De drie steden: Rome

Part 25

Chapter 253,767 wordsPublic domain

"Lieve God," begon deze; "ik weet wat iedereen in de ambassades weet en wat overal verteld wordt... Wat de inkomsten betreft, moet men wel een goed onderscheid maken... In de eerste plaats is er de door Pius IX nagelaten schat, een twintig millioen, die op verschillende wijzen belegd zijn en ongeveer een millioen rente geven; maar veel is, zooals ik reeds gezegd heb, in een krach verloren gegaan, doch, naar men beweert, weer teruggekomen ook. Bij de vaste inkomsten van dat kapitaal komen dan nog een paar honderdduizend francs, die door elkaar genomen de kanselarijrechten, de adellijke titels en de duizenden kleine belastingen, die aan de congregaties betaald worden, opleveren... Maar daar het budget der uitgaven zeven millioen bedraagt, moet men er jaarlijks zes millioen bij zien te krijgen, die de Pieterspenning ongetwijfeld verschaft heeft, niet alle zes misschien, maar drie of vier, waarmede men gespeculeerd heeft om ze te verdubbelen en de uitgaven te dekken... Het zou te lang duren, u de geschiedenis der speculaties van den Heiligen Stoel in de laatste vijftien jaar te vertellen, de reusachtige winsten in den beginne, dan de catastrophe, die bijna alles medegesleept heeft, het hardnekkig blijven volhouden, waardoor de gaten ten slotte weer gestopt zijn. Ik zal het u later wel eens vertellen, als u er nieuwsgierig naar bent."

Pierre luisterde zeer belangstellend.

"Zes millioen!" riep hij uit. "Of ook vier! Wat brengt dan de Pieterspenning op?"

"Ik heb u al gezegd, niemand heeft dat ooit precies geweten. Vroeger publiceerden de couranten lijsten, de cijfers van de giften, kon men tenminste een raming maken. Maar ongetwijfeld heeft men dat verkeerd gevonden, want er wordt geen enkel bericht meer gepubliceerd, zoodat het te eenenmale onmogelijk is zich een voorstelling te maken van wat de paus ontvangt. Hij alleen, ik zeg het u nogmaals, kent het totale bedrag, bewaart het geld en beschikt erover als onbeperkt heerscher. Aangenomen mag worden, dat in goede jaren de giften vier à vijf millioen opgebracht hebben. Frankrijk droeg in den beginne de helft van die som af, maar tegenwoordig geeft het beslist minder. Amerika geeft eveneens veel. Dan komen België en Oostenrijk, Engeland en Duitschland. Wat Spanje en Italië betreft... O, Italië..."

Glimlachend keek hij monsignor Nani aan, die, als was hij verrukt interessante dingen te hooren, waarvan hij niets wist, met zijn hoofd schudde.

"Ga voort, mijn waarde zoon!"

"O, Italië slaat geen schitterend figuur. Als de paus alleen moest leven van de Italiaansche giften, dan zou er gauw hongersnood heerschen op het Vaticaan. Men kan zelfs zeggen, dat de Romeinsche adel, verre van hem te helpen, hem veel gekost heeft, want een der voornaamste oorzaken van zijn verliezen is het geld geweest, dat door hem aan prinsen geleend is, die speculeeren wilden... Eigenlijk zijn Frankrijk en Engeland de eenige landen, waar rijke particulieren en de hooge adel den paus, gevangene en martelaar, koninklijke geschenken gegeven hebben. Men noemt den naam van een Engelschen hertog, die jaarlijks, om een gelofte, die hij gedaan had, ten einde van den hemel de genezing van een ongelukkigen idioten zoon te verkrijgen, te vervullen, een groote gift bracht... En nu spreek ik nog niet van den buitengewonen oogst tijdens het priester- en bisschopsjubileum, van de veertig millioen, die toen aan de voeten van Zijne Heiligheid neervielen."

"En de uitgaven?" vroeg Pierre.

"Dat heb ik u al gezegd, die bedragen ongeveer zeven millioen. Men kan twee millioen rekenen voor de pensioenen, welke aan de voormalige dienaren der pauselijke regeering betaald worden, die niet in Italiaanschen dienst wilden overgaan. Het spreekt vanzelf, dat dit bedrag jaarlijks vermindert door uitsterven... Laten we verder een millioen nemen voor de Italiaansche diocesen, een millioen voor de secretarie en de nuntii en een millioen voor het Vaticaan. Met dat laatste bedoel ik de uitgaven voor het pauselijke Hof, de militaire garde, de musea, het onderhoud van het paleis en van de Basilica... Dan hebben we dus vijf millioen. Stel de overblijvende twee op rekening van ondersteuning van goede werken, voor de Propaganda en vooral voor de scholen, die Leo XIII met zijn breed praktisch inzicht altijd zeer ruim subsidieert in de zeer juiste gedachte, dat de strijd en de triomf van het geloof voornamelijk bij de kinderen ligt, die de mannen van morgen zijn en hun moeder, de Kerk, zullen verdedigen, indien men hun afschuw voor de verfoeilijke leerstellingen der eeuw heeft weten in te boezemen."

Er volgde een zwijgen. De drie mannen bleven onder de majestueuse zuilengang staan, waarin zij langzaam op en neer gewandeld hadden. Langzamerhand was het groote plein leeg geloopen, stonden nog slechts de obelisk en de twee fonteinen op het verlaten, in de zon brandende, symmetrische vierkant, terwijl tegen de kroonlijst van de zuilengaanderij aan de overzijde de standbeelden zich in edele, roerlooze rust afteekenden.

Een oogenblik meende Pierre, die zijn blikken nog steeds op de ramen van den paus gericht hield, nogmaals hem in dien stroom van goud te zien, waarvan men hem vertelde--meende hij te zien, hoe zijn witte en reine persoonlijkheid, zijn arm, mager, doorzichtig lichaam van was in die millioenen baadde, die hij verstopte, die hij telde, die hij alleen uitgaf tot Gods eere.

"Dus," prevelde hij, "heeft hij geen zorgen, verkeert hij niet in geldverlegenheid?"

"In geldverlegenheid, in geldverlegenheid?" riep monsignor Nani uit, dien dat woord zoo buiten zichzelf bracht, dat hij zijn diplomatieke achterhoudendheid varen liet. "Maar, mijn waarde zoon!... Iedere maand, dat de rentmeester, kardinaal Mocenni, naar Zijne Heiligheid gaat, geeft de Heilige Vader hem de som, die hij vraagt, en hij zou ze hem geven, ook al was zij nog zoo groot. Natuurlijk is hij zoo verstandig geweest een flinke reserve te maken; de schatkist van den Heiligen Petrus is rijker dan ooit... In geldverlegenheid! In geldverlegenheid! Lieve God! Maar weet u wel, dat, als morgen onverhoopt de paus een direct beroep moest doen op de liefde van zijn kinderen, de Katholieken der geheele wereld, een milliard voor zijn voeten neervallen zou juist zooals het goud en de juweelen, die daareven op de treden van den troon regenden?"

Doch zich dan weer kalmeerend en zijn vriendelijken glimlach terugkrijgend:

"Dat heb ik tenminste meermalen hooren zeggen, want ik persoonlijk weet niets, absoluut niets. Het is maar heel gelukkig, dat mijnheer Habert juist hier was, om u in te lichten... En ik dacht nog al, mijnheer Habert, dat u geheel en al in de kunst opging en u verre hieldt van al die vragen van aardsch belang! Waarachtig, u bent in die dingen even goed thuis als een bankier of een notaris... U weet letterlijk alles, ja zeker, alles! Het is wonderlijk!"

Narcisse voelde blijkbaar de fijne ironie, want inderdaad stak in hem onder den nagemaakten Florentijn, onder den engelachtigen jongen met zijn lange, gelokte haren, zijn lichtblauwe oogen, die voor de Botticelli's wegzwijmelden, een praktische, in zaken zeer ervaren man, die zijn fortuin bewonderenswaardig, ja zelfs eenigszins gierig, beheerde. Hij sloot half zijn oogen, die een kwijnende uitdrukking aannamen.

"Ach," prevelde hij, "dat alles zijn maar droomerijen; mijn ziel is elders."

"Enfin, ik ben blij," wendde monsignor zich tot Pierre, "heel blij, dat u van zoo'n mooi schouwspel getuige hebt kunnen zijn. Nog een paar dergelijke gelegenheden, en u zult zien en zelf begrijpen wat zeker heel wat beter is dan alle redeneeringen van de wereld... Tot morgen, en verzuim vooral de groote plechtigheid in de St. Pieter niet. Het zal prachtig zijn en u stof tot nadenken geven, daar ben ik zeker van... Doch nu moet ik u verlaten. Het verheugt mij inderdaad u in zoo'n goede stemming te zien."

Zijn onderzoekende oogen schenen met een laatsten blik de moeheid en de onzekerheid, die zich op Pierre's bleek gelaat afteekenden, met vreugde op te merken. Toen hij weg was en ook Narcisse met een zachten handdruk afscheid genomen had, voelde de jonge priester een toornige woede in zich opkomen. De goede stemming, waarin hij was! Wat voor een goede stemming? Hoopte die Nani hem moe te maken, hem tot wanhoop te brengen, door hem telkens nieuwe hinderpalen in den weg te leggen, en hem ten slotte geheel te overwinnen? Voor de tweede maal kreeg hij het plotselinge gevoel, dat om hem heen allerlei heimelijke pogingen gedaan werden, om hem te omsingelen en te breken. Een opwellende trots deed hem minachtend op dat alles neerzien, vast als hij aan zijn weerstandskracht geloofde. Opnieuw legde hij voor zichzelf de plechtige gelofte af, om nooit toe te geven, nooit zijn boek terug te nemen, wat er ook gebeuren mocht. Wanneer men bij zijn besluit volhardt, is men onoverwinlijk, baatten noch ontmoedigingen noch verbittering!

Maar voor hij het plein overstak, richtte hij zijn blikken nog eenmaal naar de ramen van het Vaticaan, en alles was voor hem hierin samengevat: er bleef niets over dan dat geld, welks zwaar noodzakelijk gewicht de laatste band was, die den paus, thans bevrijd van de neerdrukkende zorgen van wereldlijke macht, nog aan de aarde bond; dit geld, dat hem verplichtingen gaf, dat vooral door de wijze, waarop het gegeven werd, slecht geworden was. Doch dan kwam, ondanks alles, weer een blijde stemming in hem op, toen hij bedacht, dat, wanneer daar alleen een begripsquaestie in lag, zijn droom van een zuiver geestelijken paus, die de wet der liefde, het geestelijke hoofd der wereld was, niet ernstig bedreigd werd. Hij wilde nog slechts hopen in de gelukkige ontroering over het buitengewone schouwspel, dat hij gezien had, dezen zwakken grijsaard, die straalde als het symbool van de menschelijke bevrijding, gehoorzaamd en aangebeden werd door de menigte, die alleen de moreele almacht in handen had, om eindelijk op aarde liefde en vrede te doen heerschen.

Gelukkig had Pierre voor de plechtigheid van den volgenden dag een rose kaart, die hem een plaats op de gereserveerde tribune gaf; want het gedrang bij de deuren der basilica was ontzettend van af zes uur 's ochtends, het uur, waarop men zoo verstandig geweest was de hekken te openen, ofschoon de mis, die de paus persoonlijk lezen zou, eerst om tien uur beginnen moest. Het getal der drie duizend geloovigen, waaruit de internationale bedevaart van de Pieterspenning bestond, werd door de uit alle hoeken van Italië naar Rome gestroomde touristen, die een van die in den laatsten tijd zoo weinig voorkomende pontificale plechtigheid gaarne wilden zien, vertienvoudigd, ongerekend nog de getrouwen van den Heiligen Stoel, die Rome-zelf en de overige groote steden van Italië telden en die zich haastten om hun trouw te manifesteeren, zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbood. Naar het aantal afgegeven kaarten rekende men op een veertig duizend aanwezigen. Toen Pierre om negen uur het plein overging, om zich door de Via Santa Maria naar de Porta Canonica te begeven, waar de rose kaarten ingenomen werden, zag hij onder de zuilengaanderij nog de eindelooze queue, die zich langzaam voortbewoog, terwijl heeren in gekleede jas in de brandende zon op en neer vlogen, om met behulp van een detachement pauselijke gendarmen de orde te handhaven. Meermalen ontstonden er in de dichte menigte twisten, werden zelfs te midden van onwillekeurig gedrang vuistslagen gewisseld. Er heerschte een verstikkende hitte, twee vrouwen werden, half platgedrukt, weggedragen.

Toen Pierre de basilica binnenkwam, werd hij zelf onaangenaam getroffen. Het reusachtige schip was geheel bekleed. Overtrekken van oud rood damast met goudgalon waren om de vijf-en-twintig meter hooge zuilen en pilasters aangebracht, terwijl de omgang der zijbeuken met dezelfde stof gedrapeerd was. Het bedekken van dit prachtige marmer, van deze geheele schitterende decoratie onder deze oude, verbleekte zijde bewees waarlijk een buitengewonen smaak en maakte den indruk van een gekunstelden, armzaligen praal. Maar zijn verbazing werd nog grooter, toen hij zag, dat ook het bronzen beeld van den Heiligen Petrus als een levende paus met prachtige, pauselijke gewaden bekleed en de tiara op zijn metalen hoofd geplaatst was. Nooit had hij gedacht, dat men beelden kon aankleeden, om ze te eeren of een feest voor de oogen te doen zijn; het resultaat scheen hem dan ook zeer mager. De Heilige Vader zou de mis aan het pauselijk altaar der Confessie, het hoofdaltaar onder den dom, lezen. Bij den ingang van den linkerzijbeuk stond op een estrade de troon, waarop hij na de mis plaats zou nemen. Aan de beide kanten van het middenschip had men tribunes opgericht voor de zangers der Sixtijnsche kapel, het corps diplomatique, de Malthezer ridders, den Romeinschen adel en verdere genoodigden. In het midden voor het altaar stonden slechts drie rijen roodbekleede banken, de eerste voor de kardinalen, de twee andere voor de bisschoppen en de prelaten van het pauselijk Hof. De overige aanwezigen moesten blijven staan.

O, deze reusachtige menigte als op een monsterconcert, die dertig-, veertigduizend van overal saamgestroomde geloovigen, die zich, opgezweept door nieuwsgierigheid, hartstocht en geloof, heen en weer bewogen, elkaar verdrongen, op hun teenen gingen staan om te midden van het luide gebruis van den menschelijken vloed te zien. Alles ging met God vertrouwelijk en vroolijk om, als bevond men zich in een goddelijken schouwburg, waar het veroorloofd was luid te spreken en zich in het schouwspel van vromen praal te vermeien. Pierre werd er in den beginne onaangenaam door verrast, hij, die slechts het zwijgende nederknielen in de donkere kathedralen kende, die niet gewend was aan dezen godsdienst van licht, welks schittering een religieuse plechtigheid in een openluchtfeest veranderde. In de tribune, waar hij zijn plaats gevonden had, was hij omringd door heeren in gekleede jas en dames in het zwart, die hun tooneelkijkers gebruikten, alsof zij in de Opéra waren. Er waren vooral veel vreemde dames, Duitsche, Engelsche, Amerikaansche, lieftallig als onbezonnen en luidruchtige vogeltjes. Links van zich zag hij in de tribune van den Romeinschen adel Benedetta en haar tante, donna Serafina; daar staken de groote kanten sluiers scherp af tegen den voorgeschreven eenvoud der toiletten en wedijverden in elegance en rijkdom. Aan zijn rechterhand stond de tribune der Malthezer ridders, waar de grootmeester der orde te midden van een groep commandeurs zat, terwijl hij in de tribune tegenover zich, die van het corps diplomatique, de gezanten van alle Katholieke naties in groot gala-costuum zag. Maar steeds keerde zijn blik weer terug naar de groote, onbestemde menigte, waarin de drie duizend pelgrims als verdronken tusschen de duizenden andere geloovigen.

En toch was de basilica, die makkelijk tachtig duizend menschen bevatten kon, nauwlijks half gevuld door deze menigte, die zich vrijelijk door de zijschepen bewegen en ophoopen kon tusschen de zuilen, vanwaar het schouwspel het makkelijkst te volgen zou zijn. Men zag menschen, die gebaren maakten, en uit het voortdurend geroezemoes der gesprekken steeg hier en daar geroep op. Door de hooge vensters vielen breede zonnestralen, kleurden de rooddamasten overtrekken bloedrood en belichtten de opgewonden, van ongeduld koortsachtige gezichten als met den weerschijn van een brand. De kaarsen, de zeven-en-tachtig lampen der Confessie verbleekten in dit verblindend licht tot kleine nachtpitjes. Het was niets meer dan de wereldlijke pracht van den keizerlijken God der Romeinsche praal.

Plotseling ontstond er een valsch alarm. Kreten stegen op en plantten zich door de menigte voort: "Eccolo, eccolo!" [10] Nu ontstond er een gedrang; stroomen en tegenstroomen sleepten den menschelijken vloed als in een draaikolk mede; allen rekten hun halzen uit, maakten zich grooter, stormden weg als razenden, om Zijne Heiligheid en den stoet te zien. Doch het was nog slechts een afdeeling van de edelgarden, die zich rechts en links van het altaar gingen opstellen. Toch bewonderde men hen, men bracht hun een ovatie, een vleiend gemompel volgde hen om hun mooie houding, hun overdreven militaire stramheid. Een Amerikaansche beweerde, dat het prachtkerels waren. Een Romeinsche gaf aan een vriendin, een Engelsche, bijzonderheden over dit elitecorps en vertelde, dat vroeger de jongelui der aristocratie er een eer in stelden om er deel van uit te maken, om de mooie uniformen, waarmede zij bij de dames konden geuren; nu echter werd de aanwerving moeilijker, zoodat men zich tevreden stellen moest met knappe jongelui uit den twijfelachtigen en geruïneerden adel, die nog blij waren met de karige soldij, die hen in staat stelde te leven. Gedurende een kwartier werden die particuliere gesprekken nog voortgezet en vulden de hooge schepen met het geroezemoes van een ongeduldige zaal, die zich den tijd bekort met het opnemen van het publiek en elkaar, in afwachting van het schouwspel, nieuwtjes vertelt.

Eindelijk trok de stoet voorbij. Dat was de groote, lang verwachte bijzonderheid, de praal, waarnaar men zoo vurig verlangd had, om hem in het voorbijgaan toe te juichen. Evenals wanneer in den schouwburg de geliefde acteur in de groote rol van een jeune-premier, die de harten verovert, op het tooneel komt, zoo barstte ook hier een geestdriftige bijval los, die omhoog steeg en voortdreunde onder de gewelven. Ook verder had men, alweer evenals in een schouwburg, dit verschijnen handig en knap geregeld, opdat het te midden van het prachtige decor niets van zijn uitwerking missen zou. De stoet had zich in de coulissen, in de Cappella della Pieta, de eerste kapel rechts bij het binnenkomen, gevormd; om die te bereiken, had de paus, die door de Cappella del Sagramento uit zijn dichtbij gelegen vertrekken gekomen was, achter de draperieën van het zijschip moeten gaan, die aldus als een soort achtergrond dienst deden. Daar wachtten hem de kardinalen, de aartsbisschoppen, de tot de hofhouding behoorende prelaten, reeds volgens de hiërarchie in klassen en groepen gerangschikt en gereed, om zich in beweging te zetten. Als op het signaal van een balletmeester trad de stoet binnen, ging naar het hoofdschip en doorliep dat triomphantelijk van de hoofddeur tot het altaar der Confessie, tusschen de dubbele rij geloovigen, wier toejuichingen bij het zien van zooveel pracht verdubbelden, naarmate het delireeren van hun geestdrift steeg.

Het was de feeststoet als van ouds, het kruis en het zwaard, de Zwitsersche garde in groot tenue, de lakeien in een scharlaken cimarra [11], de eerekamerheeren in Henri II-dracht, de kanunniken in kanten koorhemden, de leiders der godsdienstige congregatie, de apostolische protonotarii, de aartsbisschoppen en bisschoppen, het geheele pauselijk hof in violette zijde, de kardinaals in purper en met de cappa magna, op groote afstanden plechtig twee aan twee loopend. Vervolgens kwamen, om Zijne Heiligheid geschaard, de officieren van het militaire Huis, de prelaten van de geheime antichambre, de majordomus, de kamerheer en alle hoogwaardigheidsbekleders van het Vaticaan, benevens de bij den troon assisteerende Romeinsche vorst, de traditioneele en symbolische verdediger der Kerk. Op de seda gestatoria, die de flabelli met hun hooge veeren waaiers beschermden en dragers in roode met zijde geborduurde tunica's droegen, zat Zijne Heiligheid, gekleed in de heilige gewaden, die hij in de Cappella del Sagramento aangetrokken had, den amictus [12], het miskleed, de stola, de witte, rijk met goud geborduurde kazuifel en mijter, twee buitengewoon prachtige geschenken uit Frankrijk. Bij zijn nadering gingen alle handen de hoogte in en klapten nog luider in de golven van de felle zon, die door de ramen vielen.

Pierre kreeg toen een geheel nieuwen indruk van Leo XIII. Het was niet meer de vertrouwelijke, moede en nieuwsgierige grijsaard, die aan den arm van een praatzieken prelaat in den mooisten tuin der wereld wandelde. Het was zelfs niet meer de Heilige Vader in den rooden mantel en met de pauselijke muts, die vaderlijk een bedevaart ontving, welke hem een vermogen bracht. Het was de souvereine Pontifex, de almachtige Meester, de God, dien de Christenheid vereerde. Als in een reliquieënkastje zat hij daar. Zijn mager, wasachtig lichaam scheen in het witte, zwaar met goud geborduurde gewaad geheel stijf geworden te zijn; hij bewaarde een hiëratische en trotsche onbeweeglijkheid als een afgodsbeeld, dat in den loop der eeuwen door den rook der offeranden uitgedroogd en bruin geworden is. De oogen alleen leefden in de doode strakheid van het gezicht--oogen als een paar zwarte, fonkelende diamanten, die in de verte, ver van de aarde, in het oneindige staarden. Hij had geen blik voor de menigte, sloeg zijn oogen noch naar links noch naar rechts, als was hij in den hemel en wist hij niet, wat er aan zijn voeten gebeurde. En dat afgodsbeeld, dat ondanks het schitteren der oogen als gebalsemd, doof en blind scheen, dat door deze razende menigte gedragen werd, die het niet scheen te zien of te hooren, nam een angstaanjagende majesteit, een vrees inboezemende grootheid, de starheid van het dogma, de onbeweeglijkheid der traditie aan. Men had het opgegraven met al zijn windselen, die het nog samen en staande hielden. Toch meende Pierre op te merken, dat de paus lijdend en moe was, zeker had hij een van die koortsaanvallen, waarover monsignor Nani hem den vorigen dag gesproken had, toen hij den moed, de groote ziel van dezen vier-en-tachtigjarigen grijsaard verheerlijkte, dien slechts de wil om te leven in de hoogheid van zijn zending leven deed.

De plechtigheid begon. Nadat Zijne Heiligheid voor het altaar der Confessie uit de seda gestatoria gestapt was, celebreerde hij, bijgestaan door vier prelaten en den propraefect der ceremoniën, een stille mis. Bij het Lavabo [13] sprenkelden de majordomus en de kamerheer, begeleid door twee kardinalen, het water over de verheven handen van den officiant, terwijl even voor de elevatie [14] alle prelaten van het pauselijk Hof met een brandende kaars in de hand voor het altaar gingen knielen. Het was een plechtig oogenblik, de veertig duizend daar verzamelde getrouwen huiverden en voelden den vreeselijken en toch heerlijken wind uit het onzienlijke over zich strijken, toen gedurende de elevatie zilveren klaroenen het beroemde engelenkoor aanhieven, waarbij steeds weer vrouwen in onmacht vielen. Bijna onmiddellijk daarop klonk uit den dom, uit de bovengalerij, waar honderdtwintig koorzangers verborgen waren, een aetherisch-fijne zang: het was een wonder, een verrukking, alsof de engelen zelf geantwoord hadden op de klaroenen.

De stemmen daalden en vlogen licht als hemelsche harptonen onder het gewelf; dan verdwenen zij in een zacht accoord, stegen zij op naar den hemel met een zacht vleugelgeklap, dat langzaam wegstierf. Na de mis hief Zijne Heiligheid zelf, nog steeds op het altaar staande, het Te Deum aan, dat de jongeren der Sixtijnsche kapel en de koren herhaalden, beurtelings een vers zingend. Maar weldra vielen alle aanwezigen in, de veertig duizend stemmen verhieven zich in juichenden lofzang, verbreidden zich met een onvergelijkelijke volheid in het onmetelijke schip. Thans was het schouwspel buitengewoon prachtig: het door den met bloemen versierden, vergulden baldakijn van Bernini omgeven altaar, omringd door het pauselijke Hof, waartusschen de brandende kaarsen als sterren flikkerden; in het midden de paus, schitterend als een zon in zijn gouden kazuifel, daarvoor de banken der kardinalen in purper, der aartsbisschoppen en bisschoppen in violette zijde, de tribunes, waarop de galakostuums, de ridderkruisen van het corps diplomatique, de uniformen schitterden; die van overal samenstroomende menigte, die zee van hoofden, welke van uit de verste diepten der basilica opdeinde.