Part 29
Benedetta had het rijtuig bij een kruispunt van de eenzame straten laten ophouden; en nu liep zij aan den arm van Dario door die breede, stille, met onkruid begroeide wegen, die als voor verliefde paren aangelegd zijn. Beiden waren verrukt over de wandeling, dachten niet meer aan het treurige, waarvoor zij waren gekomen.
"Wat een goddelijk weer!" zeide zij vroolijk, terwijl zij naar de twee vrienden toe ging. "Wat schijnt de zon heerlijk!... Het doet je goed een beetje te loopen net alsof je op het land bent!"
Dario was de eerste, die ophield te lachen tegen den blauwen hemel, zich te vermeien in de vreugde met zijn nicht aan zijn arm te wandelen.
"Omdat je bij je gril blijft, die zeker onzen geheelen mooien dag bederven zal, moeten we toch naar die menschen toe... Maar eerst moet ik me even oriënteeren. Ik weet nooit goed den weg op plaatsen waar ik niet gaarne kom... En bovendien is deze wijk met haar doode straten, haar doode huizen zoo moeilijk; je ziet niets dat je je herinnert, geen winkel, die je den weg aanwijst... Maar ik geloof, dat het hier is. Ga maar mee, we zullen wel zien."
De vier wandelaars gingen naar het middelste gedeelte van de wijk, dat op den Tiber uitziet. Hier was zich een bevolking gaan vormen. De eigenaars van sommige afgebouwde huizen, hebben daar zoo goed als het kan voordeel van door ze tegen zeer lage prijzen te verhuren; ze werden zelfs niet boos, wanneer de huur eens wat lang op zich wachten liet. Ambtenaren met een klein inkomen en jonge huishoudens zonder geld hadden zich dus gevestigd en betaalden wel langzaam, maar toch altijd iets. Doch het ergste was, dat tengevolge van het sloopen van het vroegere Ghetto en van de doorbraken, waarmede men wat licht gebracht had in Trastevere, ware horden brood- en daklooze haveloozen, die zelfs bijna geen kleeren hadden, in de onafgemaakte huizen waren neergestreken en er met hun ellende en hun ongedierte bezit van genomen hadden. Men had de oogen wel moeten sluiten, deze brutale inbeslagneming moeten dulden, wanneer men niet wilde, dat deze verschrikkelijke ellende zich op de openbare straat ten toon spreidde. Aan deze vreeselijke gasten dus waren de groote gedroomde paleizen ten deel gevallen, de reuzengebouwen van vier of vijf verdiepingen, die men door monumentale deuren binnenging, en die versierd waren met groote standbeelden en langs welker gevels gebeeldhouwde, door cariatiden gesteunde balkons liepen.
Het houtwerk van deuren en ramen ontbrak; iedere van deze ongelukkige families had haar keuze gedaan, bewoonde of een geheele vorstelijke verdieping of gaf de voorkeur aan kleinere vertrekken, waarin ze zich konden ophoopen. De ramen waren meestal met planken dichtgespijkerd; de deuren met behulp van lompen dichtgestopt. Armzalige stukken linnengoed hingen op de gebeeldhouwde balkons te drogen, pavoiseerden met hun vuile vlaggen deze doodgeboren, in hun trots verdeemoedigde gevels. Een snelle slijtage, allerlei vuiligheden zonder naam bezoedelden reeds de mooie witte gebouwen, bespatten en bestreepten ze met smerige vlekken; door de prachtige deuren, die gemaakt waren voor het koninklijk uitrijden van equipages, stroomde een vieze beek van afval en drek, waarvan de poelen dan op den trottoirloozen rijweg vervuilden.
Tot tweemaal toe had Dario hen denzelfden weg al laten loopen. Hij verdwaalde steeds meer en meer en werd hoe langer hoe somberder.
"Ik had links moeten afslaan. Maar hoe kan je dat ook weten in zoo'n omgeving?"
Nu zagen zij heele troepen kinderen vol ongedierte in het stof kruipen. Zij waren buitengewoon vuil, bijna naakt; hun huid was heelemaal zwart, hun haren borstelig als bosjes paardenhaar. Vrouwen liepen rond in smerige rokken, haar openstaande jakken lieten borsten en heupen als van overwerkte lastdieren zien. Velen stonden krijschend met elkander te praten; anderen zaten, met haar handen op haar knieën, op oude stoelen en bleven, zonder iets te doen, urenlang in dezelfde houding zitten. Mannen zag men maar heel weinig. Slechts enkelen lagen op hun buik zwaar tusschen het rossige gras in de zon te slapen.
Maar vooral de geur was vreeselijk, een geur van vuile ellende; het menschelijke vee leefde daar in zijn drek en die stank werd nog erger door de uitwasemingen van een klein marktje, dat zij moesten oversteken: bedorven vruchten, gekookte, zure groenten, reeds den vorigen dag in gestolten en ranzig vet gebraden spijzen, die arme koopvrouwen van den grond af verkochten, terwijl een troep hongerige kinderen gulzig toekeek.
"Kort en goed, ik weet het niet meer," zeide de prins tot zijn nicht. "Wees verstandig, we hebben er nu genoeg van gezien; laten we naar het rijtuig teruggaan."
Inderdaad leed hij, en zooals Benedetta zelf gezegd had, hij kon niet lijden. Het scheen hem een monsterachtige misdaad toe zijn leven door een dergelijke wandeling somber te maken. Het leven was gemaakt, om het licht en prettig in de volle zon te leven. Men moest het alleen door mooie schouwspelen, gezang en dans opvroolijken. En in zijn naïef egoïsme had hij een waren afschuw van het leelijke, van de armoede, van het lijden, zoodat het zien alleen ervan hem reeds een onbehagelijk gevoel, een soort lichamelijke en moreele uitputting gaf.
Maar Benedetta, die evenals hij huiverde, wilde tegenover Pierre dapper zijn. Zij keek hem aan en daar zij zag hoe geïnteresseerd hij was, welk een hartstochtelijk medelijden zich van hem meester gemaakt had, wilde zij haar poging om deelneming met de armen en ongelukkigen te toonen, niet opgeven.
"Neen, neen, we moeten blijven, beste Dario... De heeren willen alles zien, niet waar?"
"Ja, het tegenwoordige Rome ligt hier," zeide Pierre. "Dit hier zegt meer dan alle klassieke wandelingen door ruïnes en monumenten."
"Nu overdrijft ge, mijn waarde," zeide Narcisse op zijn beurt. "Maar ik stem toe, dat het interessant, zeer interessant is... Vooral de oude vrouwen zijn prachtig, vol uitdrukking..."
Op dat oogenblik kon Benedetta, die een buitengewoon mooi jong meisje voor zich zag, een kreet van gelukkige bewondering niet onderdrukken.
"O che bellezza!" [17]
Dario, die haar herkend had, riep met dezelfde verrukte uitdrukking uit:
"O, dat is Pierina... Zij zal ons den weg wijzen."
Het kind liep de groep reeds een oogenblik na, zonder echter dichterbij te durven komen. Haar blikken, die straalden van de vreugde van een verliefde slavin, hadden zich vurig op den prins gericht; dan nam zij de contessina op, doch zonder eenigen haat, met een soort teedere onderworpenheid, een soort berustend geluk, dat ook zij heel mooi was. En zij was in waarheid zooals de prins haar afgeschilderd had: groot, sterk, met een godinnenhals, een echte antieke, een twintigjarige Juno met een ietwat te krachtige kin, een zeldzaam regelmatigen mond en neus, groote koeoogen en een stralend, als door de zon verguld gelaat onder een kroon van zware, zwarte haren.
"Wil jij ons den weg wijzen?" vroeg Benedetta vertrouwlijk glimlachend, reeds getroost over het vele leelijke bij het denkbeeld, dat er dergelijke wezens konden bestaan.
"Ja zeker, mevrouw, ja zeker, dadelijk!"
Zij liep voor hen uit met haar groote schoenen zonder gaten en in een oude bruinwollen japon, die zij blijkbaar kort geleden had gewasschen en gestopt. Men merkte aan alles, dat zij eenigszins coquet, dat zij op reinheid gesteld was, wat van de anderen niet gezegd kon worden, indien tenminste niet alleen haar groote schoonheid uit haar armzalige kleederen straalde en een godin van haar maakte.
"Che bellezza! che bellezza!" werd de contessina niet moede uit te roepen. "Het is werkelijk een genot, dat meisje aan te kijken."
"Ik wist wel, dat zij in je smaak vallen zou," antwoordde hij eenvoudig, gevleid over zijn vondst; hij sprak niet meer over heengaan, nu hij eindelijk zijn oogen kon laten rusten op iets, dat mooi was om te zien.
Achter hen kwam Pierre, eveneens verrukt, wien Narcisse, in wiens smaak het zeldzame en gekunstelde slechts viel, zijn bezwaren mededeelde.
"Zeker, zeker, zij is mooi... Maar in den grond der zaak is er niets plompers en zielloozers dan dit Romeinsche type... Achter haar huid is niets dan bloed, niets bovenaardsch."
Maar Pierina was blijven staan en wees met een handbeweging op haar moeder, die voor de hooge deur van een onafgebouwd paleis op een half kapotte kist zat. Ook zij moest heel mooi geweest zijn, doch nu op haar veertigste jaar reeds was zij vervallen; haar oogen waren uitgedoofd door de ellende, haar mond met de zwarte tanden misvormd, haar gezicht doorploegd met diepe, slappe rimpels, haar boezem buitengewoon groot en afhangend. Bovendien was zij akelig-smerig; haar grijzende, ongekamde haren fladderden in verwarde lokken, haar rok en jak zaten vol vlekken en lieten het vuil op haar ledematen zien. Met haar beide handen hield zij een slapenden zuigeling, haar jongste kind, op haar knieën. Zij keek het wicht als terneergeslagen en moedeloos aan met de uitdrukking van een in zijn lot berustend lastdier, als een moeder, die kinderen op de wereld gebracht en gevoed heeft, zonder te weten waarom.
"Ja, ja!" zeide zij opkijkend; "dat is de mijnheer, die me een daalder is komen brengen, omdat hij je huilend aangetroffen had. En nu komt hij met zijn vrienden nog eens naar ons kijken. Ja, ja, er zijn toch nog goede zielen."
Toen vertelde zij haar geschiedenis; maar onverschillig, zonder zelfs te trachten hun medelijden op te wekken. Zij heette Giacinta en was getrouwd met een metselaar, Tommaso Gozzo, bij wien zij zeven kinderen gehad had, Pierina, dan Tito, een grooten jongen van achttien jaar, en nog vier meisjes telkens na twee jaar, en nu eindelijk dit kind, een jongen. Heel lang hadden zij in dezelfde woning in Trastevere gewoond, een oud huis, dat echter gesloopt was. En het scheen, dat men tezelfdertijd hun bestaan gesloopt had, want sedert zij hun toevlucht gezocht hadden in de Prati del Castello, trof hen de eene ramp na de andere, de vreeselijke crisis in de bouwvakken, die Tommaso en haar zoon Tito werkeloos gemaakt had, de sluiting van de wasparelenfabriek, waar Pierina tenminste nog twintig centesimi verdiende, zoodat zij niet van honger behoefden om te komen. Maar nu werkte niemand, leefde de heele familie van het toeval.
"Als u soms liever naar boven wilt? Daar zult u Tommaso vinden met zijn broer Ambrogio, dien we bij ons genomen hebben; zij zullen beter met u kunnen praten en alles vertellen, wat gezegd moet worden... Wat zal ik u zeggen? Tommaso rust uit net als Tito, hij slaapt, omdat hij toch niets beters te doen heeft."
Met haar hand wees zij naar een jongen, flinken kerel met een grooten neus, een harden mond en dezelfde mooie oogen als Pierina, die languit in het dorre gras lag. Al die menschen niet vertrouwend, had hij even opgekeken. Een toornige plooi kwam op zijn voorhoofd, toen hij merkte met welk een verrukten blik zijn zuster naar den prins keek. Hij liet zijn hoofd weer achterover vallen, doch sloot zijn oogleden niet, maar loerde eronder door naar hen.
"Pierina, wijs jij mevrouw en den heeren den weg eens."
Enkele andere vrouwen, wier naakte voeten in afgeloopen pantoffels staken, waren dichterbij gekomen; troepen kinderen, halfgekleede meisjes, waarbij ongetwijfeld de vier van Giacinta waren, wriemelden om haar heen. Allen geleken met haar zwarte oogen onder de verwarde kroesharen zoo op elkaar, dat alleen de moeders ze onderscheiden konden; het was als een opschieten, als een kampeeren der ellende in de volle zon midden in deze majestueuse ongeluksstraat, die door onvoltooide en reeds in puin vallende paleizen omzoomd werd.
"Neen, ga niet mee naar boven," zeide Benedetta zacht en met een glimlachende teederheid tegen haar neef; "ik wil je dood niet, beste Dario. Het is al heel lief van je, dat je tot hier meegegaan bent. Nu mijnheer de abbé en mijnheer Habert met me medegaan, kan je best hier buiten in de heerlijke zon wachten."
Ook hij begon te lachen en gaf gaarne gevolg aan haar wensch; hij stak een sigaret aan en ging met kleine pasjes op en neer loopen.
Pierina was vlak onder de groote portiek doorgegaan. Deze had een hoog, met rosetvormige vakken versierd gewelf; maar in de vestibule bedekte een echte mestvaalt de marmeren tegels, die men reeds was begonnen te leggen. Dan kwam de monumenteele steenen trap met de gescheurde en gebeeldhouwde leuning; de treden waren reeds gebroken en met zulk een dikke laag vuil bedekt, dat zij wel zwart geleken. Overal hadden handen vettige sporen achtergelaten.
Op het groote portaal van de tweede verdieping bleef Pierina staan en riep door de opening van een groote, openstaande deur zonder lijst of vleugels:
"Vader, een dame en twee heeren willen u spreken."
En zich dan tot de contessina wendend:
"Heelemaal achteraan, in de derde kamer!"
En zij maakte zich uit de voeten, liep veel vlugger de trap af dan zij hem opgegaan was; zij wilde Dario weer zien.
Benedetta en de twee heeren liepen twee zeer groote kamers door; de grond vertoonde heuveltjes van afgevallen kalk, de ramen stonden wijd open. Eindelijk kwamen zij in een kleineren salon, waar de geheele familie Gozzo, met wat zij nog aan meubelen over had, huisde. Op den grond lagen op de onbedekt gebleven ijzeren dwarsbalken vijf of zes vuile, door zweet verteerde stroozakken. Een lange, nog goede tafel stond in het midden, evenals een paar oude, met touwen vastgebonden stoelen, waaruit echter de stroozittingen verdwenen waren. Maar het zwaarste werk was toch geweest twee van de drie ramen met planken dicht te spijkeren, terwijl het derde en de deur gesloten waren met oud, vuil linnen vol gaten.
Tommaso, de metselaar, scheen verbaasd, blijkbaar was hij dergelijke liefdadigheidsbezoeken niet gewend. Hij zat met zijn beide ellebogen en zijn kin tusschen zijn handen aan de tafel uit te rusten, zooals zijn vrouw Giacinta gezegd had. Het was een flinke kerel van een vijf-en-veertig jaar met een zwaren haar- en baardgroei, een groot, lang gezicht en, ondanks zijn niets doen, de waardigheid van een Romeinsch edelman. Bij het zien van de twee heeren, in wie hij onmiddellijk vreemdelingen rook, stond hij met een plotselingen aanval van wantrouwen op. Maar zoodra hij Benedetta herkende, begon hij te glimlachen; en toen zij hem het doel van haar komst vertelde en zeide, dat Dario beneden gebleven was, viel hij haar in de rede:
"Ik weet het, ik weet het, contessina... Ik weet heel goed, wie u bent, want ik heb, toen mijn vader nog leefde, in den palazzo Boccanera eens een raam dichtgespijkerd."
Dan liet hij zich gewillig uitvragen. Aan Pierre, die verbaasd luisterde, antwoordde hij, dat er wel geen geluk heerschte, maar dat zij toch zouden hebben kunnen leven, wanneer ze maar twee dagen per week konden werken. Het was heel goed aan hem te merken, dat hij heel graag de buikriem toehaalde, als hij maar op zijn gemak leven kon. Het was weer precies de geschiedenis van den slotenmaker, die, toen een reiziger hem liet roepen om het slot van een koffer te openen, waarvan de sleutel was weggeraakt, absoluut weigerde in zijn siësta-uurtje te komen. Daar er zooveel ledige paleizen voor de armen openstonden, behoefde men geen huur meer te betalen, en ze waren zoo gauw tevreden en stelden zulke lage eischen, dat enkele centisimi voor voedsel voldoende geweest zouden zijn.
"Ja, mijnheer, onder den paus ging alles beter... Mijn vader, die evenals ik, metselaar was, heeft zijn geheele leven in het Vaticaan gewerkt: trouwens, wanneer ik tegenwoordig nog werk heb, is het altijd daar... Ziet u eens, wij zijn allemaal verwend door die tien jaar, dat er zooveel werk was, dat je niet van den ladder kwam en verdiende wat je wilde. Natuurlijk kon je beter eten, je beter kleeden en behoefde je je geen pleiziertje te ontzeggen, en daarom is het des te harder dat nu wel te moeten doen... Maar als u ons onder den paus eens hadt kunnen zien! Geen belastingen, alles voor niets, je behoefde alleen maar te leven!"
Op dat oogenblik klonk van een der stroozakken in de schaduw der dichtgespijkerde ramen, een gebrom.
"Dat is mijn broer Ambrogio," ging de metselaar op zijn gelaten, kalmen toon voort, "hij is het niet met me eens... In '49, toen hij veertien was, heeft hij met de republikeinen medegedaan... Maar dat hindert niets, we hebben hem toch bij ons genomen, toen we hoorden, dat hij van honger en ellende in een kelder omkwam."
De bezoekers doorhuiverde een rilling van medelijden. Ambrogio was vijftien jaar ouder dan zijn broeder en, hoewel hij nauwlijks zestig was, nog slechts een ruïne: hij werd door koorts verteerd en zijn beenen waren zóó mager, dat hij zijn dagen op zijn stroomatras doorbracht, zonder ooit uit te gaan. Hij was kleiner, magerder en drukker dan zijn broeder en vroeger schrijnwerker geweest. Maar ondanks zijn lichamelijk verval had hij nog een zeer helder hoofd, het edele en tragische gelaat van een apostel en een martelaar.
"De paus, de paus," bromde hij, "ik heb nooit iets kwaads gezegd van den paus, maar het is toch zijn schuld, dat de tyrannie blijft voortduren. Hij alleen had ons in '49 de republiek kunnen geven, en dan zou het met ons niet zoo gesteld zijn, zooals het nu het geval is."
Hij had Mazzini gekend en koesterde nog steeds diens onbestemd ideaal van een republikeinschen paus, die vrijheid en broederschap op aarde zou doen heerschen. Maar later verwarde zijn hartstocht voor Garibaldi dit begrip; van af dat oogenblik hield hij het pausdom voor onwaardig en niet in staat om te werken aan de bevrijding der menschheid, zoodat hij zweefde tusschen het droombeeld van zijn jeugd en zijn harde levenservaring. Verder had hij altijd gehandeld onder den invloed van een heftige emotie en bleef het bij mooie woorden, bij vage, onbestemde verlangens.
"Ambrogio," begon Tommaso, nog altijd even kalm, weer; "de paus is de paus, en wie verstandig is, kiest zijn partij, omdat hij altijd de paus zijn zal, dat wil zeggen de sterkste. Als we morgen stemmen moesten, zou ik voor hem stemmen."
De oude werkman haastte zich niet met een antwoord. De bedachtzame voorzichtigheid van zijn ras had hem kalm gemaakt.
"Ik zou tegen hem stemmen, Tommaso, altijd tegen hem... En je weet heel goed, dat wij altijd de meerderheid zouden hebben. Met den paus-koning is het uit. De Borgo zelf zou daartegen in opstand komen... Maar dat wil niet zeggen, dat we ons niet met hem verstaan moeten, opdat de godsdienst van iedereen gerespecteerd wordt."
Vol belangstelling luisterde Pierre. Hij waagde het een vraag te stellen.
"En zijn er in Rome veel socialisten onder het volk?"
Ditmaal liet het antwoord zich nog langer wachten.
"Socialisten, mijnheer de abbé, ja zeker, enkelen, maar lang zooveel niet als in andere steden... Dat zijn nieuwigheden, waarbij de ongeduldigen zich aansluiten zonder er heel veel van te begrijpen... Wij, ouderen, waren voor de vrijheid, wij zijn niet voor brandstichten en moorden."
Waarschijnlijk was hij bang in tegenwoordigheid van die dame en die heeren te veel te zeggen, want hij begon te steunen, terwijl hij zich op zijn matras uitstrekte. Intusschen maakte de contessina, die last begon te krijgen van den stank, aanstalten om weg te gaan, na den priester gewaarschuwd te hebben, dat het beter zou zijn hun aalmoes beneden aan de vrouw te geven.
Reeds was Tommaso weer met zijn kin tusschen zijn handen aan de tafel gaan zitten en groette zijn gasten zonder zich om hun weggaan meer te bekommeren dan om hun komen.
"Tot ziens! Het was mij een groot genoegen u van dienst te kunnen zijn!"
Maar op den drempel kon Narcisse zijn geestdrift niet meer bedwingen. Hij keerde zich om, om nog eens den kop van den ouden Ambrogio te bewonderen.
"Mijn waarde abbé, wat een meesterwerk! Dat is heerlijk, dat is schoon! Hoeveel minder banaal is dat dan het gezicht van dat meisje... Hier ben ik er zeker van, dat een geslachtelijke valstrik mij niet in een onreine verleiding brengt. Ik geraak om lage redenen niet in verrukking... En bovendien, welk een oneindigheid is er in die rimpels, welk een mysterie in die diepe oogen, welk een geheimzinnigheid in die stoppelige haren en baard! Zoo stel je je een profeet, God den Vader voor!"
Beneden zat Giacinta nog met haar zuigeling op de half kapotte kist; eenige passen verder stond Pierina voor Dario en keek met een verrukt gezicht, hoe hij zijn sigaret oprookte, terwijl Tito nog als een dier in het gras op den loer lag en hen geen oogenblik uit het oog verloor.
"O, mevrouw," begon Giacinta met haar berustende en temende stem; "nu hebt u het zelf gezien, het is bijna niet bewoonbaar! Het eenige goede ervan is, dat je er werkelijk wat ruimte hebt. Maar aan den anderen kant tocht het er altijd zóó, dat je er ieder oogenblik van den dag een doodelijke kou kan vatten. En dan ben ik altijd bang voor de kinderen met het oog op de gaten."
Zij deed het verhaal van een vrouw, die, toen zij op het portaal wilde gaan, een raam voor een deur aangezien had, op straat gevallen en onmiddellijk dood was. Een meisje had haar armen gebroken door van een trap te vallen, die geen leuning had. Bovendien zou je er kunnen sterven, zonder dat iemand het wist of op het denkbeeld komen zou je op te rapen. Den vorigen dag nog had men achter in een afgelegen kamer het lijk van een ouden man gevonden, die minstens een week geleden van honger gestorven moest zijn; hij zou er zeker nog langer blijven zijn liggen, als de vreeselijke stank den buren zijn aanwezigheid niet verraden had.
"En als je nu nog maar te eten hadt!" ging Giacinta voort. "Maar wanneer je niet eet en je een kind voeden moet, dan heb je geen melk. De kleine zuigt je gewoon je bloed uit je lichaam! Hij wordt boos, wil wat hebben--och, en dan begin ik te huilen, want het is mijn schuld niet, dat er niets is."
Inderdaad waren er tranen in haar oogen gekomen. Maar een plotselinge woede maakte zich van haar meester, toen zij merkte, dat Tito nog steeds als een beest in het zonnetje lag, wat zij al heel onbeleefd vond voor die hooge dame en heeren, die haar zeker een aalmoes zouden geven.
"Hei, Tito, luilak, kan je niet opstaan, wanneer er menschen zijn?"
Hij hield zich eerst doof, maar stond toch eindelijk kwaadgehumeurd op. Pierre, die belang stelde in den jongen, trachtte hem aan het praten te krijgen, zooals hem dat boven met den vader en den oom gelukt was. Doch hij kreeg slechts korte, wantrouwende, gemelijke antwoorden uit hem. Als je geen werk hadt, was slapen het eenige, dat er overbleef. Met kwaad worden veranderde je de dingen toch niet. Het beste was te leven zoo goed en zoo kwaad als het ging, zonder het je moeilijk te maken. Wat de socialisten betreft, ja misschien waren er enkelen, maar hij kende ze niet. En uit zijn indolente, onverschillige houding bleek heel duidelijk, dat, ook al mocht de vader voor den paus en de oom voor de republiek zijn, hij, de zoon, voor niets was. Pierre voelde daarin het einde van een volk of liever gezegd den slaap van een volk, waarin nog geen democratie ontwaakt was.
Maar toen de priester door bleef vragen, hoe oud hij was, op welke school hij geweest was, in welke wijk hij geboren was, viel Tito, terwijl hij met zijn vinger op zijn borst wees, hem met een ernstige stem in de rede:
"Io son Romano di Roma!"
Inderdaad, was dat niet het antwoord op alles? "Ik ben een Romein uit Rome!" Pierre glimlachte droevig en zweeg. Nooit had hij beter den hoogmoed van het ras, het oeroude, zoo zwaar op de schouders drukkende erfdeel van den roem gevoeld. In dezen gedegenereerden jongen, die nauwlijks lezen of schrijven kon, herleefde de onbeperkte ijdelheid der Caesars. Deze hongerlijder kende de stad, zou instinctmatig de mooiste bladzijden uit haar geschiedenis kunnen vertellen. Hij was vertrouwd met de namen der groote keizers en groote pausen. Waarom te werken, nadat men de meester der wereld geweest was? Waarom zou men in de mooiste stad, onder den mooisten hemel, niet in voornaam nietsdoen leven?
"Io son Romano di Roma!"