Part 30
Benedetta had haar aalmoes in de hand der moeder laten glijden en Pierre en Narcisse, die haar voorbeeld volgden, deden hetzelfde, toen Dario, die Pierina niet wilde vergeten, maar haar toch geen geld durfde geven, op een aardig denkbeeld kwam. Hij bracht zacht zijn vingers aan zijn lippen en zeide met een vriendelijk lachje:
"Voor de schoonheid!"
Dit kushandje, dat eenigszins ermede spottende lachje, deze zoo vertrouwlijke prins, dien de zwijgende vereering van de mooie parelwerkster als in een liefdesgeschiedenis uit vroeger tijden trof, dat alles had werkelijk iets bekorends en liefs.
Pierina kreeg een kleur van blijdschap; zij raakte heelemaal haar hoofd kwijt, nam plotseling de hand van Dario, drukte er haar warme lippen op in een onberedeneerde opwelling, waarin zoowel groote dankbaarheid als verliefde teederheid lag. Maar de oogen van Tito fonkelden van woede; hij greep zijn zuster ruw bij haar rok en stiet haar met zijn vuist op zijde, terwijl hij dreigend bromde:
"Pas op hoor, ik vermoord jou en hem ook!"
Het werd hoog tijd, om weg te gaan, want ook andere vrouwen, die het geld blijkbaar geroken hadden, kwamen naderbij, staken haar hand uit en lieten haar huilende kinderen zien. Een groote opwinding had zich van de ellendige wijk met haar groote verwaarloosde gebouwen meester gemaakt, een noodkreet rees op uit de doode straten met de op marmeren bordjes prijkende namen. Wat te doen? Ze konden toch niet aan allen geven. Er bleef niet anders over dan weg te vluchten.
Toen Benedetta en Dario weer bij haar rijtuig waren, stapten zij vlug in en drukten zich, blij aan deze nachtmerrie ontsnapt te zijn, dicht tegen elkaar. Toch streelde het haar eigenliefde, dat zij zich in tegenwoordigheid van Pierre dapper gehouden had, en drukte hem de hand als een dappere leerling, toen Narcisse gezegd had, dat hij met den priester wilde gaan dejeuneeren in het kleine restaurant op de piazza S. Pietro, vanwaar men zoo'n interessant gezicht op het Vaticaan had.
"Drinkt een glas witten Genzano," riep Dario, die zijn oude vroolijkheid weer teruggekregen had, hun na. "Er bestaat niets beters om zwartgallige ideeën te verjagen."
Maar Pierre was onverzadigbaar, wilde meer bijzonderheden weten. Onderweg vroeg hij Narcisse naar het volk van Rome, naar zijn leven, zijn zeden en gewoonten. Het onderwijs beteekende zoo goed als niets. Industrie en handel was er bijna niet te vinden. De mannen oefenden de enkele nog bestaande handwerken uit, terwijl het voortgebrachte alleen maar in Rome zelf verkocht werd. Onder de vrouwen waren enkele parelwerksters en borduursters, terwijl religieuze artikelen, medailles en rozenkransen, en het vervaardigen van lokale snuisterijen altijd een zeker aantal menschen van werk voorzagen. Maar zoodra de vrouw trouwde en moeder werd van een als door een wonder opschietende kinderzwerm werkte zij niet meer. In het kort gezegd, de bevolking leefde, zoo goed en zoo kwaad als het ging, werkte juist genoeg om te eten, was tevreden met groenten, pap en een beetje schapenvleesch, kwam niet in opstand, was zonder eenige eerzucht voor de toekomst, zorgde slechts voor den dag van heden. De twee eenige ondeugden waren het spel en de roode en witte wijn van de Romeinsche Castelli, wijnen, die tot moord en doodslag aanzetten, wijnen, die op avonden van feestdagen na het sluitingsuur der kroegen de straten vulden met reutelende, met messteken doorboorde mannen. De meisjes waren over het algemeen zeer fatsoenlijk; zij, die zich voor het huwelijk aan een man overgaven, waren te tellen. Dat vond vooral zijn oorzaak in het feit, dat de familieband zeer sterk was en het vaderlijk gezag nog onbeperkt heerschte.
De broers waakten over de eer van haar zusters, zooals Tito, hoewel hij zoo ruw tegenover Pierina was, over haar waakte met een woeste zorg, en dat niet om de een of andere geheime ijverzucht, maar voor den goeden naam en de eer der familie. En toch heerschte er geen werkelijke godsdienstigheid, maar wel een zeer kinderlijke afgoderij: aller harten gingen uit tot Maria en de heiligen; dezen alleen bestonden, tot hen alleen werd gebeden met achterstelling van God, aan wien het niemand inviel te denken.
Uit dit alles was het stilstaan van het lagere Romeinsche volk zeer goed te verklaren. Eeuwen van aangemoedigd niets doen, gestreelde ijdelheid en verweekelijkt leven lagen achter hen. Wanneer zij geen metselaars, schrijnwerkers of bakkers waren, dan waren zij bedienden; zij dienden bij priesters en waren daardoor min of meer aan den invloed van het Vaticaan onderworpen. Vandaar twee streng gescheiden partijen: de vroegere carbonari, de latere Mazzinianen en Garibaldianen, die ongetwijfeld de meerderheid en de elite van Trastevere vormden; en de aanhangers van het Vaticaan, al degenen, die van de Kerk leefden en naar den paus-koning terug verlangden. Maar aan beide kanten bleef het altijd bij denkbeelden, waarover men sprak, zonder dat ooit de gedachte opkwam, zich eens voor het een of ander in te spannen, zich bloot te stellen aan een gevaar. Er zou een zeer sterke hartstocht voor noodig geweest zijn, om het koele verstand van het ras weg te vagen en hen tot den een of anderen waanzin te brengen. Waartoe ook? De ellende duurde al zooveel eeuwen, de hemel was zoo blauw, de siësta tijdens de warmste uren was meer waard dan al het overige. Slechts een ding scheen erbij gekomen te zijn, een fond van vaderlandsliefde.
De meerderheid was beslist voor Rome als hoofdstad, voor dezen heroverden roem, zelfs in dien mate, dat er in de Leostad bijna een oproer uitgebroken was, toen er sprake was van een accoord tusschen Italië en den paus, dat als grondslag het herstel van de wereldlijke macht over die stad had. Dat de ellende toch grooter scheen geworden te zijn en de Romeinsche werkman meer klaagde, vond zijn oorzaak hierin, dat hij in werkelijkheid niets gewonnen had bij de reusachtige werken, die de laatste vijftien jaar in zijn stad waren uitgevoerd. In de eerste plaats hadden veertig duizend arbeiders Rome overstroomd, arbeiders, die voor het grootste gedeelte uit het Noorden gekomen waren, voor minder loon werkten, moediger waren en meer weerstandsvermogen bezaten. In de tweede plaats had hij, toen hij zelf zijn deel in het werk kreeg, beter geleefd, zonder echter iets op zijde te leggen, zoodat, toen de crisis uitgebroken was en men de veertig duizend arbeiders weer naar hun provincies had moeten terugzenden, hij weer in dezelfde positie verkeerde als vroeger: in een doode stad, waarin alle werkplaatsen ledig stonden en voorloopig geen kans op werk was. Aldus viel hij weer terug tot zijn oude indolentie, in den grond der zaak blij, dat hij niet door al te veel werk geplaagd werd, en ging weer zoo goed mogelijk samenwonen met zijn oude liefde, de ellende--zonder een cent, maar als een groote mijnheer.
Vooral werd Pierre getroffen door het groote verschil in karakter tusschen de ellende te Parijs en die te Rome. Ongetwijfeld was hier de ontbering nog grooter, het voedsel nog vuiler, de smerigheid nog afstootender. Maar hoe kwam het dan, dat deze verschrikkelijk-arme menschen meer echte vroolijkheid bezaten, hun leed opgewekter droegen? Wanneer hij zich een winter te Parijs, de krotten, die hij zoo dikwijls bezocht had, waarin de sneeuw binnendwarrelde en heele families zonder vuur of brood zaten te rillen, voor den geest riep, dan werd zijn hart aangegrepen door een medelijden, dat hij in de Prati del Castello lang niet zoo levendig gevoeld had. Nu eindelijk begreep hij het: de ellende te Rome was een ellende, die geen koude leed. Welk een heerlijke en eeuwige troost was die altijd warme zon, die weldoende hemel, die uit medelijden met die ongelukkigen, steeds blauw bleef. Wat beteekende een krot van een verblijf, wanneer men buiten kon slapen en zich laten liefkoozen door de zoele winden? Wat beteekende zelfs honger, wanneer het huishouden in zonnige straten, in het droge gras op het geluk van het toeval wachten kon? Het klimaat maakte de menschen sober: er waren geen nevels, die men met alcohol trachtte te overwinnen. Het goddelijke nietsdoen vermeide zich in de gulden avonden, de armoede werd in deze heerlijke lucht, waarin het enkele levensgeluk voor het schepsel voldoende scheen te zijn, een vrij genot.
Te Napels, vertelde Narcisse, leefde in de nauwe, stinkende, met te drogen hangend waschgoed gepavoiseerde straten aan de haven en in Santa Lucia de bevolking heelemaal buiten. De vrouwen en de kinderen, die niet beneden op straat waren, leefden op lichte houten balcons, die voor alle ramen aangebracht waren. Hier werd genaaid, gezongen, gewasschen. Maar de straat was eigenlijk de gemeenschappelijke woonkamer; hier trokken de mannen hun broeken aan, reinigden halfnaakte vrouwen haar kinderen van ongedierte en kamden zichzelf; hier was voor het hongerige volk de tafel altijd gedekt. Op kleine tafeltjes, op wagens werd een doorloopende markt gehouden van goedkoope eetwaren, te rijpe granaatappels en watermeloenen, gekookte knoedels, afgekookte groenten, gebakken visch, mosselen, alle heelemaal klaar en gereed, zoodat men altijd in de open lucht kon eten, zonder ooit vuur behoeven aan te maken. En wat voor een wriemelende menigte! De vrouwen gesticuleerden aan één stuk door, de vaders zaten in een lange rij langs de trottoirs, kinderen renden heen en weer te midden van een oorverdoovend lawaai, geschreeuw, gezang, muziek. Ruwe stemmen barstten in luid gelach uit, bruine, niet mooie gezichten hadden prachtige oogen, die onder het inktzwarte, verwarde haar van levensvreugde schitterden. O, arm, vroolijk, kinderlijk, onwetend volk, welks eenige wensch zich tot de enkele centesimi bepaalde, die noodig waren, om op deze eeuwigdurende markt zijn honger te stillen!
Zeker, nog nooit was een democratie zich minder zichzelf bewust geweest. Waar zij, zooals men zeide, terugverlangden naar de oude monarchie, onder welke hun rechten op dit leven van zorgelooze armoede beter verzekerd schenen te zijn, moest men zich wel afvragen, of het noodzakelijk was zich om hunnentwil zooveel moeite te geven, voor hen, tegen hun zin, meer kennis en bewustzijn, meer welvaart en waardigheid te veroveren. Toch steeg in Pierre's hart bij deze vroolijkheid van hongerlijders, die door de bedwelming van de zon in het leven geroepen werd, een eindelooze droefheid op. Ja de mooie hemel, niets dan de mooie hemel bewerkte deze langdurige jeugd van dat volk, verklaarde, waarom de democratie niet vlugger ontwaakte. O, zeker, de armen van Rome en Napels leden gebrek aan alles; maar in hun hart bleef niet de wrok, dat zij van koude gerild hadden, terwijl de rijken zich warmden voor groote vuren; zij kenden niet de woeste droomen in de door sneeuw koude krotten voor een dun stukje kaars, dat dadelijk uitgebrand zou zijn; zij kenden niet den dan opvlammenden drang, om zichzelf gerechtigheid te verschaffen, kenden niet den plicht van opstand, om vrouw en kinderen van de tering te redden, om zelf ook een warm nestje te hebben, waarin leven mogelijk was. Ja, de ellende, die koude lijdt, is het toppunt, neen het exces van sociale onrechtvaardigheid, de vreeselijke school, waarin de arme zijn lijden leert kennen, ertegen in opstand komt en zweert er een einde aan te zullen maken, ook al moet de oude wereld daardoor ten gronde gaan!
En in dezen milden hemel vond Pierre ook een verklaring voor den Heiligen Franciscus van Assisi, dien goddelijken bedelaar uit liefde, die langs de wegen trok en de heerlijke bekoring der armoede bezong. Hij was ongetwijfeld een onbewust revolutionnair en protesteerde, door dezen terugkeer tot de liefde voor de armen, tot den eenvoud van de oorspronkelijke Kerk, op zijn wijze tegen de overmatige weelde van het Romeinsche Hof. Maar nooit zou zulk een ontwaken van onschuld en matigheid kunnen plaats hebben in een Noordelijk land, dat verstart onder de December-vorsten. Daarvoor is de betoovering der natuur, de matigheid van een door de zon gevoed volk, de door de lauwe wegen steeds gezegende bedelarij noodig. Slechts op die wijze had hij tot volkomen zelfvergetelheid en zelfverloochening kunnen komen. En toen drong zich een eerst onoplosbaar schijnende vraag aan hem op: hoe had een Heilige Franciscus, een ziel, die alle schepselen, de dieren en de dingen, met een zoo vurige broederliefde liefhad, eens kunnen ontstaan op deze aarde, die tegenwoordig zoo liefdeloos, zoo hard voor de armen is, haar mindere volk veracht en niet eens haar paus haar aalmoes geeft? Had de oude hoogmoed de harten uitgedroogd of leidde de ervaring van zeer oude volkeren ten slotte tot egoïsme, dat de ziel van Italië ingesluimerd scheen te zijn in haar dogmatisch en pronkzuchtig Katholicisme, terwijl de terugkeer tot het Evangelische ideaal, de liefde tot de armen en ongelukkigen, in onze dagen ontwaakte in de sombere vlakten van het Noorden, onder de van zon beroofde volkeren? Dat alles werkte samen, maar vooral was het de reden, waarom de Heilige Franciscus, nadat hij zijn dame, de Armoede, zoo vroolijk getrouwd had, haar blootsvoets en nauwlijks gekleed in de heerlijke lente kon leiden te midden van bevolkingen, waarin toen een vurige behoefte aan medelijden en liefde brandde.
Al pratende waren Pierre en Narcisse op het plein voor de St. Pieter gekomen. Zij gingen zitten voor de deur van het restaurant, waarin zij reeds eenmaal gedejeuneerd hadden, aan een der kleine tafeltjes, die met haar smoezelig linnengoed langs het trottoir stonden. Maar het uitzicht was prachtig: tegenover hen de basilica, rechts boven de majestueuze zuilengaanderij het Vaticaan. Dadelijk had Pierre opgekeken naar het Vaticaan, dat hem als het ware niet losliet, vooral naar die tweede verdieping met de altijd gesloten ramen, waar de paus woonde, waar nooit iets levends te zien was. Toen de kellner de hors-d'oeuvre, finocchi en ansjovis bracht, gaf de priester een klein gilletje, om de aandacht van Narcisse te trekken.
"Kijk toch eens, waarde vriend... Daar aan het raam, dat, naar men zegt, dat van den Heiligen Vader is... Ziet u daar niet een witte, onbeweeglijke gestalte staan?"
De jonge man begon te lachen.
"Dat moet de Heilige Vader in eigen persoon zijn, u verlangt zoo zeer hem te zien, dat uw wensch hem als het ware bezweert."
"Maar ik verzeker u," zei de Pierre nogmaals, "dat erachter de ramen een witte gestalte staat, die naar ons kijkt."
Narcisse, die trek had, at, maar bleef onder het eten door schertsen. Dan plotseling ernstig:
"Daar de paus naar ons kijkt, is het het geschikte oogenblik, om nog eens over hem te praten... Ik heb u beloofd u te zullen vertellen hoe hij de millioenen van het erfdeel van den Heiligen Petrus verloren heeft in die verschrikkelijke financieele catastrophe, waarvan u de puinhoopen zooeven gezien hebt, en een bezoek aan de nieuwe wijk in de Prati del Castello zou niet volledig zijn, als het niet besloten werd met dat verhaal."
En zonder zich iets van het dejeuner te laten ontgaan, vertelde hij de lange geschiedenis. Bij den dood van Pius IX bedroeg het erfgoed van den Heiligen Petrus meer dan twintig millioen. Lang had kardinaal Antonelli, die speculeerde en over het algemeen goede zaken maakte, dat geld gedeeltelijk bij Rothschild en gedeeltelijk in de handen van sommige nuntii gelaten, die in opdracht hadden het in het buitenland goed te beleggen. Maar na den dood van kardinaal Antonelli vroeg zijn opvolger, kardinaal Simeoni, het geld aan de nuntii terug, om het in Rome te plaatsen. In dien tijd, onmiddellijk na zijn troonsbestijging, riep Leo XIII met het doel het erfgoed te besturen, een commissie van kardinalen in het leven, waarvan monsignor Folchi tot secretaris benoemd werd. Deze prelaat, die gedurende twaalf jaar een belangrijke rol speelde, was de zoon van een ambtenaar aan de Daterie [18], die bij zijn dood een door handige speculatie bij elkaar gekregen millioen naliet. Monsignor Folchi was in vele opzichten het evenbeeld van zijn vader en liet zich weldra als een financier van de eerste kracht kennen, zoodat de commissie hem langzamerhand alle macht in handen gaf, hem volkomen de vrije hand liet en er zich toe bepaalde het rapport, dat hij in elke zitting indiende, goed te keuren. Het erfgoed gaf niet veel meer dan een millioen rente, en daar de uitgaven tot zeven millioen opliepen, moesten de zes andere elders gevonden worden. De paus gaf jaarlijks drie millioen van den St. Pieterspenning aan monsignor Folchi, die gedurende de twaalf jaar, dat hij het financieele beheer voerde, het wonder verrichtte die te verdubbelen door zijn handige speculaties en beleggingen, zoodat men den uitgaven het hoofd kon bieden zonder het erfgoed aan te spreken.
Zoo behaalde hij in de eerste tijden groote winsten door zijn grondspeculaties te Rome. Hij nam aandeelen in alle nieuwe ondernemingen, speculeerde in molens, omnibussen en waterleidingen, afgezien van een in overeenstemming met een Katholieke bank, de Banca di Romana, gevoerden wisselhandel. De paus, die tot dusverre zijnerzijds ook gespeculeerd had door bemiddeling van een vertrouwensman, een zekeren Sterbini, was over monsignor Folchi's handigheid zóó verbaasd, dat hij Sterbini ontsloeg en den kardinaal opdroeg ook met zijn geld te speculeeren, zooals hij het met dat van den Heiligen Stoel gedaan had. Dit was de tijd, dat monsignor Folchi op het toppunt van zijn macht stond. Dan begonnen de slechte dagen: de bodem kraakte reeds en als met donderslagen stortte alles in.
Ongelukkigerwijze bestond een der operaties van Leo XIII hierin, dat hij aan den Romeinschen adel, die, verteerd door den hartstocht voor het spel en in grond- en bouwspeculaties gewikkeld, geen geld had, groote sommen leende; deze gaf hem als borgstelling aandeelen, zoodat, toen de debacle kwam, hij niets dan vodjes papier in handen had. Bovendien was er nog een geheel andere, zeer rampspoedige geschiedenis, n.l. de poging, om te Parijs een bank op te richten, met het doel om obligaties, die Italië zelf niet hebben wilde, te plaatsen onder de vrome, aristocratische clientèle in Frankrijk; als lokaas zeide men, dat de paus daarin betrokken was, en het ergste was inderdaad, dat hij bij die zaak drie millioen verloor. Kort en goed, de toestand werd des te kritieker, daar hij ten slotte de millioenen, waarover hij beschikte, in de vreeselijke speculatiepartijen gestoken had, die in Rome onder de vensters van het Vaticaan afgespeeld werden.
Ongetwijfeld werd ook hij door de speelwoede verteerd, misschien ook koesterde hij heimelijk de hoop om door het geld de stad, die men hem met geweld ontrukt had, terug te winnen. De geheele verantwoordelijkheid van dat alles rustte op hem, want nooit stak monsignor Folchi geld in een belangrijke onderneming, zonder hem te raadplegen. Zoo was hij door zijn hebzucht en door zijn zedelijk hooger staanden wensch, om aan de Kerk de moderne almacht van het grootkapitaal te geven, de werkelijke bewerker van de ramp geworden. Maar, zooals het altijd gaat, de kardinaal werd de eenige zondenbok. Hij had een heerschzuchtig en moeilijk karakter; de kardinalen van de commissie sympathiseerden niet met hem, vonden de zittingen volmaakt overbodig, omdat hij als onbeperkt heerscher handelde en men alleen bijeenkwam, om goed te keuren, wat hij wel zoo goed was omtrent zijn operaties mede te deelen. Toen de catastrophe losbrak, werd een complot gesmeed: de kardinalen maakten den paus bang met de praatjes, die de ronde deden en dwongen daarna monsignor Folchi aan de commissie rekening en verantwoording af te leggen. De toestand was buitengewoon zorgwekkend, reusachtige verliezen konden niet meer vermeden worden.
Zoo viel hij in ongenade; van af dat oogenblik heeft hij steeds weer vergeefs om een audiëntie bij Leo XIII gevraagd, die, hardvochtig, steeds geweigerd heeft hem te ontvangen als om hem te straffen voor hun gemeenschappelijke fout, de hebzucht van hen beiden. Maar monsignor Folchi heeft zich nooit beklaagd: vroom, onderworpen en berustend heeft hij zijn geheim bewaard. Niemand zou het cijfer van de millioenen, die het erfgoed van den Heiligen Petrus in de catastrophe van het in een speelhol veranderde Rome gelaten heeft, met juistheid kunnen zeggen; sommigen beweren tien, anderen weer dertig millioen. Het meest aannemelijk is echter, dat er vijftien millioen verloren gegaan zijn.
Na de coteletten met tomaten bracht de kellner een gebraden kip.
"Het gat is nu gestopt," eindigde Narcisse zijn verhaal, "ik heb u al verteld van de reusachtige sommen, die de St. Pieterspenning opgebracht heeft en waarvan de paus, die over het geheele bedrag beschikt, alleen het juiste cijfer kent... De les is niet voldoende geweest om hem te verbeteren, want ik hoor uit goede bron, dat hij nog altijd speculeert, al is het dan ook voorzichtiger. Zijn vertrouwensman is thans weer een prelaat, monsignor Marzolini, geloof ik, die zijn geldzaken regelt... En hij heeft groot gelijk, je moet met je tijd medegaan."
Pierre had met toenemende verbazing geluisterd, waarin zich een soort schrik en droefheid mengde. Dit alles was zeer natuurlijk, zelfs gerechtvaardigd, maar in zijn droom van een zielenherder, die hoog boven, ver en vrij van alle wereldlijke zorgen troonde, had hij nooit geloofd, dat zoo iets had kunnen bestaan. Wat, de paus, de geestelijke vader van armen en ongelukkigen, had gespeculeerd met bouwterreinen, met Beurswaarden! De opvolger van den Apostel, de pontifex van Christus, van den Jezus van het Evangelie, den goddelijken vriend der lijdenden, had gespeculeerd, zijn kapitaal belegd bij Joodsche bankiers, zooveel mogelijk geld uit zijn geld willen slaan! En dan, welk een pijnlijke tegenstelling: zooveel millioenen daarboven in de kamers van het Vaticaan, weggesloten in het een of andere geheime meubelstuk--zooveel millioenen, die vruchtdragend werkten, die onophoudelijk belegd en weer teruggenomen werden, om steeds maar meer op te brengen, die als gouden eieren met de hartstochtelijke teederheid van een vrek uitgebroed werden! En daar vlak bij, beneden, in de afschuwlijke, onvoltooide gebouwen van het nieuwe stadsgedeelte zooveel ellende, zooveel arme menschen, die in hun vuil van honger stierven, moeders zonder melk voor haar zuigelingen, mannen, door gebrek aan werk tot nietsdoen gedoemd, grijsaards, die zich afbeulden als lastdieren, welke men doodslaat, als zij tot niets meer nut zijn! O, God van barmhartigheid, God van liefde, was dat mogelijk? Ongetwijfeld had de Kerk materieele behoeften, zij kon niet zonder geld leven en het was een verstandige en zeer politieke gedachte om voor haar een schat bijeen te brengen, die haar in staat stellen zou haar tegenstanders te overwinnen! Maar hoe vernederend, hoe bezoedelend was dat alles! Zij daalde van haar goddelijke hoogte af, om niet meer te zijn dan een partij, een groote internationale vereeniging, die georganiseerd was met het doel om de wereld te veroveren en te bezitten!