De drie steden: Rome

Part 31

Chapter 313,876 wordsPublic domain

En deze zeldzame geschiedenis bracht Pierre tot nog grooter verbazing. Wie zou ooit een onverwachter, pakkender drama hebben kunnen uitdenken? Deze paus, die zich in zijn paleis opsloot, dat ongetwijfeld een gevangenis was, maar een gevangenis, waarvan de honderd ramen uitzagen op een eindelooze ruimte, op Rome, de Campagna, de ver verwijderde heuvels; deze paus, die uit zijn raam op alle uren van den dag en van den nacht het geheele jaar door, met één oogopslag zijn stad omvatten kon--zijn stad, die men hem ontstolen had, waarvan hij de teruggave met een ononderbroken jammerklacht eischte; deze paus, die van het begin der werken af, van dag tot dag, de veranderingen, die zijn stad onderging, aanschouwd had: het neerhalen van de oude wijken, het verkoopen van terreinen, het geleidelijk oprijzen van nieuwe gebouwen, die langzamerhand een witten gordel om de oude rossige daken vormden; deze paus, die bij het dagelijks zien van deze bouwwoede, welke hij van zijn opstaan tot zijn naar bed gaan volgen kon, ten slotte zelf medegesleept werd door den hartstocht voor het spel, die als een roes uit de geheele stad opsteeg; deze paus, die uit zijn op zoo stoïcijnsche manier gesloten kamer met de verfraaiingen van zijn oude stad begon te speculeeren, die trachtte zich te verrijken met de door de Italiaansche regeering, die hij voor roover uitmaakte, in het leven geroepen stadsuitbreiding en ten slotte plotseling in een geweldige catastrophe, die hij had moeten wenschen, maar die hij niet voorzien had, millioenen verloor! Neen, nooit nog had een onttroonde koning aan een vreemdere ingeving toegegeven, zich gewaagd in een tragischer avontuur, dat hem als een straf trof. En dit was geen koning, dit was de afgezant Gods, dit was God zelf, de onfeilbare in de oogen der aanbiddende Christenheid!

Het dessert, geitenkaas en vruchten, was gebracht, en Narcisse was juist met een trosje druiven klaar, toen hij opkeek en uitriep:

"Maar ge hebt groot gelijk, waarde vriend, ik zie nu ook die witte schim daarboven achter de ramen in de kamer van den Heiligen Vader heel duidelijk."

Pierre, die zijn blikken niet van het raam af had, antwoordde langzaam:

"Ja, zij was verdwenen, maar toen weer teruggekomen, en nu staat zij er nog steeds, wit en roerloos."

"Maar wat zoudt ge dan willen, dat hij deed?" vroeg de jonge man op zijn kwijnenden toon, waaruit men niet opmaken kon, of hij spotte of niet. "Hij doet als iedereen en kijkt eens naar buiten, wanneer hij zich wat verzetten wil, en dat des te eerder, omdat hij werkelijk iets ziet, waarnaar je nooit moede wordt te kijken."

Dat was het juist, wat Pierre in een toenemende opwinding bracht. Men sprak altijd van een gesloten Vaticaan, en hij had zich een somber, door hooge muren omgeven paleis voorgesteld, want niemand had hem gezegd, niemand scheen te weten, dat dit paleis Rome beheerschte en dat de paus van uit zijn raam de wereld zag. En de onmetelijkheid van dat uitzicht kende Pierre, hij had het gezien van af den top van den Janiculus; van uit de loggia's van Raffaël, van af den dom der Basilica. En waar Leo XIII, roerloos en wit achter zijn ramen, naar keek, dat riep Pierre voor zijn geestesoog op, zag het met hem. In het midden van de uitgestrekte vlakte der Campagna, die de Sabijnsche en Albaansche heuvelen begrensden, zag Leo XIII de zeven beroemde heuvels: den door de boomen der villa Pamphili gekroonden Janiculus; den Aventinus, waarvan niets overgebleven was dan de drie half in het groen schuil gaande kerken; dan iets verder afgelegen, den door zijn rijpe oranjeappelen der villa Mattei doorgeurden Coelius; den Palatinus, die een dunne, daar als op het graf der Caesars opgeschoten rij cypressen omzoomde; den Esquilinus, waarop zich de slanke klokkentoren van de Santa Maria Maggiore verhief; den Viminalis, die met zijn verwarde en witachtige opeenhooping van nieuwe gebouwen op een openliggende steengroeve geleek; den Capitolinus, dien de vierkante campanile van het Senatorenpaleis nauwlijks aanwees; den Quirinalis, waarop het paleis van den koning fel-geel afstak tegen de donkere schaduwen der tuinen. Hij zag behalve de Santa Maria Magggiore alle basilica's, S. Giovanni in Laterano, de wieg van het pausdom, S. Paola fuori le mura, S. Croce in Gerusalemme, S. Agnese, de dom van Il Gesù, van S. Andrea della Valle, van S. Carlo, van S. Giovanni del Fiorentini en al de vierhonderd kerken van Rome, die de stad in een met kruisen beplant, heilig veld veranderen. Hij zag de beroemde monumenten, de getuigen van den eeuwenouden hoogmoed, de Engelenburg, een in een pauselijke vesting veranderd keizersgraf, de witte lijn der andere graven langs de Via Appia, dan de verspreid liggende ruïnen van Caracalla, van het paleis van Septimius Severus, zuilen, gaanderijen, triomfbogen, de paleizen en de villa's van prachtlievende kardinalen der Renaissance, den palazzo Farnese, den palazzo Borghese, de villa Medicis en alle, alle andere--een gewemel van daken en gevels.

Maar voor alles zag hij links, vlak onder zijn raam, den gruwel van de nieuwe, onvoltooide wijk der Prati del Castello. Wanneer hij 's middags in zijn tuinen wandelde, die als een citadel door den muur van Leo IV ingesloten was, had hij het vreeselijke uitzicht op het dal, dat men in den koortsachtigen tijd der bouwwoede in den voet van den monte Mario gegraven had, om er steenbakkerijen op te richten. De groene hellingen zijn opengehaald, geelachtige gangen loopen naar alle kanten, terwijl de thans gesloten fabrieken met haar hooge, doode schoorsteenen, waaruit geen rook meer opstijgt, niets meer dan armzalige ruïnes zijn. Op geen uur van den dag kon hij bij een raam komen zonder die verwaarloosde gebouwen, waarvoor zooveel steenbakkerijen gewerkt hebben, voor oogen te hebben, deze gebouwen, die dood waren voor zij geleefd hadden, waarin op dat oogenblik niets was dan de wriemelende ellende van Rome, dat hier als het cadaver van oude maatschappijen tot ontbinding lag over te gaan.

Vóór alles echter beeldde Pierre zich in, dat Leo XIII, de witte schim daar boven, ten slotte de geheele overige stad vergat, om zijn droomenden blik op den Palatinus te richten, die nu ontkroond is en nog slechts zijn zwarte cypressen in den blauwen hemel opricht. Ongetwijfeld bouwde hij in gedachten de paleizen der Caesars weer op, en voor zijn blik verrezen dan hooge, geheel roode, met het purper bekleede schimmen op, zijn voorvaderen, de keizers en de pontifices, die hem alleen konden zeggen, hoe men als onbeperkt heerscher der wereld, over de wereld regeeren kon. Dan gingen zijn blikken naar den Quirinalis en bleven daar uren lang rusten in de aanschouwing van het koningschap tegenover hem. Welk een zonderling toeval, dat deze beide paleizen, het Quirinaal en het Vaticaan, elkaar aankijken, dat zij naast elkander boven het Rome der Middeleeuwen en der Renaissance uitsteken, welks door de gloeiende zon verbrande en vergulde daken aan den oever van den Tiber zich ophoopen en samenvloeien. Met een eenvoudigen verrekijker kunnen de paus en de koning, wanneer zij voor hun ramen gaan staan, elkander duidelijk zien. Zij zijn niets dan onbeteekenende, in de grenzenlooze ruimte verloren gaande punten; en welk een afgrond ligt er tusschen hen, hoeveel eeuwen van geschiedenis, hoeveel generaties, die gestreden en geleden hebben, hoeveel doode grootheid, hoeveel zaad voor de geheimzinnige toekomst! Zij zien elkaar en strijden nog steeds om het volk, dat voor hun oogen op- en neergolft. Wien zal de onbeperkte macht ten deel vallen, den pontifex, den herder der zielen, of den monarch, den meester der lichamen?

Pierre vroeg zich af aan welke overpeinzingen, aan welke droomerijen Leo XIII zich over zou geven achter die ramen, waar hij nog altijd zijn bleeke, spookachtige schim meende te zien. Bij het zien van het nieuwe Rome, van de oude, gesloopte wijken, van de door een ongeluksstorm met den grond gelijk gemaakte stadsdeelen, moest hij zich ongetwijfeld verheugen over de reusachtige mislukking der Italiaansche regeering. Men had hem zijn stad ontstolen, men had hem als het ware willen laten zien, hoe men een groote hoofdstad in het leven roept, en dat was uitgeloopen op die catastrophe, op zooveel leelijke, nuttelooze bouwwerken, die men niet eens wist hoe af te maken. Het kon niet anders of hij moest zich verheugen in die vreeselijke ongelegenheden, waarin het usurpatorische gezag geraakt was, in de politieke, in de financieele crisis, in de steeds verder om zich heen grijpende nationale malaise, waarin dat gezag binnen niet al te langen tijd ten gronde dreigde te gaan; en toch, sloeg ook niet in zijn borst het hart van een patriot, was ook niet hij een liefhebbende zoon van dat Italië, welks genie en eeuwenoude eerzucht ook in zijn aderen stroomde? O neen, niets tegen Italië; integendeel, alles wilde hij doen, om te bewerken, dat het weer de wereldbeheerscher werd! Ongetwijfeld steeg te midden van zijn blijde hoop een smartelijk gevoel in hem op, wanneer hij zag hoe Rome ten gronde gericht, met een bankroet bedreigd werd, hoe het als het ware zijn onmacht in het openbaar ten toon stelde. Maar wanneer de dynastie van Savoye eens mocht worden weggevaagd, was hij er dan niet, om haar te vervangen en eindelijk weer in het bezit te treden van zijn stad, die hij sedert vijftien jaar slechts uit zijn venster zag, overgeleverd aan sloopers en metselaars? Dan werd hij weer de meester, regeerde hij over de wereld, troonde hij in de gepraedestineerde stad, waaraan de propheten de eeuwigheid en de wereldheerschappij toegezegd hadden.

De horizont breidde zich uit en Pierre vroeg zich af wat Leo XIII wel aan gene zijde van Rome, aan gene zijde van de Campagna Romana, aan gene zijde van de Sabijnsche en Albaansche bergen, in de geheele Christenheid zag. Sedert achttien jaar had hij zich in zijn Vaticaan opgesloten, zag hij de wereld slechts door de ramen van zijn kamer. Wat aanschouwde hij van daarboven, welke waarheden en welke zekerheden drongen uit onze moderne maatschappijen tot hem door? Dikwijls toch moest van de hoogten van den Viminalis, waar het station lag, het langgerekte gefluit der locomotieven in zijn ooren klinken: dat was onze wetenschappelijke beschaving, de toenadering der volkeren, de vrije menschheid, die de toekomst tegemoet ging. Droomde hij zelf van vrijheid, wanneer hij zijn blik naar rechts wendde en daar in de verte, aan gene zijde van de graven aan de Via Appia, de zee vermoedde? Had hij ooit den wensch in zich voelen opkomen weg te gaan, Rome en zijn verleden te verlaten, om elders het pausdom der nieuwe democratieën te stichten?

Men beweerde, dat hij zulk een scherpen, doordringenden blik had; dan had hij moeten begrijpen, dan had hij moeten beven, wanneer uit zekere strijdlustige landen een ver geluid tot hem doordrong--uit Amerika bijvoorbeeld, waar revolutionnaire bisschoppen op het punt stonden het volk te veroveren. Werkten zij voor hem of voor zichzelf? Was een breuk niet onvermijdelijk, wanneer hij hen niet volgen kon, wanneer hij, aan alle kanten door het dogma en de traditie gebonden, zich hardnekkig in zijn Vaticaan bleef opsluiten? Van uit de verte woei een dreigende, het schisma voorspellende wind, streek hem over zijn gelaat en vervulde zijn hart met steeds grooter wordenden angst. Om die reden waarschijnlijk was hij de verzoeningsdiplomaat geworden, die alle verspreide krachten der Kerk in zijn hand verzamelen wilde, die zijn oogen sloot voor de vermetelheid van sommige bisschoppen, voor zoover dat ten minste mogelijk was, die zelf het volk trachtte te veroveren, door zich aan zijn zijde tegen de gevallen monarchen te verklaren. Maar zou hij ooit verder gaan? Was hij niet ingemetseld achter de bronzen deur van het Vaticaan, in de strenge Katholieke formule, waaraan de eeuwen hem vastketenden? Hij moest daar blijven, het zou hem onmogelijk zijn zich tot zijn werkelijke almacht, tot die zuiver geestelijke macht, tot die moreele autoriteit van het hiernamaals te beperken, die de menschheid aan zijn voeten bracht, die bewerkte, dat de pelgrims neerknielden en vrouwen in onmacht vielen. Rome opgeven, afstand doen van de wereldlijke macht zou gelijk staan met het middelpunt der Katholieke wereld te veranderen. Dan zou de paus de paus niet meer zijn, niet meer het hoofd van het Katholicisme, maar een ander, het hoofd van iets anders. Welke onrustige gedachten moesten, terwijl hij daar aan het raam stond, door zijn brein gaan, wanneer de avondwind menigmaal het onduidelijke beeld van dien andere, de vrees voor den nieuwen, nog onbestemden godsdienst met zich bracht, die zich voorbereidde in het doffe stappen der voorwaarts marcheerende naties!

Maar op dat oogenblik voelde Pierre, dat de witte, roerlooze schim achter de ramen staande gehouden werd door den trots, door de voortdurende zekerheid, dat hij zou overwinnen. Wanneer menschenhanden daartoe niet in staat zouden zijn, dan zou het wonder tusschenbeide treden. Hij had de vaste overtuiging, dat hij weer in het bezit zou komen van Rome; en zoo niet hij, dan zijn opvolger. Had de Kerk in haar onbedwingbare levenskracht en levensenergie niet de eeuwigheid voor zich? Trouwens, waarom zou hij zelf niet in het bezit van Rome komen? Vermocht God zelfs niet het onmogelijke? Morgen, als God het wilde, zou ondanks alle menschelijke redeneeringen, ondanks alle schijnbare logica der feiten, zijn stad hem door de een of andere plotselinge wending in de geschiedenis teruggegeven worden. O, welk een feestelijke ontvangst zou hij de verloren dochter, wier dubbelzinnige avonturen hij met zijn door tranen vochtige vaderoogen steeds gevolgd had, bereiden! Hoe gauw zou hij de uitspattingen vergeten, waarvan hij achttien jaar lang op alle uren en in alle jaargetijden getuige geweest was! Misschien peinsde hij, over wat hij doen zou met die nieuwe wijken, waarmede men haar bezoedeld had: zou hij ze sloopen of zou hij ze daar laten staan als een getuigenis van den waanzin der overweldigers? Zij zou weer de verheven en doode stad worden, die een souvereine minachting had voor alle ijdele zorgen van zindelijkheid en materieel welzijn, die als een reine ziel in den overgeleverden roem der vervlogen eeuwen over de wereld stralen zou.

En hij peinsde verder, hij stelde zich voor hoe alles, ongetwijfeld reeds morgen, in zijn werk zou gaan. Alles was beter dan het Huis van Savoye, zelfs een republiek. Waarom niet een federatieve republiek, die Italië volgens de oude, nu afgeschafte, politieke indeeling verbrokkelen, hem Rome teruggeven, hem tot den beschermer van den op die wijze herstelden staat kiezen zou? Dan strekte zijn blik zich verder dan Rome, verder dan Italië uit; zijn droom breidde zich uit, steeds verder uit, omvatte het republikeinsche Frankrijk, Spanje, dat het weer worden kon, ja, zelfs Oostenrijk, dat eenmaal gewonnen zou worden--al de Katholieke naties, die dan de Vereenigde Staten van Europa worden en onder het hooge voorzitterschap van den Pontifex Maximus vreedzaam en in broederschap leven zouden. En dan de hoogste triomf, wanneer ten slotte alle andere Kerken verdwijnen, alle andersdenkende volkeren tot hem komen zouden als tot den eenigen herder, wanneer Jezus in zijn persoon over de universeele democratie regeeren zou.

Plotseling werd Pierre in zijn droom, dien hij aan Leo XIII toeschreef, gestoord.

"Mijn waarde abbé, kijk toch eens naar den toon van de standbeelden op de zuilengaanderij," zeide Narcisse.

Hij had zich een kop koffie laten brengen en rookte, zich weer geheel overgevend aan zijn geraffineerde aesthetica, langzaam een sigaret

"Zij zijn rose, niet waar? Een rose, dat langzaam overgaat in mauve, alsof het blauwe bloed der engelen in hun steenen aderen vloeide... Het is de zon van Rome, die hun dat bovenaardsche leven verleent, want zij leven, ik heb gezien hoe ze op sommige mooie avonden tegen me glimlachten en de armen naar mij uitstrekten... Ach, Rome, het wonderbare en verrukkelijke Rome! Men zou hier arm als Job willen leven in de bestendige vreugde zijn bekoring in te ademen!"

Ditmaal kon Pierre zijn verbazing niet bedwingen, nu hij zich zijn nuchtere stem, zijn zoo helderen en drogen zakengeest herinnerde. Dan keerden zijn gedachten terug naar de Prati del Castello en een eindelooze droefheid maakte zich van hem meester, toen hij zich zooveel ellende en zooveel lijden voor den geest riep. Hij zag weer de schandelijke vuilheid, waarin zooveel schepsels ten gronde gingen, die vreeselijke sociale onrechtvaardigheid, welke de groote meerderheid veroordeelt tot een bestaan van vervloekte, vreugde- en broodlooze dieren. En toen zijn blikken weer teruggingen naar de vensters van het Vaticaan en hij meende te zien, hoe achter de ramen een witte hand zich ophief, dacht hij aan den pauselijken zegen, dien Leo XIII van deze hoogte over Rome, over de Campagna en de bergen aan de geloovigen der geheele Christenheid gaf. Maar deze zegen scheen hem plotseling belachelijk en onmachtig toe, daar hij in zoovele eeuwen niet in staat geweest was, één enkele smart der menschheid te onderdrukken, omdat hij zelfs niet in staat geweest was een weinig rechtvaardigheid te scheppen voor de ongelukkigen, die daar beneden, onder zijn venster, in doodsstrijd verkeerden.

NEGENDE HOOFDSTUK

Daar Benedetta Pierre had laten zeggen, dat zij hem gaarne wilde spreken, ging hij dien avond bij het invallen van de schemering naar beneden en vond haar in den salon in een druk gesprek met Celia.

"Ik heb jullie Pierina gezien," riep het jonge meisje, juist toen hij binnenkwam, uit. "Ja, ja, en nog wel met Dario. Dat wil zeggen, zij moet hem opgewacht hebben; hij zag, dat zij in een laan van den Pincio op hem stond te loeren, en glimlachte tegen haar. Toen begreep ik het dadelijk... Wat een zeldzame schoonheid!"

Benedetta glimlachte zachtjes over haar geestdrift. Maar er kwam een pijnlijke, droevige plooi om haar mond, want, hoewel zij zeer verstandig was, begon deze hartstocht, die, zooals zij voelde, oprecht en sterk was, haar toch te hinderen. Dat Dario elders zijn genoegens zocht, kon zij begrijpen, daar zij zich niet aan hem geven wilde en hij jong en geen geestelijke was. Maar dit ongelukkige meisje hield te veel van hem en zij was bang, dat hij zich zou kunnen compromitteeren; een zoo groote schoonheid verontschuldigde alles. Zij verried dan ook het geheim van haar hart, door het gesprek een andere wending te geven.

"Ga zitten, mijnheer de abbé... U ziet, we zijn aan het kwaadspreken. Mijn arme Dario wordt ervan beschuldigd, dat hij alle schoonheden van Rome in het ongeluk stort... Zoo vertelt men ook, dat men in hem den gelukkige zien moet, die de witte rozen geeft, waarmede Tonietta de laatste veertien dagen op den Corso rondrijdt."

Celia vatte dadelijk vlam.

"Maar dat is beslist zeker. In den beginne heeft men getwijfeld en den kleinen Pontecorvo en luitenant Moretti genoemd. Je kan je voorstellen, hoe er gekletst werd... Maar nu weet iedereen, dat de vlam van Tonietta Dario in eigen persoon is. Trouwens hij heeft in den Costanzi-schouwburg zijn opwachting in haar loge gemaakt."

Toen Pierre haar zoo hoorde praten, herinnerde hij zich die Tonietta, die de jonge prins hem op den Pincio gewezen had, een der weinige demi-mondaines, waarover de hoogere Romeinsche kringen spraken. En hij herinnerde zich ook de galante bijzonderheid, die haar beroemd maakte, de onzelfzuchtige liefde, die zij meermalen voor een geliefde opvatte, van wien zij niets aannam dan iederen ochtend een ruiker witte rozen, zoodat, wanneer zij soms weken achtereen op den Corso met de reine bloemen rondreed, de dames der hoogere kringen brandend nieuwsgierig waren naar den naam van den uitverkoren en aangebeden man. Sedert den dood van den ouden markies Manfredi, die haar zijn klein paleis in de Via dei Mille nagelaten had, was Tonietta beroemd om haar onberispelijk rijtuig en haar elegante, maar eenvoudige toiletten, welke alleen door ietwat opzichtige hoeden ontsierd werden. De rijke Engelschman, die haar onderhield, was nu reeds sedert een maand op reis.

"Zij is werkelijk heel mooi, heel mooi," herhaalde Celia overtuigd, met haar rein gezichtje van maagd, die zich slechts voor liefdeszaken interesseert. "En dan haar groote, zachte oogen; o, zij is niet zoo mooi als Pierina, dat is trouwens onmogelijk; maar toch prettig om naar te kijken, een echt feest voor je oogen!"

Met een onwillekeurig gebaar scheen Benedetta Pierina weer ter zijde te schuiven, terwijl zij daarentegen Tonietta aanvaardde; zij wist heel goed, dat zij maar een eenvoudige afleiding, een tijdelijke streeling voor zijn oogen was.

"Zoo," zeide zij glimlachend; "mijn arme Dario ruïneert zich dus met witte rozen! Daar moet ik hem eens mee plagen... Wanneer onze zaken niet gauw in orde komen, zullen zij hem mij ten slotte nog ontstelen... Gelukkig heb ik uitstekende berichten. Ja, het proces zal weer beginnen; tante is juist daarvoor uitgegaan!"

Toen Celia opstond op het oogenblik dat Victorine een lamp bracht, wendde Benedetta zich tot Pierre, die eveneens opgestaan was.

"Blijf nog even, ik wou u graag spreken."

Maar Celia bleef ook nog: zij was nu een en al belangstelling voor de echtscheiding van haar vriendin, wilde weten hoe het met de zaak stond en of het huwlijk nu gauw plaats zou hebben. Zij omhelsde haar hartstochtelijk.

"Dus heb je weer hoop? Geloof je, dat de Heilige Vader je je vrijheid terug zal geven? O, lieveling, wat ben ik blij voor je. Hoe heerlijk zal het zijn, als jij en Dario kunnen trouwen!... Ik van mijn kant heb ook geen reden tot klagen, want ik zie heel goed, dat mijn vader en mijn moeder genoeg krijgen van mijn koppigheid. Gisteren nog heb ik hun met mijn gewone kalmte gezegd: 'Ik wil Attilio hebben en u zult hem mij geven!' Toen is mijn vader verschrikkelijk woedend geworden, hij heeft me met beleedigingen overstelpt, me met zijn vuist gedreigd en geschreeuwd, dat, wanneer ik een even harden kop had als hij, hij den mijne toch zou breken. Plotseling begon hij woedend uit te varen tegen mijn moeder, die er zwijgend bij stond: 'Geef haar dan haar Attilio, dan laat zij ons ten minste met rust...' Neen, hoor, ik ben erg in mijn schik!"

Pierre en Benedetta konden hun lachen niet bedwingen, zoo straalde haar lelierein madonnagezichtje van onschuldige en hemelsche vreugde. Eindelijk ging zij weg met haar kamenier, die in den eersten salon op haar zat te wachten.

Zoodra zij alleen waren, vroeg Benedetta den priester weer te gaan zitten.

"Waarde vriend, men heeft mij opgedragen u een zeer dringenden raad te geven... Het schijnt, dat uw aanwezigheid te Rome algemeen bekend geworden is en dat er zeer verontrustende praatjes over u in omloop zijn. Uw boek zou een vurige oproep tot het schisma zijn, u zelf slechts een eerzuchtige en oproerige afvallige, die na zijn werk te Parijs uitgegeven te hebben, naar Rome gekomen is, om er een vreeselijk schandaal over te ontketenen en het op die manier te lanceeren... Indien u er nog steeds op staat Zijne Heiligheid te spreken, om uw zaak te bepleiten, raadt men u aan gedurende twee of drie weken geheel te verdwijnen, zoodat men uw aanwezigheid hier vergeet."

Pierre luisterde met de grootste verbazing. Ze zouden hem nog krankzinnig maken; ze zouden hem nog op het denkbeeld brengen zich af te scheiden en een schandaal te maken, wanneer zij zijn geduld nog langer op de proef wilden stellen, daar misbruik van wilden maken. Hij wilde zich verzetten, protesteeren. Dan echter maakte hij een gebaar van moeheid. Waarom zou hij dat doen tegenover deze jonge vrouw, die toch in ieder geval oprecht en hem goed gezind was?

"Wie heeft u verzocht mij dien raad te geven?"

Zij gaf geen antwoord, glimlachte slechts. Dan kreeg hij een plotselinge ingeving.

"Het is monsignor Nani, niet waar?"