouwen op haar rond gezichtje met de kleine, heldere oogjes.