Part 33
Verder interesseerde hem het geheele stadsdeel, die oude, voorname wijk, welke nu in vergetelheid geraakt en ver van het moderne leven verwijderd was, en nu nog slechts een muffe kerklucht uitademde. Aan den kant van de S. Giovanni di Fiorentini, op de plek, waar de nieuwe Corso Victor Emanuele alles vernietigd heeft, bestond een groote tegenstelling tusschen de hooge, gebeeldhouwde, schitterende, nauwlijks voltooide huizen van vijf verdiepingen en de zwarte, ingezakte en armzalige hutten van de naburige steegjes. 's Avonds glommen electrische bollen in verblindende witheid, terwijl de enkele lantaarns van de Via Giulia en de andere straten niet meer dan walmende lampions waren. Het waren vroeger beroemde straten: de Via dei Banchi Vecchi, de Via del Pellegrino, de Via di Monserrato, verder tallooze dwarsstraten, die er doorheen liepen en ze onderling verbonden, alle op den Tiber uitkwamen en zoo nauw waren, dat wagens er slechts met moeite door konden. Iedere straat had haar eigen kerk, een menigte bijna gelijkvormige, rijk versierde, zwaar vergulde en geschilderde kerken, die alleen op de uren van den dienst geopend, en dan vol zon en wierook waren. In de Via Giulia stond behalve de S. Giovanni di Fiorentini, behalve de S. Biagio della Pagnotta, behalve de Sant' Eligio degli Orefici, achter den palazzo Farnese nog de Santa Maria delle Morte, waarin hij gaarne toefde, om te droomen van het onbewoonde Rome, van de boetepriesters, die den dienst in die kerk waarnamen en wier taak het was de hun gesignaleerde verlaten lijken in de Campagna te gaan halen. Op een avond woonde hij de zielemis van twee onbekende, reeds veertien dagen lang onbegraven lijken bij.
Maar zijn lievelingswandeling werd al heel gauw de nieuwe Tiberkade aan den achterkant van den palazzo Boccanera. Hij behoefde slechts het nauwe straatje uit te loopen en kwam dan op een eenzaam plekje, waar alles hem met eindelooze gedachten vervulde. De kade was niet geheel afgemaakt, het werk scheen zelfs stil te liggen, het was een ontzaglijke, met puin en gehouwen steenen bedekte werkplaats met half gesloten palissaden en ingevallen loodsen. Het rivierbed was steeds hooger geworden, terwijl de onophoudelijke opgravingen den bodem der stad lager gemaakt hebben. Om haar tegen overstroomingen te beschermen, had men het water in die reusachtige vestingmuren gevangen gezet. Voor dat doel had men ook de oude oevers zóó moeten ophoogen, dat het terras van den kleinen tuin der Boccanera's met zijn dubbele trap, waaraan vroeger pleizierbootjes aanlegden, lager lag en gevaar liep begraven te worden en te verdwijnen, wanneer men weer aan het straatwerk beginnen zou. Er was nog niets genivelleerd, de aangevoerde aarde bleef er zoo liggen als de kipkarren die er uitstortten; te midden van het materiaal, dat was blijven liggen, was niets te zien dan modderkuilen en instortingen. Slechts armelui's-kinderen kwamen spelen tusschen die puinhoopen, waarin het paleis wegzonk, werklooze arbeiders sliepen er zwaar in de warme zon, terwijl vrouwen haar wasch op de hoopen kiezelsteenen te drogen legden. Toch was het voor Pierre een gelukkig toevluchtsoord, waar hij zeker was rust te zullen vinden en ongestoord droomen kon, wanneer hij hier uren lang kwam zitten kijken naar de rivier, de kaden en de stad.
Van acht uur af verguldde de zon het onmetelijk gat met haar blond-geel licht. Wanneer hij naar links keek, zag hij in de verte de daken van Trastevere, die zich grijsblauw tegen den schitterenden hemel afteekenden. Rechts maakte de rivier voorbij de apsis van de S. Giovanni di Fiorentini een bocht. De populieren van het hospitaal van den Heiligen Geest drapeerden op den anderen oever hun donkergroen gordijn en lieten aan den horizont het duidelijke profiel van de Engelenburcht zien. Maar vooral kon hij zijn oogen bijna niet afhouden van den tegenoverliggenden oever, want daar was een stuk van het heel oude Rome ongeschonden gebleven. Van de Sixtusbrug tot de Engelenbrug bevond zich op den rechteroever het deel van den onvoltooid gebleven kade-aanleg, dat, wanneer deze eenmaal voltooid zou zijn, later de rivier in de reusachtig hooge en witte vestingmuren gevangen houden zou.
En inderdaad deze buitengewone bezwering van den ouden tijd, van dien met een heel stuk der oude pauselijke stad bedekten oever had iets verrassends en betooverends. Aan de Via della Longara waren de gelijkvormige gevels blijkbaar opnieuw gepleisterd, maar hier bleven de achterzijden van de tot aan het water loopende huizen zooals zij waren: gescheurd, rosachtig, met vuil bedekt, als oude bronzen beelden door de heete zon met een groenen tint bedekt. En welk een opeenhooping, wat een ongelooflijke opeenstapeling! Onder donkere gewelven, waarin de rivier binnendrong, heiwerk, dat de muren schraagde, stukken oud-Romeinschen bouw, die loodrecht naar beneden liepen; dan steile, uit hun voegen geraakte, groen geworden trappen, die uit het oeverzand opstegen, boven elkaar liggende terrassen, verdiepingen met haar lange rijen onregelmatige kleine vensters, huizen, die boven andere huizen uitstaken--en dat alles in een fantastisch gewemel van balcons, houten galerijen, dwars over binnenplaatsen geslagen bruggen, boomgroepen, die uit de daken schenen te groeien, en bijgebouwde dakkamertjes, die midden in de rose dakpannen gezet waren. Een goot liep met groot lawaai uit een versleten en vervuild steenen bekken. Overal, waar de oever door de meer achteruitgelegen huizen zichtbaar werd, was hij met een wilde vegetatie, met onkruid, struiken en mantels van klimop, die in koninklijke plooien op den grond sleepten, bedekt. De ellende, de vervuiling verdween onder de glorie der zon, de oude, ingezonken, opeengehoopte gevels werden als van goud; de voor de ramen te drogen hangende wasch pavoiseerde ze met het purper van de roode rokken en de verblindende sneeuw van het linnen, terwijl verder weg, boven de wijk uit, de Janiculus zich met het fijne profiel van de S. Onofrio tusschen pijnboomen en cypressen verhief in de schittering der dagvorstinne.
Dikwijls ging Pierre leunen over de borstwering van den reusachtigen kademuur en bleef daar dan lang met een hart, dat vol droefheid over de doode eeuwen was, staan kijken naar den onder hem stroomenden Tiber. Niets zou de groote moeheid van die oude wateren kunnen schilderen, hun somber langzaam voortkabbelen onder in die Babylonische gracht, die hen omsloot, tusschen de mateloos groote, rechte, gladde, kale, in hun nieuwe leelijkheid geheel grauwe gevangenismuren. In de zon nam de gele rivier een gulden tint aan en vlamde door de lichte schittering van zijn stroom in blauw en groen. Maar zoodra zij in het donker lag, werd zij ondoorzichtig, modderkleurig, zoo oud, zoo dik en zoo zwaar, dat de omringende huizen zich er niet eens in weerspiegelen konden. Welk een troostelooze verlatenheid, welk een rivier van stilte en eenzaamheid! Ook al mocht zij na de winterregens haar dreigenden vloed nog dikwijls voorwaarts stuwen, toch sliep zij gedurende de lange maanden, dat de hemel blauw is, en stroomde geruischloos door Rome.
Men kon daar den geheelen langen dag staan, zonder dat een bark of een zeil er leven aan gaf. De enkele booten, de twee of drie stoombootjes, die van de zeekust kwamen, de tartanes [19], die wijn van Sicilië brachten, ankerden alle aan den voet van den Aventinus. Verder was het niet meer dan een woestijn, dood water, waarin hier en daar een onbeweeglijke visscher zijn hengel hangen liet. Pierre zag iets naar rechts onder aan den ouden oever nooit iets anders dan een soort oude, overdekte, platte schuit, een half verrotte Arke Noachs, misschien was het een waschschuit, maar hij zag er nooit een levende ziel. Verder lag er nog op een modderachtig punt een gestrande sloep met een gebarsten zijde als een armzalig symbool, dat alle scheepvaart hier onmogelijk en opgegeven was. O, deze rivierruïne, die even dood was als de beroemde ruïne, waarvan zij het stof zoovele eeuwen lang bespoeld had! Nu was zij het moede! En wat riep zij niet voor den geest op? Eeuwen van geschiedenis, zoovele dingen, zoovele menschen, die de gele wateren weerspiegeld hadden, wier moeheid en walging zij overgenomen hadden, tot zij, in hun vurig verlangen naar het Niet, zoo zwaar, zoo stil, zoo eenzaam geworden waren.
Hier was het, dat Pierre op een ochtend Pierina achter een der houten loodsen, die tot bewaring van gereedschappen gediend hadden, zag staan. Zij rekte haar hals uit en keek, nu al uren lang misschien, strak naar het raam van Dario's kamer op den hoek van het steegje en de kade. Ongetwijfeld bang geworden door de strenge manier, waarop Victorine haar ontvangen had, had zij zich niet meer in het paleis durven vertoonen, om naar hem te informeeren, maar nadat zij van een knecht gehoord had, waar het raam was, ging zij daarheen en bracht er heele dagen door, om onvermoeibaar op een teeken van leven en redding te wachten. Alleen de hoop reeds dat te zullen zien deed haar hart woest kloppen. Diep ontroerd haar zich zoo ootmoedig, ondanks haar koninklijke schoonheid zoo bevend van aanbiddende vereering te zien verbergen, ging hij naar haar toe. In plaats van haar te beknorren en weg te jagen, zooals hem opgedragen was, praatte hij vriendelijk en opgewekt met haar, alsof er niets voorgevallen was, en richtte het gesprek zóó in, dat hij den naam van den prins kon noemen, om haar daarbij tevens te zeggen, dat hij binnen veertien dagen weer op den been zou zijn.
Eerst was zij, schuw en wantrouwend, opgesprongen en wilde vluchten. Maar toen zij hem begrepen had, schoten de tranen in haar oogen, en toch lachend, wierp zij hem gelukkig een kushand toe en riep hem "Grazie, grazie!" [20] toe, terwijl zij zich zoo vlug mogelijk uit de voeten maakte. Nooit heeft hij haar meer teruggezien.
Op een anderen ochtend zag Pierre, toen hij in de S. Brigitta op de piazza Farnese zijn mis wilde gaan lezen, tot zijn groote verbazing Benedetta, ondanks het vroege uur, reeds uit de kerk komen. Zij had een klein fleschje olie in haar hand. Zij toonde in het geheel geen verlegenheid daarover en vertelde hem, dat zij om de twee of drie dagen bij den koster een paar druppeltjes ging halen van de olie, welke de eeuwige lamp voedde voor een oud, houten beeld der Madonna, waarin zij groot vertrouwen stelde. Zij bekende zelfs, dat zij alleen in deze vertrouwen stelde, want zij had nooit iets verkregen van andere, zelfs niet van zeer beroemde Madonna's, van marmer of zilver, tot wie zij zich gewend had. In haar hart brandde dan ook voor dit heilige beeld, dat haar niets weigerde, een innige vereering, de eenige vereering, die zij in werkelijkheid bezat. En zij verzekerde heel eenvoudig, als ware het de natuurlijkste zaak van de wereld, waaraan geen twijfel mogelijk was, dat die enkele droppels olie, waarmede zij iederen ochtend en iederen avond de wond van Dario inwreef, de oorzaak waren van zijn zoo snelle, ja bijna wonderbaarlijke genezing. Een zoo kinderlijke vroomheid bij dit bewonderenswaardige wezen van verstand en hartstocht en aanminnigheid, trof Pierre diep en maakte hem wanhopig; glimlachen kon hij niet.
Iederen avond, wanneer hij van zijn wandeling thuis kwam en een uurtje ging doorbrengen in de kamer van den genezenden Dario, wilde Benedetta, dat hij, om den zieke wat afleiding te geven, vertelde hoe hij zijn dagen doorgebracht had; en alles wat hij vertelde, zijn verbazing, zijn ontroering en dikwijls ook de woede, die in hem opgekomen was, dat alles kreeg, te midden van de groote, gedempte stilte van de kamer, een droeve bekoring. Maar vooral toen hij de wijk weer durfde verlaten, toen hij een groote liefde had opgevat voor de Romeinsche parken, waarheen hij zich 's morgens vroeg, wanneer de hekken geopend werden, reeds begaf, om zeker te zijn er niemand te zullen ontmoeten, bracht hij geestdriftige gevoelens mede naar huis--een verrukte liefde voor de mooie boomen, voor de fonteinen, voor de terrassen, vanwaar men zulk een heerlijk uitzicht had op breede horizonten.
En niet de grootste van die vele parken vervulden zijn hart met de meeste geestdrift. In de Villa Borghese, het Bois de Boulogne van Rome, was majestueus volwassen hout, waren koninklijke alleeën, waar 's middags vóór den verplichten rit op den Corso de equipages kwamen defileeren, maar veel meer werd hij getroffen door den afgesloten tuin vóór de villa--deze villa vol verblindende pracht van marmer, waarin zich thans het mooiste museum der wereld bevindt. Daar was een eenvoudig, fijn tapijt van gras, een heel groot bekken in het midden, dat door de naakte blankheid van een Venus beheerscht wordt. Daar waren brokstukken van antieke vazen, beelden, zuilen, sarcophagen, symmetrisch in een vierkant opgesteld, en verder niets dan dat verlaten, bezonde, melancholieke gras. Op den Pincio, waarheen hij weer terugkeerde, bracht hij een heerlijken ochtend door; hij begreep thans de bekoring van dit smalle hoekje met zijn enkele, altijd-groene boomen, met zijn prachtig uitzicht: geheel Rome en de St. Pieter in de verte, in het zoo zachte, zoo helder, zoo bepoederde zonlicht.
In de villa Albani en in de villa Pamphili vond hij de heerlijke, trotsche, slanke piniepijnen, de krachtige steeneiken met hun kromme takken en hun bijna zwart loof terug. In de laatste vooral dompelden de eiken de lanen in een heerlijk halfdonker; het kleine meertje met zijn treurwilgen en riettouffes was vol droomen; het dieper gelegen bloemperk vormde een mozaïek van barokken smaak, een samengesteld dessin van rozetten en arabesken, dat door een rijke verscheidenheid van bloemen en bladeren gekleurd werd. Wat hem echter in den tuin, den edelste, grootste, best verzorgde van al deze tuinen, in het bijzonder opviel, was, dat hij, toen hij langs een klein muurtje liep, weer de St. Pieter zag, maar nu onder een zóó nieuw en zoo onverwacht aspect, dat het symbolische beeld voor altijd in zijn geest gegrift was. Rome was geheel verdwenen; tusschen de hellingen van den Monte Mario en een anderen heuvel, die de stad aan het oog onttrok, zag men niets dan den reusachtigen dom, welks groote massa op verspreide, witte en rossige blokken scheen te rusten. Met zijn overmatig grooten, tegen het helle blauw van den hemel matblauw afstekenden koepel beheerschte hij, drukte hij de huizeneilandjes van den Borgo, de opgehoopte gebouwen van het Vaticaan dood.
Maar Pierre voelde nog meer de ziel der dingen in de minder weelderige tuinen, die een meer gesloten lieftalligheid bezaten. O, die villa Mattei op de helling van den Coelius met haar terrasvormigen tuin, met haar intieme, door aloës, laurierboomen en groote kardinaalsmutsen omzoomde lanen, met haar priëelvormig geschoren taxisboomen, met haar oranjeappelen, haar rozen en haar fonteinen! Hij doorleefde er heerlijke uren! Een dergelijke bekoring vond hij alleen nog maar terug op den Aventinus, toen hij de drie kerken bezocht, die daar als verloren gingen in het groen; vooral in de S. Sabina, de wieg der Dominicanen, welker kleine, van alle kanten ingesloten tuin, zonder eenig uitzicht, in een lauwen, geurigen vrede slaapt, en beplant is met oranjeappelboomen, in het midden waarvan de eeuwenoude boom van den Heiligen Dominicus nog met rijpe vruchten beladen is. De tuin van de kloosterkerk der Malthezer ridders gaf een ruim uitzicht over een breeden horizont, die den loop van den Tiber, de gevels en daken, die zich langs de beide oevers ophoopen, tot aan den verren top van den Janiculus omvat. Overigens zag men in die tuinen van Rome steeds weer dezelfde geschoren taxisboomen, de eucalyptussen met hun witten stam en hun lichte, als menschenhaar zoo lange bladeren, de ineengedrongen, sombere steeneiken, de reusachtige pijnboomen, de groote cypressen, tusschen de rozenstruiken witte marmergroepen, onder de mantels van klimop ruischende fonteinen.
Een teederder, smartelijke vreugde smaakte hij eerst in de villa van paus Julius, welker in den tuin uitkomenden zuilengang met zijn geschilderde decoratie, zijn gouden, met bloemen omrankt latwerk, waardoor glimlachende zwermen van kleine Amortjes vliegen, het geheele leven van een beminlijk en zinnelijk tijdvak verhaalt. Den avond eindelijk, dat hij uit de villa Farnese thuiskwam, zeide hij, dat hij de doode ziel van het oude Rome medebracht; niet de naar kartons van Raffaël uitgevoerde schilderingen hadden hem echter zoo getroffen, neen, de mooie zaal aan den rand van het water met haar zacht-blauwe, zacht-lila, zacht-rose, volstrekt niet geniale, maar zoo bekoorlijke en zoo echt-Romeinsche versiering--en nog meer de verwaarloosde tuin, die vroeger tot den Tiber liep en nu door de nieuwe kade afgesloten werd. Hij was verwaarloosd, verwoest, met onkruid doorwoekerd als een kerkhof, maar toch rijpten er nog steeds de gouden vruchten der oranjeappel- en citroenboomen.
Nog eenmaal werd Pierre op een mooien avond, toen hij de villa Medici bezocht, door een hevige ontroering geschokt. Daar was hij op Franschen bodem. En welk een prachtige tuin was het weer met zijn taxisboomen, zijn pijnboomen en zijn alleeën vol pracht en bekoring! Welk een heerlijk toevluchtsoord voor droomerijen en gepeins over de Oudheid gaf dat oude en donkergroene bosch van steeneiken, waar de ondergaande zon gloeiende goudroode lichtstralen wierp in het glanzende brons der bladeren. Men moet een eindeloos hooge trap opgaan, om van uit de hoogte, van af den Belvédère met één blik geheel Rome te omvatten, als kon men het, wanneer men zijn armen uitbreidde, geheel nemen. Van uit de eetzaal, die de portretten van alle kunstenaars, die te Rome hun studies in de villa kwamen voortzetten, versieren, van uit de bibliotheek, een groote zaal vol diepe rust, heeft men hetzelfde bewonderenswaardige, grootste en medesleependste uitzicht, een uitzicht van mateloozen eerzucht welks oneindigheid den jongen daar verblijf houdenden mannen den wil moest ingeven de wereld te veroveren en te bezitten.
Hij, die met vijandige gevoelens tegen het instituut van den prix de Rome, tegen deze traditioneele, éénvormige en voor de oorspronkelijkheid zoo gevaarlijke opleiding naar Rome gekomen was, werd nu een oogenblik door dezen lauwen vrede, door deze zachte eenzaamheid van den tuin, door dezen verheven horizont, waarin de vleugels van het genie schenen te klapwieken, geheel gevangen genomen. Hoe heerlijk moest het zijn, om op zijn twintigste jaar drie jaar in dezen zachten droom, te midden van de mooiste kunstwerken der menschheid te mogen leven, zich te mogen zeggen, dat men nog te jong is om reeds te kunnen scheppen, zichzelf te mogen zoeken, te mogen leeren genieten, lijden en liefhebben! Maar dan overwoog hij weer, dat het smaken van het goddelijk genot van zulk een kunst-retraite niet de zaak der jeugd is, maar van den rijperen leeftijd, van reeds behaalde overwinningen, van de beginnende moeheid nadat het werk voltooid is. Hij sprak met de inwonende kunstenaars en merkte op, dat, al mochten ook droomerige en contemplatieve jonge zielen en de eenvoudige middelmatigheid zich in dit in de kunst van het verleden opgesloten leven schikken kunnen, iedere strijdbare kunstenaar, ieder persoonlijk temperament hier van ongeduld stierf en, verteerd door de begeerte om dadelijk midden in den vurigen haard van scheppen en strijden te zijn, zijn oogen gericht hield op Parijs.
En al die tuinen, waarvan Pierre hun 's avonds met verrukking vertelde, riepen in Benedetta en Dario de herinnering wakker aan den tuin van de villa Montefiori, die thans verwoest, maar vroeger zoo groen en met de mooiste oranjeappelboomen van Rome, een geheel bosch van eeuwenoude boomen, beplant was, en waarin zij elkaar hadden leeren liefhebben.
"O, ik herinner het mij," zeide de contessina, "in den bloeitijd rook het er zóó heerlijk, zóó sterk, zóó bedwelmend, dat ik eenmaal in het gras ben blijven liggen en niet opstaan kon... Weet jij het nog, Dario? Je hebt me toen in je armen genomen en naar de fontein gedragen, waar het zoo lekker frisch was."
Zij zat, zooals gewoonlijk, op den rand van het bed en hield de hand van den herstellende, die was begonnen te lachen, in de hare.
"Ja zeker, ik heb je op je oogen gezoend en eindelijk heb je die geopend... Toen was je heel wat minder wreed, liet je me je oogen zoenen, zooveel als ik zelf wilde... Maar we waren kinderen, en indien we geen kinderen geweest waren, zouden we in dien grooten tuin, waarin het zoo heerlijk rook en we zoo vrij konden loopen, dadelijk man en vrouw geweest zijn!"
Zij knikte toestemmend, overtuigd, dat de Madonna alleen hen beschermd had.
"Dat is zoo, dat is zoo!... En welk een geluk, dat we nu elkander kunnen toebehooren, zonder de engelen te bedroeven!"
Steeds weer kwam het gesprek daarop terug. Het proces tot nietigverklaring van het huwlijk liet zich steeds gunstiger aanzien en Pierre was iederen avond getuige van hun verrukking, hoorde hen slechts praten over hun aanstaande echtverbintenis, over hun plannen, over hun vreugde van verliefden in het paradijs. Ditmaal door een almachtige hand bestuurd, moest donna Serafina de zaak met kracht leiden, want er ging bijna geen dag voorbij, dat zij niet de een of andere blijde tijding medebracht. Zij wilde de zaak ter wille van het voortbestaan en de eer van den naam zooveel mogelijk bespoedigen, aangezien Dario met niemand dan met zijn nicht trouwen wilde en anderzijds dit huwlijk alles zou verklaren, alles zou verontschuldigen, aan een onhoudbaren toestand een einde maken zou.
Het afschuwlijke schandaal, de vreeselijke kletspraatjes, die de zwarte en witte kringen opwonden, brachten haar geheel buiten zichzelf, te meer daar zij voor de eventueele mogelijkheid van een conclave, waarin zij wilde, dat de naam van haar broeder in onbevlekten, verheven glans schitteren zou, de noodzakelijkheid van een overwinning inzag. Nooit had de geheime eerzucht van haar geheele leven, de hoop er getuige van te zijn, dat haar geslacht een derden paus aan de Kerk schenken zou, haar met zulk een hartstocht vervuld; het was, alsof zij de behoefte voelde troost te zoeken voor haar koud celibaat, sedert haar eenige vreugde in deze wereld, advocaat Morano, haar zoo wreed in den steek gelaten had. Steeds in het donker gekleed, druk bezig en zóó slank en ingeregen, dat men haar, van achteren gezien, voor een jong meisje gehouden had, was zij als de donkere ziel van het oude paleis; Pierre ontmoette haar overal, terwijl zij als zorgzame huisvrouw door het huis sloop en ijverzuchtig over den kardinaal waakte.
Hij groette haar zwijgend; telkens werd het hem koud om het hart, wanneer hij het uitgedroogde, met diepe plooien doorgroefde gelaat met den grooten, eigenzinnigen familieneus zag. Maar zij beantwoordde nauwlijks zijn groet, keek nog steeds minachtend neer op dien kleinen vreemden priester, dien zij slechts in haar naaste omgeving duldde ter wille van monsignor Nani en van vicomte Philibert de la Choue, die zoovele mooie bedevaarten naar Rome gebracht had.
Langzamerhand begon Pierre, die iederen avond getuige was van de angstige vreugde en het liefde-ongeduld van Benedetta en Dario, met hen een spoedige oplossing te wenschen. Het proces zou weer gevoerd worden voor de concilie-congregatie, wier eerste beslissing ten gunste van de echtscheiding niet in kracht van gewijsde gegaan was, daar de verdediger van het huwlijk, monsignor Palma, in overeenstemming met zijn recht een aanvullend onderzoek geëischt had. Trouwens dat slechts met één stem meerderheid genomen besluit zou zeker niet door den Heiligen Vader bekrachtigd zijn. In het kort, het ging er nu om stemmen te krijgen onder de tien kardinalen, waaruit de congregatie samengesteld was, hen te overreden en een bijna volkomen eenstemmigheid te verkrijgen: een moeilijke taak, want de verwantschap van Benedetta met haar oom den kardinaal, welke alles makkelijker moest maken, compliceerde juist de zaak door al de intriges van het Vaticaan, al den wedijver, die door het doen voortduren van het schandaal ernaar streefde den mogelijken paus in hem te dooden.