Part 3
Gedurende de drie eerste eeuwen was iedere kerk een communistische poging, een echte gemeenschap, waarvan de leden alles gemeenschappelijk bezaten, behalve de vrouwen. De apologeten en de eerste Kerkvaders leggen er getuigenis van af; het Christendom was toen niets anders dan de godsdienst der nederigen en der armen, een democratie, een socialisme, dat de Romeinsche maatschappij bestreed. En toen deze eindelijk, door het geld verrot en vermolmd, instortte, toen bezweek zij meer nog dan onder den vloed der barbaren en het heimelijke termietenwerk der Christenen onder de wormstekige banken en den financieelen krach. De geldquaestie lag steeds aan alles ten grondslag. Daarvoor kreeg men een nieuw bewijs, toen het Christendom, dank zij de historische, maatschappelijke en menschelijke toestanden eindelijk triompheerde en tot staatsgodsdienst verklaard werd. Om zijn overwinning ten volle te verzekeren, zag het zich genoodzaakt steun te zoeken bij de rijken en de machtigen; en het zou, als het niet zoo treurig was, belachelijk zijn om te zien door welke spitsvondigheden en sophismen de Kerkvaders ertoe komen in het Evangelie van Jezus de verdediging van het bezit te ontdekken. Voor het Christendom was het een politieke bestaansnoodzakelijkheid; slechts ten koste van dezen prijs is het Katholicisme de universeele godsdienst geworden.
Van af dat oogenblik richt de vreeselijke machine zich als veroverings- en regeeringswapen steeds meer in de hoogte: bovenaan bevinden zich de rijken, de machtigen, wier plicht het is met de armen te deelen, maar die het niet doen; onderaan de armen, de werkers, wien men berusting en gehoorzaamheid leert door hun het Rijk der toekomst, de goddelijke en eeuwige schadeloosstelling te beloven. Het is een wonderbaar monument, dat eeuwen geduurd heeft, waarin alles gebouwd is op de belofte van het hiernamaals, op die onleschbare dorst naar onsterfelijkheid en rechtvaardigheid, waardoor de mensch verteerd wordt.
Dat eerste deel van zijn boek, die geschiedenis van het verleden, had Pierre aangevuld met een in groote trekken ontworpen studie over het Katholicisme tot aan onze dagen. Eerst was het de Heilige Petrus, een onwetende, onrustige geest, die door een genialen inval naar Rome kwam en de oude orakels, die den Capitolinus de eeuwigheid voorspeld hadden, in verwezenlijking gaan deed. Daarna waren het de eerste pausen, eenvoudige leiders van begrafenisvereenigingen. Hierna begon het langzame opklimmen van het almachtige pausdom in een eeuwigen veroveringsstrijd om de geheele wereld, zonder ophouden trachtend zijn droom van universeele heerschappij te verwezenlijken. In de Middeleeuwen onder de groote pausen geloofde het een oogenblik zijn doel te bereiken, de souvereine heerscher der volkeren te zijn. Was de absolute waarheid niet de paus, opperpriester en koning der aarde, heerschend, als God zelf, wiens vertegenwoordiger hij is, over de zielen en de lichamen van alle menschen. Deze bovenmatige, maar volkomen logische eerzucht verwezenlijkte zich in Augustus, keizer en pontifex, meester over de geheele wereld; en steeds weer is het de uit de ruïnen van het oude Rome oprijzende figuur van Augustus, die de pausen geen oogenblik losliet; het bloed van Augustus stroomde door hun aderen.
Maar daar na de instorting van het Romeinsche Rijk de macht zich gehalveerd had, moest de paus aan den keizer de wereldlijke heerschappij overlaten en kon hij voor zichzelf slechts het recht behouden hen in opdracht van God te zalven. Het volk behoorde aan God, de paus gaf in Gods naam het volk aan den keizer en kon het hem weer afnemen: een grenzenlooze macht, waarvan de excommunicatie het vreeselijke wapen was, een opperheerschappij, die voor het pausdom den weg tot de werkelijke en definitieve inbezitneming van het keizerrijk baande. In het kort, de eeuwige strijd tusschen paus en keizer ging om het volk, dat zij elkander betwistten, om de lijdelijk toeziende massa der eenvoudigen van geest en lijdenden, om het groote zwijgende volk, welks ongeneeslijk lijden zich slechts nu en dan door een dof gemor verried. Men beschikte, tot zijn welzijn, er over als over een kind; maar de Kerk droeg werkelijk tot de beschaving bij, bewees diensten aan de menschheid en gaf rijke aalmoezen. Steeds weer kwam, ten minste in de kloosters, de oude droom der Christelijke gemeenschap terug: een derde gedeelte der opgehoopte rijkdommen voor den eeredienst, een derde voor de priesters en een derde voor de armen. Werd daardoor het leven niet vereenvoudigd? Werd den geloovigen door het afstand doen van aardsche wenschen en door de belofte van ongehoorde, hemelsche vreugde het leven niet dragelijk gemaakt? Geeft ons de geheele wereld, dan zullen wij alle aardsche goederen in drie deelen verdeelen, dan zult gij zien welk een gouden eeuw te midden van aller berusting en gehoorzaamheid heerschen zal.
Maar vervolgens toonde Pierre aan hoe het pausdom bij het einde der Middeleeuwen, den tijd van zijn almacht, door de grootste gevaren bedreigd werd. De Renaissance met haar weelde en verwildering van zeden, met haar overstroomende levenskracht, die uit de eeuwige, gedurende eeuwen geminachte en voor dood verklaarde natuur ontsprong, sleepte het bijna met zich mede. Maar nog dreigender was het onbewust ontwaken van het volk, den grooten zwijger, wiens tong los scheen te geraken. De Hervorming barstte los als een protest van de rede en de gerechtigheid, als een herinnering aan de miskende waarheden van het Evangelie; en Rome kon van een volkomen verdwijnen slechts gered worden door de hardhandige verdediging der Inquisitie, het langzame en hardnekkige werken van het Concilie van Trente, dat het dogma sterker maakte en de wereldlijke macht bevestigde.
Toen trad het pausdom in twee eeuwen van vrede en van bescheiden op den achtergrond blijven, want de krachtige, absolute monarchieën, die Europa onderling verdeeld hadden, konden het buiten de pausen stellen, sidderden niet meer voor de onschadelijk geworden banbliksems, aanvaardden den paus slechts als een ceremoniemeester, aan wien sommige riten opgedragen waren. Onder de bezitters van het volk was het evenwicht verstoord: de koningen hadden nog steeds het volk Gods in hun macht, maar de paus moest er zich toe bepalen het geschenk voor eens en voor altijd te registreeren, zonder zich ooit, welke gelegenheid zich ook voordeed, in de regeering der staten te kunnen mengen.
Nooit was Rome verder verwijderd geweest van de verwezenlijking van zijn eeuwigen droom der wereldheerschappij. En toen de Fransche Revolutie uitbrak, kon men gelooven, dat de verkondiging der rechten van den mensch het pausdom, dat de bewaarder was van het goddelijk recht, hetwelk God het over de volkeren had opgedragen, dooden zou. Welk een angst in den beginne dan ook in het Vaticaan, welk een woede, welk een wanhopige verdediging tegen het denkbeeld van vrijheid, tegen het nieuwe Credo der bevrijde rede en der weer meesteres over zichzelf geworden menschheid. Het was een schijnbare ontknooping van den langen strijd tusschen keizer en paus om het bezit van het volk: de keizer verdween, en het volk, vrij in den vervolge over zichzelf te beschikken, wilde zich ook onttrekken aan den paus: een onvoorziene oplossing, waarbij de geheele oude stelling van het Katholicisme in puin scheen te moeten vallen.
Hier eindigde Pierre het eerste gedeelte van zijn boek met een herinnering aan het primitieve Christendom tegenover het hedendaagsche Katholicisme, dat de triomf der rijken en machtigen is. Had het Katholieke Rome de Romeinsche maatschappij, die Jezus in naam der armen en eenvoudigen van geest was komen verwoesten, na eeuwen met zijn geld- en hoogmoedspolitiek niet weer opnieuw opgebouwd? Welk een treurige ironie, wanneer men na achttien eeuwen van het Evangelie nog constateeren moest, dat de wereld voor de tweede maal instortte door wormstekige banken, door een financieelen krach, door de schreeuwende onrechtvaardigheid, dat een paar menschen zich vol konden proppen met rijkdommen, terwijl duizenden van hun broeders van honger omkwamen! Het geheele reddingswerk moest weer opnieuw begonnen worden. Maar Pierre zeide die vreeselijke dingen met zoo zachte, zoo medelijdende, zoo hoopvolle woorden, dat zij hun revolutionnair gevaar verloren hadden. Trouwens nergens viel hij het dogma aan. Zijn boek was in zijn sentimenteelen dichtvorm, waarin een vurige naastenliefde brandde, niets dan de kreet van een apostel.
Vervolgens kwam het tweede gedeelte van het werk, het heden, een studie van de tegenwoordige Katholieke maatschappij. Daarin gaf Pierre een vreeselijke beschrijving van de ellende der armen, van de ellende eener groote stad, die hij uit eigen aanschouwing kende, waarvan zijn hart nog bloedde, nu hij de vergiftigde wonden ervan aangeraakt had. De onrechtvaardigheid was niet langer meer te dulden, de liefdadigheid werd onmachtig, het lijden zoo verschrikkelijk, dat in het hart van het volk alle hoop stierf. Had het monsterachtige schouwspel, dat de Christenheid aan de wereld bood, er niet toe bijgedragen om het geloof in het volk te dooden? Haar gruwelen bedierven het, maakten het krankzinnig van haat en wraaklust.
En onmiddellijk na dat beeld van een verrotte, op het punt van instorten staande beschaving, vatte hij de geschiedenis weer op bij de Fransche Revolutie, bij den grenzenloozen hoop, die de vrijheidsidee aan de wereld gegeven had. Bij haar aan het bewind komen had de bourgeoisie, de groote, liberale partij, op zich genomen eindelijk het geluk van allen te verzekeren. Maar helaas schijnt de vrijheid, zooals de ervaring van een eeuw leert, den onterfden niet meer geluk gegeven te hebben. Op politiek gebied begint een desillusie te ontstaan. In ieder geval lijdt, al moge de derde stand zich, sedert hij regeert, voldaan verklaren, de vierde stand, de arbeiders, blijft nog altijd zijn deel opeischen. Men heeft hen vrij verklaard, men heeft hun politieke gelijkheid toegekend, maar dat zijn per slot van rekening belachelijke geschenken, want zij hebben evenals vroeger onder hun economische slavernij slechts de vrijheid om van honger te sterven. Alle socialistische eischen komen daaruit voort, van nu af aan is het verschrikkelijke probleem, welks oplossing de tegenwoordige maatschappij dreigt te vernietigen, tusschen arbeid en kapitaal gesteld.
Toen de slavernij uit de oude wereld verdween, om plaats te maken voor het loonstelsel, was de omwenteling ontzaglijk; en zonder eenigen twijfel was de Christelijke idee een der machtigste factoren, die de slavernij vernietigd hebben. Waarom zou dan thans, nu het er om gaat het loonstelsel door iets anders te vervangen, misschien door het deel krijgen van de arbeiders in de winst, het Christendom niet trachten een nieuw aandeel daarin te hebben? Deze naderende, niet tegen te houden opkomst der democratie is een nieuwe phase in de geschiedenis der menschheid, de maatschappij van morgen, die zich aan het vormen is. En Rome kan zich daartegenover niet lijdelijk houden, het pausdom moest in dien strijd partij kiezen, als het niet van de wereld wilde verdwijnen als een geheel en al nutteloos geworden raderwerk.
Daaruit ontstond de rechtmatigheid van het Katholieke socialisme. Toen van alle kanten de socialistische secten elkaar met hun oplossingen het volksgeluk betwistten, moest de Kerk de hare geven. Hier nu verscheen het nieuwe Rome, hier verbreedde de evolutie zich in een herleving van onbegrensde hoop. Het stond vast, dat de Katholieke Kerk in haar grondstellingen niets tegen de democratie had. Integendeel zij behoefde slechts de Evangelische traditie weer op te vatten, opnieuw de Kerk der armen en eenvoudigen van geest te worden, om de universeele Christelijke gemeenschap te herstellen. Haar wezen is democratisch, en dat zij zich aan de zijde der rijken en machtigen geschaard heeft, toen het Christendom het Katholicisme werd, is alleen een gevolg van het feit, dat zij, met opoffering van haar oorspronkelijke zuiverheid, gehoorzamen moest aan de noodzakelijkheid van zelfverdediging, zoodat zij, wanneer zij nu de zijde van de heerschende, maar tot ondergang gedoemde klassen verlaat, om terug te keeren tot het volk der ongelukkigen, zich eenvoudig dichter aansluit bij den Christus, een verjongingskuur ondergaat, zich bevrijdt van politieke compromissen, waaronder zij zich zoo lang heeft moeten bukken.
In alle tijden heeft de Kerk zich, zonder in één enkel opzicht afstand te doen van het absolute, weten te plooien naar de omstandigheden; zij behoudt haar volkomen souvereiniteit, zij duldt eenvoudig wat zij niet kan verhinderen, zij wacht, zelfs eeuwen lang, geduldig op het oogenblik, dat zij weer de meesteresse der wereld worden zal. En zou dat oogenblik niet nu, niet in de naderende crisis slaan? Weer betwisten alle machten zich het bezit van het volk. Sedert vrijheid en onderwijs het hebben opgevoed tot een macht, tot een wezen, dat met volle bewustzijn en krachtigen wil zijn deel opeischt, willen alle regeeringen het voor zich winnen, erdoor, ja zelfs ermede regeeren. Het socialisme is de toekomst, het nieuwe regeeringswerktuig; allen doen aan socialisme, de op hun troonen wankelende koningen, de bourgeois-leiders van onrustige, woelige republieken, de eerzuchtige volksmenners, die van macht droomen. Allen zijn het erover eens, dat de kapitalistische staat de terugkeer tot de heidensche wereld, tot de slavenmarkt is; allen willen de afschuwelijke ijzeren wet breken, die van den arbeid een aan de wetten van vraag en aanbod onderworpen koopwaar maakt, die het loon berekent naar het strikt noodzakelijke, dat de arbeider noodig heeft, om niet van honger om te komen.
Beneden verergeren de kwalen, worden de arbeiders door ellende en wanhoop gekweld, terwijl over hun hoofden heen de discussies worden voortgezet, de stelsels zich kruisen, de goede wil zich uitput in het beproeven van niets uitwerkende middelen. Het is het rondtrappelen op één plaats, het is de krankzinnige verbijstering, die aan naderende catastrophen voorafgaat. En tusschen de andere is het Katholieke socialisme, even vurig als het revolutionnaire socialisme, op zijn beurt in den strijd getreden en tracht te overwinnen.
Nu volgde een studie over de krachtsinspanning van het Katholieke socialisme in de geheele Christenheid. Daarbij was bijzonder opvallend, dat de strijd levendiger en succesvoller werd, zoodra hij geleverd werd op een terrein, dat nog niet geheel gewonnen was voor het Christendom, zooals bijvoorbeeld in die landen, waar het Katholicisme zich tegenover het Protestantisme bevond. Daar streden de priesters met eene ongewone heftigheid voor hun leven, betwistten zij den dominé's het bezit van het volk door vermetel-democratische theorieën.
In Duitschland, het klassieke land van het socialisme was monseigneur Ketteler een der eersten, die den rijken belastingen wilde opleggen, stichtte hij later een uitgebreide beweging, die thans met behulp van talrijke vereenigingen en couranten door den geheelen clerus geleid wordt. In Zwitserland verdedigde monseigneur Mermillod de zaak der armen zoo krachtig, dat thans de bisschoppen bijna gemeene zaak maken met de democratische socialisten, ongetwijfeld in de hoop hen op den dag der verdeeling te bekeeren.
In Engeland, waar het socialisme zoo langzaam doordringt, behaalde kardinaal Manning belangrijke successen, koos hij tijdens een reusachtige staking de zijde der werklieden, riep hij een volksbeweging in het leven, die talrijke aanhangers kreeg. Maar vooral in Amerika, in de Vereenigde Staten vierde het Katholieke socialisme triomfen in die democratische omgeving, welke bisschoppen als monseigneur Ireland ertoe noodzaakte zich aan het hoofd der arbeiderseischen te stellen: een geheele nieuwe Kerk schijnt daar te ontkiemen, zonder vaste vormen nog, maar overvloeiend van levenskracht en bezield met grootsche verwachtingen, als stond zij reeds aan den dageraad van het verjongde Christendom. Als men dan naar Oostenrijk en België, Katholieke landen, oversteekt, ziet men, dat in het eerste het Katholieke socialisme zich vermengt met het anti-semitisme, en dat het in het tweede geen uitgesproken karakter bezit, terwijl de beweging minder wordt, ja zelfs verdwijnt, zoodra men in Spanje en in Italië, die oude landen van het geloof, komt; Spanje, geheel overgeleverd aan de gewelddaden van revolutionnairen, met zijn stijfhoofdige bisschoppen, die er zich mede vergenoegen als in de dagen der Inquisitie hun banbliksems naar de ongeloovigen te slingeren; Italië verstard in de traditie, zonder eenig initiatief, rondom den Heiligen Stoel tot zwijgen en eerbied gedwongen.
In Frankrijk echter bleef de strijd levendig, maar was het vooral een ideeënstrijd; de oorlog ging over het geheel tegen de Revolutie, en het scheen voldoende te zijn de oude organisatie der monarchistische tijden te herstellen, om tot de gouden eeuw terug te keeren. Op die wijze werd het vraagstuk der werkliedencorporaties het punt, waar alles om draaide, als ware dat de panacee voor alle kwalen der arbeidende klassen. Maar omtrent de oplossing was men het allesbehalve met elkaar eens: sommigen, de Katholieken, die de inmenging van den Staat afwezen en een zuivere moreele actie voorstonden, wilden vrije corporaties, terwijl anderen, de jongeren, de ongeduldigen, die tot handelen besloten waren, verplichte, door den Staat erkende en beschermde corporaties met voldoende eigen kapitaal wilden.
Vicomte Philibert de la Choue vooral had in woord en geschrift een vurige campagne ten gunste van de verplichte corporaties gevoerd; en zijn grootste verdriet was, dat hij er den paus nog niet toe had kunnen bewegen zich uit te spreken, of de corporaties open of gesloten moesten zijn. Zijns inziens hing het lot der maatschappij, de vreedzame oplossing der sociale quaestie of de gewelddadige catastrophe, die alles met zich mede slepen zou, daarvan af. In den grond der zaak was hij, hoewel hij het niet bekennen wilde, ten slotte overgegaan tot het staatssocialisme. Ondanks het gebrek aan overeenstemming bleef de agitatie bestaan, werden pogingen gedaan, die echter weinig succes hadden: coöperatieve verbruiksvereenigingen, arbeiderswoningvereenigingen, volksbanken, louter min of meer gemaskeerde pogingen, om tot de oude Christelijke gemeenschappen terug te keeren, terwijl te midden van de verwarring van den tegenwoordigen tijd, te midden van de onrust der geesten en de politieke moeilijkheden, die het land doormaakte, de militante Katholieke partij haar hoop met den dag grooter voelde worden, tot de blinde zekerheid toe, dat de wereldheerschappij spoedig weer in haar handen zijn zou.
Het tweede deel van het boek eindigde met een schildering van de intellectueele en moreele malaise, waartegen het einde der eeuw streed. De groote massa der arbeiders moge lijden onder de slechte verdeeling en eischen, dat men hun bij een nieuwe deeling ten minste het dagelijksch brood verzekert, de elite is evenmin meer tevreden: zij is wanhopig over de leegte, die haar bevrijde rede, haar zich uitgebreid hebbend begrip in haar achtergelaten hebben. Het is het beruchte bankroet van het rationalisme, van het positivisme, van de wetenschap zelf. De geesten, die verteerd worden door den drang naar het absolute, worden het langzame tasten van die wetenschap moede, welke alleen de bewezen waarheden aanvaardt; zij worden weer aangegrepen door den angst voor het mysterie; zij hebben een volkomen en onmiddellijke synthese noodig, om in vrede te kunnen slapen; en gebroken, razend gemaakt door de gedachte, dat zij nooit alles zullen weten, vallen zij onderweg weer op hun knieën, God, het in een geloofsformule onthulde onbekende, verkiezend.
Inderdaad ook thans nog stilt de wetenschap noch onzen dorst naar gerechtigheid, noch onze begeerte naar zekerheid, noch de eeuwenoude idee, die wij ons maken van het geluk, en die in een voortleven, in eeuwige genietingen bestaat. Zij laat de wereld alleen nog maar spellen, zij brengt voor een ieder slechts de strenge, solidaire verplichting te leven, een eenvoudige factor in den universeelen arbeid te zijn. Hoe begrijpelijk is dan ook de opstand, het verzet des harten, het verlangen naar den Christelijken hemel met zijn mooie engelen, vol licht en muziek en geuren. O, wanneer men zijn dooden kussen en tot zichzelf zeggen kan, dat men ze terug zal vinden, dat men met hen in een glorierijke onsterfelijkheid herleven zal! Wanneer men deze zekerheid van een opperste gerechtigheid bezit, om de afschuwlijkheden van dit aardsche bestaan te kunnen dragen! Wanneer men daardoor aan de verschrikkelijke gedachte aan het Niet, aan de vreeselijke voorstelling van het verdwijnen van het Ik ontsnappen en zoodoende eindelijk rust vinden kan in het onwankelbare geloof, dat de gelukkige oplossing van alle problemen van het levenslot verschuift naar den dag na den dood.
Dien droom zullen de volkeren nog lang droomen. Dat verklaart ook, waarom aan het einde dezer eeuw ten gevolge van de overwinning der geesten, ten gevolge ook van de groote onrust, waarin zich de van een nieuwe wereld zwanger gaande menschheid verkeert, het religieuse gevoel weer ontwaakt is. Het is onrustig, snakt naar het ideale en het oneindige, eischt een moreele wet en de zekerheid van een opperste gerechtigheid. De godsdiensten kunnen verdwijnen, het religieuse gevoel zal er nieuwe scheppen, zelfs met behulp van de wetenschap. Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst! En was het niet het oude Katholicisme, dat op het punt stond in deze hedendaagsche wereld, waar alles dat wonder scheen te begunstigen, opnieuw zou ontkiemen, weer groene loten zou doen ontspruiten en zich met een frisschen bloemenpracht tooien zou?
Eindelijk had, in het derde deel van zijn boek, Pierre met de vlammende woorden van een apostel geschilderd hoe de toekomst, het verjongde Katholicisme eruit zou zien, dat aan de in doodsangst verkeerende volkeren vrede en gezondheid, de vergeten gouden eeuw van het oorspronkelijke Christendom teruggeven zou. Hij begon met een roerende en verheerlijkende beschrijving van Leo XIII, den idealen paus, den uitverkorene, aan wien de redding der volkeren opgedragen was. Hij had hem zich zoo voor den geest geroepen, hij had hem zoo gezien in zijn brandend verlangen naar de komst van een herder, die een einde maken zou aan de ellende. Het was geen buitengewoon gelijkend portret, neen het was de onmisbare redder, de onuitputtelijke naastenliefde, het groote hart en de breede geest, zooals hij zich die droomde. Toch had hij de documenten, de encyclieken bestudeerd, de geheele figuur op feiten opgebouwd: op zijn religieuse opvoeding te Rome, de korte nuntiatuur te Brussel, zijn lang episcopaat in Perugia.