De drie steden: Rome

Part 28

Chapter 283,733 wordsPublic domain

Voor deze arme, hongerige bergbewoners begon in dit wellustige zuiden, waarin het zoo heerlijk is om te leven, de drijfjacht der begeerten, zoodat het verrukkelijke klimaat, op zichzelf reeds zoo verderfelijk, de moreele ontbinding verhaastte. Bovendien behoefde men zich in den beginne inderdaad slechts te bukken; het geld was tusschen de puinhoopen der eerste gesloopte wijken met schoppen vol op te rapen. Handige lieden, die het tracé der nieuwe straten als het ware roken, hadden zich meester gemaakt van de terreinen, die onteigend zouden moeten worden, en vertiendubbelden binnen twee jaar hun vermogen. Nu greep de besmetting nog verder om zich heen en vergiftigde langzamerhand de geheele stad; de bewoners werden op hun beurt ook medegesleept, alle standen door waanzin aangegrepen, de vorsten, de bourgeois, de kleine huiseigenaars tot winkeliers, slagers, kruideniers toe. Zoo vertelde men later van een eenvoudigen bakker, die een bankroet van vijf-en-veertig millioen geslagen had.

Het was niets meer dan een wanhopige, schandelijke, koortsachtige speculatie, die in de plaats van het geregelde pauselijke lotto gekomen was, een speculatie met millioenen, waarbij de terreinen en bouwwerken iets fictiefs, slechts een voorwendsel voor Beursoperaties werden. De oude atavistische trots, die van Rome de hoofdstad der wereld maken wilde, werd door deze speculatiekoorts opgezweept tot hoogmoedswaanzin; er werd gekocht en gebouwd, om weer te verkoopen, zonder maat, zonder ophouden, zooals aandeelen gelanceerd worden, zoolang de persen er drukken willen.

Nooit had een stad in haar evolutie een dergelijk schouwspel geboden. Wanneer men het thans tracht te begrijpen, staat men gewoonweg perplex. Het bevolkingscijfer was de vierhonderd duizend overschreden en scheen dan stationnair te blijven; maar dit belette niet, dat de nieuwe wijken steeds dichter uit den grond opschoten. Voor welk toekomstig volk bouwde men met zooveel woede? Door welke zinsverbijstering kwam men ertoe niet te wachten op de nieuwe bewoners, om duizenden woningen gereed te maken voor families, die misschien komen zouden? De eenige verontschuldiging was, dat bij voorbaat als vaststaande aangenomen werd, dat het derde Rome, de triompheerende hoofdstad van Italië, niet minder dan een millioen zielen tellen kon. Zij waren niet gekomen, maar zij zouden zeker komen; daaraan kon geen patriot twijfelen zonder vaderlandsschennis te begaan. En men bouwde, bouwde, bouwde zonder ophouden voor de vijfhonderdduizend onderweg zijnde burgers. Men bekommerde zich zelfs niet om den dag van hun aankomst, het was voldoende, dat men op hen rekende. In Rome waren ook maatschappijen tot het maken van groote wegen door de oude, ongezonde, gesloopte wijken gevormd en deze verkochten of verhuurden haar terreinen, waardoor zij groote winsten behaalden.

Doch naarmate de waanzin steeg, werden er meer maatschappijen opgericht, om den honger naar winst te bevredigen; zij hadden ten doel om buiten Rome nog meer nieuwe wijken, steeds weer nieuwe wijken, ware kleine steden, waaraan niet de minste behoefte bestond, te bouwen. Bij de Porta S. Giovanni, bij de Porta S. Lorenzo rezen de voorsteden als door een wonder op. Op de reusachtige terreinen der Villa Ludovisi, van de Porta Salaria tot aan de Porta Pia, ontstond het ontwerp van een stad, en op de Prati del Castello wilde men plotseling een stad met kerk, school en markt uit den grond doen oprijzen. En dat waren geen arbeiderswoningen, geen bescheiden huizen voor den middenstand en de ambtenaren, neen, het waren groote bouwwerken, ware paleizen met drie of vier verdiepingen, met gelijkvormige, overmatig groote gevels, welke van deze nieuwe, excentrieke wijken Babylonische stadsdeelen maakten, die alleen hoofdsteden met een krachtig industrieleven, zooals Parijs en Londen, zouden kunnen bevolken. Het zijn de monsterachtige voortbrengselen van den hoogmoed en van de speculatie. En welk een droeve bladzijde uit de geschiedenis, welk een bittere les, wanneer het thans ten gronde gerichte Rome zich bovendien nog onteerd ziet door dien leelijken gordel van groote, ledige, grootendeels onafgemaakte geraamten, welker puinhoopen nu reeds de met gras begroeide straten bedekken!

De onvermijdelijke instorting, de ramp was vreeselijk. Narcisse gaf de redenen daarvoor op en lichtte de diverse stadia zoo duidelijk toe, dat Pierre alles goed begreep. Natuurlijk waren talrijke financieele maatschappijen uit die humus der speculatie opgeschoten: de Immobiliere, de Società edilizia, de Fondiaria, de Tiberina, l'Esquilino. Bijna alle lieten bouwen, richtten groote huizen op, legden heele straten aan, om ze weer te verkoopen. Maar zij speculeerden ook in bouwterreinen, stonden die met groote winsten aan kleine speculanten af, die in de door de toenemende agiokoorts verwekte kunstmatige hausse overal opschoten en eveneens van ontzaglijke winsten droomden. Het ergste daarbij was, dat deze kleine burgers, deze onervaren winkeliers zonder geld, zoo door de speculatiewoede werden opgezweept, dat zij zelf ook lieten bouwen; zij leenden van de banken en wendden zich tot de maatschappijen, van wie zij de terreinen gekocht hadden, om het voor het voltooien der gebouwen noodige geld te krijgen.

In de meeste gevallen zagen de maatschappijen, om niet alles te verliezen, zich op een goeden dag genoodzaakt de terreinen en de gebouwen, zelfs al waren zij niet afgebouwd, terug te nemen, wat een ontzaglijke opstopping veroorzaakte, waaraan zij ten gronde moesten gaan. Wanneer het millioen inwoners de woningen, die men in een zoo vreemden droom van hoop voor hen gebouwd had, waren komen betrekken, dan hadden de winsten onberekenbaar kunnen zijn. Rome was in tien jaar rijk en een der bloeiendste hoofdsteden der wereld geworden. Maar de inwoners wilden niet komen, niets werd verhuurd, de woningen stonden leeg. En toen barstte de krach met een ongekende heftigheid los en wel om twee redenen. In de eerste plaats waren de door de maatschappijen gebouwde huizen veel te groot en veel te duur, waardoor het grootste gedeelte van de gewone, middelmatige renteniers, die hun geld in grondbezit willen beleggen, afgeschrikt werden. Het atavisme had zijn werk gedaan, de bouwers hadden in hun grootheidswaanzin een reeks prachtige paleizen opgericht, bestemd, om die van de twee vorige tijdperken in het niet te doen verzinken en welke nu triest en verlaten als de meest ongehoorde getuigen van den onmachtigen hoogmoed staan bleven.

Er waren dus geen particuliere kapitalen te vinden, die de plaats der maatschappijen durfden of konden innemen. Bovendien zijn elders, in Parijs en in Berlijn, de nieuwe wijken en de verfraaiingen met nationaal kapitaal, met gespaard geld gemaakt. In Rome daarentegen werd alles gebouwd met crediet, met wissels op drie maanden en vooral met buitenlandsch geld. Men schat de aldus verslonden som op bijna een milliard, waarvan vier vijfden Fransch geld was. Het was eenvoudig een zaken doen van bankier op bankier; de Fransche bankiers leenden tegen 3 1/2 à 4 procent aan de Italiaansche, die op hun beurt aan de speculanten, aan de bouwers te Rome tegen 6, 7, ja zelfs 8 procent leenden.

Men kan zich dan ook de ramp voorstellen, toen Frankrijk, dat het verbond van Italië met Duitschland met leede oogen aanzag, binnen twee jaar zijn achthonderd millioen terugtrok. Er ontstond een reusachtige terugvloeiing, die de Italiaansche banken ledig maakte; de grondmaatschappijen en al die maatschappijen, welke in terreinen en bouwwerken speculeerden, werden nu eveneens genoodzaakt op haar beurt terug te betalen en moesten zich wenden tot de emissiemaatschappijen, die papier konden uitgeven. Tegelijkertijd dreigden zij den Staat de werken stil te zullen leggen en veertig duizend werklieden op straat te zetten, wanneer de Staat de emissiemaatschappijen niet dwong hun de vijf of zes millioen, die zij noodig hadden, te leenen, wat de Staat, bang voor een algemeen bankroet, ten slotte deed. Natuurlijk konden de vijf of zes millioen op de vervaldagen niet terugbetaald worden, omdat men de huizen niet kon verkoopen of verhuren, zoodat nu de debacle steeds verder om zich heen greep en de eene puinhoop op de andere stapelde: de kleine speculanten vielen op de bouwers, deze op de grondmaatschappijen, deze op de emissiemaatschappijen, deze op het openbaar krediet, wat de natie ruïneerde. Zoo kwam het, dat een eenvoudige stedelijke crisis een ontzettende financieele ramp, een nationaal gevaar werd. Een geheel milliard was zonder eenig nut in den afgrond verdwenen, Rome leelijk gemaakt; het droeg nu de last van zijn jonge, smadelijke ruïnes, van de gapende, ledige huizen voor de vijf of zeshonderd duizend gedroomde inwoners, die men nog steeds wacht.

Trouwens in den gierenden stormwind van den roem was ook de Staat zelfs door grootheidswaanzin aangegrepen. Alles werd erop ingericht om een triompheerend Italië te scheppen, om het land in vijf-en-twintig jaar die eenheid en die grootte te doen bereiken, waarvoor andere volkeren eeuwen hebben noodig gehad. Aan alle kanten werd dan ook met man en macht gewerkt, reusachtige uitgaven gedaan voor kanalen, havens, wegen, spoorwegen en openbare werken in alle groote steden. Men improviseerde, organiseerde de natie zonder te tellen. Na het verbond met Duitschland verslonden de oorlogs- en marinebudgetten noodeloos millioenen. En aan al die steeds stijgende behoeften werd slechts het hoofd geboden door emissies; de eene leening volgde op de andere. In Rome alleen kostte de bouw van het ministerie van Oorlog tien, die van het ministerie van Financiën vijftien millioen, terwijl meer dan tweehonderd millioen voor verdedigingswerken om de stad uitgegeven werden. Het was steeds en steeds weer het opvlammen van den noodlottigen hoogmoed, het sap van den grond, die slechts in al te groote plannen bloeien kan, de wil om de wereld te verblinden en te veroveren, die ontstaat zoodra men den voet op het Capitool zet--zelfs in het opgehoopte stof van alle menschenmachten, die daar na elkaar ingestort zijn.

"Ja, mijn waarde vriend," vertelde Narcisse verder, "als ik wilde afdalen tot praatjes, die in omloop zijn, die men elkaar in het oor fluistert, als ik u enkele feiten noemde, dan zoudt u verbluft, versteld staan over den graad van waanzin, waarin deze in den grond der zaak zoo verstandige, zoo indolente en zoo zelfzuchtige stad door de vreeselijke, besmettelijke koorts van speculatiewoede gebracht is. Niet alleen de kleine luiden, de onwetenden en dommen hebben zich ten gronde gericht, maar ook de groote families, bijna de geheele Romeinsche adel heeft daarbij zijn oude vermogens, het goud, de paleizen en de verzamelingen kunstwerken, die hij aan de vrijgevigheid der pausen te danken had, verloren. Deze ontzaglijke rijkdommen, waarvoor eeuwen van nepotisme noodig geweest zijn, om ze in de handen van enkelen op te hoopen, zijn in nauwlijks tien jaar als was gesmolten."

Dan vergat hij geheel, dat hij met een priester sprak, en vertelde hij een van die equivoque geschiedenissen.

"Laten we onzen goeden vriend Dario, prins Boccanera, even als voorbeeld nemen. Hij is de laatste van zijn geslacht en verplicht te leven van de kruimels van zijn oom, den kardinaal, die toch ook niet heel veel meer dan zijn salaris heeft. Nu, hij zou zeker nog in zijn karos rijden, als die vreemde geschiedenis van de villa Montefiori er niet tusschen gekomen was... Men zal u wel reeds op de hoogte gebracht hebben: de uitgestrekte terreinen van deze villa werden voor tien millioen aan een financieele maatschappij afgestaan; daarna werd prins Onofrio, de vader van Dario, door de speculatiewoede aangegrepen, kocht zijn eigen terreinen duur terug, speculeerde en liet bouwen; ten slotte sleurde de catastrophe behalve die tien millioen nog alles mede, wat hij zelf bezat, de overblijfselen van het eertijds zoo reusachtige fortuin der Boccanera's...

"Maar wat men u ongetwijfeld niet verteld heeft, dat zijn de geheime oorzaken, die daartoe medegewerkt hebben, de rol, die graaf Prada--ja zeker, de gescheiden echtgenoot van de bekoorlijke contessina, op wie wij nu wachten--in deze zaak gespeeld heeft. Hij was de minnaar van prinses Boccanera, de mooie Flavia Montefiori, die de villa als huwlijksgift medebracht, o, een pracht van een vrouw, veel jonger dan haar man. Welnu, algemeen wordt beweerd, dat Prada den echtgenoot in zijn macht had door die vrouw, zoodat deze weigerde zich 's avonds aan den ouden prins te geven, indien deze aarzelde zijn handteekening te zetten of zich verder in te laten in een avontuur, waarvan hij het gevaar van te voren inzag. Prada heeft er millioenen mede verdiend, die hij nu op een zeer verstandige manier verteert. En wat de mooie Flavia betreft, u weet, dat zij, na een klein vermogen uit de debacle gered te hebben, dapper afstand gedaan heeft van haar adellijken titel, om zich een knappen man te koopen, den tweeden, ditmaal jonger dan zij, van wien zij een markies Montefiori gemaakt heeft, die haar nu gezond en mooi houdt, hoewel zij de vijftig nu al gepasseerd is. In deze heele zaak is het eenige slachtoffer onze arme vriend Dario, die totaal geruïneerd is en vastbesloten met zijn nicht te trouwen, die niet veel rijker is dan hij. Weliswaar wil zij hem met alle geweld hebben en is hij niet in staat haar zoo lief te hebben als zij hem. Anders zou hij reeds lang de een of andere Amerikaansche genomen hebben, een millionnairsdochter, zooals zooveel andere vorsten gedaan hebben; ofschoon het ook zeer goed mogelijk is, dat de kardinaal en donna Serafina er zich tegen verzet zouden hebben, want dat zijn helden in hun genre, echte trotsche, koppige Romeinen, die hun bloed vrij willen houden van vreemde smetten... Enfin laten we hopen, dat die goede Dario en die bekoorlijke Benedetta samen gelukkig zullen zijn."

Hij hield op, om na eenige passen, op bijna fluisterenden toon voort te gaan.

"Een van mijn bloedverwanten heeft met die affaire der villa Montefiori een kleine drie millioen verdiend. Wat heb ik er toch dikwijls spijt van gehad, dat ik pas na den heroëntijd van het agio gekomen ben! Wat zal het hier toen amusant geweest zijn en wat was er toen een boel te verdienen voor koelbloedige spelers!"

Plotseling echter zag hij, opkijkend, voor zich het nieuwe stadsdeel der Prati del Castello; zijn geheele gelaatsuitdrukking veranderde, hij werd weer de kunstenaarsziel, die in verzet kwam tegen de moderne gruwelen, waarmede men het pauselijke Rome bezoedeld had. De kleur van zijn oogen werd bleeker, zijn blik drukte de bittere minachting uit van den in zijn liefde voor de verdwenen eeuwen gewonden droomer.

"Kijk toch eens, kijk toch eens! O, stad van Augustus, stad van Leo X, stad van eeuwige macht en eeuwige schoonheid!"

Pierre zelf kwam ook onder den indruk. Op deze plek strekten zich vroeger langs den Tiber tot aan de hellingen van den Monte Marco de vlakke, hier en daar met populieren begroeide weiden van de Engelenburg uit, breede grasvlakten, die aan den Borgo en den verren dom van de St. Pieter een groenen voorgrond gaven en die de schilders graag vereeuwigden. Nu echter verhief zich midden op die omgewoelde, rotsachtige vlakte een geheele stad, een stad van massieve, reusachtige huizen, regelmatige steenen kubussen met breede, elkaar rechthoekig snijdende straten, precies een groot dambord met symmetrische vakken. Van het eene einde naar het andere zag men dezelfde gevels; men zou het geheel voor een rij kloosters, kazernes of ziekenhuizen hebben kunnen houden, waarvan de eenvormige lijnen zich tot in het oneindige voortzetten. Maar de pijnlijke indruk, dien dit schouwspel maakte, kwam hoofdzakelijk voort uit de in den beginne onverklaarbare catastrophe, die deze stad midden in haar aanbouw verstard had, alsof op een vervloekten ochtend een booze toovenaar zijn staf opgeheven, het werk tot stilstand gebracht, de drukke werkplaatsen geledigd, de gebouwen gelaten had in denzelfden droefgeestigen toestand als waarin zij op dit oogenblik verkeerden.

Alle stadia van aanbouw vond men nog terug--van het grondwerk, de voor de fundamenten gegraven diepe gaten, welke open gebleven waren en waarin onkruid woekerde, tot geheel voltooide en bewoonde huizen toe. Er waren huizen, waarvan de muren nauwlijks boven den grond uitkwamen; andere waren tot de tweede of derde verdieping gekomen, maar door hun houten plafonds en door de open vensters stroomde de regen naar binnen; andere, die geheel opgetrokken en met een dak voorzien waren, stonden daar als geraamten, ten prooi aan de gevechten der winden, en deden aan ledige kooien denken. Ook waren er geheel afgebouwde huizen, waarvan men echter de buitenmuren niet had kunnen pleisteren; bij nog andere ontbrak het houtwerk van de deuren en ramen; weer andere hadden wel deuren en ramen, maar waren dichtgespijkerd als doodkisten, in de doode kamers was geen levende ziel te ontdekken; andere tenslotte waren bewoond, de meeste gedeeltelijk, slechts weinige geheel, maar alle levend van een niet-verwachte bevolking. Niets kan de vreeselijke triestheid van die dingen weergeven; het was een Schoone-Slaapster-stad, die door een doodelijken slaap bezocht was, nog voor zij geleefd had, en nu in afwachting van een ontwaken, dat nooit scheen te zullen komen, in de heete zon ten gronde ging.

Pierre ging met zijn gids door de breede, verlaten straten, die de roerloosheid en stilte van een kerkhof hadden. Geen rijtuig, geen voetganger kwam erdoor. Sommige hadden zelfs geen trottoir, het gras woekerde op den nog niet bestraten rijweg als op een veld, dat tot den natuurstaat terugkeert; toch stonden er reeds overal sedert jaren voorloopige gaslantaarns. Aan beide zijden hadden de huiseigenaren de vensteropeningen van den rez-de-chaussée en de verschillende verdiepingen met dikke planken hermetisch gesloten, om geen deur- en vensterbelasting te betalen. Andere huizen, waarvan de bouw nauwlijks begonnen was, waren met staketsels afgesloten, uit vrees, dat de kelders verzamelplaatsen voor alle bandieten uit het land zouden worden. Maar den treurigsten indruk maakten toch de jonge ruïnes, hooge, trotsche, onvoltooide, zelfs nog niet gepleisterde gebouwen, die hun leven van steenen reuzen nog niet eens geleefd hadden en nu reeds aan alle kanten scheurden, zoodat men ze met allerlei gecompliceerde stellingen had moeten stutten, om te voorkomen, dat zij zouden instorten. Je hart kromp ineen als in een stad, waaruit de pest, de oorlog of een bombardement de inwoners weggevaagd heeft.

Maar men werd door een nog grootere melancholie, door een grenzenlooze wanhoop aangegrepen bij de gedachte, dat dit niet een dood, maar een miskraam was, dat de verwoesting haar werk voltooien zou voordat de gedroomde, vergeefs verwachte bewoners dezen doodgeboren huizen leven zouden inblazen. Daarbij kwam nog de vreeselijke ironie, dat men op iederen hoek marmeren platen met de straatnamen zag, beroemde, aan de Geschiedenis ontleende namen, de Gracchen, de Scipio's, Plinius, Pompeius, Julius Caesar, die als een hoon, als een slag, dien het verleden de moderne onmacht in het gezicht gaf, op deze onvoltooide, instortende muren prijkten.

Wederom werd Pierre getroffen door de waarheid, dat ieder, die Rome bezit, verteerd wordt door den marmerwaanzin, door den ijdelen drang om te bouwen en aan de volkeren van morgen het gedenkteeken van zijn roem na te laten. Na de Caesars, die hun paleizen op den Palatinus ophoopten, na de pausen, die het Middeleeuwsche Rome weer opbouwden en hun wapens daarop drukten, is de Italiaansche regeering nauwlijks meester der stad, of zij wil haar onmiddellijk schitterender en grooter dan zij ooit geweest was, herbouwen. De bodem zelf suggereerde die gedachte; het bloed der Caesars steeg den nieuw aangekomenen naar het hoofd en bracht hen tot het waanzinnige denkbeeld om van het derde Rome de nieuwe koningin der aarde te maken. Vandaar de reusachtige plannen, de cyclopische kadewerken, de ministeries, die wedijveren met het Colosseum; vandaar die nieuwe wijken met hun reuzenhuizen, die als evenveel kleine stadjes om de oude stad opgeschoten zijn. Hij herinnerde zich den krijtachtigen gordel, welke de oude, rosachtige daken omgaf en dien hij vanaf den dom van de St. Pieter uit de verte als verlaten steengroeven gezien had; want niet alleen in de Prati del Castello, maar ook bij de Porta S. Giovanni, bij de Porta S. Lorenzo, bij de Villa Ludovisi, op de hoogten van den Viminalis en den Quirinalis vielen de onvoltooide en ledige wijken reeds in het gras der verlaten straten in. Ditmaal scheen het alsof na tweeduizend jaar van wonderbare vruchtbaarheid de bodem eindelijk uitgeput scheen, en de steen der monumenten daar niet meer groeien wilde.

Evenals in zeer oude boomgaarden de pruime- en kerseboomen, die men verplant, kwijnend opgroeien en sterven, zoo vonden blijkbaar de nieuwe muren geen levensvoedsel meer in dat door de eeuwenlange groei van een zoo groot aantal tempels, circussen, triomfbogen, basilica's en kerken verarmde Romeinsche stof. De moderne huizen, die men getracht had hier opnieuw tot vruchtbaarheid te brengen, de tot niets nutte, al te groote, door hereditairen eerzucht opgeblazen huizen, hadden niet tot rijpheid kunnen komen; de halve, door geopende ramen doorboorde gevels bezaten geen kracht genoeg, om op te stijgen tot het dak, waren daar onvruchtbaar blijven staan als kwijnende struiken op een terrein, dat te veel voortgebracht heeft. Het verschrikkelijk trieste lag voornamelijk hierin, dat een voorbijgegane grootheid zóó vol scheppingskracht uitloopen moest op een dergelijke bekentenis van tegenwoordige onmacht, dat Rome, hetwelk vroeger de wereld met zijn onverwoestbare monumenten bedekt had, thans niets meer dan ruïnes baarde.

"Ze zullen eens wel afgebouwd worden!" riep Pierre uit.

Narcisse keek hem verbaasd aan.

"Voor wie dan?"

Dat was juist het verschrikkelijke. Waar waren op dit oogenblik die vijf of zeshonderd duizend inwoners, van wier komst men gedroomd had, op wie men nog altijd wachtte; waar waren zij, in welke nabije landstreken, in welke verafgelegen steden woonden zij? Waar in de eerste dagen na de verovering een vurige patriotische geestdrift alleen op een dergelijke bevolking had kunnen hopen, daar moest men thans wel bijzonder verblind zijn, om nog te kunnen gelooven, dat zij ooit komen zou. De proef scheen genomen te zijn, Rome's bevolking bleef stationnair, er was geen enkele reden, die voorzien deed, dat het aantal inwoners verdubbeld zou worden, noch de genoegens, die de stad aanbood, noch de winst van een handel en van een industrie, die zij niet bezat, noch een intens maatschappelijk en intellectueel leven, waartoe zij niet meer in staat scheen. In ieder geval zouden er jaren en jaren mede heengaan. Hoe dus moest men de gereed zijnde, ledige huizen, die nog slechts op huurders wachtten, bevolken? Voor wie moest men de in geraamte-toestand gebleven woningen, die in de zon en in den regen afbrokkelden, afmaken? Zouden zij dus, gedeeltelijk vleeschloos en open voor alle winden, gedeeltelijk dichtgespijkerd en stil als graven, voor onafzienbaren tijd daar moeten blijven staan in hun vreeselijke, nuttelooze en verwaarloosde leelijkheid? Welk een verschrikkelijke getuigenis legden zij onder dien stralenden hemel af! De nieuwe heeren van Rome hadden een slecht begin gemaakt, maar zouden zij, indien zij thans wisten wat zij hadden moeten doen, ooit wat zij gedaan hebben ongedaan durven maken? Daar het milliard, dat hier ingestoken was, voorgoed verslonden en verloren scheen te zijn, begon men te verlangen naar een Nero met een onbeperkte en matelooze energie, die fakkel en spade grijpen en in naam van rede en schoonheid alles verbranden en met den grond gelijk maken zou.

"Ha!" riep Narcisse uit; "daar zijn de contessina en de prins!"