De drie steden: Rome

Part 39

Chapter 393,695 wordsPublic domain

Zij beweren, dat er schikkingen te treffen zijn met den hemel; zij plooien zich naar de zeden, naar de vooroordeelen, naar de ondeugden zelfs; zij glimlachen, zijn vriendelijk, denken er niet aan streng te wezen, zijn diplomatiek, bereid om de ergste gruwelen zoo te draaien, dat zij tot de grootste eer van God gedaan schijnen te zijn. Dat is hun verzamelkreet, daaruit vloeit voort hun moraal--de moraal, die men hun zoo dikwijls voor de voeten geworpen heeft--dat alle middelen goed zijn om het doel te bereiken, wanneer dat doel is het koninkrijk Gods, vertegenwoordigd door dat der Kerk. Welk een reusachtig succes dan ook! Zij rijzen overal op, zij bedekken al heel spoedig de aarde, zijn al heel spoedig overal de onbetwiste heerschers. Zij nemen koningen de biecht af, zij vergaren ontzaglijke rijkdommen, zij vormen een zoo zegerijke macht, dat zij in geen land hun voet kunnen zetten, zonder het weldra geheel met zijn zielen, zijn lichamen, zijn invloed en zijn rijkdom, te bezitten. In de eerste plaats richten zij scholen op, zij zijn onvergelijkelijke hersenkneders, want zij hebben steeds begrepen, dat de macht altijd toebehoort aan het morgen, aan de opkomende geslachten, waarover men de baas blijven moet, indien men eeuwig wil heerschen.

Hun op de noodzakelijkheid van een transactie met de op zonde gebaseerde macht is zóó groot, dat zij onmiddellijk na het Concilie van Trente den geest van het Katholicisme wijzigen, het doordringen en met zichzelf identificeeren, de onontbeerlijke soldaten worden van het pausdom, dat van hen en voor hen leeft. Van af dat oogenblik behoort Rome hun--Rome, waar hun generaal zoo lang bevolen heeft, Rome, vanwaar zoo lang het wachtwoord is uitgegaan van die geheime en geniale taktiek, die blindelings gevolgd werd door hun ontelbaar leger, welks handige organisatie de wereld bedekt met een ijzeren net onder de fluweelzachte handen, die zoo ervaren zijn in het leiden van de arme, lijdende menschheid.

Maar het allerwonderbaarlijkste van alles was nog de verrassende levenskracht van die onophoudelijk vervolgde, veroordeelde en verdreven Jezuïeten, die ondanks alles nog het hoofd omhoog houden. Zoodra hun macht gevestigd is, begint hun impopulariteit, die langzamerhand algemeen wordt. Een gejouw vol verwenschingen, afschuwlijke aanklachten, schandelijke processen verheffen zich tegen hen, waarin zij als misdadigers en verdervers ontmaskerd worden. Pascal geeft ze aan de openbare verachting prijs, parlementen doemen hun boeken ten vure, universiteiten verwerpen hun leer en hun moraal als gif. In ieder rijk verwekten zij zulke onlusten en troebelen, dat een vervolging tegen hen georganiseerd wordt en zij weldra overal verjaagd worden. Meer dan een eeuw lang zijn zij zwervende, worden verdreven, dan weer teruggeroepen, gaan over de grenzen en komen weer terug, verlaten een land onder hoongelach en haatgeschreeuw om het weer te betreden, zoodra de rust zich hersteld heeft. Eindelijk zijn zij, nadat een paus hun orde opgeheven had--hun grootste ramp--weer door een ander hersteld en worden sedert dien tijd zoo goed en zoo kwaad als het gaat, geduld. Maar ondanks hun diplomatiek op den achtergrond blijven, ondanks het vrijwillige donker, waarin zij zoo voorzichtig zijn te leven, blijven zij, rustig en zeker van de overwinning, triompheeren als soldaten, die de wereld voor goed veroverd hebben.

Pierre wist, dat zij thans, indien men alleen naar den uiterlijken schijn oordeelt, uit het bezit van Rome verdreven waren. Zij besturen de Jezuïetenkerk niet meer, hebben niet meer de leiding van het Collegium Romanum, waar zij zooveel zielen gemodelleerd hebben; zonder eigen huis en op gastvrijheid van vreemden aangewezen, hebben zij zich bescheiden in het Collegium Germanicum teruggetrokken, waarin zich een kleine kapel bevond. Daar predikten zij, namen zij nog de biecht af, maar zonder ophef, zonder de vrome pracht van de Il Gesù, zonder de roemrijke successen van het Collegium Romanum. Moet men dus gelooven, dat zij uit list, met opzet verdwijnen, om de geheime en almachtige meesters te blijven, de verborgen wil, die alles leidt. Men zeide immers, dat het dogma der Onfeilbaarheid van den paus hun werk was, het wapen, waarmede zij zichzelf gewapend hadden, terwijl zij het lieten voorkomen, alsof zij het pausschap ermede wapenden voor de toekomstige, zware taak, die hun genie aan den vooravond van groote sociale omwentelingen voorzag. Bestond dus werkelijk die geheime oppermacht, waarvan don Vigilio zoo geheimzinnig vertelde, die beslaglegging op het bestuur der Kerk, die onbekende, maar volkomen macht op het Vaticaan?

Als gevolg van een plotselinge gedachtenassociatie vroeg Pierre plotseling:

"Is monsignor Nani dan een Jezuïet?"

Die naam scheen don Vigilio weer geheel van streek te brengen; zijn hand beefde van opwinding.

"Hij? O, hij is veel te slim en veel te handig, om in de orde te gaan. Maar hij is een leerling van dat Collegium Romanum, waarop zijn generatie zijn opleiding gekregen heeft, en heeft daar het genie der Jezuïeten, dat zoo goed bij zijn eigen genie paste, ingedronken. Maar ook al heeft hij begrepen, hoe gevaarlijk het is zich in een impopulair en hinderlijk kostuum te steken, wanneer men vrij wil zijn, daarom is hij niet minder Jezuïet, o, Jezuïet in merg en been! Hij is blijkbaar de meening toegedaan, dat de Kerk niet kan triompheeren dan door de menschelijke hartstochten te exploiteeren; daarbij heeft hij haar oprecht lief; hij is in den grond der zaak heel vroom, een zeer goed priester en dient God zonder zwakheid om de onbeperkte macht, die Hij aan Zijn dienaren geeft. Bovendien is hij zeer charmant, niet in staat tot een ruwheid of een misstap, wordt hij begunstigd door de reeks adellijke Venetianen, die hij achter zich heeft, bezit hij door zijn wereldkennis, die hij in de nuntiaturen te Weenen en Parijs verkregen heeft, een breeden blik, weet hij alles, kent hij alles, dank zij de delicate functies, die hij hier, als assessor van het Heilig College, sedert tien jaar bekleedt... O, hij is almachtig en niet als een heimelijke Jezuïet, wiens zwart kleed te midden van het algemeene wantrouwen voortglijdt, maar als aanvoerder zonder een bepaalde uniform, als het hoofd, als het brein!"

Deze woorden brachten Pierre tot ernstige overdenkingen, want het ging nu niet meer om mannen, die zich in muren verborgen, niet meer over donkere complotten van een romantische secte. Ook al kwam zijn scepticisme tegen dergelijke verhaaltjes in verzet, daarom kon hij toch zeer goed aannemen, dat een opportunistische, uit de behoeften van den strijd om het bestaan geboren moraal, zooals die van de Jezuïeten, zich geoculeerd had op de geheele Kerk en daarin nu onbeperkt heerschte. De Jezuïeten zelf konden verdwijnen, hun geest zou hen overleven, omdat hij het strijdwapen, de hoop op de overwinning, de eenige taktiek was, die de volkeren onder de heerschappij van Rome zou kunnen terugbrengen. In werkelijkheid lag die strijd in deze poging tot aanpassing, die zich tusschen den godsdienst en de eeuw voltrok. Van nu af begreep hij, hoe mannen als monsignor Nani zoo'n belangrijke, beslissende rol konden spelen.

"O, als u het eens wist, als u het eens wist!" ging don Vigilio voort. "Hij is overal, heeft de hand in alles. Hier bij de Boccanera's bijvoorbeeld is niets gebeurd, of ik heb hem achter de schermen gevonden, of hij verwarde of ontwarde, al naar het noodig was--wat hij alleen weet--de draden."

En in de onuitputtelijke koorts van mededeelzaamheid, die hem geheel en al verteerde, vertelde hij, hoe monsignor Nani ongetwijfeld ook in de echtscheiding van Benedetta betrokken was. De Jezuïeten hebben ondanks hun verzoenlijken geest steeds een onverzoenlijke houding aangenomen ten opzichte van Italië, hetzij omdat zij niet aan de herovering van Rome twijfelen, hetzij omdat zij het oogenblik afwachten om met den werkelijken overwinnaar te onderhandelen. Nani, die sedert lang een vertrouwde van donna Serafina was, had haar dan ook geholpen om haar nicht weer bij zich te nemen en de breuk met Prada te bespoedigen, zoodra Benedetta haar moeder verloren had. Hij was het geweest, die, om abbé Pisoni, den patriotischen geestelijke en den biechtvader van het jonge meisje, wien men verweet, dat hij het huwlijk in de hand gewerkt had, te verdringen, Benedetta aangespoord denzelfden biechtvader te nemen als haar tante, den Jezuïetenpater Lorenza, een knappen man met heldere en vriendelijke oogen, wiens biechtstoel in de kapel van het Collegium Germanicum bestormd werd.

Het scheen vast te staan, dat deze manoeuvre over de heele quaestie beslist had: wat een pastoor voor Italië gedaan had, zou een pater tegen Italië weer ongedaan maken. Maar waarom scheen nu Nani, na eerst de breuk tot stand gebracht te hebben, een oogenblik zóó alle belangstelling in de zaak verloren te hebben, dat hij het verzoek om nietigverklaring van het huwlijk gevaar liet loopen? En waarom bemoeide hij er zich thans weer mede, door monsignor Palma te laten koopen, door donna Serafina aan het werk te zetten, door zelf zijn invloed op de kardinalen van de Conciliecongregatie te laten gelden? Er waren duistere punten in deze zaak, zooals in alle zaken, waarin hij betrokken was, want hij was vóór alles een man van verreikende combinaties. Maar men kon aannemen, dat hij het huwlijk van Benedetta en Dario wilde bespoedigen, om een einde te maken aan de schandelijke lasterpraatjes der witte kringen, die den neef en de nicht beschuldigden, dat zij in het paleis slechts één bed hadden, waarvoor hun oom, de kardinaal, welwillend zijn oogen sloot. Misschien was echter ook deze ten koste van veel geld en onder den druk van zeer bekende invloeden verkregen echtscheiding een met opzet uitgelokt, eerst op de lange baan geschoven en thans verhaast schandaal, om den kardinaal zelf te benadeelen, van wien de Jezuïeten voor een in de naaste toekomst liggende omstandigheid gaarne bevrijd wilden zijn.

"Ik voor mij voel het meest voor deze laatste veronderstelling," ging don Vigilio voort; "te meer daar ik vanavond gehoord heb, dat de paus lijdende is. Bij een man van vier-en-tachtig jaar is ieder oogenblik het ergste te vreezen; de paus kan niet meer verkouden zijn, of het heele Heilige College en alle prelaten geraken in beweging... Nu hebben de Jezuïeten altijd de candidatuur van kardinaal Boccanera bestreden. Eigenlijk moesten zij om zijn rang, om zijn intransigente houding ten opzichte van Italië voor hem zijn, maar het denkbeeld zichzelf een dergelijken meester te geven, maakt hen bang; zij vinden, dat hij een te onstuimig karakter, een te heftig geloof heeft, te weinig soepel is in deze tijden, waarin de Kerk een diplomaat zoo hoog noodig heeft... En het zou me geen oogenblik verwonderen, wanneer men trachten zou hem in discrediet te brengen, zijn candidatuur door de gemeenste en schandelijkste middelen onmogelijk te maken."

Een lichte rilling van vrees doorhuiverde Pierre. De besmetting van het onbekende, van de in het donker opgezette intriges werkte te midden van de nachtelijke stilte in het paleis aan den Tiber, in dat van legendarische tragedies zoo volle Rome nog sterker. En plotseling tot zichzelf, tot zijn persoonlijk geval terugkeerend, vroeg hij:

"Maar ik, wat heb ik met dat alles uitstaande? Waarom schijnt monsignor Nani zich voor mij te interesseeren? Wat heeft hij te maken met het proces, dat mijn boek aangedaan is?"

Don Vigilio maakte een groot gebaar.

"O, dat weet je nooit, dat weet je nooit precies!... Wat ik u met zekerheid zeggen kan, is, dat hij eerst van de zaak kennis gekregen heeft, toen de aanklachten der bisschoppen van Tarbes, Poitiers en Evreux zich al in handen bevonden van pater Dangelis, den secretaris der Indexcongregatie; eveneens heb ik gehoord, dat hij alle mogelijke moeite gedaan heeft om het proces tegen te houden, daar hij het blijkbaar onnoodig en onpolitiek vindt. Maar wanneer een zaak eenmaal bij de congregatie aanhangig gemaakt is, is het bijna onmogelijk den verderen loop tegen te houden, te meer daar hij in dit geval pater Dangelis tegenover zich had, die, als trouw Dominicaan, een hartstochtelijk tegenstander der Jezuïeten is. In dien stand van zaken heeft hij de contessina aan mijnheer de la Choue laten schrijven, die u zeggen moest, dat gij zelf in Rome uw boek verdedigen en gedurende uw verblijf alhier de gastvrijheid van dit paleis aannemen moest."

Deze onthulling bracht Pierre in groote opwinding.

"Bent u daar zeker van?"

"O, beslist zeker, ik heb hem op een Maandagavond over u hooren spreken, en reeds heb ik u gezegd, dat hij zeer goed van u op de hoogte schijnt te zijn, alsof hij een nauwkeurig onderzoek naar u had ingesteld. Naar mijn meening had hij uw boek gelezen en was hij daardoor zeer gepreoccupeerd."

"Gelooft u dus, dat hij het met mijn denkbeelden eens is? Dat hij oprecht is en dat hij zichzelf verdedigt, terwijl hij mij tracht te verdedigen?"

"O, neen, geen quaestie van... Hij vervloekt uw denkbeelden, uw boek en u zelf! U moest zijn minachting voor den zwakke, zijn haat tegen den arme, zijn liefde voor het gezag en de heerschappij eens kennen, die verborgen liggen onder zijn zoo beminnelijke vriendelijkheid. Lourdes zou hij u nog kunnen vergeven, hoewel dat een machtig wapen is. Maar nooit zal hij u vergeven, dat gij u aan de zijde der kleinen van deze wereld schaart en dat gij u tegen de wereldlijke macht verklaard hebt. Als u eens hoorde, met welk een aanminnig lijkende wreedheid hij zich vroolijk maakt over mijnheer de la Choue, dien hij de weemoedige treurwilg van het Neo-Katholicisme noemt."

Pierre greep met beide handen naar zijn slapen en drukte zijn hoofd in wanhoop.

"Maar waarom dan, waarom dan? Zeg het me, ik bezweer het u... Waarom liet hij mij hier komen, waarom wil hij mij in dit huis tot zijn beschikking hebben? Waarom laat hij mij nu maanden in Rome rondloopen, waarom laat hij mij allerlei hinderpalen ontmoeten, waarom wil hij mij moe maken, terwijl het hem in het geheel geen moeite kost mijn boek, als het hem hindert, op den Index te laten plaatsen? Zeker, het zou dan niet zoo kalm in zijn werk gegaan zijn, want ik was voornemens mij niet te onderwerpen, mijn nieuw geloof luid uit te bazuinen, zelfs tegen de beslissingen van Rome in."

De zwarte oogen in het gele gelaat van don Vigilio fonkelden.

"Misschien heeft hij dat juist niet gewild. Hij weet, dat u heel intelligent en vol geestdrift bent, en ik heb hem dikwijls hooren zeggen, dat men intelligentie en geestdrift niet van voren moet aanvallen."

Maar Pierre was opgestaan en luisterde zelfs niet meer; als door zijn verwarde gedachten opgejaagd, liep hij in de kamer heen en weer.

"Luister, ik moet alles weten en alles begrijpen, als ik den strijd wil voortzetten. U zult mij den dienst bewijzen mij tot in de kleinste bijzonderheden in te lichten, omtrent ieder van de personen, die met mijn proces te maken hebben... Jezuïeten, Jezuïeten overal! Lieve God, ik zie het in, u hebt misschien gelijk. Maar u moet mij de verschillende nuances geven... Die Fornaro bijvoorbeeld?"

"Monsignor Fornaro? O, die is alles wat men wil. Maar hij heeft eveneens zijn opleiding in het Collegium Romanum gehad. U kunt ervan overtuigd zijn, dat hij een Jezuïet is, een Jezuïet door opvoeding, door zijn positie, door zijn eerzucht. Hij brandt van verlangen om kardinaal te worden, en wanneer hij eenmaal kardinaal is, zal hij van verlangen branden om paus te zijn. Allemaal candidaten naar het pausschap, van het seminarie af."

"En kardinaal Sanguinetti?"

"Jezuïet, Jezuïet!... Laten we elkaar goed begrijpen: hij is het geweest, toen is hij het niet meer geweest, en nu is hij het ongetwijfeld opnieuw. Sanguinetti heeft met alle machten gecoquetteerd. Langen tijd heeft men gedacht, dat hij voor een verzoening tusschen den Heiligen Stoel en Italië was; daarna is de toestand in een ander stadium gekomen en heeft hij heftig partij gekozen tegen de overweldigers. Eveneens is hij dikwijls in onmin geweest met Leo XIII en heeft zich dan weer met hem verzoend, terwijl hij thans met het Vaticaan op diplomatiek gereserveerden voet staat. In één woord, hij heeft slechts één doel, de tiara, maar hij laat dat te veel blijken, wat voor een candidaat niet gewenscht is... Maar voor het oogenblik schijnt de strijd te gaan tusschen hem en kardinaal Boccanera. Daarom heeft hij zich met de Jezuïeten verzoend, exploiteert hij nu hun haat tegen zijn concurrent en rekent erop, dat zij in hun verlangen om dezen van den Heiligen Stoel verwijderd te houden, genoodzaakt zullen zijn hem te steunen. Maar ik voor mij twijfel daaraan, want ik weet, dat ze daarvoor veel te slim zijn, zij zullen zich wel tweemaal bedenken voor zij een candidaat, die zich al zoo gecompromitteerd heeft, hun steun zullen verleenen. Hij, een hartstochtelijk, hoogmoedig warhoofd, is er echter geen oogenblik bang voor, en daar hij, zooals u zegt, in Frascati is, ben ik ervan overtuigd, dat hij onmiddellijk na het bericht van het ziek worden van den paus om de een of andere reden van taktiek daarheen gegaan is, om zich op te sluiten."

"En de paus, Leo XIII zelf?"

Don Vigilio aarzelde even en knipte met zijn oogleden.

"Leo XIII? Jezuïet, Jezuïet!... O, ik weet heel goed, dat men beweert, dat hij het met de Dominicanen houdt, en dat is in zeker opzicht waar, want hij gelooft door hun geest bezield te zijn, heeft den Heiligen Thomas van Aquino weer tot eer gebracht en de opleiding der geestelijkheid weer ingericht naar zijn leerstellingen... Maar men kan ook zonder het te willen of te weten Jezuïet zijn, en de tegenwoordige paus zal er het beroemde voorbeeld van zijn. Bestudeer zijn handelingen, geef u rekenschap van zijn politiek en u zult daarin de uitstrooming, de werkzaamheid zelf van de Jezuïetenziel zien. Dat komt, omdat hij daar onbewust van doordrenkt is, omdat alle invloeden, die, direct of indirect, op hem werken, uitgaan van dien haard... Waarom gelooft u mij niet? Ik zeg u nogmaals, dat zij alles hebben veroverd, alles hebben opgezogen, dat Rome hun toebehoort van af den nederigsten kapelaan tot aan Zijne Heiligheid zelf toe!"

Hij bleef iederen nieuwen naam, dien Pierre noemde, beantwoorden met denzelfden hardnekkigen en bijna waanzinnigen uitroep: Jezuïet, Jezuïet! Het scheen, alsof men in de Kerk niets anders meer zijn kon, alsof de waarheid van die bewering bewezen werd door een geestelijkheid, die gedwongen was zich te richten naar de nieuwe wereld, als zij God wilde redden. Het heldentijdvak van het Katholicisme was afgesloten, het kon voortaan slechts leven door diplomatie en listen, door concessies en schikkingen.

"En die Paparelli--Jezuïet, Jezuïet!" ging don Vigilio, terwijl hij onwillekeurig begon te fluisteren, voort. "O, dat is de verschrikkelijke, kruiperige Jezuïet, de Jezuïet in zijn afschuwlijksten vorm als spion en verklikker! Ik zou er een eed op willen doen, dat men hem hier in het paleis gebracht heeft om Zijne Eminentie na te gaan, en u moet zien met welk een geniale handigheid en slimheid hij erin geslaagd is zijn taak te vervullen: zijn wil is almachtig, hij laat binnen wie hem lust, gebruikt zijn meester als iets, dat hem toebehoort, oefent vaak druk uit op ieder van zijn besluiten, heeft hem langzamerhand ieder uur meer in zijn macht gekregen... Ja, die zoo eenvoudige, geringe abbé, de sleepdrager, wiens werk het is als een trouwe hond aan de voeten van zijn meester te zitten, maar die in werkelijkheid over hem heerscht en hem drijft waarheen hij wil--dat is de overweldiging van den leeuw door het insect, dat is het oneindig kleine, dat beschikt over het oneindig groote... O, die Jezuïet, die Jezuïet! Neem u voor hem in acht, wanneer hij met zijn slap en gerimpeld gezicht als een oude vrouw in een zwarte rok geruischloos in zijn armzalige soutane langs u sluipt. Pas op, dat hij niet achter een deur of in een kast staat of onder een bed ligt. Ik zeg u, dat zij u zullen opeten, zooals zij mij opgegeten hebben, en dat zij u ook de koorts, de pest zullen geven, wanneer u u niet in acht neemt!"

Plotseling bleef Pierre voor den priester staan. Hij verloor terrein. Vrees en toorn hadden zich van hem meester gemaakt. Waarom zouden ten slotte al die vreemde verhalen niet waar zijn?

"Maar geef mij dan toch een raad!" riep hij uit. "Ik heb u juist gevraagd even bij mij te komen, omdat ik niet meer wist, wat ik doen moest en ik behoefte gevoelde weer op den goeden weg gebracht te worden."

Hij hield op en begon, als door zijn hartstocht voortgedreven, weer gejaagd de kamer op en neer te loopen.

"Of neen, zeg me toch maar niets. Het is uit, ik vertrek liever. Die gedachte is reeds eerder bij mij opgekomen, maar in een uur van lafheid, ik wilde toen verdwijnen, naar Parijs teruggaan, en in vrede in mijn eigen kring leven, terwijl ik, wanneer ik thans Rome verlaat, wegga als wreker, als rechter, om van Parijs uit te verkondigen, wat ik te Rome gezien, wat men er van het Christendom van Jezus gemaakt heeft--dat het Vaticaan op het punt staat ineen te storten, dat er reeds een lijkenlucht van uitgaat, dat het een belachelijke illusie is te hopen, eens uit dat graf, waarin de ontbinding van eeuwen slaapt, de moderne ziel herboren te zien opstaan... O, ik zal niet toegeven, ik zal mij niet onderwerpen, ik zal mijn boek door een nieuw boek verdedigen. En dat zal, daar sta ik u borg voor, in de wereld opzien baren, want het zal de doodsklok luiden over een stervenden godsdienst, dien men zoo spoedig mogelijk begraven moet, als men niet wil, dat zijn omhulsel de volkeren zal vergiftigen."

Dit ging don Vigilio's begrip te boven. De Italiaansche priester met zijn bekrompen geloof, zijn laffen angst voor nieuwe denkbeelden, werd weer in hem wakker. Hij vouwde zijn handen.

"Zwijg, zwijg, dat zijn godslasteringen... En bovendien u kunt niet zoo weggaan, zonder nog eenmaal getracht te hebben Zijne Heiligheid te spreken. Zij alleen is souverein. En ik weet wel, dat het u verbazen zal, maar pater Dangelis heeft, al schertsend, u nog den eenigen goeden raad gegeven: ga nogmaals naar monsignor Nani, hij alleen zal de deur van het Vaticaan voor u kunnen openen."

Weer maakte een woede zich van Pierre meester.

"Wat, ik zou bij monsignor Nani begonnen zijn, om weer bij monsignor Nani te eindigen? Wat is dat voor een spel? Dacht u, dat ik me laat behandelen als een bal, die van den een naar den ander gekaatst wordt? Ze zouden me maar uitlachen!"