Part 34
Op die verovering van stemmen ging donna Serafina iederen middag uit, waarbij zij geleid werd door haar biechtvader, pater Lorenza, dien zij dagelijks ging opzoeken in het Collegium Germanicum, het laatste toevluchtsoord der Jezuïeten te Rome, sedert zij niet langer de meesters van Il Gesù zijn. De hoop op succes baseerde zich vooral op de omstandigheid, dat Prada, de zaak moede en geprikkeld, verklaard had, niet meer te zullen verschijnen. Hij antwoordde niet eens op de herhaalde dagvaardingen, zoo hatelijk en belachelijk scheen hem de aanklacht van impotentie, sedert Lisbeth, zijn erkende maîtresse voor de oogen der geheele stad, zwanger van hem was.
Hij zweeg dus, deed als was hij nooit getrouwd geweest, ofschoon de wond van zijn beleedigden mannetrots nog altijd bloedde en onophoudelijk door de praatjes, die bleven loopen, en den twijfel aan zijn vaderschap, welke in de zwarte kringen heerschen bleef, weder geopend werd. Daar dus de tegenpartij zich terugtrok en uit eigen beweging verdween, kon men de steeds toenemende hoop van Benedetta en Dario voorstellen, wanneer donna Serafina 's avonds bij haar thuiskomst vertellen kon, dat zij meende weer de stem van een kardinaal gewonnen te hebben.
Maar de man, die hun den meesten angst bezorgde, was monsignor Palma, de door de congregatie van ambtswege aangestelde advocaat, om den heiligen band van het huwlijk te verdedigen. Hij bezat bijna onbeperkte rechten, kon nogmaals hooger beroep aanteekenen, in ieder geval het proces sleepende houden, zoolang als hij zelf wilde. Zijn eerste pleidooi in antwoord op dat van Morano, was reeds verschrikkelijk geweest, had den maagdelijken staat van Benedetta in twijfel getrokken, citeerde wetenschappelijk vastgestelde gevallen, waarin vrouwen nog de door vroedvrouwen beëedigde maagdelijke kenteekenen bezaten, eischte een nauwkeurig onderzoek van twee artsen en verklaarde ten slotte, dat, waar de eerste voorwaarde tot het verrichten van de daad gehoorzaamheid van de vrouw is, de eischeresse, zelfs al was zij maagd, niet gerechtigd was de nietigverklaring van het huwlijk te vragen, waarvan de volkomen voltrekking belemmerd was door haar herhaalde weigeringen. Het gerucht liep, dat het nieuwe pleidooi, hetwelk hij gereed maakte, nog onverbiddelijker en meedoogenloozer zou zijn, zóó vast stond zijn overtuiging. Het ergste zou zijn, dat tegenover die verheven energie van waarheid en logica de kardinalen, zelfs al waren zij nog zoo welwillend, het niet wagen zouden den Heiligen Vader tot nietigverklaring te adviseeren.
Benedetta begon dan ook reeds weer moedeloos te worden, toen donna Serafina haar na een bezoek aan monsignor Nani weer wat gerust stelde met de mededeeling, dat een gemeenschappelijke vriend beloofd had met monsignor Palma te zullen spreken. Maar dat zou ongetwijfeld veel geld kosten. Monsignor Palma, een in kanonische aangelegenheden zeer ervaren en uiterst rechtschapen theoloog, had in zijn leven een groot verdriet gehad: op lateren leeftijd was hij als waanzinnig verliefd geworden op een zeldzaam mooie nicht en had haar, om een schandaal te vermijden, moeten uithuwlijken aan een spitsboef, die haar van af het eerste oogenblik arm maakte en mishandelde. De schijn bleef gered, maar op dat oogenblik maakte de prelaat een moeilijke crisis door: hij was het moe zich nog langer te laten plukken en bezat niet het noodige geld, om zijn neef, die valsch gespeeld had, uit die moeilijkheid te redden. De gelukkige vondst nu bestond hierin, dat men den jongen man wilde redden door voor hem te betalen en hem dan een positie te bezorgen, zonder iets aan den oom te vragen, die op een avond, nadat de duisternis volkomen ingevallen was, als was hij een medeplichtige, weenend donna Serafina voor haar goedheid danken kwam.
Pierre was dien avond bij Dario, toen Benedetta dien avond lachend en in haar handen klappend van blijdschap de kamer binnenkwam.
"Het is zoover! Het is zoover! Hij is juist bij tante geweest en heeft haar eeuwige trouw gezworen. Nu is hij wel verplicht vriendelijk te zijn."
"Maar heeft men hem iets laten onderteekenen, heeft hij zich formeel verbonden?" vroeg Dario, die wantrouwender was.
"Wel neen, hoe kon dat nu? Het is zoo'n delicate quaestie!... Men zegt, dat hij een buitengewoon eerlijk man is!"
Toch was ook zij weer door een onrust aangegrepen. Als monsignor Palma ondanks den grooten dienst, dien men hem bewezen had, onomkoopbaar zou blijken te zijn? Die gedachte liet hen niet meer los. Het in spanning wachten begon opnieuw.
"Dat heb ik nog niet verteld," begon zij weer na een vrij lange stilte; "ik heb me tot dat beroemde onderzoek vermand. Ja, ik ben vanochtend met tante naar twee doktoren geweest."
Zij glimlachte weer, scheen in het geheel niet verlegen.
"En?" vroeg hij met hetzelfde kalme gezicht.
"Natuurlijk hebben zij gezien, dat ik niet loog. Zij hebben allebei een soort certificaat opgemaakt... Het was, naar het schijnt, absoluut noodzakelijk ten einde monsignor Palma in staat te stellen zijn vroegere woorden te herroepen."
En zich vervolgens tot Pierre wendend:
"O, dat vreeselijke Latijn, mijnheer de abbé!... Toch zou ik graag geweten hebben, wat erin stond, en daarom had ik gedacht, dat u zoo welwillend zoudt zijn het te vertalen. Maar tante heeft mij de stukken niet willen laten en ze onmiddellijk aan het dossier doen toevoegen."
Heel verlegen knikte de priester slechts, want hij wist maar al te goed, dat die soorten certificaten een volledige beschrijving in technische termen waren van alle bijzonderheden van den toestand, tot van de kleur en den vorm toe. Zij schaamden zich er zonder eenigen twijfel niet voor, zóó natuurlijk en gelukkig zelfs scheen dit onderzoek, waarvan hun geheele levensgeluk afhing, hun toe.
"Enfin," zeide Benedetta, "laten we hopen, dat monsignor Palma dankbaar zal zijn. En jij, Dario, maak nou maar gauw, dat je voor den mooien dag van ons geluk weer heelemaal beter bent."
Maar hij was zoo onvoorzichtig geweest te vroeg op te staan, waardoor zijn wond weer open ging en hij nog eenige dagen het bed moest houden. Pierre bleef iederen avond bij hem komen en trachtte hem dan wat afleiding te bezorgen door hem van zijn wandelingen te vertellen. De laatste dagen was hij moediger geworden, doorkruiste hij geheel Rome en ontdekte met verrukking de merkwaardigheden, die in alle reisgidsen genoemd worden. Zoo begon hij op een avond met iets van ontroering in zijn stem te praten over de voornaamste pleinen der stad, die hij in den beginne banaal gevonden had, doch die nu in zijn oog zeer interessant waren en ieder hun eigenaardige bekoring hadden: de piazza del Popolo, zoo zonnig, zoo voornaam in haar monumentale symmetrie--de piazza di Spagna, de zoo drukke en levendige plaats van samenkomst der vreemdelingen met haar dubbele, door de zomerzon vergulde, breede en sierlijke trap van honderd twee-en-dertig treden--de groote, altijd van menschen wemelende piazza Colonna, de meest typisch Italiaansche door die nietsdoende en zorgelooze menigte, welke flaneert om de zuil van Marcus Aurelius in de hoop, dat het geluk hun wel uit den hemel in den schoot zal vallen--de lange, regelmatige piazza Navone, die stil en verlaten ligt, sedert er geen markt meer op gehouden wordt, doch de droefgeestige herinnering aan haar vroegere drukte bewaart--de piazza del Campo de' Fiori, welke iederen ochtend met het lawaai van de vruchten- en groentenmarkt vervuld wordt, een ware plantage van groote parapluies, stapels tomaten, Spaansche pepers en druiven te midden van den stroom der steeds maar door ratelende koop- en huisvrouwen. Het meest echter werd hij getroffen door de piazza del Capitolio, waaraan hij altijd dacht als aan een bergtop, aan een de stad en de wereld beheerschende open plek; nu vond hij haar echter klein, vierkant, eng tusschen de drie paleizen ingesloten, terwijl zij slechts uitzag op een kleinen, door daken begrensden horizont. Niemand komt hierlangs, vindt het de moeite waard de met palmen omzoomde toegangstrap op te gaan; alleen vreemdelingen maken een omweg om er heen te rijden. De rijtuigen wachten, de touristen blijven een oogenblik staan kijken naar het prachtige, oude, bronzen ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius, dat in het midden staat. Tegen vier uur, wanneer de zon het paleis aan den linkerkant verguldt en de fijne beelden van het lijstwerk zich tegen den blauwen hemel afteekenen, zou men haar met haar vrouwen, die onder de zuilengaanderij zitten te breien en de troepen havelooze kinderen, die daar losgelaten zijn als een school op een speelplaats, voor een lauw en stil provinciepleintje houden.
Weer op een anderen avond gaf Pierre tegenover Benedetta en Dario uiting aan zijn bewondering voor de fonteinen van Rome, de stad, waar het water het rijkelijkst en overvloedigst in marmer en brons stroomt: van het "Scheepje" op de piazza di Spagna, den "Triton" op de piazza Barbarini, de "Schildpadden" op het pleintje, dat daarnaar genoemd is, af tot de drie fonteinen op de piazza Navona, waar in het midden het grootsche kunstwerk van Bernini prijkt, en de reusachtige en weelderige Fontana di Trevi, die door het tusschen de Gezondheid en de Vruchtbaarheid staande beeld van Neptunus beheerscht wordt, toe.
Een anderen avond kwam hij gelukkig thuis en vertelde, dat hij zich eindelijk den typischen indruk had kunnen verklaren, die de straten van het oude Rome om den Capitolinus en op den linkeroever van den Tiber, daar waar oude krotten als het ware gekleefd stonden tegen de zijden van groote, vorstelijke paleizen, op hem maakten: het kwam, omdat zij geen trottoir hadden en de voetgangers heel op hun gemak tusschen de voertuigen in liepen, zonder ooit op de gedachte te komen langs de huizen te gaan. Het waren oude wijken, zooals hij ze gaarne zag: eindeloos draaiende straatjes; nauwe, onregelmatige pleintjes; reusachtige, vierkante paleizen, die in de op elkaar gedrongen menigte kleine huizen, welke ze van alle kanten overstroomden, als het ware verdwenen. Ook de wijk van den Esquilinus was zoo: overal met grijs kiezel bedekte trappen, waarvan iedere trede met witten steen omrand was; plotselinge bochten makende hellingen; boven elkander liggende terrassen; seminaria en kloosters met gesloten ramen als waren het doode huizen; een groote kale muur, waarachter zich een reusachtige palm in het smettelooze blauw van den hemel verheft.
Weer een ander maal, nadat hij zijn wandeling nog verder uitgestrekt had tot in de Campagna, langs den Tiber, stroomopwaarts van af de Ponte Molli, kwam hij verrukt thuis, omdat hem een klassieke kunst, waarvoor hij tot dusverre geen gevoel gehad had, geopenbaard was. Langs den oever had hij zuivere Poussin's [21] gezien: de gele, langzaam stroomende rivier met haar met riet begroeide oevers; lage, gekartelde, rotsachtige oevers, waarvan de krijtachtige witheid afstak tegen den rosachtigen achtergrond van de eindelooze, golvende vlakte, die slechts door de blauwe heuvels van den horizont begrensd werd; enkele spichtige boomen; de ruïne van een zuilengaanderij; een troep achter elkaar loopende schapen, die gaan drinken, terwijl een herder, die met zijn schouder tegen den stam van een steeneik leunt, staat te kijken. Het was een speciale, vermetele en ruwe, uit niets bestaande, tot een rechte en vlakke lijn vereenvoudigde, maar door grootsche herinneringen veredelde schoonheid; steeds nog marcheerden de Romeinsche legioenen over de straatwegen door de kale Campagna, steeds nog was het de lange slaap der Middeleeuwen, dan het ontwaken der oude natuur in het Katholieke geloof, wat Rome voor de tweede maal tot den wereldheerscher gemaakt had.
Op een dag, dat Pierre den Campo Verano, het groote kerkhof van Rome bezocht had, vond hij 's avonds aan het bed van Dario behalve Benedetta ook Celia.
"Vindt u het zoo prettig naar de dooden te gaan kijken?" riep de kleine prinses uit.
"O, die Franschen," viel Dario, die alleen bij de gedachte aan een kerkhof al huiverde, haar bij; "die Franschen bederven door hun liefde voor treurige tooneelen met opzet hun leven."
"Maar," merkte Pierre zachtjes op, "je ontkomt nu eenmaal niet aan de werkelijkheid van den dood. Het beste is hem in het gezicht te zien."
De prins werd plotseling boos.
"De werkelijkheid, de werkelijkheid! Wat beteekent dat? Als de werkelijkheid niet mooi is, kijk ik er niet naar. Ik probeer zelfs niet er aan te denken."
Desniettemin vertelde Pierre op zijn kalme, vriendelijke manier, wat hem getroffen had: het prachtige onderhoud van het kerkhof; het feestelijke, dat de herfstzon erin bracht; de buitengewone marmerpracht; de tallooze marmeren beelden op de graven; de marmeren kapellen; de marmeren gedenkteekenen. Ongetwijfeld was dat de uitwerking van het oude atavisme; de weelderige mausolea van de Via Appia, een pronk en praal, een matelooze hoogmoed tot in den dood toe herleefden daar. In het bijzonder in het hooger gelegen gedeelte, waar de Romeinsche adel haar aristocratische wijk had, was het een opeenhooping van ware tempels, van reusachtige figuren, van uit verschillende personen bestaande groepen, meest alle getuigend van een vreeselijken wansmaak, maar waaraan millioenen ten koste gelegd moesten zijn. Vooral was tusschen de taxisboomen en cypressen het zuiver wit gehouden marmer van een groote bekoring. De warme zon verguldde het, er was geen mosvlek op te zien, geen door den regen veroorzaakte scheuren, welke de standbeelden in het Noorden zoo droefgeestig maken.
Benedetta, op wie het onbehagelijke gevoel van Dario aanstekelijk werkte, viel Pierre eindelijk in de rede door aan Celia te vragen:
"En is de jacht interessant geweest?"
Op het oogenblik, dat de priester binnenkwam, was de kleine prinses juist aan het vertellen over een vossenjacht, waarheen haar moeder haar medegenomen had.
"Je kan je niets interessanters voorstellen!... Om een uur zouden we bij elkaar komen bij het graf van Caecilia Metella, waar in een tent een buffet ingericht was. En een menschen--de geheele vreemdelingenkolonie, de jongelui van de gezantschappen, officieren, ongerekend nog de heeren in rood jachtcostuum en de vele dames als amazones... Het sein van vertrek is om half twee gegeven en de jacht heeft meer dan twee uur geduurd, zoodat de vos zich eerst heel ver weg heeft laten vangen. Ik heb niet heelemaal kunnen volgen, maar ik heb toch heel interessante dingen gezien: een groote muur, waar alles overheen moest, greppels, hekken, in het kort een dolle jacht achter de honden aan... Er zijn twee ongelukken gebeurd, o, niet heel erg, een heer heeft zijn pols verrekt en een ander een been gebroken."
Dario had met groote aandacht geluisterd, want deze vossenjachten behoorden tot de grootste genoegens van Rome. Welk een genot dat galoppeeren door de vlakke en toch met hindernissen als het ware bestrooide Campagna, dat verijdelen van de listen der door de honden opgejaagde vossen, dat voortdurend op zijwegen komen, dat plotselinge verdwijnen soms, dat vangen eindelijk, wanneer het dier door uitputting neervalt! Wat een genot, die jachten zonder geweer, dat jagen achter de staart van den vos, hem in snelheid te overtreffen en te overwinnen.
"O," riep hij wanhopig uit, "wat een bezoeking om zoo aan je kamer gebonden te zijn! Ik zal nog sterven van verveling."
Benedetta glimlachte slechts even, zonder een woord van verwijt of verdriet over dien naïeven uitroep van zelfzucht. En zij was zoo gelukkig hem in deze kamer, waar zij hem verpleegde, geheel voor zichzelf te hebben! Maar haar liefde, die zoo jong en zoo verstandig tegelijk was, had iets moederlijks in zich; en zij begreep heel goed, dat hij het alles behalve prettig vond zoo beroofd van zijn gewone genoegens en gescheiden te zijn van zijn vrienden, die hij uit vrees, dat het verhaal van dien verrekten schouder hun verdacht zou voorkomen, niet in de ziekenkamer toeliet. Geen feestmalen, geen schouwburgavonden, geen bezoeken aan dames meer! Vooral echter miste hij den Corso, het maakte hem ziek en wanhopig niets meer te zien of te hooren, nu hij heel Rome niet meer van vier tot vijf uur voorbijtrekken zag. Zoodra dan ook een enkele heel intieme vriend kwam, scheen er geen einde aan het vragen te komen; of hij dezen ontmoet had, of die weer verschenen was, hoe het met de amourette van een derde afgeloopen was, of niet het een of andere schandaaltje de geheele stad in beroering bracht: onbeteekenende verhalen, gewone babbelpraatjes, kinderlijke intriges van een uur, waaraan hij tot nog toe al zijn energie besteed had.
Celia, die hem graag al die onschuldige praatjes kwam vertellen, begon, terwijl zij haar heldere oogen, haar diepe, raadselachtige meisjesoogen op hem richtte, na een kort zwijgen weer:
"Wat duurt het toch een tijd, hé, eer zoo'n schouder beter is?"
Had dit kind, dat alleen maar leefde voor de liefde, alles geraden? Verlegen keek Dario naar Benedetta, die kalm bleef glimlachen. Maar de kleine prinses begon al weer over iets anders.
"Zeg, Dario, ik heb gisteren op den Corso een dame gezien..."
Zij hield verlegen op, zelf verbaasd, dat die woorden haar ontsnapten. Dan ging zij heel dapper door als een jeugdvriendin, die in de kleine amourettes ingewijd is, door:
"Ja, een knappe dame, die je heel goed kent. Zij had toch een ruiker witte rozen."
Ditmaal liet Benedetta aan haar vroolijkheid den vrijen loop, terwijl ook Dario haar lachend aankeek. Zij had hem de eerste dagen geplaagd, dat een zekere dame in het geheel niet naar hem liet vragen. In den grond der zaak vond hij deze geheel natuurlijke breuk volstrekt niet onaangenaam, want de liaison begon lastig te worden; en hoewel hij er eenigszins door gekwetst werd in zijn ijdelheid, was hij toch blij te hooren, dat Tonietta reeds een plaatsvervanger voor hem gevonden had.
"O," antwoordde hij, "de afwezigen hebben altijd ongelijk."
"De man, dien men liefheeft, is nooit afwezig," zeide Celia met haar ernstig rein gezichtje.
Maar Benedetta was opgestaan, om het kussen in den rug van den herstellende op te schudden.
"Kom, kom, Dario, alle ellende is nu uit. Ik zal je houden; je zult niemand meer hebben om lief te hebben dan mij."
Hij keek haar vol hartstocht aan en kuste haar op haar haren, want zij had de waarheid gezegd: hij had nooit een andere lief gehad dan haar, en zij vergiste zich evenmin, wanneer zij erop rekende, hem altijd voor zich te behouden, zoodra zij zich aan hem gegeven zou hebben. Sedert zij hem in deze kamer verpleegde, had zij tot haar groot geluk het kind weer in hem teruggevonden, dat zij vroeger onder de oranjeappelboomen der villa Montefiori in hem lief had gehad. Ongetwijfeld ten gevolge van de verzwakking van het ras had hij een zeldzame kinderlijkheid behouden, die soort terugkeer tot de kindsheid, welken men bij zeer oude volkeren aantreft; hij speelde op zijn bed met plaatjes, keek uren lang naar photographieën, die hem aan het lachen maakten. Zijn onmacht om te lijden was nog grooter geworden; hij wilde, dat zij vroolijk was en zong, en amuseerde haar op zijn beurt met zijn beminlijken zelfzucht, die hem ertoe bracht van een leven van voortdurende vreugde met haar te droomen. O, wat zou het heerlijk zijn steeds samen in den zonneschijn te leven, niets te doen, zich om niets te bekommeren, mocht ook de wereld ergens ineenstorten, zonder dat men zich de moeite gaf er naar te gaan kijken!
"Maar het meest verheug ik mij er toch in," zeide Dario zonder eenigen overgang, "dat mijnheer de abbé verliefd geworden is op Rome."
Pierre, die zwijgend geluisterd had, stemde toe.
"Dat is zoo."
"Ik heb het u wel gezegd," merkte Benedetta op; "er is tijd, veel tijd voor noodig, om Rome te begrijpen en lief te hebben. Als u maar veertien dagen gebleven was, zoudt u een heel slechte meening van ons medegenomen hebben, terwijl wij nu na twee lange maanden heel rustig zijn; nooit meer zult u zonder liefde aan ons denken."
Zij was betooverend en bekoorlijk, terwijl zij het zeide, en hij knikte opnieuw. Maar hij had reeds over dat verschijnsel nagedacht en meende de oplossing ervan reeds gevonden te hebben. Wanneer men naar Rome komt, brengt men een eigen Rome mede, een gedroomd, door de phantasie zóó veredeld Rome, dat het echte Rome een bittere teleurstelling geeft. Men moet dan ook, om de phantasie tijd te geven nogmaals te werken en de dingen te zien zooals zij zijn, nog slechts door de wonderbare pracht van het verleden zien, tot men daaraan gewend raakt, tot de middelmatige werkelijkheid wat verzacht wordt.
Celia stond op en nam afscheid.
"Tot ziens... En is er nu gauw bruiloft, Dario?... Je weet, dat ik vóór het eind van de maand de bruid wil zijn. Ja, ja, ik zal mijn vader dwingen een groote soirée te geven... Wat zou het heerlijk zijn, als we tegelijk konden trouwen!"
Twee dagen later na een lange wandeling door Trastevere, gevolgd door een bezoek aan den palazzo Farnese, voelde Pierre hoe de verschrikkelijke en droefgeestige waarheid omtrent Rome zich in hem openbaarde. Verschillende malen reeds had hij Trastevere, welks ellendige bevolking zijn liefde voor de armen en lijdenden aangetrokken had, doorkruist. O, dat riool van ellende en onwetendheid! Hij had te Parijs afschuwelijke voorstadshoeken gezien, geheele huizenreeksen van verschrikking, waarin de menschheid samenhokte en vervuilde. Maar niets haalde bij dezen stilstand in zorgeloosheid en vuilheid. Zelfs op de mooiste dagen van dit zonneland verkilde een vochtig donker deze bochtige, nauwe, kelderachtige steegjes; vooral de stank was onhoudbaar, een walgelijke stank, die den voorbijgangers op de keel sloeg, een stank van zure groenten, ranzige olie, menschelijk vee, dat daar opgesloten was in zijn mest en drek.
Het waren oude, onregelmatige krotten, daar neergeworpen in een pêle-mêle, dat zoo geliefd was bij de kunstenaars, met donkere, gapende deuren, die onder den grond wegzonken, met buitentrappen, die naar de verschillende verdiepingen leidden, met houten balkons, die als door een wonder in de ruimte in evenwicht gehouden worden. Er waren half in elkaar gevallen gevels, die men met behulp van balken had moeten stutten; smerige woningen, door welker gebarsten ruiten men het vuil zien kon; allerlei treurige winkeltjes: de heele, in de open lucht zich bevindende keuken van een lui volk, dat zelf niet kookte; de vischbakkerijen met haar in stinkende olie zwemmende stukken polenta en visschen; de kooplieden in gekookte groenten, die koud geworden en kleverige rapen, bosjes selderie, bloemkool en spinazie uitstalden. Het slecht gesneden vleesch in de slagerswinkels was zwart; dierennekken waren met bloedklonters bezaaid, als waren zij zoo van de beesten afgerukt.
De brooden van de bakkers lagen als ronde keisteenen op de planken; arme fruitvrouwen hadden voor hun met gedroogde en aan een draad geregen tomaten bekranste deuren niets dan Spaansche peper en pijnappels. De eenige aantrekkelijke winkels waren die van de delicatessenhandelaren, wier pekelvleesch en kaas met hun scherpen geur den stank van de goten wat verminderde. De loterijkantoren, waar de winnende nummers aangeplakt waren, wisselden af met kroegen; iedere dertig passen was een kroeg, die met groote letters aankondigde, dat daar de uitgelezen wijnen der Romeinsche kasteelen Genzano, Marino en Frascati te krijgen waren. De geheele wijk wemelde van een havelooze, door vervuiling zwarte bevolking, van troepen halfnaakte kinderen, die door ongedierte opgegeten werden, van gesticuleerende en schreeuwende vrouwen met loshangende haren, loshangende jakken en kakelbonte rokken, van grijsaards, die onder een zwerm zoemende muggen en vliegen onbeweeglijk op banken zaten.