De drie steden: Rome

Part 35

Chapter 353,613 wordsPublic domain

Het was een nietsdoend en toch druk leven te midden van het voortdurende heen en weer geloop van kleine ezeltjes, die karren trokken, van mannen, die met zweepen kalkoenen voortdreven, van enkele onrustige, zenuwachtige touristen, die dadelijk door troepen bedelaars bestormd werden. Schoenlappers zaten kalm op het trottoir te werken. Voor de deur van een kleermaker hing een oude, met aarde gevulde emmer, waarin een plant groeide. Van alle ramen, van alle balkons hing aan touwen, die van het eene huis naar het andere gespannen waren, over de straat de wasch te drogen, vodden en lompen zonder naam, die als het ware de symbolische vaandels van de afzichtelijke ellende waren.

Pierre voelde, hoe zijn van naastenliefde overstroomende ziel ineenkromp van eindeloos medelijden. Ja, zeker, men moest die zieke en verpeste wijken, waarin het volk zoo lang gehokt had als in een vergiftigden kerker, met den grond gelijk maken. Ja, hij voelde alles voor gezondmaking, voor slooping, ook al moest het oude Rome tot groote ergernis der kunstenaars daardoor gedood worden. Reeds was Trastevere zeer veranderd, boorden nieuwe straten er luchtgaten, waar het zonlicht in breede stralen binnendrong. Wat ervan overbleef, scheen te midden van die gesloopte huizen en van die onlangs ontstane gaten, groote terreinen, waarop men nog niet had kunnen bouwen, nog zwarter en vuiler. De ontwikkeling van deze stad interesseerde hem. Later zou men ongetwijfeld verder gaan met bouwen; maar wat voor een opwindend oogenblik was het, dat de oude stad en de nieuwe te midden van zoovele moeilijkheden als het ware zieltoogde! Men had het vuile, onder excrementen, gootwater en groentenafval verdronken Rome moeten kennen. Het onlangs met den grond gelijk gemaakte Ghetto had sedert eeuwen den bodem met zulk een menschelijke vuilheid doordrenkt, dat het nog kale bouwterrein, dat vol bulten en modderkuilen was, nog steeds een vreeselijken peststank uitwasemde. Men deed er zeer goed aan het op die wijze lang te laten drogen en zich reinigen in de zon.

In al deze wijken aan beide oevers van den Tiber, waar belangrijke openbare werken van wege de stad uitgevoerd worden, stoot men bij iederen stap op hetzelfde: men volgt een nauwe, stinkende, vochtig-kille straat met sombere gevels en daken, die elkaar bijna aanraken, en komt dan plotseling op een lichte, open plek, die de spaden en bijlen gehouwen hebben in het bosch van de oude, melaatsche krotten. Er zijn daar pleinen, breede trottoirs, hooge witte gebouwen, met beeldhouwwerk, een moderne hoofdstad in aanleg. Overal ziet men stukken van geprojecteerde wegen; het is een reusachtige werkplaats, die de financieele crisis thans dreigt te vereeuwigen; de stad van morgen is in haar groei belemmerd en blijft met haar matelooze, overhaaste en detoneerende beginwerken staan, als kon zij niet verder. Maar desniettemin was het een goed en hygienisch werk, dat voor een groote en moderne stad een absolute en sociale noodzakelijkheid was, als men ten minste het oude Rome niet wilde laten vervuilen als een merkwaardigheid uit lang vervlogen tijd, als een museumstuk, dat men onder glas bewaart.

Dien dag maakte Pierre, toen hij zich van Trastevere naar den palazzo Farnese, waar hij verwacht werd, begaf, een omweg door de Via di Pettinari en de Via di Giubbonari, waarvan de eerste zoo somber en tusschen den grooten, zwarten muur van het hospitaal en de ellendige krotten daartegenover samengedrukt is, terwijl de tweede één en al leven is door den voortdurenden menschenstroom en opgevroolijkt wordt door de etalages der juweliers met de dikke gouden kettingen en die van de modemagazijnen, waar groote blauwe, gele, groene en roode zijden banen in glanzende tinten schitteren. De arbeiderswijk, die hij pas doorloopen had, en de kleinhandelaarswijk, die hij nu doorging, riepen hem het stadsgedeelte vol afgrijselijke ellende voor den geest, dat hij reeds bezocht had, de beklagenswaardige massa der arbeiders, die door het stopzetten van het werk tot den bedelstaf gebracht waren en tusschen de prachtige en verwaarloosde gebouwen der Prati del Castello kampeerden; dat arme, dat ongelukkige, kind gebleven volk, dat, door eeuwen van theocratie in een onwetendheid en lichtgeloovigheid van wilden gehouden, aan den nacht van zijn geest, aan het lijden van zijn lichaam zóó gewend is geraakt, dat het ondanks alles thans buiten den maatschappelijken réveil blijft en gelukkig is, wanneer men het in vrede genieten laat van zijn trots, zijn luiheid en zijn zon. Het scheen blind en doof in zijn verval te zijn, het zette zijn leven van stilstand van vroeger te midden van de evolutie van het nieuwe Rome voort, zonder er iets anders van te merken dan de lasten, nu de oude wijken, waarin hij woonde, met den grond gelijk gemaakt, de gewoonten veranderd, de levensmiddelen duurder werden, alsof licht, reinheid en gezondheid het lastig vielen, daar men ze met een groote financieele en arbeidscrisis betalen moest.

Maar, hetzij men er werkelijk die bedoeling mede gehad had of niet, in den grond der zaak werd Rome alleen ter wille van het volk gereinigd en met het doel, er een groote, moderne hoofdstad van te maken, opnieuw opgebouwd; want aan het einde van die veranderingen staat de democratie; het volk zal morgen de steden erven, waaruit men de vuilheid en de zieken verjaagt, waarin de wet van den arbeid zich ten slotte organiseert en de ellende doodt. En daarom moet men, ook al vervloekt men de rein gehouden ruïnen en het Colosseum, nu het van zijn klimop en zijn struiken en zijn wilde flora bevrijd is, die de jonge Engelsche dames in haar herbarium opnemen, ook al maakt men zich boos over de foei-leelijke vestingmuren, die den Tiber gevangen houden, ook al beweent men de zoo romantische oevers met hun groen en hun oude, in het water duikende huizen, toch tot zichzelf zeggen, dat het leven geboren wordt uit den dood en dat het morgen noodzakelijk opbloeien moet uit het stof van het gisteren.

Terwijl Pierre deze dingen overdacht, was hij op de eenzame, regelmatige piazza Farnese met haar gesloten huizen en haar twee fonteinen gekomen, waarvan de eene in de volle zon te midden van de groote stilte een eindeloozen straal van paarlen vallen deed. Hij bleef een oogenblik staan kijken naar den kalen en monumentalen gevel van het zware, vierkante paleis, zijn hooge poort, waarop de driekleurige vlag wapperde, zijn dertien gevelramen, zijn beroemde, zoo kunstrijke fries. Dan ging hij naar binnen. Een vriend van Narcisse Habert, een der gezantschapsattachés, die hem aangeboden had hem het reusachtige paleis, het mooiste van Rome, en dat Frankrijk voor zijn gezant gehuurd had, te laten zien wachtte hem daar. O, dat geweldige, weelderige en doodsche paleis met zijn groote, vochtig-donkere, door een zuilengaanderij omgeven binnenplein, zijn reusachtige trap met de lage treden, zijn eindelooze gangen, zijn te groote galerijen en zalen. Het was de majestueuse praal van den dood; een ijskoude kilte viel van de muren en drong door tot in de beenderen van de menschelijke mieren, die zich onder de gewelven waagden.

De attaché bekende met een discreet glimlachje, dat de ambassade er zich doodelijk verveelde; 's zomers werd zij gebraden, 's winters tot ijs verstijfd. Slechts het door den gezant bewoonde gedeelte, de eerste verdieping, die op den Tiber uitzag, was iets rianter en levendiger. Daar ziet men van uit de beroemde galerij der Carrachi den Janiculus, de Corsini-tuinen, de Acqua Paolo boven de S. Pietro in Montorio. Dan komt na een grooten salon het studeervertrek, waarin een stille, door de zon opgevroolijkte vrede heerscht. Maar de eetzaal, de woonkamers en de andere door het personeel bewoonde vertrekken vallen weer terug in het sombere donker van een zijstraat.

Al die groote, zeven à acht meter hooge vertrekken hebben prachtige, geschilderde of gebeeldhouwde plafonds, kale muren, waarvan sommige met fresco's versierd zijn, verschillende stijlen van meubelen, prachtige wandtafeltjes tusschen allerlei moderne bric-à-brac. En die troosteloosheid der dingen werd iets afschuwlijks, wanneer men in de galavertrekken komt, de groote eerezalen, die aan den op de binnenplaats uitzienden gevel liggen. Geen meubel, geen behang meer, niets dan een ruïne, verlaten, aan spinnen en ratten prijsgegeven zalen. De ambassade gebruikte er slechts één, waarin zij op wit houten tafels, op den grond en in alle hoeken haar stoffige archieven opbergt. Daarnaast is de reusachtige, tien meter en twee verdiepingen hooge zaal, die de eigenaar, de voormalige koning van Napels, voor zich gereserveerd had, een ware rommelkamer, waar maquettes, onvoltooide beelden en een buitengewoon mooie sarcophaag rondslingeren te midden van een onzegbaren massa onherkenbare puinhoopen.

En dat is nog slechts een gedeelte van het paleis; de rez-de-chaussée is geheel onbewoond, onze Ecole de Rome gebruikt een hoekje van de tweede verdieping, terwijl onze ambassade zich opeenhoopt in den meest bewoonbaren vleugel van de eerste, genoodzaakt als zij is het overige niet te gebruiken en de deuren te sluiten en te grendelen, om zich de onnoodige moeite van schoonhouden te besparen. Zeker het is koninklijk het door paus Paulus III gebouwde en meer dan een eeuw door kardinalen betrokken paleis Farnese te bewonen, maar welk een gruwlijke ongemaklijkheid, welk een afschuwlijke melancholie in die onmetelijke ruïne, waarvan drie vierden der vertrekken dood zijn, nutteloos, onbewoonbaar, van het leven afgesneden! En 's avonds, o, 's avonds! Dan worden de poort, de binnenplaats, de trap, de gangen in een dichte duisternis gevangen, strijden de enkele, walmende lantaarns vergeefs, moet men een eindeloozen tocht maken door die lugubere woestijn van steenen, om in den warmen, gezelligen salon van den gezant te komen!

Gedrukt en met kloppende slapen verliet Pierre het paleis. En alle andere paleizen, al de groote paleizen, die hij op zijn wandelingen gezien had, richtten zich voor zijn geestesoog op; alle waren beroofd van hun pracht, de vorstelijke hofhoudingen van vroeger waren verdwenen, alle waren vervallen tot ongerieflijke huurhuizen. Wat moest men thans met die galerijen, met die grootsche zalen beginnen, nu geen vermogen groot genoeg was om daarin het weelderige leven te leiden, waarvoor men ze gebouwd had?

Prinsen, die, als prins Aldobrandini met zijn talrijke nakomelingschap, hun paleis alleen bewoonden, waren zeldzaam. Bijna allen verhuurden de oude verblijven van hun voorouders aan maatschappijen of particulieren, terwijl zij voor zichzelf een verdieping of soms zelfs maar een reeks appartementen in het donkerste hoekje behielden. Verhuurd was de palazzo Chigi: de rez-de-chaussée aan banken, de eerste verdieping aan de Oostenrijksche ambassade, terwijl de prins en zijn familie de tweede met een kardinaal deelden. Verhuurd was de palazzo Sciarra: de eerste verdieping aan den minister van Buitenlandsche Zaken, de tweede aan een senator, terwijl de prins en zijn moeder zich met den rez-de-chaussée tevreden moesten stellen. Verhuurd was de palazzo Barberini: de rez-de-chaussée, de eerste en tweede verdieping aan verschillende families, terwijl de prins op de derde verdieping in de vroegere kamers van het dienstpersoneel huisde. Verhuurd was de palazzo Borghese: de rez-de-chaussée aan een koopman in oudheden, de eerste verdieping aan een vrijmetselaarsloge, de rest aan families, terwijl de prins zelf slechts een paar kamers van een klein burgerlijk huis had. Verhuurd was de palazzo Odelscachi, verhuurd de palazzo Colonna, verhuurd de palazzo Doria, terwijl de prinsen er nog slechts het bekrompen bestaan van goede huiseigenaars leidden en uit hun eigendom het grootst mogelijke profijt trokken, om rond te komen.

Een verwoestende wind woei over het Romeinsche patriciaat, de grootste vermogens waren in de financieele crisis gebleven; slechts weinigen bleven rijk. En welk een rijkdom was dat nog! Een onbeweeglijke, doode rijkdom, dien handel noch industrie konden hernieuwen. De talrijke prinsen, die getracht hadden zaken te doen, waren van alles beroofd. Den anderen, die door dat voorbeeld afgeschrikt waren en bovendien gebukt gingen onder zware belastingen, welke hun bijna het derde gedeelte van hun inkomsten ontnamen, bleef niets anders over dan toe te zien, hoe hun laatste stilstaande millioenen door deelingen verbrokkeld werden en stierven, daar het geld, evenals al het andere, sterft, wanneer het geen vruchten meer draagt in een levenden bodem. Het was nog slechts een quaestie van tijd, want de ruïne was onvermijdelijk, een absoluut, historisch noodlot. Zij, die er zich toe verlaagden om te verhuren, streden nog om hun leven, trachtten zich te schikken in en te richten naar het tegenwoordige, door er zich toe te dwingen tenminste de eenzaamheid van hun al te groote paleizen te bevolken, terwijl de dood reeds woonde bij de koppigen en hoogmoedigen, die zich inmetselden in het graf van hun geslacht, zooals de angstaanjagende, in stof vallende, in donker en zwijgen verstarde palazzo Boccanera, waarin men slechts nu en dan den dof over het gras van de binnenplaats rollenden, ouden karos van den kardinaal hoorde, als hij uitreed of thuiskwam.

Maar Pierre was vooral onder den indruk van die twee op elkaar volgende bezoeken aan Trastevere en aan den palazzo Farnese; het eene wierp een licht op het andere en beide leidden tot een slotsom, die zich nog nooit met een zoo vreeselijke helderheid in hem geformuleerd had: nog geen volk en weldra geen aristocratie meer. Dat liet hem niet meer los, vervolgde hem overal. Het volk, door de geschiedenis en het klimaat in een lange kindsheid gehouden, was, zooals hij gezien had, zóó ellendig, zóó onwetend, zóó berustend, dat er lange jaren van opvoeding en onderwijs noodig zouden zijn, om het te vormen tot een sterke, gezonde, werkzame, zich van haar rechten evenals van haar plichten bewuste democratie. De aristocratie stierf uit in haar instortende paleizen, zij was niet meer dan een uitgeput, ontaard ras, zóó vermengd bovendien met Amerikaansch, Oostenrijksch, Poolsch en Spaansch bloed, dat het zuivere Romeinsche bloed een zeldzame uitzondering werd, afgezien nog van het feit, dat zij opgehouden had in krijgsdienst of in dienst der kerk te staan, daar het haar tegen de borst stuitte het constitutioneele Italië te dienen en uit het Heilige College trad, waarin alleen parvenu's het purper aantrokken. En tusschen de kleinen beneden en de machtigen boven bestond nog geen stevig gegrondveste, door een nieuw sap sterke bourgeoisie, die verstandig en ontwikkeld genoeg was, om de overgangsopvoedster der natie te zijn.

De bourgeoisie bestond uit voormalige bedienden, de voormalige beschermelingen van de prinsen, de pachters, die hun landgoederen huurden, de intendanten, notarissen of advocaten, die hun vermogens beheerden; zij bestond uit ambtenaren, employé's van iederen rang en stand, afgevaardigden en senatoren, die de regeering uit de provincies medegebracht had; zij bestond ten slotte uit de zwerm vraatzuchtige valken, die op Rome neerstreken, de Prada's en de Sacco's, de uit het geheele koninkrijk saamgestroomde roofmenschen, wier klauwen en bek alles, het volk en de aristocratie, verslonden. Voor wie had men dan gewerkt? Voor wie de reuzenwerken begonnen van het nieuwe Rome, die van een zóó matelooze hoop en hoogmoed getuigden, dat men ze niet afmaken kon? Over Rome woei een wind van verschrikking; een gekraak deed zich hooren, dat in alle liefhebbende harten onrust en tranen wakker riep! Ja, het einde van een wereld dreigde: nog geen volk en geen aristocratie meer, slechts een verslindende bourgeoisie, die de buit tusschen de puinhoopen zocht.

En welk een verschrikkelijk symbool waren die nieuwe paleizen, welke men gebouwd had naar het reusachtige voorbeeld der vroegere paleizen, deze groote, weelderige paleizen, welke uit den grond opgerezen waren voor honderdduizenden zielen, waarop men gehoopt had, doch die niet gekomen waren; deze paleizen, waarin zich de toenemende rijkdom, de triompheerende luxe van de nieuwe wereldhoofdstad had moeten vestigen, en die nu de jammerlijke, bezoedelde en reeds wankele toevluchtsoorden voor de zwartste ellende van het volk, voor alle bedelaars en vagebonden geworden waren!

Den avond van dien dag bracht Pierre, toen het reeds donker geworden was, een uur door op de kade van den Tiber voor den palazzo Boccanera. Er heerschte een plechtige stilte, een eenzaamheid, zooals men die nergens vindt, en waarin hij graag vertoefde, niettegenstaande Victorine beweerde, dat het er niet veilig was. En inderdaad, op zulke pikdonkere avonden als deze had geen moordenaarshol ooit een tragischer decor gehad.

Geen levende ziel, geen voorbijganger; rechts en links en recht vooruit stilte, donkerte leegte. De palissaden, die aan alle kanten de reusachtige verlaten werkplaats insloten, versperden zelfs aan honden den toegang. Op den hoek van het in het donker verzonken paleis wierp een gaslantaarn, die sedert de ophooping dieper was komen te liggen vlak bij den grond een schemerlicht op de bultige kade; de materialen, die waren blijven slingeren, de hoopen steenen en tegels vormden groote, onbestemde schaduwen. Rechts plekten enkele lichtjes op de Ponte S. Giovanni de'Fiorentini en voor de ramen van het Heilige-Geest-hospitaal. Links verdwenen en zonken de verre stadswijken weg op den achtergrond van den rivierloop. Recht tegenover lag Trastevere; de huizen op den steilen oever, waar slechts enkele vensters door een dof schijnsel geel verlicht werden, maakten den indruk van bleeke, onduidelijke spookgestalten, terwijl daarboven een donkere streep de ligging aangaf van den Janiculus, waarop de lantaarns van de een of andere wandelplaats een driehoek van sterren deden fonkelen. De Tiber, die in de avonduren zoo melancholiek majestueus was, trok Pierre het meest aan. Hij bleef, op de steenen borstwering geleund, minuten lang kijken hoe hij tusschen zijn nieuwe muren stroomde, die 's avonds het zwarte en monsterachtige uiterlijk aannamen van een gevangenis, die men daar voor een reus gebouwd zou hebben.

Zoolang in de huizen aan de overzijde lichten brandden, kon hij zien, hoe de zware wateren langzaam voorbij kabbelden in de reflexen, welker rimpeling hun een mysterievol leven gaf. En hij droomde eindeloos van het beroemde verleden dezer rivier; dikwijls riep hij zich de legende voor den geest, die beweert, dat fabelachtige rijkdommen in de modder van zijn bed begraven zijn. Bij iedere invasie der barbaren, en speciaal bij de plundering van Rome, zou men er de schatten der tempels en der paleizen in geworpen hebben, om ze aan de hebzucht der overwinnaars te onttrekken. Waren die gouden strepen, die daar in het ondoorzichtige water beefden, niet de gouden kandelaar met zeven armen, dien Titus medegebracht had uit Jeruzalem? En die witte schimmen, welke onophoudelijk door den wind van vorm veranderden, waren dat geen zuilen en standbeelden? En die diepe vlammige weerschijnen, waren dat geen kostbare bekers en vazen, geen met edelgesteenten bezette kleinodiën? Welk een droom was dat even geziene wemelen in den schoot der rivier, dat verborgen leven van die schatten, welke daar eeuwen lang geslapen zouden hebben! En welk een verwachtingen voor den trots en het weer rijk worden van een volk vormden die wonderdadige schatten, welke men in den Tiber zou vinden, wanneer men hem eenmaal droog zou kunnen leggen, waarvoor reeds plannen ontworpen waren. Misschien lag daar het geluk van Rome!

Maar op dien zoo donkeren avond dacht Pierre, terwijl hij zoo over de borstwering leunde, slechts aan de strenge werkelijkheid. Hij zette zijn overpeinzingen van den dag, die zijn bezoek aan Trastevere in hem gewekt hadden, voort en kwam bij het zien van dat doode water tot de slotsom, dat de groote ramp, waaronder Italië leed, daarin bestond, dat men Rome gekozen had, om er een moderne hoofdstad van te maken. Hij wist zeer goed, dat die keuze onvermijdelijk was, daar Rome de koningin der glorie, de oude wereldheerscheresse was, de stad, aan welke de eeuwigheid beloofd was, zonder welke de nationale eenheid steeds onmogelijk geschenen was, zoodat een vreeselijk dilemma gesteld werd, daar zonder Rome Italië niet bestaan kon en dit met Rome zeer moeilijk bleek te zijn! O welk een onheilvolle stem nam deze doode rivier in den avond aan! Geen boot was te zien, geen beweging van handels- of industriedrukte, die leven brengt aan het hart van een groote stad. Ongetwijfeld had men mooie plannen gemaakt: Rome zeehaven, het rivierbed zóó diep uitgegraven, dat schepen met groote tonneninhoud tot den Aventinus zouden kunnen komen. Doch dat waren slechts hersenschimmen, nauwlijks had men den mond, die telkens weer verzandde, kunnen vrijmaken. En de andere reden van den doodsstrijd, de Campagna romana, de doodenwoestijn, waar de doode rivier door stroomde en die Rome met een gordel van onvruchtbaarheid omgaf? Men sprak er wel over haar te draineeren, haar te beplanten; men discussieerde tot in het eindelooze over de vraag, of zij onder de oude Romeinen vruchtbaar geweest was of niet; Rome bleef desniettemin midden in zijn groot kerkhof liggen als een stad van vroeger, die voor eeuwig van de overige wereld afgescheiden is door een steppe, waarin zich het stof van eeuwen opgehoopt heeft.

De geographische oorzaken, die haar eens de wereldheerschappij gegeven hebben, bestaan thans niet meer. Het centrum der beschaving heeft zich opnieuw verplaatst, het bekken der Middellandsche Zee is onder machtige naties verdeeld. Alles gaat naar Milaan, de stad van handel en nijverheid, terwijl Rome in het vervolg slechts een doorgangsplaats is. De meest heldhaftige pogingen der laatste vijf-en-twintig jaar hebben de stad dan ook niet uit haar onoverwinlijken slaap kunnen rukken. De hoofdstad, die men te vlug heeft willen improviseeren, is stationnair gebleven en heeft de natie bijna geruïneerd. De nieuwe bewoners, de regeering, de Kamers, de ambtenaren doen er niet veel meer dan even hun tenten opslaan en vluchten bij de eerste warme dagen, om het doodende klimaat te vermijden; en dit geschiedt in zoo'n sterke mate, dat de hotels en magazijnen gesloten worden, de straten en parken als uitgestorven schijnen, daar de stad geen werkelijk leven bezit en onmiddellijk in den dood terugvalt, zoodra het kunstmatige leven, dat haar bezielt, haar weer verlaat.

Zoo blijft dan alles stilstaan in deze hoofdstad, waarvan de bevolking thans af- noch toeneemt, waarin een nieuwe stuwkracht van geld en menschen noodig is, om de reusachtige, nuttelooze gebouwen der nieuwe wijken af te maken en te bevolken. En wanneer het waar was, dat het morgen steeds weer opbloeit uit het stof van het gisteren, dan moest men zich tot hoop dwingen. Maar was de bodem niet uitgeput? Was, nu zelfs de bouwwerken er niet meer opschieten wilden, het sap, dat gezonde individuen en krachtige naties schept, ook niet voor eeuwig opgedroogd?