De drie steden: Rome

Part 32

Chapter 323,766 wordsPublic domain

Nu begon zij, zonder blijkbaar een direct antwoord op de vraag te willen geven, den lof van den prelaat te zingen. Ditmaal had hij erin toegestemd haar leidsman te zijn in het eindelooze proces over de nietigverklaring van haar huwlijk. Hij had er lang over gesproken met haar tante, donna Serafina, die nu juist naar het paleis van den S. Offizio was, om hem rapport uit te brengen over enkele stappen, die zij hadden gedaan. Pater Lorenza, de biechtvader van de tante en van de nicht, zou ook bij het onderhoud tegenwoordig zijn, want dit heele echtscheidingsproces was eigenlijk zijn werk: hij had er de twee vrouwen steeds toe aan gezet, als wilde hij den band, dien de patriottische pastoor Pisoni gelegd had, weer losmaken. Zij werd steeds meer opgewonden en zeide hem, waarom haar verwachtingen zoo hoog gespannen waren.

"Monsignor Nani kan alles, juist daarom ben ik juist zoo gelukkig, dat mijn zaak in zijn handen is... Kom, beste vriend, wees ook verstandig, verzet u niet, laat u door hem leiden. Ik sta er u borg voor, dat gij u er goed bij bevinden zult!"

Met gebogen hoofd dacht Pierre na. Rome had hem in zijn boeien geslagen; hij kon er ieder uur zijn nog steeds toenemende weetgierigheid bevredigen, en de gedachte, nog twee of drie weken hier te blijven, had volstrekt niets afstootelijks voor hem. Ongetwijfeld voelde hij, dat al dat telkens weer uitstellen zijn wilskracht zou kunnen verminderen, een slijtage zou kunnen veroorzaken, waaruit hij verzwakt, ontmoedigd en tot niets meer nut te voorschijn zou komen. Maar waarom behoefde hij eigenlijk bang te zijn, daar hij zich plechtig gezworen had en steeds nog zwoer niets van zijn boek te zullen terugtrekken en den Heiligen Vader slechts te willen spreken, om zijn nieuw geloof nog krachtiger te verkondigen? Zacht legde hij dien eed nogmaals voor zichzelf af en gaf dan toe. En toen hij zich verontschuldigde, dat hij in het paleis lastig zou worden, riep zij uit:

"Neen, ik ben veel te blij u te hebben. Ik houd u vast; ik heb nu eenmaal de overtuiging, dat uw aanwezigheid hier ons aller geluk brengen zal, nu de kans schijnt te keeren."

Zij spraken nu af, dat hij niet meer zou gaan ronddwalen om de St. Pieter en het Vaticaan, waar het voortdurend zien van zijn soutane de aandacht getrokken scheen te hebben. Hij beloofde zelfs de eerste acht dagen het paleis zoo goed als niet te zullen verlaten, daar hij toch nog gaarne enkele boeken in Rome zelf wilde lezen. Dan bleef hij nog een oogenblikje praten; hij voelde zich zoo gelukkig-kalm in de groote rust, die er in den salon heerschte, sedert de lamp hen met haar schemer verlichtte. Het had zes uur geslagen, op straat was het reeds geheel donker.

"Voelde Zijne Eminentie zich vandaag niet wel?" vroeg hij.

"Ja zeker," antwoordde de contessina; "alleen wat moe, maar volstrekt niets verontrustends... Mijn oom heeft mij door don Vigilio laten zeggen, dat hij zijn kamer zou houden en daar zijn secretaris enkele brieven zou dicteeren... Neen, het heeft niets te beteekenen."

Weer viel een stilte in, geen geluid kwam van de eenzame straat of uit het oude, ledige, als een graf zoo stomme paleis. Maar op dat oogenblik kwam iemand met fladderende rokken en hijgend van schrik den zacht sluimerenden, met de mildheid van een hoopvollen droom vervulden salon binnenstormen. Het was Victorine.

"Contessina, contessina..."

Benedetta was doodsbleek en koud, als was een ongelukswind binnengewaaid, opgestaan.

"Wat is er... Waarom loop je zoo hard en beef je zoo?"

"Dario, mijnheer Dario, beneden... Ik was gaan kijken of ze de lamp onder de poort wel aangestoken hadden, dat vergeten ze zoo dikwijls... En daar, onder de poort, ben ik in den donker over mijnheer Dario gestruikeld... Hij ligt op den grond, hij schijnt met een mes gestoken te zijn..."

Een kreet van wanhoop rees uit Benedetta's borst op.

"Dood!"

"Neen, neen, gewond!"

Maar zij hoorde het niet, bleef steeds luider roepen:

"Dood! Dood!"

"Neen, neen, hij heeft tegen me gesproken... Om Godswil wees toch stil! Hij heeft mij ook bevolen te zwijgen, omdat hij niet wil, dat iedereen het weet; ik mocht alleen u, en niemand anders halen, maar nu mijnheer de abbé hier toch is, wil hij misschien wel helpen. We zullen hem best gebruiken kunnen."

Pierre luisterde ontsteld. Toen zij de lamp wilde nemen, zagen zij, dat haar bevende rechterhand met bloed bevlekt was; blijkbaar had zij het op den grond liggende lichaam betast. Dat gezicht was zóó verschrikkelijk voor Benedetta, dat zij opnieuw begon te gillen.

"Wees toch stil, om Godswil, wees toch stil!... Laten we zoo zacht mogelijk naar beneden gaan! Ik neem de lamp alleen maar mee, omdat we toch moeten kunnen zien... Gauw, gauw!"

Beneden, dwars onder de poort, voor den ingang van den vestibule, lag Dario op de steenen, als had hij, na op straat aangevallen te zijn, nog slechts de kracht gehad enkele passen te doen, om daar neer te vallen. Hij was bewusteloos geworden en lag daar nu met een doodsbleek gezicht, op elkaar gedrukte lippen en gesloten oogen. Benedetta, die ondanks haar hevigen angst de energie van haar ras teruggevonden had, jammerde en gilde niet meer, doch keek, zonder te begrijpen, met haar groote, droge, wijdgeopende, waanzinnige oogen, naar hem. Het verschrikkelijke was het onverwachte, het onbegrijpelijke, het waarom en het hoe van dien moord te midden van de sombere stilte van het oude, verlaten, door het donker van den nacht vervulde paleis. De wond bloedde blijkbaar zeer weinig, want slechts zijn kleeren waren met bloed bevlekt.

"Gauw, gauw!" herhaalde Victorine fluisterend, nadat zij de lamp wat had laten zakken, om het lichaam beter te kunnen zien. "De portier is er niet, die zit altijd hiernaast gekheid te maken met de vrouw van den schrijnwerker. U ziet, dat hij de lantaarn nog niet aangestoken heeft, maar hij kan natuurlijk ieder oogenblik terugkomen... Mijnheer de abbé en ik zullen den prins gauw naar zijn kamer dragen."

Alleen zij met haar prachtige kalmte hield haar hoofd bij elkaar. De twee anderen luisterden in hun verdooving, die maar niet wijken wilde, zonder een woord te kunnen vinden, en gehoorzaamden haar als zoete kinderen.

"U moet ons bijlichten, contessina. Houd de lamp een beetje laag, anders kunnen we de treden niet zien... Neem u hem bij zijn beenen, mijnheer de abbé, dan zal ik hem onder zijn armen dragen. Wees maar niet bang, de arme jongen is niet zoo zwaar!"

Gelukkig lag het uit drie vertrekken, een slaapkamer, een toiletkamer en een salon, bestaande appartement van Dario op de eerste verdieping, naast dat van den kardinaal, in den vleugel, die op den Tiber uitzag. Nadat zij de trap waren opgegaan, behoefden zij slechts zoo zachtjes mogelijk de gang af te loopen en konden dan tot hun groote verlichting den gewonde op zijn bed leggen.

Victorine kon een lachje van voldoening niet onderdrukken.

"Zoo, dat is alweer klaar... Zet u de lamp nu maar neer, contessina. Daar, op die tafel... En ik verzeker u, dat niemand ons gehoord heeft; het is maar gelukkig, dat donna Serafina uit is en Zijn Eminentie don Vigilio bij zich gehouden heeft... Ik heb zijn schouders in mijn rok gewikkeld, zoodat er geen droppeltje bloed is gevallen; en strakjes zal ik zelf met de spons den drempel schoonmaken."

Zij zweeg even en ging naar Dario kijken.

"Hij ademt... Nu dan laat ik hem maar aan uw zorg over en ga ik gauw dien goeden dokter Giordano halen, die u op de wereld heeft zien komen en op wien we vertrouwen kunnen."

Toen Benedetta en Pierre met den bewusteloozen gewonde alleen waren in deze half donkere kamer, waarin nu het vreeselijke schrikbeeld, dat in hen was, scheen te huiveren, bleven zij ieder aan een kant van het bed staan, zonder nog een woord te kunnen vinden. Zij had in de behoefte om haar smart te ontspannen en er lucht aan te geven, haar armen uitgebreid en steunde handenwringend. Dan boog zij zich voorover en keek op het bleeke gelaat met de gesloten oogen naar leven. Hij ademde inderdaad, maar zeer langzaam en nauwlijks merkbaar. Een flauwe blos kwam echter op zijn wangen en eindelijk sloeg hij zijn oogen op.

Onmiddellijk had zij zijn hand gegrepen en gedrukt, als wilde zij den angst van haar hart in dien druk leggen; en een gevoel van groot geluk maakte zich van haar meester, toen zij voelde, dat hij dien beantwoordde:

"Je ziet me toch, je hoort me toch?... Wat is er gebeurd, lieve God?"

Maar hij antwoordde niet, de aanwezigheid van Pierre scheen hem onrustig te maken. Toen hij hem herkend had, scheen hij er zich bij neer te leggen, maar hij keek angstig rond, of er nog niet iemand anders in de kamer was. Eindelijk prevelde hij:

"Niemand heeft het gezien; niemand weet..."

"Neen, neen, stel je gerust. Wij hebben je met Victorine boven kunnen brengen, zonder dat iemand het gezien heeft. Tante is uit en oom heeft zich in zijn kamer opgesloten."

Hij scheen nu verlicht te zijn, glimlachte.

"Niemand mag het weten; het is zoo belachelijk."

"Wat is er toch gebeurd, lieve God?" vroeg zij opnieuw.

"Ik weet het niet, ik weet het niet!"

Met een moe gebaar deed hij zijn oogen dicht, aldus trachtende aan de vraag te ontsnappen. Doch dan scheen hij te begrijpen, dat het beter was dadelijk een deel der waarheid te zeggen.

"Een man, die zich onder de donkere poort verborgen had en daar op mij wachtte... En toen ik thuis kwam, heeft hij me met een mes in mijn schouder gestoken..."

Bevend boog zij zich nog verder over hem heen, keek hem diep in zijn oogen en vroeg:

"Maar wie was die man?"

En toen hij met een steeds vermoeider stem stamelde, dat hij het niet wist, dat de man in het donker gevlucht was, zonder dat hij hem had kunnen herkennen, stiet zij een vreeselijken kreet uit.

"Het is Prada, het is Prada; zeg het maar, ik weet het immers toch."

Zij kon zich niet bedwingen.

"Ik weet het, hoor je? Ik ben de zijne niet geweest en hij wil niet, dat ik de jouwe ben; hij zal je liever vermoorden op den dag, dat ik vrij zal zijn me aan jou te geven. Ik ken hem wel, nooit zal ik gelukkig zijn... Het is Prada, het is Prada!"

Doch een plotselinge kracht bezielde den gewonde, hij protesteerde opgewonden:

"Neen, neen, het is Prada niet en ook niet iemand, die het voor hem gedaan heeft... Dat zweer ik je. Ik heb den man niet herkend, maar het is Prada niet."

Er lag zulk een klank van waarheid in Dario's stem, dat Benedetta wel overtuigd moest zijn. Trouwens de angst maakte zich van haar meester; zij voelde zijn hand, die zij nog steeds in de hare hield, slap en klam en krachteloos worden. Uitgeput door de inspanning, was hij weer met doodsbleek gelaat en gesloten oogen in onmacht gevallen. Hij scheen te sterven.

Wanhopig bevoelde zij hem met haar handen.

"Kijk toch eens, mijnheer de abbé, kijk toch eens... Hij sterft! Hij sterft! Hij is reeds heelemaal koud... O, groote God, hij sterft!"

Pierre trachtte haar gerust te stellen.

"Hij heeft te veel gesproken en daardoor zijn bewustzijn weer verloren, precies als daareven... Ik verzeker u, dat ik zijn hart voel kloppen. Leg uw hand maar hier... Om Godswil, wind u niet zoo op; de dokter komt dadelijk en alles loopt goed af."

Maar zij luisterde niet naar hem, en hij was nu getuige van een tooneel, dat hem met de grootste verbazing vervulde. Plotseling had zij zich op het lichaam van den aangebeden man geworpen, drukte hem als waanzinnig tegen zich aan, overstroomde hem met haar tranen en bedekte hem met haar kussen, terwijl zij hartstochtelijke woorden stamelde:

"O, als ik je verliezen moest, als ik je verliezen moest! En ik heb me niet aan hem gegeven, ik ben zoo dom geweest me aan hem te weigeren, toen het nog tijd was het geluk te kennen... Ja, om de Madonna, omdat ik dacht, dat zij maagdelijkheid op prijs stelde en dat men zich rein moet houden voor zijn echtgenoot, als men wil, dat zij het huwlijk zegent... Wat zou het haar gehinderd hebben, indien wij onmiddellijk gelukkig geweest waren? En dan, dan... als zij mij bedrogen had, wanneer zij je van mij wegnam, zonder dat we in elkaars armen gerust hadden, dan zou ik maar van één ding spijt hebben; dat ik niet gelijk met jou verdoemd ben! Ja, ja, liever de verdoemenis dan elkaar niet bezeten te hebben met ons bloed, met onze lippen!"

Was dat de zoo kalme, zoo verstandige vrouw, die geduld oefende, om haar geluk beter in te richten! Pierre kende haar in zijn verbijstering niet meer. Tot dusver had hij haar nooit anders gekend dan gereserveerd, zoo natuurlijk-kuisch, dat de bijna kinderlijke bekoring daarvan als het ware uit haar natuur zelf scheen voort te komen. Ongetwijfeld was onder de bedreiging van het gevaar en van den angst het verschrikkelijke bloed der Boccanera's in haar ontwaakt, een geheel atavisme van heftigheid, hoogmoed, razende, wanhopige en ontketende begeerten. Zij wilde haar deel van het leven, haar deel van de liefde. Zij morde en raasde alsof de dood, wanneer hij haar haar geliefde ontnam, een stuk van haar eigen vleesch wegrukte.

"Maar ik smeek u, mevrouw, wees toch kalm," herhaalde de priester. "Hij leeft, zijn hart klopt... U doet er u zelf zooveel kwaad mede."

Maar zij wilde met hem sterven.

"O, lieveling, neem mij met je mede, neem mij met je mede, wanneer je weggaat... Ik zal me op je hart nederleggen, ik zal je zoo vast in mijn armen drukken, dat zij één zullen worden met de jouwe, en dat ze ons samen zullen moeten begraven... Ja, ja, wij zullen dood en toch getrouwd zijn. Ik heb je beloofd aan niemand anders te zullen toebehooren dan aan jou; ik zal ondanks alles de jouwe zijn, als het moet in de aarde... O lieveling, doe je oogen, doe je mond open, kus me, wanneer je niet wilt, dat ook ik sterf, wanneer jij dood bent."

Door de donkere kamer met de oude, ingeslapen muren was een vlam van woesten hartstocht, van vuur en bloed gestreken. Maar de tranen overweldigden Benedetta, diepe snikken putten haar uit en wierpen haar verblind en krachteloos op den rand van het bed. Gelukkig maakte de dokter, dien Victorine medegebracht had, een einde aan het verschrikkelijk tooneel.

Dokter Giordano, die de zestig reeds voorbij was, was een klein, witharig, gladgeschoren mannetje met blozende wangen, wiens vaderlijke persoonlijkheid te midden van zijn kerkelijke praktijk de allures van een prelaat aangenomen had. Het was, naar algemeen beweerd werd, een goedhartig man, die de armen gratis behandelde en in delicate gevallen zoo gesloten en gereserveerd was als een priester. Sedert dertig jaar hadden al de Boccanera's, vrouwen, kinderen, ja zelfs de kardinaal, zich aan zijn voorzichtige handen toevertrouwd.

Bijgelicht door Victorine en geholpen door Pierre, kleedde hij Dario, die door de pijn uit zijn bewusteloosheid ontwaakt was, zoo zachtjes mogelijk uit, onderzocht de wonde en verklaarde onmiddellijk glimlachend, dat er volstrekt geen gevaar bij was. Het zou niets beteekenen, hoogstens drie weken te bed, en voor complicaties behoefde men niet bang te zijn. Evenals alle Romeinsche artsen was hij een liefhebber van mooie messteken, die hij dagelijks onder het lagere volk te behandelen kreeg, hij bleef met welgevallen naar de wond kijken, bewonderde die als kenner en vond ongetwijfeld, dat het prachtig gedaan was. Hij fluisterde den prins in:

"Wij noemen dat een waarschuwing... De man heeft u niet willen dooden, de steek is van boven naar beneden toegebracht, zoodat het mes door het vleesch gegaan is, zonder zelfs het been te raken... Een knappe kerel, die zoo steken kan!"

"Ja, ja," prevelde Dario; "hij heeft me gespaard, anders zou hij me door en door gestoken hebben."

Benedetta hoorde er niets van. Toen de dokter verklaard had, dat er absoluut geen gevaar was en de zwakte en de bezwijming alleen het gevolg waren van den heftigen zenuwschok, was zij in een toestand van volkomen uitputting op een stoel neergevallen. Het was de ontspanning der vrouw na den vreeselijken wanhoopsaanval. Zachte, stille tranen begonnen langzaam uit haar oogen te stroomen; dan stond zij weer op en omhelsde Dario in een ontboezeming van hartstochtelijke, stille vreugde.

"Luister eens, beste dokter," ging hij voort; "niemand behoeft er iets van te weten. Deze geschiedenis is zoo belachelijk... Niemand heeft het blijkbaar gezien, behalve mijnheer de abbé, aan wien ik geheimhouding vraag... En laat men vooral den kardinaal of mijn tante--kortom, geen van de huisvrienden ongerust maken!"

Dokter Giordano glimlachte kalm.

"Goed, goed! Dat spreekt van zelf, maak je daar maar niet druk over... Voor alle anderen ben je van de trap gevallen en heb je je schouder verrekt... En nu je verbonden bent, moet je trachten wat te slapen en geen koorts te krijgen. Morgenochtend kom ik nog eens kijken."

Nu vloten langzaam dagen vol groote kalmte voorbij; voor Pierre ontwikkelde zich een geheel nieuw leven. De eerste dagen verliet hij zelfs het oude, ingeslapen paleis niet; hij las en schreef en had geen andere afleiding dan dat hij iederen middag tot het invallen van de schemering in de kamer van Dario zat, waar hij zeker was ook Benedetta aan te treffen. Na een vrij hooge koorts van acht-en-veertig uren was het herstel zijn gewonen gang gegaan; alles liep zoo goed mogelijk, de geschiedenis van den verrekten schouder werd door iedereen geloofd, zoodat de kardinaal van de spaarzame donna Serafina eischte, dat een tweede lantaarn op het portaal aangestoken zou worden, opdat een dergelijk ongeluk niet weer gebeuren zou. De weer ontstane, monotone vrede werd slechts gestoord door een laatsten schok, of liever door het dreigen van een moeilijkheid, waarin Pierre op een avond, dat hij wat langer bij den herstellende bleef, gemengd werd.

Toen Benedetta zich eenige oogenblikken verwijderd had, boog Victorine, die een kop bouillon was komen brengen, zich over den prins heen en fluisterde hem zacht in het oor:

"Een jong meisje, u weet wel Pierina, komt iederen dag huilend naar u vragen... Ik kon haar niet wegsturen, zij dwaalt maar om het huis rond; en ik vind het beter u maar te waarschuwen."

Ondanks zichzelf had Pierre het gehoord; plotseling begreep hij alles. Dario, die hem aankeek, zag heel goed, wat hij dacht. En zonder Victorine antwoord te geven, zeide hij:

"Ja, abbé, het was die woesteling van een Tito... Nu vraag ik u, is het niet belachelijk?"

Maar hoewel hij beweerde niets gedaan te hebben, waarom de broeder hem een waarschuwing moest geven, zijn zuster niet aan te raken, glimlachte hij toch verlegen, zelfs een beetje beschaamd over een dergelijke geschiedenis. Het was blijkbaar een heele opluchting voor hem, toen de priester beloofde, als zij weer terugkwam, met haar te praten en te trachten haar aan het verstand te brengen, dat zij thuis moest blijven.

"Een belachelijke geschiedenis, belachelijk!" herhaalde de prins, terwijl hij, als om zichzelf te honen, zijn woede overdreef. "Het is waarachtig iets uit de vorige eeuw."

Plotseling zweeg hij. Benedetta kwam terug en ging weer naast haar lieven zieke zitten. En het zoete waken duurde voort in de oude, slapende kamer, in het oude, doode paleis, waaruit geen zuchtje opsteeg.

Toen Pierre weer uitging, waagde hij zich, om een beetje frissche lucht te scheppen, nauwlijks in de wijk zelf. De Via Giulia interesseerde hem: hij kende haar vroegere pracht uit den tijd van Julius II, die haar in een rechte lijn aanlegde en met grootsche paleizen wilde omzoomen. Gedurende het carneval werden er wedrennen gehouden: men begon, te voet of te paard, bij het paleis-Farnese en eindigde bij de piazza S. Pietro. Hij had pas gelezen, dat de Fransche gezant, d'Estrée, markies van Couré, die in den palazzo Saccheti woonde, daar in 1630 met pracht en praal de geboorte van den dauphin gevierd had; hij liet drie wedrennen houden van de Sixtusbrug tot de S. Giovanni di Fiorentini, waarbij een buitengewone weelde tentoongespreid werd: de straten waren bestrooid met bloemen, alle vensters met de kostbaarste tapijten behangen. Den tweeden avond werd een groot vuurwerk op den Tiber ontstoken, het schip Argo, waarmede Jason uitvoer om het Gulden Vlies te veroveren. Een andermaal stroomde uit de Farnesische fontein, den Mascherone, wijn.

Hoe ver lagen die tijden nu al weg en wat waren zij veranderd! Hoe eenzaam en stil lag nu de straat in de treurige verwaarloosde grootschheid, breed en recht, door de zon beschenen of in diepe duisternis. Van 's ochtends negen uur af blakerde de zon op het plaveisel van den vlakken, trottoirloozen rijweg, terwijl aan de beide, afwisselend van het felle licht in diepe schaduw overgaande kanten, de oude paleizen, de zware, oude huizen, de antieke, met schilden en spijkers bedekte poorten, de met groote ijzeren staven getraliede vensters, geheele verdiepingen met gesloten vensters sluimerden. Zij waren als dichtgespijkerd, om het daglicht niet meer binnen te laten. Wanneer de poortdeuren open stonden, zag men diepe overwelvingen, vochtige en kille, met groene vlekken bedekte binnenplaatsen, die evenals kloosters met zuilengangen omgeven waren. In de dépendances, in de lage gebouwen, die ten slotte vooral aan de Tiberzijde kleine steegjes gevormd hadden, waren kleine winkeltjes en werkplaatsen gekomen, een kleermaker, een boekbinder, vruchtenkeldertjes met vier tomaten en vier kropjes salade, kleine wijndebieten, die producten van Frascati en Genzano hadden, en waarin de drinkers gestorven schenen te zijn.

In het midden van de straat bracht de gevangenis met haar afschuwlijk gelen muur al heel weinig vroolijkheid. Een geheel net van telegraafdraden liep door deze lange grafachtige gang met haar weinige voorbijgangers, waarin het stof van het verleden neerviel, van het eene einde naar het andere, van de arcade van den palazzo Farnese tot aan het verre uitzicht over de rivier, over de boomen van het hospitaal van den Heiligen Geest. Maar vooral 's avonds, wanneer de duisternis gevallen was, werd Pierre getroffen door de eenzaamheid, door de soort gewijden afschuw, dien de straat dan kreeg. Geen levende ziel, geen licht van de ramen, niets dan de dubbele rij lantaarns, die ver van elkander staande, wel op nachtlichtjes geleken, welke opgeslokt werden door de duisternis. De poorten waren gegrendeld en gebarricadeerd, geen geluid, geen ademtocht drong eruit door. Slechts hier en daar een verlicht wijnwinkeltje, doffe ramen, Waarachter in volkomen onbeweeglijkheid een lamp brandde, geen geroezemoes van stemmen, geen gelach echter was te hooren! Alles wat leefde waren de schildwachten voor de gevangenis; één voor de poort, één op den hoek van het steegje rechts, beiden stijf en strak in de doode straat!