Part 26
En ook de reusachtige afmetingen van dit alles maakten indruk, de zijschepen, waar een geheele parochie zich verzamelen kon, de dwarsbeuken, groot als kerken in een volkrijke stad, een tempel, dien duizenden en duizenden geloovigen nauwlijks vulden. Zelfs de lofzang van dit volk werd iets geweldigs en steeg als een stormvlaag op tusschen de groote graftomben, de bovenmenschelijke standbeelden, langs de reusachtige zuilen tot den onmetelijken steenen hemel van het gewelf, tot het firmament van den koepel, waar het oneindige zich in den goudglans der mozaïeken opende.
Na het Te Deum, terwijl Leo XIII in plaats van den mijter de tiara opzette, den kazuifel voor den pauselijken koormantel verwisselde en zijn troon op de bij den ingang van de linkerdwarsbeuk geplaatste estrade besteeg, ontstond er een langdurig lawaai. Van af dezen troon overzag en beheerschte hij de geheele menigte, die door een huivering doorsidderd werd, als streek een ademtocht uit het onzienlijke over haar heen, toen hij na de gebeden van het rituaal opstond. Hij scheen grooter geworden onder de drievoudige-symbolische kroon, in zijn met goud omzoomden mantel. Te midden van een plotselinge, diepe stilte, die alleen verstoord werd door het kloppen der harten, hief hij met een zeer edel gebaar zijn arm op en gaf langzaam den pauselijken zegen met een luide en vaste stem, die de stem van God zelf scheen te zijn, zóó verrassend klonk zij van deze waslippen, uit dit bloed- en levenlooze lichaam. De uitwerking was verpletterend; en toen de stoet zich opnieuw vormde, om denzelfden weg terug te gaan als hij gekomen was, barstten de toejuichingen opnieuw los. De razernij van den geestdrift had zulk een paroxysme bereikt, dat het klappen in de handen niet meer voldoende was, doch zich toejuichingen en kreten daaronder mengden, die zich langzamerhand over de geheele menigte verbreidden. Het begon in een vurig-geestdriftigen groep bij het standbeeld van den Heiligen Petrus: "Evviva il papa re! Evviva il papa re!" [15] Dan volgde het den geheelen stoet als een lekkende vlam, die allengs de harten in brand stak en eindelijk uit duizenden monden knetterde als een donderend protest tegen de overweldiging der Kerkelijke Staten. Het geheele geloof, de geheele liefde der geloovigen werd door het koninklijke schouwspel van een zoo mooie ceremonie overprikkeld en keerde terug tot den droom, tot het hartstochtelijk verlangen naar een paus, die koning en pontifex was, meester der lichamen, zoowel als der zielen, onbeperkt heerscher van de wereld. Daarin lag de eenige waarheid, het eenige geluk, het eenige heil. Alles moest hem gegeven worden, de menschheid en de wereld! Evviva il papa re! Evviva il papa re!
O, deze kreet, deze krijgskreet, die zooveel fouten had doen begaan en zooveel bloed had doen stroomen, die kreet van overgave en verblinding, die, als hij werkelijkheid geworden was, de tijden van lijden teruggebracht zou hebben! Hij wekte verzet in Pierre, deed hem besluiten vlug de tribune te verlaten, om aan de besmetting van die afgoderij te ontkomen. Terwijl de stoet nog door de kerk trok, trachtte hij zich een weg te banen door den linkerzijbeuk in het gedrang en lawaai der menigte; daar hij er echter aan wanhoopte op die wijze de straat te bereiken en het woeste dringen bij den uitgang vermijden wilde, kwam hij op de gedachte van een openstaande zijdeur gebruik te maken en vluchtte hij in de vestibule, vanwaar een trap naar den dom leidde. Een sacristijn, die bij de trap stond en in verrukking was over de schitterende manifestatie, keek hem een oogenblik aan en wist niet of hij hem tegenhouden moest of niet, maar het zien van de soutane en de opwinding, waarin hij verkeerde, deed hem besluiten hem maar door te laten. Met een gebaar liet hij Pierre passeeren, die vlug de trap opliep, om steeds hooger, steeds hooger te vluchten, naar den vrede en naar de stilte.
En plotseling werd het geheel stil; de muren verstikten dien kreet, die nu nog slechts in hem scheen te beven. Het was een makkelijke en lichte trap met breede treden, die in een soort toren uitliepen. Toen hij op het dak der schepen kwam, voelde hij het als een verlichting weer de heldere zon, de zuivere, frissche lucht, die daar als in het vrije veld woei, terug te vinden. Verwonderd dwaalden zijn blikken over deze reusachtige ontplooiing van lood, zink en steen, een geheele luchtstad, die hier onder den blauwen hemel een eigen leven leidde. Hij zag er dommen, klokketorens, terrassen, ja zelfs huizen en tuinen, de met bloemen opgevroolijkte huizen van enkele werklieden, die in verband met de voortdurende herstellingswerken op de basilica wonen. Een kleine bevolking leeft, werkt, eet en slaapt daar, heeft daar lief.
Hij liep naar de borstwering, om de reusachtige standbeelden van den Heiland en van de Apostelen boven op den gevel van nabij te kunnen zien--gigantische beelden van zes meter hoog, die steeds hersteld moeten worden en waarvan de door de buitenlucht half verweerde armen, beenen en hoofden slechts samengehouden worden door cement, stangen en klampen. Toen hij zich vooroverboog, om een blik te werpen op de roodachtige opeenhooping der daken van het Vaticaan, kwam het hem voor, alsof de kreet, waarvoor hij vluchtte, van het plein naar hem oprees. Vlug klom hij verder naar boven tot den koepel. Tusschen de twee wanden van den dubbelen koepel, den binnensten en den buitensten, liep eerst een trap; dan kwamen nauwe, schuinsche gangen, hellende vlakken met enkele treden. Eenmaal deed hij uit nieuwsgierigheid een deur open, waardoor hij weer in de basilica terugkwam, doch nu een zestig meter boven den beganen grond, in een smalle galerij, die om den dom liep, juist boven de fries, waarop men in zeven voet hooge letters las: "Tu es Petrus et super hanc petram..." [16]
En toen hij op zijn elleboog leunde, om naar het vreeselijke gat onder zich met het diepe uitzicht op de dwarsbeuken en de zijschepen te kijken, sloeg hem weer die kreet in zijn gelaat, de razende kreet der daar beneden wriemelende en wemelende menigte. Iets hooger opende hij opnieuw een deur, en thans vond hij een tweede galerij, ditmaal boven de ramen, bij het begin der schitterende mozaïeken; van daar uit scheen de menigte hem kleiner, verder verwijderd, als verloren in den duizelingwekkenden afgrond, waarin de reusachtige beelden, het altaar der Confessie en de triomphantelijke baldakijn van Bernini niet meer dan stukjes speelgoed geleken; en toch steeg de kreet op, dezelfde krijgs- en aanbiddingskreet en striemde zijn gezicht met de woede van een orkaan, die in zijn voortstormende vaart nog heftiger wordt. Hij moest nog hooger stijgen, tot aan de buitenste galerij van de traplantaarn om hem niet meer te hooren.
Welk een heerlijke verlichting was in den beginne dat bad van licht en zon voor hem! Boven zich had hij niets meer dan den verguld-bronzen kogel, waarin, zooals pralende opschriften in de gangen verkondigen, keizers en koningen opgestegen zijn--de holle kogel, waarin de stem als de donder echoot, waarin ieder geluid van de ruimte weerkaatst. Hij was aan den kant der apsis naar buiten gegaan en zag nu eerst de pauselijke tuinen, welker boomgroepen hem van uit deze hoogten laag bij den grond staande struiken toeschenen; hij dacht aan zijn wandeling van enkele dagen geleden, aan het groote grasperk, dat aan een Smyrnaasch verkleurd tapijt denken deed, aan het donkergroene, als een stilstaande poel ondoorzichtige kreupelhout, aan de met zorg onderhouden moestuin en wijngaard. De fonteinen, de toren van de Sterrenwacht, het Casino, waarin de paus de warme zomerdagen doorbracht, vormden slechts kleine, witte plekken te midden van deze onregelmatige, door den muur van Leo IV ingesloten terreinen.
Dan ging hij door een nauwe gang om de traplantaarn heen en bevond hij zich plotseling tegenover Rome, dat zijn geheele ontzaglijke grootte voor hem ontrolde: in het Westen de verre zee, in het Oosten en Zuiden de onafgebroken bergketenen, de Campagna romana, die als een eentonige, groenachtige woestijn den geheelen horizont beheerschte, en aan zijn voeten de Stad, de Eeuwige stad. Nooit had hij een zoo majestueusen indruk van uitgestrektheid gekregen. Daar lag Rome in vogelvlucht voor hem, duidelijk als een geographisch reliefplan. Een dergelijk verleden, een dergelijke geschiedenis, zooveel grootschheid--en dan dit door de verte zoo verkleinde Rome, lilliputterachtige en als speelgoed zoo aardige huisjes, nauwlijks een schimmelvlek op de wijde aarde. Vooral voelde hij zich echter gelukkig, dat hij nu met één oogopslag de indeeling der stad zag, daar beneden de oude stad met het Capitool, het Forum, den Palatinus, de pauselijke stad in den Borgo, en de St. Pieter en het Vaticaan, die op de moderne stad keken, het Italiaansche Quirinaal boven de Middeleeuwsche stad, samengedrongen in den rechterhoek, dien de Tiber vormde. Een ding viel hem in het bijzonder op, n.l. de krijtachtige gordel, dien de nieuwe wijken om den centralen kern van de oude, roodachtige, door de zon verbrande stadsdeelen vormde, een waar symbool van een poging tot verjonging: in het oude hart gaan de herstellingen slechts langzaam, terwijl de uitwendige deelen zich als door een wonder hernieuwden.
Maar in de heete middagzon kwam Rome Pierre niet zoo licht en rein voor als op den ochtend van zijn aankomst in den lieflijken, zachten zonsopgang. Het was niet meer het glimlachende, bescheiden Rome, half omsluierd door een gouden nevel en als weggezonken in een kinderdroom. Nu in dit felle licht had het een onbeweeglijke hardheid, een doodelijke stilte. De achtergrond werd als door een te sterke vlam verteerd, door een vurig stof overstroomd, waarin het scheen te verdwijnen. De geheele stad teekende zich in groote massa's licht en schaduw met plotselinge overgangen tegen deze verkleurde verten af.
Men zou het voor een zeer oude, verlaten steengroeve hebben kunnen houden, waarin de zonnestralen loodrecht neervielen en waarin hier en daar een boomeneilandje een donkergroene vlek vormde. Van de oude stad zag men den rossigen toren van het Capitool, de zwarte cypressen van den Palatinus, de ruïnes van het paleis van Septimius Severus, die op een geraamte van een door den zondvloed aangespoeld fossiel denken deden. Daartegenover troonde de moderne stad met de lange, gerestaureerde gebouwen van het Quirinaal, waarvan de fel-gele kleur tusschen de krachtige toppen van den tuin heen schemerde; aan gene zijde, op de hoogten van den Viminalis, lagen rechts en links de als gips zoo witte nieuwe wijken, een stad van krijt, waarin de vensters als het ware kleine inktstrepen vormden.
Dan lagen hier en daar de Pincio als een slapende poel, de Villa Medicis met haar dubbelen campanile, de oudroestkleurige Engelenburg, de als een kaars brandende klokkentoren der Santa Maria Maggiore, de drie onder de boomtakken sluimerende kerken van den Aventinus, de palazzo Farnese met zijn door de zomerzon verbrande, oudgouden pannen, de koepels van de Il Gesù, van de Santo Andrea della Valle, van de Santo Giovanni de Fiorentini en steeds weer met koepels en nog eens koepels, alle witgloeiend en als gesmolten in den vurigen oven van den hemel. Toen voelde Pierre zijn hart weer samenkrimpen bij het zien van dit heftige, harde, zoo weinig op het Rome van zijn droom gelijkende Rome, het Rome der verjonging en der hoop, dat hij den ochtend van zijn aankomst geloofd had te vinden, maar dat nu verdween, om plaats te maken voor de onveranderlijke, tot in haar dood hardnekkig dezelfde blijvende stad van trots en heerschzucht.
Plotseling begreep Pierre, alleen daar in de hoogte, alles. Het was alsof een lichtstraal hem daar in de vrije, grenzenlooze ruimte trof. Kwam het door de plechtigheid, die hij bijgewoond had, door den fanatieken kreet der slavernij, die nog steeds in zijn ooren gonsde? Of was het niet eerder de aanblik van deze stad, welke daar aan zijn voeten lag als een gebalsemde koningin, die nog steeds uit het stof van haar graf regeert? Hij zou het niet kunnen zeggen: ongetwijfeld deden beide oorzaken haar invloed op hem gelden. Maar hij zag alles duidelijk, hij voelde, dat het Katholicisme niet zou kunnen bestaan zonder wereldlijke macht, dat het den dag, waarop het geen koning meer zijn zou, onvermijdelijk geheel verdwijnen zou.
Het atavisme droeg daarvan in het bijzonder de schuld, de macht der Geschiedenis, de lange reeks opvolgers der Caesars, de pausen, de pontifices, in wier aderen het bloed van den de wereldheerschappij eischenden Augustus steeds was blijven stroomen. Zij mochten thans in het Vaticaan wonen; dat nam niet weg, dat zij uit de keizerlijke paleizen van den Palatinus kwamen, uit het paleis van Septimius Severus; hun politiek had in den loop van zooveel eeuwen niets anders nagestreefd dan den droom van de Romeinsche overheersching: alle volkeren overwonnen, onderworpen, gehoorzamend aan Rome. Zonder dit wereldrijk, zonder dit volkomen bezit van lichamen en zielen verloor het Katholicisme zijn reden van bestaan, want de Kerk kon het bestaan van een keizer- of koninkrijk slechts om een politieke reden erkennen, daar de keizer of de koning slechts eenvoudige, tijdelijke gevolmachtigden zijn, die tot taak hebben de volkeren te besturen, tot zij ze haar weer teruggeven. Alle natiën, de menschheid met de geheele aarde, behooren aan de Kerk, die ze van God gekregen heeft.
Wanneer zij haar niet altijd in werkelijk bezit heeft, dan vindt dit zijn reden daarin, dat zij heeft moeten wijken voor geweld, verplicht is de faits accomplis te aanvaarden, maar onder het formeele voorbehoud, dat het een strafbare usurpatie is, dat men haar haar goed onrechtmatig onthoudt; zij doet het in de verwachting van de verwezenlijking der beloften van Christus, die haar op den daarvoor bestemden dag voor eeuwig de wereld en de menschen, de almacht teruggeven zal. Dat is de ware toekomststad, het Katholieke, voor de tweede maal heerschende Rome. Rome behoort tot den droom, aan Rome is dan ook de eeuwigheid voorspeld; de bodem zelf van Rome heeft aan het Katholicisme den onleschbaren dorst naar onbeperkte macht gegeven. Daarom was dan ook het lot van het pausdom met dat van Rome zoo nauw verbonden, dat een paus buiten Rome niet meer een Katholieke paus zijn zou. En plotseling voelde Pierre, terwijl hij daar tegen de dunne ijzeren borstwering stond te leunen, zoo hoog verheven boven den afgrond, waarin de donkere, harde stad zich in de brandende zon verbrokkelde, hoe een groote rilling door zijn beenderen huiverde.
Eén ding stond nu onomstootelijk vast. Dat Pius IX, dat Leo XIII besloten hadden zich in het Vaticaan op te sluiten, vond slechts hierin zijn oorzaak, dat zij aan Rome gebonden waren. Het staat een paus niet vrij het te verlaten, elders het hoofd der Kerk te zijn. Evenmin zou een paus, welk een goed inzicht hij ook in de moderne maatschappij mocht hebben, het recht hebben afstand te doen van de wereldlijke macht. Het is een onvervreemdbaar erfdeel, dat hij verdedigen moet; het is bovendien een levensquaestie, waarover verder niet te discussieeren valt. Daarom heeft Leo XIII dan ook den titel van heer van het wereldlijk gebied der Kerk behouden, te meer daar hij als kardinaal, evenals de andere leden van het Heilig College, bij hun verkiezing in zijn eed gezworen had die heerschappij ongeschonden te bewaren. Mocht Italië nog een eeuw lang Rome als hoofdstad behouden, een eeuw lang zal de eene paus op den anderen volgen, niet ophouden te protesteeren, niet ophouden hun koninkrijk op te eischen. Zelfs wanneer er op een dag een overeenstemming tot stand mocht komen, dan zou die ongetwijfeld gebaseerd moeten zijn op het afstaan van een stuk grond.
Had men, toen er verzoeningsgeruchten liepen, niet gezegd, dat de regeerende paus als besliste voorwaarde minstens het bezit der Leostad met de neutraliteitsverklaring van een naar zee loopenden weg stelde? Heelemaal niets is niet genoeg, men kan niet van niets uitgaan, om ten slotte alles te hebben. Maar de Leostad, dat kleine hoekje, is reeds een stukje koninklijke aarde; men behoeft het overige dan nog slechts te veroveren, eerst Rome, dan Italië, vervolgens de aangrenzende naties, eindelijk de wereld. Nooit heeft de Kerk gewanhoopt, zelfs niet op oogenblikken, dat zij, verslagen en geplunderd, stervende scheen. Nooit zal zij afstand doen; nooit zal zij afzien van de beloften van Christus, want zij gelooft aan haar onbegrensde toekomst, zij beschouwt zich onverwoestbaar, eeuwig. Men geve haar den kiezelsteen, waarop zij haar hoofd neerleggen kan--en zij hoopt reeds weldra het veld terug te zullen hebben, waarop die kiezelsteen ligt, het rijk, waarin zich dat veld bevindt. Als een paus het erfdeel niet terug kan krijgen, dan zal een tweede paus, zullen tien, twintig andere pausen zich daartoe aangorden. De eeuwen tellen niet meer. Deze gedachte was het, die een vier-en-tachtigjarigen grijsaard ertoe bracht ontzaglijke werken te ondernemen, die verscheidene menschenlevens vereischten, zeker als hij was, dat opvolgers komen zouden en het werk ondanks alles voortgezet en beëindigd zou worden.
En Pierre kwam zich tegenover die oude stad van roem en heerschersmacht, welke haar purper hardnekkig vasthield, met zijn droom van een zuiver geestelijken paus belachelijk voor. Het scheen hem zoo misplaatst toe, dat hij er een soort schaamtevolle wanhoop over voelde. Een Romeinsch prelaat zou zeker niets voelen kunnen voor den nieuwen Evangelischen paus, die een zuiver geestelijke, alleen over zielen heerschende paus zou moeten zijn. Bij de herinnering aan dat in ritus, trots en gezag verstarde, pauselijke Hof werd hij zich den afschuw, den bijna om zoo te zeggen lichamelijken afkeer daarvan bewust. O, hoe verbaasd en minachtend zouden zij neerzien op deze wonderlijke phantasie van het Noorden: een paus zonder grondgebied en zonder onderdanen, zonder militair Huis en koninklijke eerbewijzen, zuiver geest, zuiver moreele autoriteit, opgesloten in zijn tempel, de wereld slechts regeerend door zijn zegenend gebaar, door liefde en goedheid! Dat was voor dezen Latijnschen clerus, priesters van het licht en van de praal, slechts een Gotisch, door nevels omsluierd phantasiebeeld. Zeker, zij waren wel vroom, deze priesters, bijgeloovig zelfs, maar zij lieten God goed beschermd in den tabernakel achter, om in Zijn naam te heerschen voor het heil der hemelsche belangen, van dat oogenblik af natuurlijk allerlei listen gebruikend, in den strijd van menschelijke begeerten en eerzucht tot alle middelen hun toevlucht nemend, met zachte diplomatenstappen de aardsche, definitieve overwinning van Christus tegemoet schrijdend, die eenmaal in den persoon van den paus over de volkeren heerschen zou.
Maar welk een verbijsterende schrik moest dat voor een Franschen prelaat zijn, voor een monseigneur Bergerot, dien heiligen bisschop van verzaking en naastenliefde, wanneer hij in die wereld van het Vaticaan terecht kwam! Hoe moeilijk moest het hem vallen om dit alles te begrijpen, zich in dat alles in te denken--hoe pijnlijk moest hij de onmogelijkheid voelen één te zijn met deze vaderlandsloozen, deze internationalen, die steeds over de kaart der beide werelddeelen gebogen, steeds verdiept in berekeningen waren, welke hun de macht verzekeren moesten. Daarvoor waren dagen en dagen noodig, moest men te Rome leven; hij zelf had het eerst na een verblijf van een maand begrepen onder de heftige crisis, die het aanschouwen der koninklijke praal in de St. Pieter in hem teweeggebracht had, eerst bij het zien der oude stad, die daar in de zon haar zwaren slaap sluimerde, haar eeuwigheidsdroom droomde.
Maar zijn blik viel op het plein voor de basilica en hij zag daar den menschenstroom, de veertig duizend geloovigen, naar buiten komen, die zich als een zwart gewriemel van insecten op het witte plaveisel voortbewogen. Toen scheen het, dat opnieuw de kreet: "Evviva il papa re! Evviva il papa re!" opsteeg. Toen hij even te voren de eindelooze trappen opklom, was het hem voorgekomen, alsof de steenen kolos in dezen waanzinnigen kreet, die onder zijn gewelven uitgestooten werd, gebeefd had. En thans, nu hij tot bijna in de wolken gestegen was, meende hij hem daar ook in de enge ruimte weer terug te vinden. Was dat voortdurende beven van den kolos onder hem niet het laatste opschieten van het sap langs zijn oude muren, een hernieuwing van het Katholieke bloed, dat hem eens zoo mateloos groot tot koning van alle tempels geschapen had en dat thans trachtte in het uur, dat de dood voor zijn te groote en verlaten schepen kwam, hem een krachtigen levensadem te geven?
De menigte kwam nog steeds naar buiten en overstroomde het plein; een groote droefheid snoerde zijn keel dicht, want met haar roep had zij zijn laatste hoop weggevaagd. Den vorigen dag, na de ontvangst der bedevaart, in de Sala dei Beneficazione had hij zich nog aan een illusie over kunnen geven, door de noodzakelijkheid van het geld, dat de paus aan de aarde vasthoudt, te vergeten en in hem slechts den zwakken grijsaard, geheel ziel, stralend als het symbool van moreel gezag te zien. Maar nu was het uit met zijn geloof in dezen van alle aardsche goederen bevrijden herder van het Evangelie, die slechts koning zijn moest van het koninkrijk der Hemelen. Niet alleen het geld van den St. Pieterspenning legde Leo XIII een harde slavernij op; neen, hij was bovendien de gevangene der traditie, de eeuwige koning van Rome, die aan dezen grond vastgeklonken werd, de stad niet kon verlaten, noch afstand doen van het wereldlijk gezag.
En het einde daarvan was de dood ter plaatse, de instorting van den dom van de St. Pieter, zooals de tempel van Juppiter Capitolinus ingestort was; op de ruïnes van het Katholicisme zou het gras groeien, terwijl elders het schisma schitteren zou als een nieuw geloof van de nieuwe volkeren. Het grootsche en tragische visioen rees voor hem op: hij zag zijn droom verwoest, zijn boek medegesleept in den kreet, die zich uitbreidde, als wilde hij naar de vier hoeken der Katholieke wereld vliegen: "Evviva il papa re! Evviva il papa re!" En onder zich meende hij reeds te voelen, hoe de reus van marmer en goud bij het instorten der oude verrotte maatschappij beefde.
Eindelijk ging Pierre naar beneden en tot zijn groote verbazing vond hij monsignor Nani, op de daken der schepen, in die bezonde uitgestrektheid, welke zoo groot was, dat men er een stad zou kunnen plaatsen. De prelaat was in gezelschap van de beide Fransche dames, moeder en dochter, aan wie hij ongetwijfeld aangeboden had met haar naar boven te gaan. Maar zoodra hij den jongen priester herkende, sprak hij hem aan:
"Welnu, mijn waarde zoon, zijt ge tevreden? Heeft het geen grooten indruk op u gemaakt, heeft het u niet gesticht?"
Met zijn onderzoekende blikken las hij tot in zijn ziel en zag hoe het met de proef stond. Dan begon hij, voldaan, te glimlachen.
"Ja, ja, ik zie het al... Kom, ge zijt toch ten slotte een verstandige jongen. Ik begin werkelijk te gelooven, dat uw ongelukkige zaak hier een zeer goed einde nemen zal."
ACHTSTE HOOFDSTUK
Pierre had de gewoonte aangenomen de ochtenden, dat hij in den palazzo Boccanera bleef, uren door te brengen in den kleinen, verwaarloosden tuin, die vroeger in een soort loggia met zuilengaanderij eindigde, van waar men met een dubbele trap bij den Tiber kwam. Tegenwoordig was het daar een verrukkelijk, eenzaam hoekje, waarin het heerlijk rook naar de rijpe vruchten van de eeuwenoude oranjeappelboomen, welker symmetrische rijen alleen nog de reeds lang onder het onkruid verdwenen voetpaden aangaven. En hij vond er ook den geur der taxisboomen terug, die in het oude, door puin opgevulde middelste bekken opgeschoten waren.