De drie steden: Rome

Part 37

Chapter 373,885 wordsPublic domain

O, Pierre zag en hoorde, hoe dit zich voortdurend op marsch bevindend leger aan de overzijde der zeeën door alle landen heen de politieke verovering in naam van den godsdienst voorbereidde en verzekerde. Narcisse had hem verteld, hoe zorgvuldig de ambassades te Rome de handelingen der Propaganda moesten nagaan, want de missies in die verre landen waren dikwijls nationale werktuigen, die een grooten invloed uitoefenden. De geestelijke heerschappij verzekerde de wereldlijke, de veroverde zielen gaven de lichamen. Er werd dan ook een aanhoudende strijd gevoerd, waarin de congregatie aan de zijde stond der Italiaansche zendelingen of van die der verbonden naties, welker overwinning zij wenschte. Steeds was zij ijverzuchtig geweest op haar concurrent, de Propagation de la Foi te Lyon, die even rijk en even machtig is als zij, maar over meer energieke en dappere mannen beschikt. Zij stelde zich er niet mede tevreden haar reusachtige belastingen op te leggen, maar zij werkte haar tegen, offerde haar desnoods op, wanneer zij haar overwinning vreesde.

Meermalen waren Fransche zendelingen en Fransche orden verjaagd en hadden plaats moeten maken voor Italiaansche of Duitsche monniken. En thans voelde Pierre dezen geheimen haard van politieke intrigues in dit sombere, stoffige vertrek, dat nooit door de zon opgevroolijkt werd. En weer doorrilde hem zijn oude huivering, die huivering voor dingen, die men weet, doch die u plotseling monsterachtig en angstaanjagend toeschijnen. Moest dit in de geheele wereld georganiseerde en met een eeuwige hardnekkigheid in tijd en ruimte functioneerend werktuig van verovering en geweld niet de verstandigsten in de war brengen, niet de dappersten doen verbleeken? Het was niet tevreden met de zielen, maar werkte aan zijn toekomstige heerschappij over alle menschen, beschikte over hen, daar het hen nog niet voor zichzelf kon nemen, en stond ze af aan den wereldlijken meester, die hen zoolang bewaren zou. Welk een wonderlijken droom: Rome wacht met glimlachende kalmte op de eeuw, dat het de tweehonderd millioen Mohammedanen en de zevenhonderd millioen Brahmanen en Boeddhisten opgezogen zal hebben in één enkel volk, waarvan het de geestelijke en wereldlijke koning zijn zal in naam van den triompheerenden Christus!

Een gehoest deed Pierre omkijken; hij huiverde, toen hij kardinaal Sarno, dien hij niet had hooren binnenkomen, zag. Nu hij daar zoo voor die kaart staande aangetroffen werd, kreeg hij een gevoel, alsof men hem betrapte, terwijl hij bezig was iets kwaads te doen, een geheim te schenden. Een diepe blos kwam op zijn gelaat.

Maar de kardinaal, die hem met zijn doffe oogen strak had aangekeken, liet zich, zonder een woord te zeggen, in zijn fauteuil vallen. Met een handbeweging had hij hem van den ringkus ontslagen.

"Ik wilde mijn opwachting maken bij Uwe Eminentie... Voelt Uwe Eminentie zich ziek?"

"Neen, neen, maar ik kan maar niet afkomen van die beroerde verkoudheid. En bovendien heb ik het op het oogenblik heel druk."

Pierre keek hem aan; in het schemerlicht, dat door het raam binnenviel, zag hij er met zijn linkerschouder, die hooger was dan zijn rechter, zoo kwijnend en mismaakt uit. In zijn uitgemergeld, aardkleurig gelaat was niets levends meer, zelfs zijn blik niet. Hij dacht plotseling aan een van zijn ooms te Parijs, die, nadat hij dertig jaar in het bureau van een ministerie had doorgebracht, dienzelfden dooden blik, diezelfde perkamenten huid, diezelfde moede wezenloosheid had. Kon het eigenlijk wel mogelijk zijn, dat deze uitgedroogde en in zijn roodomzoomde, zwarte soutane als het ware zwemmende grijsaard de meester der wereld was en zonder Rome ooit verlaten te hebben, de kaart der Christenheid zóó in zich opgenomen had, dat de praefect der Propaganda geen enkel besluit nam, alvorens hij zijn advies ingewonnen had?

"Ga een oogenblik zitten, mijnheer de abbé... U hebt mij zeker iets te vragen, dat u mij komt bezoeken..."

En terwijl hij in een luisterende houding zitten ging, bladerde hij met zijn magere vingers in de voor hem opgestapelde dossiers, wierp een blik in ieder stuk als een generaal, als een ervaren en kundig tacticus, wiens leger zich ergens in de verte bevindt en die het uit zijn studievertrek ter overwinning voert, zonder ooit een minuut te verliezen.

Pierre, die een oogenblik verlegen was, nu hij het zelfzuchtige doel van zijn bezoek zoo duidelijk geformuleerd hoorde worden, besloot met de deur in huis te vallen.

"Inderdaad, ik ben zoo vrij van de groote wijsheid van Uwe Eminentie raad te komen vragen. Uwe Eminentie zal het niet onbekend zijn, dat ik te Rome ben, om mijn boek te verdedigen. Ik zou zeer gelukkig zijn, indien Uwe Eminentie mij zou willen leiden en met haar ervaring bijstaan."

In enkele woorden vertelde hij hem, hoe het met zijn zaak, die hij tegelijk verdedigde, stond. Maar naar mate hij verder sprak, zag hij, hoe de kardinaal alle belangstelling verloor, aan iets anders dacht, hem niet meer verstond.

"Ach ja, u hebt een boek geschreven; als ik mij goed herinner, is daar op een avond bij donna Serafina over gesproken... Dat is verkeerd, een priester moet niet schrijven. Waartoe dient dat?... En wanneer de Indexcongregatie het vervolgt, heeft zij daar zeker groot gelijk in. Wat kan ik in deze zaak doen? Ik ben geen lid der Congregatie, ik weet niets, absoluut niets."

Vergeefs trachtte Pierre, die zijn teleurstelling den kardinaal zoo gesloten en onverschillig te vinden, niet bedwingen kon, hem belangstelling in te boezemen. Hij merkte, dat deze geest, die op het gebied, waarop hij zich sedert veertig jaar bewoog, zoo veelomvattend en scherpzinnig was, stomp werd, zoodra hij zich van dat speciale gebied verwijderde. Hij was noch nieuwsgierig noch soepel. Uit zijn oogen verdween alles wat op leven geleek, zijn schedel scheen nog dieper ingedrukt te worden, zijn geheele gelaatsuitdrukking kreeg iets imbeciels.

"Ik weet niets, ik kan niets," herhaalde hij. "Ik beveel nooit iemand aan."

Toch trachtte hij iets te doen.

"Maar Nani zit erachter. Wat raadt Nani u aan te doen?"

"Monsignor Nani is zoo vriendelijk geweest mij den naam van den rapporteur, monsignor Fornaro, te noemen en heeft mij aangeraden hem te bezoeken."

De kardinaal scheen verbaasd en als het ware wakker te worden. Er kwam wat licht in zijn oogen terug.

"Zoo, zoo, werkelijk... Als Nani dat gedaan heeft, dan zal hij daar zijn reden wel voor hebben. Ga naar monsignor Fornaro."

Hij was opgestaan ten bewijze, dat de audiëntie afgeloopen was, waarop Pierre met een diepe buiging zijn dank betuigde. Zonder hem naar de deur te brengen, ging hij weer zitten en in het doode vertrek was niets meer te hooren dan het droge geluid van zijn knokige vingers, die in de dossiers bladerden.

Gewillig volgde Pierre zijn raad op. Hij besloot op zijn terugweg naar de Via Giulia over de piazza Navona te gaan. Maar bij Monsignor Fornaro zeide een knecht hem, dat zijn heer was uitgegaan en dat hij zich, als hij hem spreken wilde, vroegtijdig, om tien uur, moest laten aandienen. Hij kon dan ook eerst den volgenden ochtend ontvangen worden. Hij had voordien zorg gedragen omtrent den prelaat iets te weten te komen, zoodat hij het voornaamste van hem wist: hij was in Napels geboren, was zijn studies begonnen bij de Barnabietenpaters in die stad en had die op het seminarie te Rome voltooid. Daarna was hij langen tijd professor aan de Gregoriaansche universiteit geweest. Thans was monsignor Fornaro raadgever bij verschillende congregaties, kanunnik van de S. Maria Maggiore, werd verteerd door de eerzucht eenmaal kanunnik van de St. Pieter te worden, en koesterde den droom eens secretaris van het consistorie te worden--een ambt, dat hem later het purper geven zou. Het eenige wat men hem, die voor een bijzonder knap theoloog doorging, verwijten kon, was, dat hij te veel aan litteratuur deed, hij schreef namelijk veel artikelen voor godsdienstige tijdschriften, die hij echter zoo verstandig was niet te teekenen. Ook zeide men, dat hij zeer mondain was.

Zoodra Pierre zijn kaartje had laten overhandigen, werd hij ontvangen, en misschien zou het vermoeden bij hem opgekomen zijn, dat hij verwacht werd, wanneer de ontvangst, die hem van de zijde van den prelaat ten deel viel, niet getuigd had van de meest oprechte verrassing, gepaard met eenige ongerustheid.

"Mijnheer de abbé Froment, mijnheer de abbé Froment," herhaalde de prelaat, terwijl hij naar het kaartje, dat hij in zijn hand gehouden had, keek. "Kom binnen, als het u blieft. Ik had eigenlijk niemand willen ontvangen, want ik heb zeer dringend werk... Maar het komt er niet op aan, ga zitten!"

Maar Pierre bleef vol bewondering voor dezen knappen, grooten en sterken man, die in de kracht van zijn leven was, staan. Blozend, gladgeschoren, met nauwlijks grijzende haren had hij een vriendelijken neus, vochtige lippen, liefkoozende oogen, in het kort alles wat den Romeinschen prelaat verleidelijk en decoratief maken kan. In zijn zwarte soutane met lila kraag zag hij er zeer gesoigneerd en eenvoudig-elegant uit. Het groote vertrek, waarin hij ontving, en dat door twee op de piazza Navona uitziende ramen vroolijk verlicht en met een thans bij de Romeinsche geestelijkheid weinig voorkomenden smaak gemeubileerd was, was een waardige omlijsting voor den opgewekten en hartelijk ontvangenden prelaat.

"Ga toch zitten, mijnheer Froment, en vertel me, waaraan ik de eer van uw bezoek te danken heb."

Hij was zelf ook weer gaan zitten; en Pierre voelde zich bij die natuurlijke vraag, welke hij had moeten voorzien, plotseling verlegen worden. Zou hij onmiddellijk op de zaak ingaan, het teere motief van zijn bezoek bekennen? Hij voelde, dat het de snelste en waardigste weg was.

"O, monsignor, ik weet heel goed, dat wat mij tot u voert, iets zeer ongewoons is. Maar men heeft mij aangeraden dezen stap te doen en het komt mij voor, dat het tusschen eerlijke menschen nooit kwaad kan zijn de waarheid in volle oprechtheid te zoeken."

"Maar wat dan, wat dan?" vroeg de prelaat met een volkomen onschuldig gezicht, terwijl zijn glimlach hem geen oogenblik verliet.

"Welnu dan, ik heb gehoord, dat de Indexcongregatie u opgedragen heeft rapport uit te brengen over mijn boek Het Nieuwe Rome; en nu neem ik de vrijheid mij te komen voorstellen voor het geval, dat u eenigen naderen uitleg aan mij te vragen hebt."

Maar monsignor Fornaro scheen er niets verder over te willen hooren. Hij bracht zijn beide handen aan zijn hoofd en ging, hoewel nog altijd beleefd, wat achteruit.

"Neen, neen, vertel me dat niet, zeg niets verder, daar zoudt u mij groot verdriet mede doen... Laten we aannemen, dat men u verkeerd heeft ingelicht, want men moet niets weten, weet ook niets, de anderen evenmin als ik... Laten we om Godswil niet meer over die dingen praten."

Gelukkig kreeg Pierre, die de uitwerking gemerkt had, welke de naam van den assessor van het Heilig College gemaakt had, den inval te antwoorden:

"Zeker, monsignor, ik ben niet van plan u den minsten overlast te veroorzaken, en ik herhaal u, dat ik mij nooit de vrijheid veroorloofd zou hebben u lastig te vallen, indien niet monsignor Nani zelf mij uw naam en uw adres gegeven had."

Ook ditmaal liet de uitwerking niet op zich wachten, ook al gaf monsignor Fornaro niet dadelijk toe.

"Wat, is monsignor Nani zoo onbescheiden geweest! Ik zal hem een standje moeten geven... En wat weet hij ervan? Hij behoort niet tot de congregatie, hij kan op een dwaalspoor gebracht zijn... Zeg hem, dat hij zich vergist heeft, dat ik niets met deze zaak te maken heb; dat zal hem leeren, dat hij geen geheimen, die door allen geëerbiedigd moeten worden, moet verraden."

Dan voegde hij er vriendelijk met zijn liefkoozende oogen en zijn glimlachenden mond aan toe:

"Enfin, nu monsignor Nani het wenscht, wil ik wel een oogenblik met u praten, mijnheer Froment, onder voorwaarde, dat u van mij niets zult hooren over mijn rapport, noch over wat in de congregatie gedaan of gezegd kan zijn."

Op zijn beurt moest nu Pierre glimlachen, want hij verwonderde er zich over hoe makkelijk dadelijk alles werd, wanneer de schijn en de vormen maar gered werden. En hij begon nogmaals zijn geval uit te leggen, schilderde hem de groote verbazing, waarin het proces, dat zijn boek aangedaan was, hem geworpen had, de onwetendheid, waarin hij nog verkeerde omtrent de grieven, waarnaar hij nog altijd zocht, zonder ze te kunnen vinden.

"Zoo, zoo!" zeide de prelaat, verbaasd over zooveel naïeveteit. "De congregatie is een rechtbank en kan niet handelen, wanneer een zaak niet aanhangig bij haar gemaakt wordt. Uw boek wordt vervolgd, omdat men het aangegeven heeft."

"Ja, ik weet het, aangegeven."

"Zeker, de klacht is door drie Fransche bisschoppen ingediend--u zult mij niet kwalijk nemen, dat ik de namen verzwijg--en dan moet de congregatie tot onderzoek van het geïncrimineerde werk overgaan."

Pierre keek hem vol verbazing aan. Aangeklaagd door drie bisschoppen, en waarom, met welk doel?

Dan dacht hij aan zijn beschermer.

"Maar kardinaal Bergerot heeft mij een goedkeurenden brief geschreven, dien ik als voorwoord in mijn boek heb laten drukken. Was dat geen voldoende waarborg voor het Fransche episcopaat?"

Fijntjes schudde monsignor Fornaro zijn hoofd, vóór hij antwoordde:

"O, ja zeker! De brief van Zijne Eminentie, een heel mooie brief... Toch geloof ik, dat hij beter gedaan zou hebben dien niet te schrijven, zoowel voor hem zelf als vooral voor u."

En toen de priester, wiens verbazing steeds toenam, hem tot een nadere verklaring dwingen wilde, voegde hij eraan toe:

"Neen, neen, ik weet niets, ik zeg niets... Zijne Eminentie kardinaal Bergerot is een heilige, die door iedereen vereerd wordt, en wanneer hij zondigen kon, dan zou men daarvan alleen zijn hart een verwijt kunnen maken."

Er volgde een stilte. Pierre had een gevoel, alsof zich een afgrond voor hem opende. Hij durfde niet aandringen, maar zeide met eenige heftigheid:

"Maar waarom mijn boek en waarom niet de boeken der anderen? Ik denk er niet over op mijn beurt als aanklager op te treden, maar hoeveel boeken ken ik niet, waarvoor Rome de oogen sluit en die heel wat gevaarlijker zijn dan het mijne!"

Ditmaal scheen monsignor blijde te zijn zich bij Pierre's meening te kunnen aansluiten.

"U hebt groot gelijk, wij weten heel goed, dat wij niet alle slechte boeken kunnen bereiken, en dat spijt ons genoeg. Maar u moet eens denken aan het ontelbaar aantal boeken, dat wij gedwongen zouden zijn te lezen. Daarom veroordeelen wij de slechtste en bloc."

Hij ging nader op die quaestie in. In principe moesten de drukkers geen boek op de pers leggen, zonder het van te voren aan de goedkeuring van den bisschop onderworpen te hebben. Maar in welke groote verlegenheid zouden de bisschoppen geraken, wanneer de drukkers zich bij de tegenwoordige reusachtige boekenproductie, plotseling naar dien regel gingen schikken. Men zou voor dat kolossale werk geen tijd, geen geld en niet genoeg geschikte menschen hebben. Daarom veroordeelde de Indexcongregatie de verschenen of nog te verschijnen boeken van sommige categorieën geheel en al, zonder ze te onderzoeken: in de eerste plaats alle voor de zeden gevaarlijke boeken, alle erotische boeken, alle romans; vervolgens alle Bijbels in de gewone talen, want de Heilige Boeken mogen maar niet zonder onderscheid toegestaan worden; ten slotte alle duivelskunstenboeken, alle wetenschappelijke, geschiedkundige en wijsgeerige boeken, die met het dogma in strijd zijn, alle boeken van ketters of eenvoudige geestelijken, die den godsdienst betreffen. Dat waren verstandige, door verschillende pausen overgenomen wetten, waarvan het exposé als voorrede diende voor den catalogus van verboden boeken, dien de congregatie uitgaf, en zonder welke deze catalogus, wilde men hem volledig hebben, alleen een heele bibliotheek gevuld zou hebben. In één woord, wanneer men hem doorbladerde, merkte men dadelijk, dat het interdict vooral werken van priesters betrof, daar Rome er zich, gezien de moeilijkheid en het reusachtige van de taak, slechts om bekommerde zorg te dragen voor de goede orde in de Kerk. Dat was ook het geval met Pierre en zijn boek.

"U begrijpt," ging monsignor Fornaro voort, "dat we voor een hoop ongezonde boeken geen reclame gaan maken door ze de eer van een afzonderlijke veroordeeling aan te doen. Er zijn er legioenen bij alle volkeren, en wij zouden geen papier en geen inkt genoeg hebben, om ze alle te bereiken. Wij bepalen er ons toe er een te treffen, wanneer het door een beroemden naam geteekend is, wanneer er te veel over gesproken wordt of wanneer het ergerlijke aanvallen bevat tegen het geloof. Dat is voldoende om er de menschheid aan te herinneren, dat wij bestaan en ons verdedigen, zonder in het minst iets van onze rechten of van onze plichten prijs te geven."

"Maar mijn boek, mijn boek?" riep Pierre uit; "waarom die vervolging tegen mijn boek?"

"Maar dat leg ik u toch, voor zoover het mij geoorloofd is, uit, mijn beste mijnheer Froment. U is priester, uw boek heeft succes, u hebt een goedkoope editie gegeven, die goed verkocht wordt--en nu spreek ik niet over de letterkundige verdienste, die werkelijk zeer opmerkelijk is, want ik maak u mijn compliment over den dichterlijken ademtocht, die door het geheele werk gaat. Maar hoe zou het mogelijk zijn, dat wij in die omstandigheden onze oogen sloten voor een werk, waarin u concludeert tot de vernietiging van onzen heiligen godsdienst en tot de verwoesting van Rome?"

Pierre bleef, als verstikt door verwondering, met open mond zitten.

"De verwoesting van Rome? Groote God, maar ik wil Rome juist verjongd, eeuwig, de koningin der wereld!"

En opnieuw aangegrepen door zijn brandende geestdrift, verdedigde hij zich, legde hij opnieuw zijn geloofsbekentenis af: het Katholicisme moest terugkeeren tot de oorspronkelijke Kerk, nieuwe krachten putten uit het broederlijke Christendom van Jezus, de paus moest, van alle aardsche hoogheid bevrijd, door barmhartigheid en liefde heerschen over de geheele menschheid, de wereld redden van de vreeselijke sociale crisis, die haar bedreigde, om haar te brengen tot het ware koninkrijk Gods, tot de Christelijke gemeenschap van alle tot één volk vereenigde volkeren.

"Kan de Heilige Vader mijn boek veroordeelen? Zijn het niet zijn geheime ideeën, die men begint te raden? En zou het mijn eenige fout niet zijn, dat ik ze te vroeg en te vrij uitgesproken heb? Zou ik, indien men mij toestond hem te spreken, niet onmiddellijk van hem verkrijgen, dat de vervolging gestaakt werd?"

Monsignor Fornaro zeide niets meer, schudde zijn hoofd, zonder zich boos te maken over de jeugdige onstuimigheid van den priester. Integendeel hij glimlachte met een toenemende vriendelijkheid, als schepte hij vermaak in zooveel onschuld en dweperij.

"Vooruit maar, vooruit maar!" zeide hij eindelijk vroolijk. "Ik zal u niet tegenhouden. Het is mij verboden iets te zeggen... Maar het wereldlijk gezag, het wereldlijk gezag..."

"En wat wil dat wereldlijk gezag?"

Weer zeide de prelaat niets. Hij keek naar boven en speelde met zijn blanke handen. Toen hij weer begon te spreken, was het alleen om er aan toe te voegen:

"En dan is er nog uw nieuwe godsdienst... Want het woord nieuwe godsdienst, nieuwe godsdienst komt tweemaal in uw boek voor..."

Hij wond zich nog meer op, raakte zoo buiten zichzelf, dat Pierre, door ongeduld aangegrepen, uitriep:

"Ik weet niet, hoe uw rapport luiden zal, monseigneur, maar ik verzeker u, dat het nooit in mijn bedoeling gelegen heeft het dogma aan te vallen. Dat blijkt waarachtig toch wel uit mijn heele werk, ik heb alleen een boek van erbarmen en redding willen geven. Het is niet meer dan billijk ook met de bedoelingen rekening te houden."

Monsignor Fornaro was weer kalm geworden en zeide op vaderlijken toon:

"O, de bedoelingen, de bedoelingen!"

Hij stond op, ten teeken, dat hij het onderhoud als geëindigd beschouwde.

"Wees ervan overtuigd, mijn waarde mijnheer Froment, dat ik mij zeer vereerd gevoel, dat u zich tot mij gewend heeft... Natuurlijk kan ik u niet zeggen, hoe mijn rapport zal uitvallen; wij hebben er trouwens al te veel over gesproken en ik had eigenlijk moeten weigeren naar uw verdediging te luisteren. Maar desniettemin ben ik gaarne bereid u in alles, wat niet indruischt tegen mijn plicht, te helpen... Maar ik vrees voor uw boek het ergste."

En toen Pierre opnieuw beginnen wilde, voegde hij er aan toe:

"Ach ja... De feiten worden beoordeeld en niet de bedoelingen. Iedere verdediging is dus nutteloos, het boek bestaat en is wat het is. U kunt het net zooveel verklaren en uitleggen als u wilt, maar veranderen kunt u het niet meer... Daarom hoort de congregatie de aangeklaagden nooit, aanvaardt zij van hen slechts de eenvoudige herroeping. Het verstandigste wat u nog doen kunt, is uw boek te herroepen, u te onderwerpen... Wilt u dat niet? Ach, wat zijt ge nog jong, vriendlief!"

Hij lachte nog luider om het gebaar van verzet, van ontembaren trots, dat zijn jonge vriend, zooals hij hem noemde, niet bedwingen kon. Dan bij de deur, in een nieuwe opwelling van sympathie, terwijl hij zijn stem deed dalen:

"Kom, vriendlief, ik wil iets voor u doen, ik zal u een goeden raad geven... Eerlijk gezegd, beteeken ik niets. Ik lever mijn rapport in, het wordt gedrukt, men leest het, zonder dat men er eenige waarde aan behoeft te hechten... De secretaris der Congregatie, pater Dangelis, daarentegen kan alles, zelfs het onmogelijke... Ga hem opzoeken in het klooster der Dominicanen achter de piazza di Spagna... Maar noem mijn naam niet. Tot ziens, waarde heer, tot ziens!"

Als verdoofd stond Pierre weer op de piazza Navona; hij wist niet meer, wat hij gelooven en hopen moest. Een laffe gedachte maakt zich van hem meester: waarom dezen strijd, waarin de tegenstanders onbekend en ongrijpbaar bleven, voortzetten? Waarom nog langer blijven in dit bedriegelijke Rome? Hij zou vluchten, nog denzelfden avond naar Parijs terugkeeren, dan verdwijnen en er in de uitoefening van de nederigste naastenliefde troost zoeken voor zijn bittere teleurstellingen. Het was een van die oogenblikken van hulpeloosheid, waarin de zoo lang gedroomde taak onmogelijk schijnt. Maar ondanks zijn verwarring ging hij toch op zijn doel af. Toen hij op den Corso, dan in de Via dei Condotti en eindelijk op de piazza di Spagna gekomen was, besloot hij nog een bezoek te brengen aan pater Dangelis. Het klooster der Dominicanen ligt daar onder de S. Trinità dei Monti.

O, die Dominicanen! Hij had nooit zonder een zekeren, met eenigen schrik vermengden eerbied aan hen gedacht. Welke een krachtigen steun hadden zij zich steeds voor de autoritaire en theocratische idee getoond! Hun dankte de Kerk haar meest krachtige autoriteit; zij waren de glorierijke soldaten van zijn overwinning. Terwijl de H. Franciscus van Assisi voor Rome de zielen der nederigen veroverde, onderwierp de H. Dominicus de zielen der intelligenten en machtigen. En dat alles vol hartstocht, met een vuur vol bewonderenswaardig geloof en wilskracht, door alle mogelijke middelen--door prediking, door boeken, door den druk van politie en gerecht. Al moge hij de Inquisitie niet ingesteld hebben, hij heeft daar een dankbaar gebruik van gemaakt; zijn zacht, broederlijk voelend hart bestreed het schisma te vuur en te zwaard. Levend in armoede, kuischheid en gehoorzaamheid, groote deugden in die tijden van hoogmoed en uitspattingen, trokken hij en zijn monniken door de steden, predikten voor de goddeloozen, trachtten hen terug te brengen tot de Kerk, klaagden hen aan bij de geestelijke rechtbanken, wanneer hun woord niet voldoende was. Hij viel ook op de wetenschap aan, trachtte die voor zich te winnen, koesterde het ideaal God te verdedigen met de wapenen der rede en der menschelijke kennis; hij was de voorvader van den Heiligen Thomas van Aquino, het licht der Middeleeuwen, die alles, de psychologie, de logica, de politiek en de moraal in zijn Summarium samenvatte.