De drie steden: Rome

Part 27

Chapter 273,874 wordsPublic domain

Op die heldere, zoo heerlijk-zachte Octoberochtenden kon men zich hier geheel geven aan een eindelooze levensvreugde. Maar de priester bracht er zijn Noordelijk gepeins mede, zijn kommer om het lijden, zijn voortdurend door naastenliefde gekwelde ziel, die de liefkoozing van het heldere zonlicht in deze wellustige atmospheer voor hem nog zachter maakte. Hij ging gewoonlijk tegen den achtermuur op een stuk van een omgevallen zuil in de donkere, frissche schaduw van een grooten laurierboom zitten. Naast hem liet in de oude, verweerde sarcophaag, waarop wellustige faunen vrouwen schoffeerden, het dunne waterstraaltje, dat uit het in den muur gemetselde tragische masker viel, voortdurend zijn kristalheldere muziek weerklinken. Hij las daar de couranten, zijn brieven, een uitgebreide correspondentie met den goeden abbé Rose, die hem op de hoogte hield van zijn werk, van de ongelukkigen in het sombere, reeds door nevels kille en onder de modder liggende Parijs. O, hoe onbegrijpelijk klonken die berichten over de ellenden van het koude land, over de ellende van de moeders en van de kleinen, die weldra zouden rillen op hun slecht afgesloten dakkamertjes, van de mannen, die straks door de strenge vorst zonder werk zijn zouden, over dien doodsstrijd onder de sneeuw van al die arme menschen, hoe onbegrijpelijk klonken zij in deze warme, met heerlijke vruchtengeuren bezwangerde lucht, in dit land van den blauwen hemel en het dolce far niente, waar men zelfs 's winters, beschut voor den wind, zoo lekker op de warme steenen slapen kon!

Maar op een ochtend vond Pierre Benedetta op het als bank dienende stuk zuil zitten. Zij gaf een gilletje van verbazing en was een oogenblik verlegen, want zij had toevallig het boek van den priester in haar hand. Het Nieuwe Rome, dat zij reeds eenmaal gelezen had, zonder het echter geheel te begrijpen. Dan echter wilde zij, dat hij naast haar kwam zitten, en vertelde hem met haar gewone openhartigheid, dat zij naar den tuin gekomen was, om alleen te zijn en als een onwetende leerling zijn boek te bestudeeren. Zij praatten als vrienden; het was voor Pierre een heerlijk uurtje.

Hoewel zij het vermeed over zichzelf te praten, voelde hij toch, dat haar verdriet haar nader tot hem bracht, als had het lijden haar hart grooter gemaakt, zoodat zij zich nu het lot van allen, die leden, aantrok. In haar patriciërstrots, die de hiërarchie als een goddelijke wet beschouwde, had zij nooit aan die dingen gedacht. De gelukkigen waren boven, de ongelukkigen beneden, zonder dat eenige verandering daarin mogelijk was. En met welk een verbazing had zij bij sommige bladzijden gevoeld, welk een moeite het haar kostte zich erin te denken! Wat? Zich interesseeren voor het mindere volk, gelooven, dat het dezelfde ziel, hetzelfde verdriet had, zich moeilijk maken voor zijn vreugde als voor die van een broeder? Toch trachtte zij het, maar zonder veel succes; heimelijk was zij bang een zonde te begaan, want het is het beste niets te veranderen aan de door God ingestelde en door de Kerk bekrachtigde maatschappelijke orde. Zeker was zij weldadig, gaf de gewone kleine aalmoezen, maar zij gaf niet haar hart; altruïsme en werkelijk medegevoel ontbraken haar te eenenmale. Zij was geboren en opgegroeid in het atavisme van een geheel ander ras, dat ook in den hemel zijn tronen boven het plebs der uitverkorenen bezit.

Nog menigmaal vonden zij elkaar in de schaduw van den laurierboom dicht bij de zingende fontein terug, en Pierre, die niets te doen had en het moe werd te wachten op een oplossing, die van uur tot uur uitgesteld scheen te worden, spande al zijn krachten in, om deze jonge, mooie, in haar liefde stralende vrouw met zijn bevrijdende naastenliefde te bezielen. In het bijzonder bleef één gedachte hem voortdurend ontvlammen--de gedachte, dat hij Italië zelf zou bekeeren, de in haar onwetendheid nog sluimerende koningin der schoonheid, die haar vroegere grootte terug zou vinden, als zij met een grootere ziel, vol medelijden voor de dingen en wezens, ontwaken zou tot het begrip der nieuwere tijden. Hij las haar de brieven van den goeden abbé Rose voor, hij deed haar beven onder den snik, die uit de groote steden opsteeg. Waarom zou zij, daar zij toch zulke diep-teedere oogen had, daar van haar geheele persoonlijkheid het geluk om te beminnen en bemind te worden uitstroomde, niet met hem erkennen, dat de wet der liefde het eenige heil der lijdende, door haat in doodsgevaar geraakte menschheid was? Zij erkende het, zij wilde hem het genoegen doen te gelooven aan de democratie, aan de broederlijke hervorming der maatschappij, maar bij de andere volkeren, niet te Rome. Onwillekeurig kwam een zacht glimlachje om haar lippen, zoodra hij het visioen voor haar opriep, dat wat er van Trastevere over was broederlijk samen gaan zou met wat er van de oude vorstelijke paleizen over was. Neen, neen! Dat was al sedert te lang zoo, aan die dingen moest men niets veranderen. In één woord de leerling maakte slechts weinig vorderingen, zij werd alleen getroffen door den hartstocht van lief te hebben, die in dezen priester zoo heftig brandde, en dien hij in zijn kuischheid afgewend had van het schepsel, om hem over te brengen op de geheele schepping. Gedurende die enkele zonnige Octoberochtenden werd er tusschen deze twee een kostelijke band gelegd; in de groote liefde, waardoor zij beiden verteerd werden, hadden zij elkaar lief met een diepe, reine liefde.

Dan op een dag begon Benedetta, die met haar elleboog op den sarcophaag leunde, te spreken over Dario, wiens naam zij tot dusverre vermeden had te noemen. O, wat had hij een berouw getoond na zijn aanval van brutalen waanzin. Eerst was hij, om zijn schaamte te verbergen, drie dagen naar Napels gegaan, waarheen, naar men beweerde, Tonietta, het aanminnige meisje met de ruikers witte rozen, die dol verliefd op hem geworden was, hem dadelijk gevolgd had. Na zijn terugkeer in het paleis vermeed hij het alleen te zijn met zijn nicht, zag hij haar eigenlijk alleen op de Maandagsche receptieavonden, wanneer zijn oogen haar om vergiffenis smeekten.

"Gisteren," vertelde zij verder, "ben ik hem op de trap tegengekomen. Ik heb hem een hand gegeven, waaruit hij begreep, dat ik niet boos meer ben. Hij was er zoo gelukkig door... Och, wat zal ik u zeggen. Je moet niet zoo lang streng zijn. En bovendien ben ik bang, dat hij zich ten slotte compromitteeren zou, als hij zich, om afleiding te zoeken, te veel met haar afgaf. Hij moet weten, dat ik hem nog altijd liefheb, dat ik nog altijd op hem wacht... O, hij is van mij, van mij alleen. Hij zou dadelijk voor eeuwig in mijn armen liggen, als ik één woord zeggen kon. Maar onze zaak staat er slecht, heel slecht voor!"

Zij zweeg, twee dikke tranen stonden in haar oogen. Inderdaad scheen er in het proces tot nietigverklaring van het huwlijk geen voortgang te komen, daar zich steeds weer nieuwe hinderpalen voordeden.

Pierre werd zeer ontroerd door die tranen, welke bij haar zoo weinig voorkwamen. Dikwijls erkende zij met haar kalmen glimlach, dat zij niet huilen kon. Maar haar hart was nu week; een oogenblik leunde zij als vernietigd op den bemosten, door het water weggevreten sarcophaag, terwijl het dunne waterstraaltje met parelende fluittoontjes uit den open mond van het tragische masker stroomde. Maar voor den geest van den priester rees plotseling de gedachte aan den dood op, toen hij haar, de jonge, van schoonheid stralende vrouw half bewusteloos worden zag op den rand van den sarcophaag, waar de faunen, die zich in een razend bacchanaal op de vrouwen wierpen, de almacht der liefde verkondigden, het symbool waarvan de Ouden zoo gaarne op de graftomben beeldhouwden als een bewijs van de eeuwigheid des levens. Een licht, zacht briesje streek door de zonnige, stille eenzaamheid van den tuin en voerde den doordringenden geur der oranjeappelen en taxisboomen mede.

"Wanneer men liefheeft, is men sterk!" prevelde hij.

"Ja, ja, u hebt gelijk," antwoordde zij, reeds weer glimlachend. "Ik ben nog maar een kind... Maar daar is uw boek de schuld van. Ik begrijp het pas goed, wanneer ik lijd... Maar toch maak ik vorderingen, niet waar? Laten, nu u het wilt, alle armen mijn broeders en alle vrouwen, die verdriet hebben als ik, mijn zusters zijn!"

Gewoonlijk ging Benedetta het eerst weer naar haar kamer terug en bleef Pierre dan, alleen onder den laurierboom, nog wat toeven in den zachten geur der jonge vrouw. Hij droomde dan verward van prettige en droeve dingen. Wat was het leven hard voor arme wezens, die door den eeuwigen dorst naar geluk gekweld worden! Over hem had de stilte zich nog uitgebreid, het geheele oude paleis met de binnenplaats, waarop het gras welig opschoot, en die omgeven was door haar doode zuilengaanderij, waarin de opgegraven marmeren beelden, een armlooze Apollo en de afgebroken romp van een Venus, verweerden, sliep zijn zwaren ruïne-slaap, en deze doodsche stilte werd slechts nu en dan verbroken door het plotselinge ratelen van den karos van een prelaat, die een bezoek kwam brengen aan den kardinaal.

Op een Maandag bevonden zich tegen kwart over tienen in den salon van donna Serafina slechts de jongelui. Monsignor Nani had slechts even zijn opwachting gemaakt, terwijl kardinaal Sarno juist vertrokken was. Bij den schoorsteen zat donna Serafina op haar gewone plekje als afgezonderd; haar blikken staarden naar de onbezette plaats van advocaat Morano, die nog steeds weggebleven was. Voor de canapé, waarop Benedetta en Celia zaten, stonden Dario, abbé Pierre en Narcisse Habert te praten en te lachen. Narcisse plaagde voortdurend den jongen prins, dien hij beweerde in gezelschap van een heel mooi meisje gezien te hebben.

"Maar ontken het toch niet, mijn waarde, zij was werkelijk een prachtstuk... Zij liep naast je en jullie gingt samen een verlaten straatje in, den Borgo Angelico geloof ik. Uit bescheidenheid ben ik jullie niet verder nagegaan."

"Zeker, zeker, ik was het, ik ontken het niet... Maar het is toch heel iets anders dan je denkt."

En zich tot Benedetta wendend, die eveneens zonder een zweempje van ongeruste jaloezie glimlachte:

"Het was dat arme meisje, je weet wel, dat ik onlangs in tranen gevonden heb, een week of zes geleden, denk ik... Ja, die parelenwerkster, die zoo huilde, omdat ze geen werk meer had, en toen ik haar wat geld wilde geven, hard voor me uit liep, om me naar haar ouders te brengen... Pierina, je herinnert je nog wel?"

"Pierina, ja zeker!"

"Welnu, stel je voor, na dien tijd ben ik haar een keer of vier, vijf op straat tegengekomen. En het is zoo, zij is zóó zeldzaam mooi, dat ik een oogenblikje met haar heb staan praten... Onlangs heb ik haar bij een fabrikant gebracht. Maar zij heeft nog geen werk kunnen vinden en zij begon weer te huilen, en waarachtig ik heb haar toen, om haar wat te troosten, een zoen gegeven... Zij was er zoo gelukkig door!"

Allen lachten om het verhaal. Celia was de eerste, die weer kalm werd. En met een zeer ernstige stem zeide zij:

"Dario, zij houdt van je, dat begrijp je toch. Je moet niet zoo slecht zijn."

Ongetwijfeld was Dario van dezelfde meening, want hij keek opnieuw Benedetta aan en schudde vroolijk zijn hoofd, als wilde hij zeggen, dat, al mocht zij van hem houden, hij niet van haar hield. Een parelwerkster, een meisje uit het lagere volk, o, neen! Zij kon een Venus zijn, maar een maîtresse, neen, dat was niet mogelijk! Hij had zelf veel pleizier in het romantische avontuur, waarop Narcisse dadelijk een sonnet maakte: "De schoone parelwerkster wordt tot stervens toe verliefd op den jongen prins, die, mooi als de dag, voorbijkomt en die haar, geroerd door haar ongeluk, een geldstuk gegeven heeft; de schoone parelwerkster, diep in haar hart getroffen, daar hij even milddadig als mooi is, droomt nog slechts van hem, volgt hem overal, een vlammenband bindt haar aan zijn schreden; de schoone parelwerkster, die het geldstuk geweigerd heeft, vraagt met haar onderworpen, liefdevolle oogen als aalmoes het hart van den jongen man, dat hij haar op een avond genadig schenkt." Het woordenspel viel zeer in den smaak van Benedetta, maar Celia, die er met haar engelachtig gezichtje als een klein meisje uitzag, dat eigenlijk nog niets weten moest, bleef zeer ernstig en herhaalde droevig:

"Dario, ze houdt van je, je moet haar niet laten lijden."

Nu werd ook de contessina door medelijden bewogen.

"Zij zijn niet gelukkig, die arme menschen!"

"O," riep de prins uit, "een ellende, om niet te gelooven! Den dag, dat zij me medegenomen heeft naar de Prati del Castello, dacht ik te zullen stikken. Het is verschrikkelijk, ongelooflijk verschrikkelijk!"

"Maar ik herinner me," antwoordde zij, "dat wij het plan gemaakt hebben naar hen toe te gaan, het is heel slecht, dat we het nog niet gedaan hebben... U wilde immers met ons mede gaan, mijnheer de abbé, voor uw studies en om op die wijze de arme bevolking van Rome van nabij te zien."

Zij keek op naar Pierre, die sedert eenige oogenblikken zweeg. Het trof hem zeer, dat deze barmhartige gedachte weer bij haar opkwam, want hij voelde aan het even beven van haar stem, dat zij daarmede ook wilde laten blijken, dat zij een gedweeë leerlinge was, die vorderingen maakte in de liefde tot de ongelukkigen en armen. Onmiddellijk trouwens had de hartstocht voor zijn apostolaat zich weer meester van hem gemaakt.

"O," zeide hij, "ik zal Rome niet verlaten, voordat ik het lijdende, werk- en broodlooze volk gezien heb. Voor alle naties ligt daarin de ziekte, en redding kan slechts komen van de genezing der ellende. Wanneer de wortels van den boom geen voedsel krijgen, sterft de boom."

"Welnu, we zullen dadelijk afspreken, u gaat morgen met ons naar de Prati del Castello... Dario zal ons er brengen."

Deze, die met een verbijsterd gezicht naar den priester geluisterd had, zonder het beeld van den boom en zijn wortels goed te begrijpen, protesteerde.

"Neen, neen, waarde nicht, leid jij er mijnheer den abbé rond, als je daar lust in hebt... Ik ben er eens geweest, maar ik ga er nooit meer naar terug. Toen ik weer thuis kwam, moest ik bijna naar bed, zoo draaide alles in mij om... Neen, neen het is te vreeselijk, zulke afschuwlijkheden zijn gewoon ongelooflijk."

Op dat oogenblik kwam een ontevreden stem uit het hoekje bij den schoorsteen. Donna Serafina verbrak haar lang stilzwijgen.

"Dario heeft gelijk! Zend er je aalmoes naar toe, beste kind, ik zal er graag de mijne bijvoegen... Er zijn heel wat bezienswaardiger plekken, waar je mijnheer den abbé kunt brengen... Je zult waarachtig zorgen, dat hij een mooie herinnering aan onze stad medeneemt!"

De Romeinsche trots klonk uit haar slechte luim. Waartoe diende het de wonden der stad te laten zien aan de vreemdelingen, die hier misschien alleen met een vijandige nieuwsgierigheid kwamen. Rome moest altijd mooi zijn, men moest Rome alleen in den praal van zijn roem laten zien.

Maar Narcisse had zich van Pierre meester gemaakt.

"Ja, mijn waarde, dat is waar ook, ik heb heelemaal vergeten u die wandeling aan te raden... U moet beslist de nieuwe wijk zien, die men in de Prati del Castello gemaakt heeft. Die is heel typisch en als het ware een samenvatting van de andere; u zult zien, dat het geen verloren tijd is, daar sta ik voor in, want niets ter wereld kan u een beteren indruk van het tegenwoordige Rome geven. Het is buitengewoon, buitengewoon."

En zich dan tot Benedetta wendend:

"Is het afgesproken? Vindt u morgenochtend goed?... U zult den abbé en mij daar vinden, want ik sta erop hem eerst op de hoogte te brengen, zoodat hij alles goed begrijpt... Om tien uur, kunt u dan?"

Alvorens te antwoorden, wendde de contessina zich tot haar tante.

"Kom, tante, mijnheer de abbé heeft genoeg bedelaars in onze straten ontmoet; hij kan alles zien. En trouwens naar wat hij ons in zijn boek vertelt, zal hij te Rome niet meer zien, dan hij in Parijs reeds gezien heeft. Overal is, zooals hij ergens zegt, de honger dezelfde."

Dan richtte zij zich kalm en zacht tot Dario.

"Weet je wel, Dario, dat je me een heel groot pleizier zoudt doen, als je met me meeging. Zonder jou zou het er te veel van hebben, alsof we uit den hemel kwamen vallen. We zullen een rijtuig nemen en dan de heeren daar aantreffen; het zal een heel aardige wandelrit zijn... We zijn in geen tijd samen uit geweest."

Ongetwijfeld was dat het, waarom zij het zoo prettig vond: zij had nu een voorwendsel, om met hem samen te zijn en zich geheel met hem te verzoenen. Hij voelde dat, hij kon er zich niet aan onttrekken.

"O, lieve nicht," zeide hij schertsend, "het is jouw schuld, als ik de geheele verdere week nachtmerries heb. Een dergelijk uitstapje bederft voor acht dagen je levensvreugde."

Hij rilde al bij voorbaat. De anderen begonnen weer te lachen, en ondanks de zwijgende afkeuring van donna Serafina werd de samenkomst bepaald op den volgenden ochtend tien uur. Het speet Celia zeer, dat zij niet van de partij kon zijn. Maar zij met haar onschuld van een lelieknop, interesseerde zich slechts voor Pierina.

"Let goed op die schoonheid," fluisterde zij in de antichambre haar vriendin in; "dan kan je me vertellen, of zij werkelijk zoo mooi is, mooier dan alle anderen."

Toen Pierre den volgenden ochtend om negen uur Narcisse bij de Engelenburg vond, bemerkte hij tot zijn verbazing, dat deze weer in zijn smachtende kunstdweperij vervallen was. In den beginne was er geen sprake van de nieuwe wijken noch van den vreeselijken financieelen krach, die er het gevolg van geweest was. De jonge man vertelde, dat hij tegelijk met de zon was opgestaan, om nog een uur voor de Santa Teresia van Bernini te kunnen vertoeven. Wanneer hij die in acht dagen niet gezien had, zeide hij, leed zijn ziel daaronder, voelde hij zich verdrietig, als moest hij een dierbare geliefde missen. Hij had ook zijn uren, waarop hij haar op verschillende wijzen, anders liefhad, al naar gelang der belichting van het doek. 's Morgens in het ochtendlicht, dat haar als in een wit kleed hulde, had hij haar lief met het mystieke élan van zijn ziel; 's middags wanneer de schuine stralen der ondergaande zon op haar vielen, met den rooden hartstocht van het bloed der martelaren.

"O, mijn vriend," zeide hij met zijn moe gelaat, terwijl zijn malvekleurige oogen bijna wegzonken, "ge kunt u niet voorstellen welk een heerlijk, ontroerend ontwaken het dezen ochtend was... Een onwetende, reine maagd, die, gebroken van wellust en nog zwijmelend van het geluk door Jezus bezeten te zijn, haar oogen kwijnend opslaat... Het is om erbij te sterven."

Na een paar passen verder geloopen te hebben werd hij kalmer en ging hij op den beslisten toon van een praktisch man vol levenservaring voort:

"Kom laten we langzaam opwandelen naar de Prati del Castello, waarvan ge de gebouwen onder u ziet liggen; onderweg zal ik u vertellen, wat ik ervan weet. O, het is een buitengewoon verhaal, een van die krankzinnige aanvallen van speculatie, die mooi zijn als het monsterachtige en mooie werk van het een of andere waanzinnige genie... Ik heb het van familieleden van me gehoord, die hier gespeeld en, waarachtig, aanzienlijke sommen gewonnen hebben."

Toen vertelde hij Pierre de zeldzame geschiedenis met de duidelijkheid en nauwkeurigheid van een financier, terwijl hij de technische termen met volkomen zekerheid gebruikte. Na de verovering van Rome, toen geheel Italië als uitzinnig van geestdrift was bij het denkbeeld eindelijk de zoo lang begeerde hoofdstad, de oude, roemrijke stad, de eeuwige, aan wie de wereldheerschappij was toegezegd, te bezitten, barstte een zeer goed te begrijpen jubel van vreugde en hoop los bij het jonge volk, dat eerst gisteren geboren was en nu zoo spoedig mogelijk zijn macht wilde bewijzen. Men moest Rome in bezit nemen, het tot een moderne, een groot rijk waardige hoofdstad maken, en daarvoor was het in de allereerste plaats noodig haar gezond te maken, haar te reinigen van het vuil, dat haar onteerde. Men kan zich niet voorstellen in welk een staat van verontreiniging het Rome der pausen, la Roma sporca, waar de kunstenaars nu nog naar terugverlangen, verkeerde: er bestonden zelfs geen bestekamers, de openbare straat diende voor alle behoeften, de verheven ruïnes waren in vuilnishoopen veranderd, de omgeving van de oude vorstelijke paleizen met excrementen bevuild; kortom, overal steeg een laag van afval, puin en tot verrotting overgegane stoffen op, die de straten in vergiftigde goten veranderden, welke telkens weer de vreeselijkste epidemieën veroorzaakten. Het was dringend noodig daarin van stadswege verbetering te brengen.

Deze maatregelen beteekenden inderdaad de redding, een verjonging, een veilig verder leven. Even gerechtvaardigd was de gedachte nieuwe huizen te bouwen voor de nieuwe bewoners, die van alle kanten zouden toestroomen. Na de totstandkoming van het keizerrijk Duitschland had men hetzelfde te Berlijn zien gebeuren: de stad had haar bevolking bliksemsnel zien toenemen met honderdduizenden zielen. Rome zou zich ook zeker verdubbelen, verdrie-, vervijfvoudigen, de levende krachten der provincies tot zich trekken, het centrum van het nationale bestaan worden. Ook de trots sprak een woordje mede: men moest aan de gevallen regeering van het Vaticaan toonen, waartoe Italië in staat was, in welken glans het nieuwe Rome stralen zou, het derde Rome, dat de beide andere, het keizerlijke en het pauselijke, zou overtreffen door de pracht van zijn straten en den overstroomenden vloed van zijn inwoners.

Toch bleef de eerste jaren de bouwbeweging binnen de grenzen der voorzichtigheid. Men was verstandig genoeg slechts te bouwen, wanneer daaraan behoefte was. Met één sprong was de bevolking verdubbeld, van tweehonderdduizend tot vierhonderdduizend zielen gestegen: de kleine wereld van ambtenaren en employés, die met de verschillende takken van algemeen bestuur kwamen, de geheele groote menigte, die van den staat leeft of ervan hoopt te leven, ongerekend de nietsdoeners en genotzoekers, die een Hof steeds na zich sleept. Dat was de eerste oorzaak van den roes, niemand twijfelde eraan, of die toeneming zou blijven doorgaan, ja zelfs sterker worden. Van af dat oogenblik was de stad van gisteren niet voldoende meer, men moest zonder talmen rekening houden met de eischen en behoeften van morgen, door Rome buiten Rome over alle verlaten, oude voorsteden uit te breiden. Men sprak ook van het Parijs van het tweede Keizerrijk, dat zooveel grooter geworden, in een stad van licht en gezondheid veranderd was. Doch het ongeluk wilde, dat er aan de oevers van den Tiber geen algemeen plan bestond, dat er geen man was met een ruimen blik, die den toestand overzag en op krachtige financieele instellingen steunen kon.

Wat nu de trots, de eerzucht om het Rome der Caesars en der Pausen in glans te overtreffen, de wil om van de eeuwige, gepraedestineerde stad het centrum en de koningin der aarde te maken, begonnen was, voltooide de speculatie, een van die buitengewone agiostormen, een van die orkanen, welke, zonder dat iets ze aankondigt of tegenhoudt, ontstaan, woeden, alles vernielen en met zich sleuren. Plotseling liep het gerucht, dat terreinen, die vijf francs den meter gekost hadden, voor honderd francs verkocht werden; toen brak de koorts uit, de koorts van geheel een door speculatiewoede verhit volk. Een zwerm van speculanten was uit Boven-Italië op Rome, de edelste en makkelijkst te krijgen buit, neergestreken.