Part 36
Naarmate het later werd, gingen de lichten in de tegenoverliggende huizen van Trastevere één voor één uit. En door wanhoop overmand, bleef Pierre nog lang gebogen staan over de nu zwarte wateren. Het was een eindelooze duisternis; in den diepen nacht van den Janiculus bleef niets over dan de sterrendriehoek van de gaslantaarns. Geen enkele weerschijn vlamde den Tiber meer met een rimpeling van goud, liet meer het tragische visioen der fabelachtige rijkdommen onder zijn mysterievollen loop dansen; het was nu uit met de legende, met den gouden, zevenarmigen kandelaar, met de gouden vazen, met de gouden kleinoodiën, met dezen geheelen droom van een ouden schat, die als de oude roem van Rome zelf, in den nacht weggezonken was. Geen lichtglans, geen geluid, de eindelooze slaap, niets dan het dikke, zware droppelen van een goot rechts, die men niet zien kon. Ook het water was verdwenen, Pierre voelde nog slechts het loodzware voortstroomen in de duisternis, den neerdrukkenden ouderdom, de eeuwenoude uitputting, de eindelooze triestheid van dezen oerouden en glorierijken Tiber, die naar het Niets verlangde en voortaan nog slechts den dood eener wereld scheen voort te stuwen. Alleen de groote, rijke hemel, de eeuwige, pralende hemel ontplooide nog boven de schaduwrivier, die de ruïnen van bijna drie duizend jaar voortstuwde, het schitterende leven van zijn millioenen sterren.
Toen Pierre, alvorens naar zijn kamer te gaan, een oogenblik naar de kamer van Dario ging, vond hij daar Victorine, die bezig was alles in gereedheid te brengen voor den nacht.
"Wat, mijnheer de abbé, bent u op dit uur weer op de kade gaan wandelen?" riep zij op verwijtenden toon, toen zij hoorde waar hij vandaan kwam. "Wilt u dan met alle geweld een messteek krijgen... Neen hoor, mij zouden zij er niet toe krijgen in deze vervloekte stad zoo laat versche lucht te gaan happen."
Dan wendde zij zich met haar gewone familiariteit tot den prins, die op een fauteuil lag te glimlachen.
"Zeg, dat meisje, die Pierina, is niet meer teruggeweest, maar ik heb haar tusschen de puinhoopen zien sluipen."
Met een gebaar legde Dario haar het zwijgen op en wendde zich nu tot den priester.
"Maar u hebt toch met haar gesproken. Het wordt toch eigenlijk te gek... Stel je voor, dat die woesteling van een Tito zijn mes in mijn anderen schouder komt steken!"
Plotseling zweeg hij; hij zag Benedetta voor zich staan, die ongemerkt binnengekomen was, om hem goeden nacht te zeggen. Hij werd erg verlegen, wilde iets zeggen, een verklaring geven, haar zijn volkomen onschuld in dit avontuur bezweren. Maar zij glimlachte en zeide slechts liefdevol:
"Ik ken je geschiedenis, Dario. Je begrijpt toch wel, dat ik niet zoo dom ben, of ik heb erover nagedacht en het begrepen... Dat ik er niet verder naar gevraagd heb, komt alleen, omdat ik alles wist en toch van je hield."
Zij was zoo gelukkig; zij had dien avond vernomen, dat monsignor Palma, de verdediger van het huwlijk in haar echtscheidingsproces, zich voor den aan zijn neef bewezen dienst dankbaar had betoond door een voor haar gunstige memorie in te dienen. Niet dat de prelaat, die niet gaarne zijn eigen woorden herroepen wilde, zich geheel aan haar zijde geschaard had, maar de verklaringen der beide geneesheeren hadden hem toch in staat gesteld tot een zekeren maagdelijken staat te concludeeren, en hij had, heenglijdend over het feit, dat de niet voltrekking van het huwlijk haar oorzaak vond in den tegenstand der vrouw, de feiten zóó handig gegroepeerd, dat zij een nietigverklaring noodzakelijk maakten. Daar iedere hoop op toenadering vergeefsch was, stond het vast, dat de echtgenooten in voortdurend gevaar verkeerden tot onkuischheid te vervallen. Hij maakte een discrete toespeling op den echtgenoot, als om aan te toonen, dat deze reeds onder die verleiding bezweken was, om dan de hooge moraliteit der vrouw, haar vroomheid, alle deugden, die een waarborg vormden voor haar waarheidsliefde, te prijzen. Zonder het met zoovele woorden te zeggen, refereerde hij zich aan de wijsheid der congregatie. Maar daar monsignor Palma ongeveer de argumenten van advocaat Morano herhaalde en Prada er hardnekkig bij bleef niet te verschijnen, scheen het aan geen twijfel onderhevig of de congregatie zou met een groote meerderheid tot de nietigverklaring adviseeren, zoodat de Paus deze zou kunnen uitspreken.
"Nu zijn we tenminste aan het eind van onzen lijdenstocht, Dario! Maar wat een geld heeft het gekost! Tante zegt, dat we nauwlijks droog brood en water over hebben!"
Zij lachte met de heerlijke zorgeloosheid van een hartstochtelijk verliefde vrouw. Niet dat een proces voor de congregatie zoo kostbaar was, want in principe waren die kosteloos. Maar er waren oneindig veel kleine onkosten, alle ondergeschikte beambten, de medische deskundigen, de afschriften, de memories, de pleidooien. Bovendien, ook al kocht men natuurlijk de stemmen der kardinalen niet, zoo kwamen toch enkele stemmen op groote sommen te staan, wanneer men op de omgeving van Hunne Eminenties invloed wilde uitoefenen, afgezien nog van het feit, dat groote geldgeschenken in het Vaticaan, wanneer zij met takt gegeven worden, de grootste moeilijkheden uit den weg ruimen. En ten slotte had de neef van monsignor Palma veel gekost.
"Als ze ons, nu je weer genezen bent, maar gauw laten trouwen, dat is het eenige, wat we hun vragen, niet waar, Dario?... Als ze willen, zal ik hun nog mijn paarlen geven, het eenige vermogen, dat ik nog bezit."
Ook hij lachte, want geld had in zijn leven nooit een rol gespeeld. Hij had nooit zooveel gehad als hij wel wilde, hij hoopte eenvoudig steeds bij zijn oom, den kardinaal, te kunnen wonen, die het jonge paar niet op straat zetten zou. Bij hun ruïne beteekenden honderd, of tweehonderd duizend francs niets voor hem; hij had wel hooren zeggen, dat sommige echtscheidingen meer dan vijfhonderd duizend francs gekost hadden. Hij antwoordde dan ook schertsend:
"Geef hun ook mijn ring, geef hun alles, lieveling; wij zullen in dit oude paleis heel gelukkig leven, ook al moesten wij de meubels verkoopen."
In haar geestdrift nam zij zijn hoofd tusschen haar beide handen en kuste hem in een opwelling van grooten hartstocht op zijn beide oogen.
Dan wendde zij zich plotseling tot Pierre:
"O, neem me niet kwalijk, mijnheer de abbé, ik had nog een boodschap voor u ook... Ja, van monsignor Nani, die ons daarnet de blijde tijding gebracht heeft; hij heeft mij opgedragen u te zeggen, dat u u te veel op den achtergrond houdt, dat u meer moet werken voor de verdediging van uw boek."
Verbaasd luisterde Pierre naar haar.
"En juist hij heeft me aangeraden mij zoo weinig mogelijk te laten zien."
"Dat is zoo. Maar het schijnt, dat het oogenblik nu gekomen is, dat u de menschen opzoeken, uw zaak bepleiten, u roeren moet in één woord! En nog iets: hij is ook den naam van den rapporteur te weten gekomen, aan wien men opgedragen heeft uw boek te onderzoeken. Het is monsignor Fornaro, die op de piazza Navona woont."
Pierre voelde zijn verbazing grooter worden. Het gebeurde nooit, dat de naam van een rapporteur bekend werd, deze bleef geheim om het oordeel zoo vrij mogelijk te houden. Zou een nieuwe phase in zijn verblijf te Rome beginnen?
"Ik dank u zeer," antwoordde hij eenvoudig. "Ik zal handelen en iedereen bezoeken."
TIENDE HOOFDSTUK
Pierre, die niets liever wilde dan zoo spoedig mogelijk een eind maken aan de zaak, trachtte den volgenden dag reeds aan het werk te gaan. Maar een twijfel had zich van hem meester gemaakt: bij wien moest hij het eerst aankloppen, wien moest hij het eerst bezoeken, wanneer hij in een zoo gecompliceerd en zoo ijdel milieu geen fout wilde begaan? Toen hij zijn kamer verliet, zag hij toevallig don Vigilio, den secretaris van den kardinaal, in de gang. Hij verzocht hem even binnen te komen.
"U kunt mij een dienst bewijzen, mijnheer de abbé. Ik vertrouw me geheel aan u toe; ik heb een raad noodig."
Hij voelde, dat deze kleine, magere man met zijn saffraan-kleurigen tint, die steeds rilde van koorts, ondanks zijn overdreven en bange omzichtigheid van alles op de hoogte, in alles betrokken was. Blijkbaar om het gevaar zich moeilijkheden op den hals te halen, te ontloopen, had hij Pierre tot dusverre, naar het scheen met opzet, vermeden. De laatste dagen echter was hij minder schuw, vlamden zijn zwarte oogen op, wanneer hij zijn buurman ontmoette, als had het ongeduld, waardoor Pierre verteerd moest worden, nu hij zoo lang tot niets doen gedoemd werd, zich ook van hem meester gemaakt. Hij trachtte dan ook niet zich aan het gesprek te onttrekken.
"Neem me niet kwalijk," begon Pierre, "dat ik u in zoo'n wanorde laat. Maar ik heb van ochtend weer linnengoed en winterkleeren uit Parijs gekregen... Stel u voor, dat ik met een klein handkoffertje voor veertien dagen gekomen ben, en nu ben ik al drie maanden hier, zonder dat ik nog iets verder ben dan op den ochtend van mijn aankomst."
Don Vigilio schudde zachtjes het hoofd.
"Ja, ja, ik weet het."
Toen legde Pierre hem uit, dat hij, nu monsignor Nani hem door de contessina had laten weten, dat hij, om zijn boek te verdedigen, moest gaan handelen en iedereen gaan opzoeken, in de grootste verlegenheid verkeerde, daar hij niet wist, hoe hij zijn bezoeken regelen moest. Moest hij bijvoorbeeld het eerst naar monsignor Fornaro gaan, die rapport over zijn boek moest uitbrengen?
"Wat," riep don Vigilio bevend uit, "is monsignor Nani zoover gegaan, dat hij u dien naam genoemd heeft?... Dat is veel meer dan ik verwacht had!"
Hij liet zich door zijn hartstocht medeslepen.
"Neen, neen, begin niet met monsignor Fornaro. Ga eerst een zeer nederig bezoek brengen aan den praefect van de Indexcongregatie, aan Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti, omdat hij het u nooit vergeven zou, als hij te hooren kwam, dat u eerst bij een ander uw opwachting gemaakt hebt..."
Hij hield even op en voegde er dan fluisterend en rillend van koorts, aan toe:
"En hij zou het te hooren komen. Hier in Rome kom je alles te hooren."
Dan nam hij, als maakte zijn sympathie hem plotseling dapper, de beide handen van den jongen, vreemden priester in de zijne.
"Mijn beste mijnheer Froment, ik zweer u, dat ik mij zeer gelukkig voelen zal, wanneer ik u op de een of andere wijze kan helpen, want u hebt een oprechte, eenvoudige ziel en ik heb werkelijk met u te doen... Maar u moet mij niet het onmogelijke vragen. Wanneer u wist, wanneer ik u alle gevaren toevertrouwde, die ons omringen... Toch meen ik u op dit oogenblik nog te kunnen aanraden in geen enkel opzicht te rekenen op mijn meester, Zijne Eminentie kardinaal Boccanera. Verschillende malen heeft hij zich tegenover mij zeer afkeurend over uw boek uitgelaten... Maar hij is een heilige, een man van hoogen ziele-adel, en al verdedigt hij u niet, hij zal u niet aanvallen, maar uit égard voor zijn nicht, de contessina, die hij aanbidt en die u beschermt, neutraal blijven... Bepleit, wanneer u hem ziet, uw zaak niet, dat zou u geen voordeel brengen en hem slechts prikkelen."
Pierre voelde door die woorden geen al te groote teleurstelling, want hij had na zijn eerste onderhoud met den kardinaal en later bij de enkele bezoeken, die hij hem gebracht had, dadelijk begrepen, dat hij in hem slechts een tegenstander vinden zou.
"Ik zal hem dan een bezoek brengen," zeide hij, "om hem te bedanken voor zijn neutraliteit."
Doch onmiddellijk kwam bij don Vigilio de angst weer boven.
"Neen, neen, doe dat niet, hij zou misschien begrijpen, dat ik gepraat had, en dan zou mijn positie leelijk gevaar loopen... Ik heb niets gezegd, ik heb niets gezegd. Bezoek eerst de kardinalen, al de kardinalen. Maar verder heb ik u niets gezegd, dat is afgesproken?"
Dien dag wilde hij niets meer zeggen. Bevend verliet hij de kamer, terwijl hij met zijn vlammende, onrustige oogen rechts en links in de gang rondkeek.
Onmiddellijk verliet Pierre het paleis, om een bezoek aan kardinaal Sanguinetti te brengen. Het was tien uur; hij had dus kans hem thuis te treffen. De kardinaal bewoonde, naast de kerk S. Luigi dei Francesi, in een donkere, nauwe straat, de eerste verdieping van een klein paleis, dat thans als huurhuis ingericht was. Het was niet de reusachtige, vorstelijk-grootsche en zwaarmoedige ruïne, waarin kardinaal Boccanera zich opsloot. De vroegere, voorgeschreven galavertrekken waren, evenals de geheele huishouding, beperkt. Er was geen troonzaal meer, er hing geen groote, roode kardinaalshoed meer onder een baldakijn, geen tegen den muur gekeerde fauteuil stond meer op de komst van den paus te wachten. Twee in elkaar loopende, als antichambres dienende kamers, een salon, waarin de kardinaal ontving--en dat alles zonder eenigen luxe, zonder comfort zelfs. De meubelen waren in empire-stijl, de tapijten en het behang zaten vol stof en waren door het gebruik verkleurd.
Het duurde lang, voordat er open gedaan werd, en toen eindelijk een knecht, die, zonder zich te haasten, zijn vest aantrok, de deur op een kiertje opende, antwoordde hij slechts, dat Zijne Eminentie den vorigen dag naar Frascati gegaan was.
Toen herinnerde Pierre zich, dat kardinaal Sanguinetti in den omtrek van Rome een diocees had. Hij bezat in Frascati een villa, waarin hij meermalen een paar dagen ging doorbrengen, wanneer hij behoefte had aan rust of een politieke reden hem daartoe noopte.
"En komt Zijne Eminentie gauw terug?"
"Dat is niet te zeggen... Zijne Eminentie is ziek en heeft opdracht gegeven, niemand naar hem toe te sturen, die hem daar lastig zou kunnen vallen."
Toen Pierre weer op straat was, voelde hij zich door dien eersten tegenslag geheel van streek. Zou hij zich, daar de zaken drongen, onmiddellijk naar Fornaro begeven, die hier vlak bij op de piazza Navona woonde? Maar hij herinnerde zich, dat don Vigilio hem aangeraden had eerst de kardinalen te bezoeken; hij kreeg een ingeving en besloot dadelijk naar kardinaal Sarno te gaan, met wien hij op de Maandagsche recepties van donna Serafina kennis gemaakt had. Ondanks zijn vrijwillig op den achtergrond blijven, beschouwde iedereen hem als een der machtigste en meest te duchten leden van het Heilig Concilie, wat zijn neef, Narcisse Habert, niet belette te verklaren, dat hij niemand kende, die voor vraagstukken, welke niet tot zijn gewone bezigheden behoorden, onverschilliger was dan zijn oom. Al maakte hij geen deel uit van de Indexcongregatie, toch zou hij hem goeden raad kunnen geven en zijn grooten invloed op zijn collega's doen gelden.
Pierre begaf zich regelrecht naar het paleis der propaganda, waar hij zeker was den kardinaal te zullen aantreffen. Dit paleis, waarvan men den zwaren gevel van af de piazza di Spagna zien kan, is een reusachtig, kaal en plomp gebouw, dat een geheelen hoek tusschen twee straten inneemt. Pierre, die thans de nadeelen van zijn slecht Italiaansch voelde, raakte erin verdwaald en liep trappen op, die hij onmiddellijk daarop weer af moest gaan. Eindelijk had hij het geluk den secretaris van den kardinaal, een vriendelijken jongen priester, dien hij reeds in den palazzo Boccanera gezien had, te ontmoeten.
"Zeker, zeker. Ik zou niet weten waarom Zijne Eminentie u niet zou willen ontvangen. U hebt er heel goed aan gedaan op dit uur te komen, want dan is hij altijd hier... Wees zoo goed mij te volgen."
Het werd een nieuwe tocht. Kardinaal Sarno, die langen tijd secretaris der Propaganda was geweest, bekleedde nu in zijn qualiteit van kardinaal het voorzitterschap der commissie, die den eeredienst organiseerde in de voor het Katholicisme nieuw veroverde landen in Europa, Afrika, Amerika en Oceanië. Als zoodanig had hij daar een werkkamer, een bureau, een heele administratie, waar hij heerschte als een maniak ambtenaar, die oud geworden was op zijn leeren stoel zonder ooit buiten den engen kring van zijn groene dossiers te komen, zonder van de wereld iets anders te kennen dan de straat, waarin de voetgangers en rijtuigen onder zijn raam voorbijgingen.
Aan het einde van een donkere gang, waarin zelfs bij vollen dag licht branden moest, verzocht de secretaris Pierre even op een bankje plaats te nemen. Na een groot kwartier kwam hij terug.
"Zijne Eminentie is op het oogenblik in conferentie met zendelingen, die eerstdaags zullen vertrekken. Maar het zal niet lang duren. Hij heeft mij gevraagd u te verzoeken zoolang in zijn kabinet te wachten."
Toen Pierre alleen in het kabinet was, nam hij nieuwsgierig de inrichting ervan op. Het was een tamelijk groot vertrek, zonder eenigen luxe, met een groen behang en groene damastmeubelen van zwart hout. De twee ramen, die op een smal zijstraatje uitzagen, verlichtten slechts half de sombere muren en het verschoten tapijt; behalve de twee wandtafeltjes stond er in het vertrek alleen maar een bureau, een eenvoudige houten tafel met een geheel versleten blad, dat bovendien geheel schuil ging onder dossiers en paperassen. Hij ging er wat dichter bij staan en keek naar den door het vele gebruik ingezakten bureaustoel, naar het scherm, dat ervoor stond, naar den met inktvlekken bespatten inktkoker. Dan begon hij in de zware, doode atmospheer, die op hem drukte, in de groote, angstaanjagende stilte, die alleen door de gedempte straatgeluiden gestoord werd, ongeduldig te worden.
Al op en neer loopende, werd Pierre's aandacht getrokken door een kaart, die aan den muur hing en hem zóó met gedachten vervulde, dat hij al het andere vergat. Het was een gekleurde kaart van de Katholieke wereld, de geheele aarde, de afgerolde wereldkaart, waarop de verschillende kleuren de gebieden aangeven, al naar gelang zij tot het overwinnend, onbeperkt heerschend of aan het nog steeds in strijd met de ongeloovigen zijnde Katholicisme behoorden. De laatste landen waren naar gelang van de organisatie in vicariaten of praefecturen verdeeld. Was dit geheel eigenlijk niet een graphische voorstelling van het geheele, eeuwenoude streven van het Katholicisme naar de wereldheerschappij, die het van af het eerste oogenblik gewild had, die het door alle eeuwen heen nooit opgehouden heeft te willen? God heeft de wereld aan Zijn Kerk gegeven, maar zij moet die wel gewelddadig in bezit nemen, daar de dwaling nog steeds hardnekkig heerschen blijft. Vandaar de voortdurende strijd, vandaar dat de volkeren in onze dagen nog betwist worden aan vijandelijke godsdiensten, evenals in den tijd, dat de apostelen Judea verlieten, om het Evangelie te verbreiden.
Gedurende de Middeleeuwen bestond de groote taak in het organiseeren van het veroverde Europa, zonder dat men zelfs een poging doen kon, om zich met de Oostersche afgescheiden Kerken te verzoenen. Daarna kwam de Hervorming, volgde het eene schisma op het andere--de Protestantsche helft van Europa en het geheele orthodoxe Oosten moesten heroverd worden. Maar met de ontdekking der Nieuwe Wereld ontwaakte de krijgslust weder, streefde Rome met al zijn eerzucht ernaar deze tweede helft der aarde ook in zijn bezit te krijgen, werden missies uitgezonden, om deze gisteren nog onbekende volkeren aan God te onderwerpen, want Hij had ze evenals de andere aan Rome geschonken. Zoo had zich de groote, tegenwoordige splitsing der Christenheid als van zelf gevormd: eenerzijds de Katholieke naties, bij wie het geloof slechts behoefde onderhouden te worden en die door het in het Vaticaan ondergebrachte Staatssecretariaat geleid werden; aan de andere zijde de schismatieke of nog eenvoudige heidensche naties, die in den schoot der Kerk gebracht of bekeerd moesten worden en waarover de congregatie der Propaganda trachtte te heerschen. Vervolgens had die congregatie zich op haar beurt in twee afdeelingen moeten splitsen, om het werk wat makkelijker te maken: de Oostersche afdeeling, die speciaal belast was met de dissidente secten in het Oosten, en de Latijnsche afdeeling, wier werkzaamheid zich over alle andere missielanden uitstrekt. Het is een grootsch ensemble van overwinnende organisatie, een reusachtig net met sterke dichte mazen, dat over de wereld geworpen wordt en geen enkele ziel moet laten ontsnappen.
Eerst nu, vóór deze kaart, kreeg Pierre een duidelijke voorstelling van deze sedert eeuwen werkende en tot het opzuigen der menschheid vervaardigde machine. De door de pausen rijk begiftigde en over een reusachtig inkomen beschikkende Propaganda scheen hem als het ware een afzonderlijke macht, een pausdom in een pausdom; hij begreep nu waarom aan den praefect der congregatie de naam "roode paus" gegeven werd. Over welk een onbeperkte macht beschikte niet deze veroveraar en heerscher, wiens handen van het eene einde der wereld tot het andere reikten? Had hij, terwijl de kardinaal-secretaris Centraal Europa, dat zoo kleine stukje van de aardbol, bezat, niet de geheele rest, eindelooze ruimten, de verre, nog onbekende streken? De cijfers bevestigden het: Rome heerschte onbeperkt slechts over ruim tweehonderd millioen Roomsch-apostolische Katholieken, terwijl de schismatici, die van het Oosten en die der Hervorming, wanneer men ze optelde, dit getal reeds overschreden. En welk een reusachtig verschil werd het, indien men daarbij het milliard ongeloovigen voegde, wier bekeering nog volgen moest!
Plotseling werd hij zoo door die cijfers getroffen, dat een rilling hem doorhuiverde. Was het dan waar? Er waren vijf millioen Joden, bijna tweehonderd millioen Mohammedanen, meer dan zevenhonderd millioen Brahmanen en Boeddhisten, ongerekend de honderd millioen andere heidenen van alle godsdiensten, te zamen een milliard, waartegenover de Christenen niets meer dan vierhonderd millioen konden stellen, en deze nog onderling verdeeld, in voortdurenden strijd--de eene helft met Rome, de andere tegen Rome! Was het mogelijk, dat Christus in achttien eeuwen nog niet het derde gedeelte van de menschheid, dat het eeuwige, almachtige Rome nog niet het zesde gedeelte der volkeren aan zich onderworpen had? Eén ziel van de zes gered, welk een verschrikkelijke verhouding! Maar de kaart sprak onomwonden; het met rood aangegeven rijk van Rome was slechts een in de ruimte verloren punt, wanneer men het vergeleek met het geel gekleurde rijk der andere goden, de eindelooze streken, die de Propaganda nog te onderwerpen had.
De vraag drong zich nu op: hoeveel eeuwen zouden er moeten verloopen, vóórdat de beloften van Christus in vervulling zouden gaan, voor de geheele aarde aan zijn wet onderworpen zou zijn en de religieuse maatschappij de burgerlijke weer dekken en samen slechts één geloof en één rijk vormen zouden? En door welk een verbazing werd men bij deze vraag, bij deze reusachtige, nog te vervullen taak aangegrepen, wanneer men aan de kalme rust van Rome, aan zijn geduldige hardnekkigheid dacht, die nooit getwijfeld heeft, die thans minder dan ooit twijfelt. Het is door zijn bisschoppen en zijn zendelingen steeds aan den arbeid, wordt nooit moede en doet in de niet aan het wankelen te brengen overtuiging, dat slechts Rome alleen eens de meester der wereld zijn zal, zijn werk zonder onderbreking, evenals het oneindig kleine de wereld geschapen heeft!