De drie steden: Rome

Part 38

Chapter 383,791 wordsPublic domain

Op die wijze vulden de Dominicanen de wereld, terwijl zij de leer van Rome op de beroemdste kansels van alle volkeren verdedigden en bijna overal in strijd waren met den vrijen geest der Universiteiten; zij waren de trouwe wachters en hoeders van het dogma, de onvermoeide smeden van het fortuin der pausen, de machtigsten van alle wetenschappelijke en litteraire arbeiders, die het reusachtige gebouw van het Katholicisme, zooals het thans nog bestaat, hebben opgetrokken.

Maar thans vroeg Pierre, die dit gebouw, dat men meende op vasten grond te hebben gebouwd om de eeuwigheid uit te dienen, voelde wankelen, zich af, welk nut die werklieden nog konden hebben. Hun politie en hun rechtbanken waren onder vervloekingen gestorven, naar hun woord werd niet meer geluisterd, hun boeken las men zoo goed als niet meer, hun rol van geleerden en beschavers was tegenover de hedendaagsche wetenschap, wier waarheden het dogma aan alle kanten steeds meer en meer doen kraken, uitgespeeld. Zeker, ook nu nog vormen zij een invloedrijke en bloeiende orde; maar hoe lang ligt de tijd reeds achter ons, dat hun generaal in Rome heerschte als heer van het heilige paleis, en in geheel Europa kloosters, scholen en onderdanen had! Van dat onmetelijke groote erfgoed hebben zij in de Romeinsche curie thans niets meer over dan eenige in hun orde gebleven betrekkingen, o. a. het secretariaat van de Indexcongregatie, een vroegere onderhoorigheid van het Heilig Officie, waarin zij oppermachtig heerschten.

Pierre werd onmiddellijk bij pater Dangelis toegelaten. Het was een groote, kale, witte en door helder zonlicht overstroomde kamer. Men vond er niets dan een tafel en eenige lage stoeltjes, terwijl aan den muur een groot koperen crucifix hing. Bij de tafel stond de pater, een magere, in de strenge, wijde, zwarte en witte dracht gekleede man van ongeveer vijftig jaar. De grijze oogen in zijn lang ascetengezicht met den smallen mond, den spitsen neus en de magere kin hadden een hinderlijk-starenden blik. Overigens was zijn optreden beslist, eenvoudig en beleefd.

"Mijnheer de abbé Froment, de schrijver van Het Nieuwe Rome, niet waar?"

Hij ging op een laag stoeltje zitten, terwijl hij met zijn hand naar een ander voor Pierre wees.

"Wees zoo goed, mijnheer de abbé, mij het doel van uw bezoek te zeggen."

Pierre moest opnieuw met zijn uitleggingen en zijn verklaringen beginnen; en dit was des te pijnlijker voor hem, daar zijn woorden neervielen in een doodelijke stilte, in een doodelijke kilte. De pater bewoog zich niet, hij hield zijn handen op zijn knieën gekruist, terwijl zijn scherpe, doordringende oogen op die van den priester gericht waren.

Toen deze eindelijk klaar was, zeide hij:

"Mijnheer de abbé, ik heb gemeend u niet in de rede te moeten vallen, maar ik had eigenlijk niet naar dit alles mogen luisteren. Het proces tegen uw boek is begonnen, en geen macht ter wereld zou in staat zijn den loop daarvan tegen te houden. Ik begrijp dus eigenlijk niet goed, wat u van mij schijnt te verwachten."

Met bevende stem waagde Pierre te antwoorden:

"Ik verwacht goedheid en rechtvaardigheid."

Een flauw glimlachje van trotschen ootmoed, speelde om de lippen van den monnik.

"Wees niet bang, het heeft God altijd behaagd in mijn bescheiden ambt Zijn licht over mij te doen schijnen. Trouwens ik heb geen gerechtigheid te oefenen, ik ben maar een eenvoudige ambtenaar, die de processen moet ordenen en documenteeren. Alleen Hunne Eminenties, die leden zijn der congregatie, spreken een oordeel uit over uw boek... Zij zullen dat ongetwijfeld doen met de hulp van den Heiligen Geest, en u hebt niets te doen dan u te buigen voor haar uitspraak, zoodra die door Zijne Heiligheid bekrachtigd is."

Hij stond op en dwong daardoor Pierre ook op te staan. Het waren dus bijna dezelfde woorden als bij monsignor Fornaro; slechts werden zij hier met een snijdende beslistheid, met een soort kalme bravoure uitgesproken. Overal stootte hij op dezelfde naamlooze kracht, op dezelfde machtige, steeds in werking zijnde machine, welker raderen elkaar onderling niet kennen wilden. Ongetwijfeld zou men hem nog langen tijd van den een naar den ander sturen, zonder dat hij ooit het hoofd, den beoordeelenden en handelenden wil, vinden zou. Hem bleef niets over dan zich erbij neer te leggen.

Toch kwam hij, alvorens weg te gaan, op de gedachte nogmaals den naam van monsignor Nani, wiens macht hij thans begon te begrijpen, uit te spreken.

"Ik vraag u wel excuus, dat ik u nutteloos lastig gevallen heb. Ik heb slechts den welwillenden raad van monsignor Nani gevolgd, die wel zoo goed is zich voor mij te interesseeren."

Maar de uitwerking was geheel onverwacht. Weer kwam er een glimlachje op het magere gezicht van pater Dangelis; om zijn lippen verscheen een plooi, waarin een ironische minachting niet te miskennen viel. Hij was bleeker geworden; zijn vurige oogen vlamden.

"O, zendt monsignor Nani u?... Nu, wanneer u meent protectie noodig te hebben, is het onnoodig u tot een ander dan tot hem te wenden. Hij is almachtig... Ga naar hem, ga naar hem!"

Dat was de geheele bemoediging, die Pierre van dat bezoek medenam: de raad om terug te gaan tot hem, die hem zond. Hij voelde, dat de grond hem onder de voeten wegzonk, en besloot naar het paleis Boccanera terug te keeren, om na te denken en een duidelijk besef te krijgen van zijn toestand, vóór hij verdere stappen deed. Onmiddellijk was het denkbeeld in hem opgekomen raad te vragen aan don Vigilio: en het toeval wilde, dat hij dien avond na het souper den secretaris in de gang aantrof, toen deze met zijn kaars in de hand naar zijn slaapkamer wilde gaan.

"Ik heb u zooveel te zeggen! Kom als het u blieft een oogenblik in mijn kamer!"

Met een handgebaar legde de secretaris hem het zwijgen op. Dan op zacht-fluisterenden toon:

"Hebt u abbé Paparelli niet op de eerste verdieping gezien? Hij liep achter ons."

Dikwijls ontmoette Pierre in het paleis den sleepdrager, wiens slap gezicht en verdacht-snuffelende manier van doen Pierre steeds hinderden. Maar hij bekommerde zich er nooit om en was dan ook door die vraag zeer verrast. Doch reeds was don Vigilio, zonder het antwoord af te wachten, naar het einde van de gang teruggeloopen en bleef daar lang staan luisteren. Dan sloop hij weer naar Pierre's kamer, blies zijn kaars uit en sprong naar binnen.

"Ziezoo, daar ben ik!" prevelde hij, toen de deur weer dicht was. "Als u het goed vindt, zullen wij niet in dezen salon blijven, maar naar uw slaapkamer gaan. Twee muren zijn beter dan een."

Toen de lamp eindelijk op tafel stond en zij beiden in de vervelooze kamer zaten, welker vlaskleurig behang, ongelijksoortige meubelen, kale vloer en kale muren de melancholie van oude verwelkte dingen bezaten, merkte Pierre, dat de abbé aan een heftiger aanval van koorts ten prooi was dan gewoonlijk. Zijn klein mager lichaam huiverde van de koude, nog nooit hadden in zijn arm, geel, uitgeteerd gelaat zijn vurige oogen zoo donker gebrand.

"Bent u ziek? Ik zou u niet graag vermoeien."

"Ziek! Ach ja, mijn lichaam brandt als vuur. Maar ik wil juist heel graag praten. Ik kan het niet langer uithouden. Eens moet je je hart toch lucht geven."

Wilde hij afleiding zoeken voor zijn kwaal? Wilde hij zijn lang zwijgen verbreken, om niet den verstikkingsdood te sterven? Hij liet Pierre onmiddellijk de stappen, die hij de laatste dagen gedaan had, vertellen en wond zich nog meer op, toen hij hoorde op welke wijze kardinaal Sarno, monsignor Fornaro en pater Dangelis den jongen priester ontvangen hadden.

"Jawel, jawel, natuurlijk! Het verwondert me heelemaal niet, maar toch hindert het me voor u. O, ik weet wel, het gaat mij niet aan, maar het maakt me ziek, want het roept al mijn eigen ellende weer wakker!... Kardinaal Sarno, die met zijn gedachten elders leeft en nooit iemand geholpen heeft, moeten we niet mederekenen, maar die Fornaro, die Fornaro!"

"Hij scheen mij heel vriendelijk, ja zelfs heel welwillend toe, en ik geloof werkelijk, dat hij naar aanleiding van ons onderhoud zijn rapport wel verzachten zal."

"Hij! Hoe vriendelijker hij geweest is, des te zwarter zal hij u maken. Hij zal u opvreten, zich vetmesten aan die makkelijke prooi. O, u kent hem nog niet! Altijd ligt hij op de loer, om zijn geluk op te bouwen met het ongeluk van arme drommels, van wie hij weet, dat hun ondergang den machtigen behagen zal!... Neen, dan heb ik liever te doen met den andere, met pater Dangelis, een verschrikkelijk man, maar eerlijk en rechtuit ten minste, en bovendien iemand met een helderen kop. Ik wil u echter volstrekt niet verhelen, dat hij, als hij de baas was, u als een handjevol stroo zou verbranden... Als ik u alles kon zeggen, als ik u met mij mede kon nemen in de vreeselijke dessous van deze kringen, als ik u de monsterachtige eerzucht, de afschuwlijke intriges, de omkoopbaarheid, de lafheden, het verraad, ja zelfs de misdaden kon laten zien!"

Nu Pierre zag, dat hij zich zoo door zijn wrok liet medesleepen, wilde hij trachtten de inlichtingen te krijgen, die hij tot dit oogenblik vergeefs gezocht had.

"Zeg mij tenminste, hoever het met mijn zaak staat. Toen ik er bij mijn aankomst naar vroeg, hebt u mij geantwoord, dat de kardinaal nog geen enkel stuk gekregen had. Maar de processtukken zijn nu klaar, dat weet u toch zeker wel?... Tusschen twee haakjes, monsignor Fornaro heeft mij verteld, dat drie Fransche bisschoppen een aanklacht ingediend en een vervolging geëischt zouden hebben! Drie bisschoppen! Hoe is het mogelijk?"

Don Vigilio haalde heftig zijn schouders op.

"O, wat bent u toch nog goed van vertrouwen! Het verwondert mij, dat er maar drie zijn... Ja, verschillende stukken van uw proces zijn thans in onze handen, trouwens ik had al lang begrepen, wat voor een proces het zijn zou. De drie bisschoppen zijn de bisschop van Tarbes, die blijkbaar handelt op instigatie van de paters van Lourdes, en de bisschoppen van Poitiers en Evreux, beiden bekend om hun ultramontaansche onverdraagzaamheid en hartstochtelijke tegenstanders van kardinaal Bergerot. Deze laatste staat, zooals u weet, om zijn Gallicaansche denkbeelden en zijn werkelijk zeer liberalen geest op het Vaticaan slecht aangeschreven... U behoeft nergens anders te zoeken, de geheele zaak is daar te vinden. De almachtige paters van Lourdes eischen van den Heiligen Vader een executie, terwijl men bovendien door uw boek den kardinaal tracht te treffen voor een brief, dien hij voor u zoo onvoorzichtig geschreven heeft en welken gij als inleiding hebt laten afdrukken... In den laatsten tijd zijn de veroordeelingen van den Index dikwijls niets meer dan knotsslagen, die geestelijken elkander wederkeerig in het donker toebrengen. Het aanklagen en verklikken is aan de orde van den dag; het heerscht als onbeperkt gebieder en daarna komt de wet van de willekeur. Ik zou u ongelooflijke feiten kunnen noemen, onschuldige boeken, die men onder honderden andere uitgekozen heeft, om een gedachte of een mensch te dooden; want achter den auteur heeft men het meestal altijd op een hoogere en machtigere gemunt. Het is zulk een nest van intriges, zoo'n bron van misbruiken, waarin de laagste persoonlijke wraaknemingen uitgeoefend worden, dat de instelling van den Index wankelt en men zelfs hier in de omgeving van den paus de noodzakelijkheid voelt haar binnen korten tijd opnieuw te reglementeeren, indien men niet wil, dat zij geheel en al in diskrediet geraakt... O, ik begrijp heel goed, dat men er zoo lang mogelijk aan vasthoudt om de universeele macht te behouden, met alle wapenen te regeeren, maar dan moeten het mogelijke wapenen zijn, moeten zij niet door hun onbeschaamde onrechtvaardigheid prikkelen en door hun kinderachtigheid geen lachje opwekken."

Pierre luisterde, een pijnlijke verwondering had zich van zijn hart meester gemaakt. O, hij had, sedert hij te Rome was, sedert hij zag, hoe de Paters der Grot daar ontzien en gevreesd werden en door de groote sommen, die zij voor den Pieterspenning zonden, er heer en meester waren, gevoeld, dat zij achter de vervolgingen stonden, geraden, dat hij zou moeten boeten voor de bladzijde in zijn boek, waarin hij constateerde, dat er te Lourdes een zondige verdraaiing van het fortuin, een verschrikkelijk schouwspel, dat aan God deed twijfelen, een voortdurende reden tot strijd waar te nemen was, die in de waarlijk Christelijke maatschappij van morgen zou ophouden te bestaan. Ook begreep hij heel goed de ergernis, die zijn niet verborgen vreugde over het verlies van de wereldlijke macht en vooral dat ongelukkig gekozen woord "nieuwe godsdienst", dat alleen reeds voldoende geweest zou zijn, om de aanklagers te wapenen, gewekt hadden. Maar wat hem voornamelijk verbaasde en tot wanhoop bracht, dat was het ongehoorde, onbegrijpelijke feit, dat de brief van kardinaal Bergerot als een misdaad beschouwd, dat zijn boek aangeklaagd en veroordeeld werd om daardoor den eerwaardigen herder, dien men van voren niet durfde aanvallen, in zijn rug te treffen. Het was voor hem een bittere en pijnlijke gedachte, dat hij in zijn vurige naastenliefde de oorzaak geworden was van de nederlaag van dien man. Welk een wanhoop op den achtergrond van die twisten, waarin alleen de liefde voor den arme moest strijden, de afschuwlijkste geldquaesties, de door razende zelfzucht ontketende hartstochten en begeerten te vinden!

Dan rees in Pierre een verzet tegen dien gehaten en belachelijken Index op. Hij ging de werking na van af de aanklacht tot aan het openlijk afkondigen der verboden boeken. Hij had nu den secretaris der congregatie gesproken, pater Dangelis, in wiens handen de aanklacht kwam en die van af dat oogenblik met den hartstocht van den autoritairen en geleerden monnik en vervuld met den droom de geesten en het geweten als in den heroïschen tijd der Inquisities te regeeren, het proces instrueerde en het dossier samenstelde. Van de adviseerende prelaten had hij er een bezocht, die belast was met het rapport over zijn boek, den zoo eerzuchtigen en zóó vriendelijken monsignor Fornaro, een spitsvondig theoloog, die er niet tegen op gezien zou hebben om aanvallen op het geloof te vinden in een verhandeling over algebra, wanneer de zorg om zijn geluk dat eischte.

Dan volgden de bijeenkomsten der kardinalen, die van tijd tot tijd stemden en in hun droef stemmende wanhoop niet alle boeken te kunnen treffen, er één onderdrukten. Ten slotte bekrachtigde de paus dan het besluit door zijn handteekening, een zuivere formaliteit--want waren niet alle boeken strafbaar? Maar welk een zeldzame en jammerlijke bastille uit het verleden was deze verouderde, bouwvallige, tot kindschheid vervallen Index geworden! Men voelde welk een vreeselijke macht hij eens geweest moest zijn, toen de boeken nog zeldzaam waren en de Kerk bloed- en vuurrechtbanken bezat, om haar vonnissen ten uitvoer te leggen. Daarna hadden de boeken zich zoo vermenigvuldigd, was de geschreven en gedrukte gedachte zoo'n diepe en zoo'n breede golf geworden, dat zij alles overstroomd, alles medegesleurd had. De ontaarde, met onmacht geslagen Index moest zich thans bepalen tot een ijdele demonstratie, om de reusachtige moderne productie en bloc te veroordeelen, kromp het veld van zijn werkzaamheden steeds meer in, hield zich alleen nog maar bezig met het onderzoek van werken van geestelijken. Maar zelfs in die rol was hij nog verdorven, bezoedeld door de laagste hartstochten, veranderd in een werktuig van intriges, haat en wraak. O, die treurige bekentenis van zwakken ouderdom, van toenemende verlamming te midden van de spottende onverschilligheid der volkeren!

Het Katholicisme, de vroegere, roemrijke bemiddelaar der beschaving, had er toe moeten komen om de boeken in een hoop in het vuur van zijn hel te gooien! En welk een hoop was het! Bijna de geheele litteratuur, geschiedenis, philosophie en wetenschap der vorige eeuwen en der onze! Weinig boeken worden er thans gepubliceerd, die niet door de banbliksems der Kerk getroffen zouden worden. Dat zij haar oogen sluit is alleen het gevolg van het feit, om de onmogelijke taak alles te vervolgen en alles te vernietigen, uit den weg te gaan. Toch tracht zij hardnekkig den schijn van haar souverein gezag over de geesten te redden--als een zeer oude, van haar troon vervallen verklaarde koningin zonder rechters en beulen, die ondanks alles doorgaat ijdele vonnissen uit te spreken, welke slechts door een zeer kleine minderheid aanvaard worden.

Maar men stelle zich een oogenblik voor, dat zij overwinnend en door een wonder meesteresse over de geheele wereld was; men vrage zich af wat zij met rechtbanken om vonnissen uit te spreken en gendarmes om die uit te voeren, maken zou van de menschelijke gedachte; men denke zich eens in, dat de regels van den Index streng werden toegepast, een drukker niets zonder goedkeuring van den bisschop op de pers kon leggen, alle boeken bij de congregaties aangebracht, het verleden gezuiverd, het heden gekneveld, aan een geestelijke Terreur onderworpen zou worden; zou dat niet gelijkstaan met het sluiten der bibliotheken, de gevangenzetting van het erfdeel der geschreven gedachte, de barricadeering van de toekomst, het volkomen stopzetten van iederen vooruitgang of iedere verovering beteekenen? Een vreeselijk voorbeeld van dit rampzalige experiment levert het Rome van onze dagen met zijn verkilden bodem, zijn gestorven, door eeuwen van pauselijk bestuur gedood sap, Rome, dat zóó onvruchtbaar geworden is, dat na vijf-en-twintig jaar van herleving en vrijheid nog geen enkele man, nog geen enkel werk daarin is ontstaan. Maar wie zou dat aanvaarden--niet onder de revolutionnaire geesten, maar onder de vrome geesten van eenige beschaving en eenig breed inzicht? Alles zou in het kinderlijke en absurde instorten.

Er heerschte een diepe stilte, en Pierre, die door zijn overpeinzingen geheel van streek geraakt was, maakte een wanhopig gebaar, toen hij den zwijgenden don Vigilio voor zich zag zitten. Een oogenblik zwegen beiden in de onbeweeglijkheid van den dood, die uit het oude, ingesluimerde paleis oprees, te midden van deze gesloten kamer, welke door de lamp zoo rustig verlicht werd. Dan boog don Vigilio met zijn van koorts schitterenden blik wat voorover en fluisterde in een rilling.

"Zij zitten altijd overal achter, altijd zij!"

Pierre, die het niet begreep, geraakte door dit als het ware verdwaalde woord, dat schijnbaar zonder eenigen overgang uitgesproken werd, in een eenigszins ongeruste verbazing.

"Wie zijn die zij?"

"De Jezuïeten."

De magere, geel geworden priester had in dien kreet de opgehoopte woede van zijn nu losbrekenden hartstocht gelegd. Wat kwam het erop aan, of hij een nieuwe dwaasheid beging. Eindelijk was het woord eruit! Toch wierp hij een laatsten blik vol wanhopig wantrouwen door de kamer. Dan gaf hij zijn hart lucht in een langen woordenstroom, die des te onweerstaanbaarder was, omdat hij dien zoo lang in den grond van zijn hart teruggedrongen had.

"O, die Jezuïeten, die Jezuïeten!... U denkt ze te kennen, maar u hebt niet het flauwste besef van hun afschuwlijke daden of van hun onberekenbare macht. Overal zitten zij achter, zij en zij alleen. Zeg dat maar altijd tot u zelf, zoodra u niet meer begrijpen kunt en toch begrijpen wilt. Wanneer u een ramp overkomt, wanneer u lijdt, wanneer u weent, denk dan dadelijk: "Dat zijn zij, dat is hun werk!" Ik ben er niet zeker van, dat er niet een onder dit bed ligt, in die kast staat... O, die Jezuïeten, die Jezuïeten. Zij hebben mij opgegeten, eten me nog op; zij zullen niets meer van mijn vleesch of van mijn beenderen overlaten."

Met zijn afgebroken stem vertelde hij zijn geschiedenis, zijn jeugd vol idealen. Hij behoorde tot den kleinen provincie-adel, bezat een vrij aardig inkomen en had een levendigen, soepelen, de toekomst toelachenden geest. Thans zou hij zeker prelaat en op den weg naar hooge waardigheden geweest zijn, indien hij niet de fout begaan had zijn afkeuring uit te spreken over de Jezuïeten en hen bij twee of drie gelegenheden tegen te werken. Vanaf dat oogenblik hadden zij, als men hem gelooven mocht, alle denkbare ongelukken op hem laten regenen: zijn vader en zijn moeder waren gestorven, zijn bankier was met de noorderzon vertrokken, de goede betrekkingen ontsnapten hem, zoodra hij zich gereed maakte ze te bekleeden, de ergste tegenspoeden troffen hem en zijn heilig ambt, zoodat het niet veel gescheeld had, of men had hem geschorst. Hij had eerst wat rust gevonden, toen kardinaal Boccanera, door zijn ongeluk getroffen, hem in zijn persoonlijken dienst genomen had.

"Hier is mijn toevlucht, mijn asyl. Zij verwenschen Zijne Eminentie, die nooit op hun hand geweest is; maar zij hebben hem of zijn personeel nog niet durven aanvallen... O, ik maak mij volstrekt geen illusies, zij zullen mij toch wel te pakken krijgen. Misschien zullen ze ons gesprek van vanavond te weten komen en het mij leelijk betaald zetten, want het is verkeerd van me te spreken, maar ik spreek ondanks mezelf... Ze hebben me al mijn geluk ontstolen, zij hebben me alle mogelijke ongelukken bezorgd, alles, alles, hoort u!"

Pierre begon zich hoe langer hoe minder op zijn gemak te voelen. Hij trachtte te schertsen:

"Kom, kom, de Jezuïeten hebben u toch die koorts niet gegeven!"

"Waarachtig wel," verzekerde don Vigilio heftig. "Ik heb die gekregen aan den Tiber, op een avond, dat ik in mijn groot verdriet, omdat ik uit de kleine kerk, waar ik dienst deed, gejaagd werd, ben gaan huilen."

Tot dusverre had Pierre niet geloofd aan de vreeselijke legende der Jezuïeten. Hij behoorde tot een generatie, die glimlachte over weerwolven, en die de kleinburgerlijke vrees voor deze beruchte zwarte mannen, welke zich in muren verborgen en families terroriseerden, een beetje dwaas vond. Voor hem waren dat door religieuse en politieke hartstochten overdreven bakerpraatjes. Hij keek dan ook don Vigilio verbaasd aan, terwijl hij bang begon te worden met een maniak te doen te hebben.

Toch riep hij zich de zoo belangwekkende geschiedenis der Jezuïeten voor den geest. Terwijl de Heilige Franciscus van Assisi en de Heilige Dominicus de ziel en de geest zelf, de meesters en de opvoeders der Middeleeuwen zijn, de eerste als de vertegenwoordiger van het vurige geloof der nederigen, de tweede als de verdediger van het dogma en vaststeller der leer voor intelligenten en machtigen, verschijnt Ignatius van Loyola op den drempel der moderne tijden, om de gevaar loopende erfenis te redden. Hij accomodeert den godsdienst aan de nieuwe maatschappijen en geeft hem opnieuw de heerschappij over de wereld, die bezig is zich te vormen. Van af dat oogenblik scheen het experiment genomen te zijn: God zou in zijn intransigenten strijd met de zonde overwonnen worden, want het was thans vrijwel zeker, dat de vroegere bedoeling om de natuur te onderdrukken, om in den mensch den mensch zelf met zijn begeerten, zijn hartstochten, zijn hart en zijn bloed te dooden, slechts op een fatale nederlaag kon uitloopen, waarbij de Kerk geheel dreigde te niet te gaan; op dat kritieke oogenblik redden de Jezuïeten haar uit dat gevaar, gaven haar terug aan het veroveraarsleven, door te beslissen, dat zij de wereld tegemoet moet gaan, nu de wereld niet meer tot haar schijnt te komen. Daarin ligt het geheele geheim.