De drie steden: Rome

Part 24

Chapter 243,710 wordsPublic domain

Medegesleept door de geestdrift, was Pierre bevend met de anderen op zijn knieën gevallen. O, deze almacht, deze onweerstaanbare besmetting van het geloof, van den vreeselijken ademtocht uit het onzienlijke, die zich in een pracht en een praal van majestueuse grootte vertienvoudigden! Dan, toen Leo XIII, omgeven door de kardinalen en zijn Hof, op den troon was gaan zitten, ontstond er een diepe stilte, waarna de ceremonie zich volgens de gewone ritueele gebruiken ontwikkelde. Eerst sprak, geknield, een bisschop om de hulde van de getrouwen der geheele Christenheid aan de voeten van Zijne Heiligheid te leggen. Op hem volgde de president van het comité, baron de Fouras, die, staande, een lange redevoering voorlas, waarin hij de bedevaart voorstelde, de bedoeling ervan uiteenzette en op het ernstige karakter van het tegelijk politieke en godsdienstige protest ervan wees. De corpulente man had een dunne, snijdende stem, die als een drilboor knarste; hij zeide hoe smartelijk de Katholieke wereld leed onder de berooving van den Heiligen Stoel, hoe gaarne alle volkeren, die hier door pelgrims vertegenwoordigd waren, het hooge en vereerde Hoofd der Kerk wilden troosten door hem de obool der rijken en der armen, het penningske der nederigsten te brengen, opdat de paus trotsch en onafhankelijk zou kunnen leven. Hij sprak ook over Frankrijk, betreurde zijn dwalingen, voorspelde zijn terugkeer tot gezonde tradities, gaf trotsch te verstaan, dat het het rijkste en vrijgevigste land was, waaruit in een ononderbroken stroom goud en geschenken naar Rome vloeiden. Eindelijk stond Leo XIII op en beantwoordde den bisschop en den baron. Zijn stem was zwaar, had een sterken neusklank. Uit een zoo tenger lichaam had men een dergelijke stem niet verwacht. In enkele zinnen drukte hij zijn dankbaarheid uit en zeide hoezeer zijn hart door deze toewijding der naties aan het pausdom geroerd was. De tijden mochten slecht zijn, de eindtriomf kon niet lang meer uitblijven. De teekenen wezen er duidelijk op, dat het volk tot het geloof terugkeerde, dat de ongerechtigheden weldra onder de algemeene heerschappij van Christus zouden ophouden. En Frankrijk? Was Frankrijk niet de oudste dochter der Kerk, die aan den Heiligen Stoel te veel bewijzen van liefde gegeven had dan dat deze ooit op zou kunnen houden haar lief te hebben? Dan hief hij zijn handen op en schonk aan alle aanwezige pelgrims, aan de vereenigingen en congregaties, die zij vertegenwoordigden, aan hun huisgezinnen en aan hun vrienden, aan Frankrijk, aan alle Katholieke naties zijn apostolischen zegen, om hen te danken voor de kostbare hulp, die zij hem zonden. Terwijl hij weer ging zitten, barstten toejuichingen los, geestdriftige salvo's, die tien minuten duurden, gepaard met vivatgeroep, met ongearticuleerde kreten, een storm van ontketenden hartstocht, die de zaal deed beven.

En terwijl deze woeste aanbidding woedde, keek Pierre naar Leo XIII, die weer roerloos op zijn troon zat. Met de pauselijke muts op en den rooden, met hermelijn afgezetten mantel had hij in zijn lange witte soutane de hiëratische stijfheid van een afgodsbeeld, dat door tweehonderdvijftig millioen Christenen aangebeden wordt. Op den purperen achtergrond der gordijnen van den baldakijn, tusschen de vleugelachtig uitgespreide draperieën, waarin iets als een gloed van verheerlijking gloeide, nam hij een werkelijke majesteit aan. Het was niet meer de zwakke grijsaard met zijn kleine, gesaccadeerde pasjes en zijn tenger halsje van arm, ziek vogeltje. Het magere gezicht, de te krachtige neus, de te groote mond verdwenen. In dat wasachtige gelaat onderscheidde men niets dan de prachtige, donkere, diepe, eeuwig jonge, scherpzinnige en doordringende oogen.

Een onwillekeurig oprichten van zijn gestalte, een bewustzijn, dat hij de eeuwigheid vertegenwoordigde, de koninklijke adeldom, die hem omgaf, riepen den indruk te voorschijn, dat hij niet meer was dan een ademtocht, een reine ziel in een lichaam van zóó doorzichtig ivoor, dat men er die ziel reeds in zag, bevrijd van alle aardsche banden. En toen begreep Pierre, wat zulk een man, de souvereine pontifex, de koning, aan wien tweehonderdvijftig millioen onderdanen gehoorzamen, zijn moest voor de vrome en lijdende schepsels, die, door de schittering van de machten, die hij vertegenwoordigde, neergeslagen, hem van zoo verre kwamen aanbidden. Achter hem, in het purper der gordijnen, opende zich plotseling het onzichtbare, de oneindigheid van het ideale en de verblindende verheerlijking!

Hoeveel eeuwen van geschiedenis sedert den apostel Petrus, hoeveel kracht, hoeveel genie, hoeveel strijd, hoeveel triomphen vereenigden zich in één wezen, den Uitverkorene, den Eenige, den Bovenmenschelijke! Welk een telkens hernieuwd wonder; de hemel, die zich verwaardigde in dit menschelijk lichaam neer te dalen, God, die woonde in den dienaar, dien hij uitverkoren had, dien hij wijdt en heiligt boven de ontzaglijke menigte andere wezens door hem alle macht en wetenschap te geven! Welk een heilige ontroering, welk een liefde, God in een mensch, God, steeds ziende door zijn oogen, sprekend met zijn stem, uit ieder van zijn zegenende gebaren uitstroomend. Wie kan zich deze exorbitante, onbeperkte macht van een onfeilbaren monarch, de volkomen macht in deze, het heil in de wereld hiernamaals, den zichtbaren God voorstellen? En hoe begrijpelijk was het, dat de door de behoefte om te gelooven verteerde zielen naar hem toe vlogen, dat deze zielen, die eindelijk de zoo lang gezochte zekerheid, den troost zich te geven en in God zelf te verdwijnen vonden, geheel in hem opgingen.

Maar de plechtigheid liep ten einde, baron de Fouras stelde den Heiligen Vader de leden van het comité en enkele andere voorname deelnemers aan de bedevaart voor. Het was een langzaam voorbijtrekken, een bevend buigen der knieën, de gulzige kus op de muil en op den ring. Dan werden de banieren aangeboden; Pierre's hart kromp samen, toen hij in de mooiste, de rijkste een banier van Lourdes herkende, die ongetwijfeld door de paters der Onbevlekte Ontvangenis geschonken werd. Op de witte, met goud geborduurde zijde was aan de eene zijde de Heilige Maagd van Lourdes gestikt, terwijl de andere het portret van Leo XIII vertoonde. Hij zag hem glimlachen tegen zijn beeltenis, en een groote droefheid maakte zich van hem meester alsof zijn geheele droom van een intellectueelen, Evangelischen, van laag bijgeloof bevrijden paus ineenstortte. Op dat oogenblik ontmoette hij weer den blik van monsignor Nani, die hem sedert het begin der plechtigheid geen oogenblik uit het oog verloren had en met de nieuwsgierigheid van iemand, die bezig is een proef te nemen, zijn minste indrukken bestudeerde.

De prelaat kwam naar hem toe en zeide:

"Een prachtige banier! Wat zal Zijne Heiligheid zich verheugen, dat hij zoo mooi afgebeeld is in gezelschap der Heilige Maagd."

En toen de jonge priester, die bleek geworden was, niet antwoordde, voegde hij er met een echt-Italiaansche, vrome blijdschap aan toe:

"Hier in Rome houden wij veel van Lourdes! Die geschiedenis van Bernadette is zoo bekoorlijk!"

Wat nu gebeurde, was zoo iets buitengewoons, dat Pierre er lang door van streek bleef. Hij had te Lourdes tooneelen van onvergetelijke afgoderij gezien, tooneelen vol naïef geloof en tot waanzin opgevoerden godsdiensthartstocht, die hem nu nog van onrust en smart deden beven. Maar die menigten, welke zich naar de Grot stortten, de zieken, die in liefdesrazernij wegzwijmelden voor het beeld der Heilige Maagd, dat geheele volk, dat door de besmetting van het wonder waanzinnig geworden was, niets, niets van dat alles evenaarde ook maar in het minst den aanval van uitzinnigheid, die de pelgrims aangreep en voor de voeten van den paus wierp. Bisschoppen, geestelijke leiders van congregaties, afgevaardigden naderden, om bij den troon de offeranden neer te leggen, die zij uit de geheele Katholieke wereld brachten, de universeele collecte voor den Pieterspenning. Het was de vrijwillige belasting van een volk aan zijn souverein, zilver, goud, bankpapier in beurzen, in tasschen, in portefeuilles. Dan kwamen dames, die op haar knieën vielen en zijden of fluweelen taschjes, die zij geborduurd hadden, aanboden. Anderen hadden op portefeuilles het naamcijfer van Leo XIII in diamanten laten aanbrengen. Eén oogenblik werd de extase zóó groot, dat vrouwen zich geheel plunderden, haar beurzen tot met den laatsten sou, dien zij hadden, wegwierpen. Een zeer mooie, slanke en groote brunette ontdeed zich van haar horloge en ringen en wierp die op het tapijt der estrade. Allen zouden haar vleesch weggerukt hebben, om haar van liefde brandend hart uit te scheuren en dat ook weg te werpen. Zij zouden zichzelf geheel hebben willen wegwerpen, zonder iets van zich te behouden. Het was een regen van geschenken, een volkomen zichzelf geven, de hartstocht, die zich van alles berooft ter wille van het voorwerp van zijn vereering, de hartstocht, die zijn geluk daarin vindt niets te bezitten, dat niet tevens daaraan toebehoort. En dat alles speelde zich af te midden van een steeds toenemend gejuich, van vivatgeroep, van uitgebrulde aanbiddingskreten, terwijl een steeds heftiger gedrang ontstond, daar allen, mannen en vrouwen, bezweken voor den onweerstaanbaren drang om den afgod te kussen.

Een signaal werd gegeven. Leo XIII daalde vlug van den troon af en nam zijn plaats in den stoet in, om zich weer naar zijn appartementen te begeven. De Zwitsersche garde hield de menigte krachtig in bedwang en trachtte in de drie zalen zich een doortocht te banen. Maar toen de menigte zag, dat Zijne Heiligheid vertrok, rees een reusachtige kreet van wanhoop op, alsof de hemel zich plotseling gesloten had voor hen, die hem nog niet hadden kunnen naderen. Welk een bittere teleurstelling; God was zichtbaar voor hen geweest en zij hadden hem verloren, voor zij allen door hem aan te raken, hun eeuwig heil verkregen hadden! Het gedrang was zoo hevig, dat de grootste verwarring begon te heerschen en de Zwitsersche garde wegvaagde. Men zag een vrouw achter den paus aansnellen, op handen en voeten op de marmeren tegels kruipen, om zijn voetsporen te kussen en het stof van zijn schreden te drinken. De groote brunette, die aan den rand der estrade neergevallen was, lag in onmacht; twee heeren van het comité hielden haar vast, opdat zij zich niet wonden zou in den zenuwaanval, die haar krampachtig trekken deed. Een andere, een dikke blondine, klampte zich vast aan een der vergulde armen van den fauteuil, waarop de tengere elboog van den grijsaard gerust had, en drukte er zoo gulzig haar lippen op, alsof zij hem wilde opeten. Anderen zagen het, kwamen haar den arm betwisten, maakten zich meester van den anderen, van de rugleuning, van het fluweel, drukten haar lippen op het hout en op de stof, terwijl haar lichamen schokten in diepe snikken. Men moest geweld gebruiken, om haar eraf te rukken.

Toen alles geëindigd was, ontwaakte Pierre als uit een pijnlijken droom; zijn hart en zijn rede verzetten zich. En weer voelde hij den blik van monsignor Nani, die niet van zijn zijde week, op zich rusten.

"Een prachtige plechtigheid, niet waar?" vroeg de prelaat. "Dat geeft voor heel wat ongerechtigheden troost."

"Zeker, maar welk een afgoderij!" kon de priester niet nalaten te zeggen.

Monsignor glimlachte, maar ging niet verder op Pierre's gezegde in, deed alsof hij het niet gehoord had. Op dat oogenblik kwamen de twee Fransche dames, aan wie hij kaarten gegeven had, hem bedanken; en tot zijn verbazing herkende Pierre in haar de twee bezoeksters der katakomben, moeder en dochter, die beiden zoo mooi, zoo vroolijk, zoo gezond waren. Zij waren blij het schouwspel gezien te hebben, zeiden, dat een dergelijk iets op de wereld niet verder bestond.

Plotseling voelde Pierre in de menigte, die zonder eenige haast de zalen ontruimde, een hand op zijn schouders leggen. Hij keek om en zag Narcisse Habert, die buitengewoon geestdriftig was.

"Ik heb u verscheidene malen een teeken gegeven, mijn waarde abbé, maar gij hebt mij niet gezien... De vrouw, die met haar armen in den vorm van een kruis stijf neerviel, was wondermooi van uitdrukking. Een meesterwerk der primitieven, een Cimabue, een Giotto, een Fra Angelico! En die anderen, die de armen van den fauteuil met haar kussen verslonden, wat een groep van lieftalligheid, schoonheid en liefde!... Ik ontbreek bij dergelijke plechtigheden nooit: er zijn altijd schilderijen, schouwspelen van zielen te zien."

Langzaam vloeide de ontzaglijke stroom van pelgrims weg en ging in de brandende koorts, die hen bleef doorhuiveren, de trap af. Pierre, gevolgd door Monsignor Nani en Narcisse, die een gesprek begonnen waren, dacht na, terwijl het oproer van zijn denkbeelden in zijn hersens woedde. O zeker, er was iets grootsch en moois in dezen paus, die zich in zijn Vaticaan had opgesloten, die steeds hooger steeg in de aanbidding en den heiligen eerbied der menschen, naarmate hij meer verdween, meer zuiver geest, meer een zuiver zedelijke macht geworden was, vrij van alle wereldsche zorgen. Er lag daarin iets vergeestelijkts, een vlucht in het ideale, waardoor hij diep geroerd werd, want zijn droom van een verjongd Christendom berustte op die gelouterde, zuiver geestelijke macht van het Hoofd der Kerk. Hij had nu juist gezien wat die verheven pontifex van het hiernamaals daardoor aan macht en majesteit won--deze paus, aan wiens voeten de vrouwen flauw vielen, omdat zij achter hem God zagen. Maar in dezelfde minuut had hij plotseling de geldvraag voor zich zien oprijzen, wat zijn vreugde weer geheel bedierf, hem tot nadere overwegingen dwong. Al had het gedwongen opgeven van de wereldlijke macht den paus grooter gemaakt door hem te bevrijden van de moeilijkheden, die een kleinen koning zonder ophouden bedreigen, toch bleef de behoefte aan geld als een blok aan zijn been, dat hem aan de aarde bond. Daar hij den geldelijken steun van het koninkrijk Italië niet kon aannemen, had de werkelijk roerende idee van den Pieterspenning den Heiligen Stoel van iedere materieele zorg kunnen bevrijden, op voorwaarde dat deze penning in werkelijkheid de obool van den Katholiek, het penningske van iederen geloovige was, dat, op het dagelijksch brood gespaard, regelrecht naar Rome gezonden werd en van de nederige hand, die het geeft, valt in de verheven hand, die het ontvangt; ongerekend, dat een dergelijke vrijwillige belasting, door de kudde aan haar herder betaald, voldoende zijn zou voor het onderhoud der Kerk, indien ieder van de tweehonderdvijftig millioen Christenen eenvoudig wekelijks zijn stuiver gaf.

Op deze wijze zou de paus, die aan allen, aan ieder van zijn kinderen verplichtingen had, aan niemand verplichtingen hebben. Het was zoo weinig, een stuiver, zoo makkelijk en zoo roerend! Ongelukkig echter ging de zaak geheel anders, de groote meerderheid der Katholieken gaf niet, rijken zonden groote sommen uit politieken hartstocht, en vooral werden de giften opgehoopt in de handen der bisschoppen en van sommige congregaties, zoodat de ware gevers die bisschoppen, die machtige congregaties schenen, welke openlijk de weldoeners van het pausdom werden, de onmisbare kassen, waaruit het zijn leven putte. De kleinen en nederigen, wier obolen het offerblok vulden, werden als het ware gesupprimeerd; van de bemiddelaars, van de hooge geestelijke of wereldlijke heeren hing de paus af, die daardoor genoodzaakt was hen te ontzien, hun vertoogen aan te hooren, dikwijls zelfs aan hun inzichten toe te geven, indien hij de aalmoezen niet wilde zien opdrogen. Niettegenstaande hij van het doode gewicht der wereldlijke macht bevrijd was, was hij toch niet volkomen vrij, was hij afhankelijk van zijn clerus, daar hij met te veel belangen van eerzucht rekening moest houden, om de trotsche, zuiver geestelijke meester te zijn, die in staat was, om de wereld te redden. En Pierre herinnerde zich de Grot van Lourdes in de tuinen, de banier van Lourdes, die hij zooeven gezien had; hij wist, dat de paters van Lourdes jaarlijks een som van tweehonderdduizend francs afzonderden van hun inkomsten, om die aan den Heiligen Vader te zenden. Was dat niet de hoofdreden van hun almacht? Hij beefde en werd zich plotseling bewust, dat hij, ondanks zijn aanwezigheid te Rome, ondanks den steun van kardinaal Bergerot, verslagen en zijn boek veroordeeld zou worden.

Toen hij eindelijk in het laatste gedrang der menigte op het plein voor de St. Pieter kwam, hoorde hij Narcisse vragen:

"Gelooft u werkelijk, dat de giften vandaag dit bedrag overschreden hebben?"

"O meer dan drie millioen, daar ben ik ten stelligste van overtuigd," antwoordde monsignor Nani.

Met hun drieën bleven zij een oogenblik onder de rechtsche zuilengaanderij staan kijken naar het in het zonlicht badende plein, waarop de drie duizend pelgrims zich als kleine zwarte vlekjes verspreidden, een wriemelende menigte, een in opstand gekomen mierenhoop.

Drie millioen! Het geld bleef in Pierre's ooren klinken. Hij keek naar de gevels van het Vaticaan, die aan de andere zijde van het plein geheel verguld in de zon lagen, alsof hij door de muren heen Leo XIII wilde volgen, terwijl deze door de muren en de zalen naar zijn appartementen ging, waarvan hij de ramen in de hoogte onderscheiden kon. In zijn gedachten zag hij hem beladen met de drie millioenen, hoe hij ze met zich droeg in zijn magere, tegen zijn borst gedrukte armen, hoe hij met zich droeg het zilver, het goud, het bankpapier, tot aan de juweelen, die de vrouwen hem toegeworpen hadden, toe. Dan begon hij onbewust, hardop te spreken.

"En wat gaat hij met die millioenen doen? Waarheen gaat hij ermede?"

Narcisse en monsignor Nani konden bij het hooren van deze op die wijze geuite nieuwsgierigheid hun vroolijkheid niet bedwingen. En de jonge man antwoordde:

"Maar die neemt Zijne Heiligheid mee naar zijn kamer of liever hij laat ze voor zich uitdragen. Hebt u die twee personen uit zijn gevolg niet gezien, die alles opraapten, al hun zakken en hun handen vol hadden?... En nu heeft Zijne Heiligheid zich alleen opgesloten, iedereen weggestuurd, alle knippen op de deur gedaan... Als u achter die deur kon kijken, zoudt u zien hoe hij met gelukkige aandacht zijn schatten telt en hertelt, de goudstukken netjes opstapelt, het bankpapier in de couverten doet en dan alles op geheime plaatsen, die hij alleen kent, wegbergt."

Terwijl Narcisse sprak, had Pierre zijn blikken weer gericht naar de ramen van den paus, alsof hij het tooneel gevolgd had. De jonge man vertelde verder, zeide, dat er in de kamer tegen den rechtermuur een meubelstuk stond, waarin het geld bewaard werd. Sommigen vertelden ook van diepe laden in een schrijfbureau; anderen weer beweerden, dat het geld achter in het groote alkoof in met zware sloten voorziene koffers sliep. Links van de naar het Archief leidende gang was er wel een groot vertrek, waarin de hoofdkassier met een groote brandkast met drie afdeelingen huisde, maar daarin bevond zich het geld van het erfgoed van den Heiligen Petrus, de administratieve inkomsten uit Rome, terwijl het geld van de Pieterspenning, van de aalmoezen der geheele Christenheid, in de handen van Leo XIII bleef, die alleen het bedrag daarvan wist en alleen met die millioenen leefde, waarover hij de onbeperkte beschikking had en waarvan hij niemand rekenschap behoefde af te leggen. Hij verliet dan ook zijn kamer niet, wanneer de bedienden haar kwamen doen. Nauwlijks liet hij zich overhalen even op den drempel te gaan staan, om het stof niet in te ademen. Wanneer hij zich voor enkele uren verwijderde, om in de tuinen te gaan wandelen, deed hij de deuren op het nachtslot en nam de sleutels mede, die hij nooit aan iemand toevertrouwde.

Narcisse hield op en wendde zich dan tot monsignor Nani.

"Dat zijn feiten, die geheel Rome kent, nietwaar monseigneur?"

De prelaat, die, zonder zijn goed- of afkeuring uit te spreken, glimlachend met zijn hoofd schudde, was weer begonnen op het gelaat van Pierre den indruk, dien deze verhalen op hem maakten, te volgen.

"Zeker, zeker, men zegt zooveel!... Ik voor mij weet het niet, maar als u het zegt, mijnheer Habert!"

"O!" antwoordde deze; "ik beschuldig Zijne Heiligheid niet zoo schraperig gierig te zijn, als het gerucht wel wil. Er gaan heele verhalen van met goud gevulde koffers, waarin hij uren lang zou zitten graaien--van schatten, die in hoeken opgehoopt zijn alleen voor het genot om ze te tellen en telkens weer te tellen... Maar wel kan men, geloof ik, met recht beweren, dat de Heilige Vader eenigszins van het geld houdt, dat hij het, als hij alleen is, prettig vindt het aan te raken en het te ordenen; een manie, welke bij een ouden man, die geen andere afleiding heeft, wel te verontschuldigen is... En ik haast mij eraan toe te voegen, dat hij van het geld nog meer houdt om de sociale kracht, die erin ligt, om den grooten steun, dien het aan het pausdom van morgen geven moet, als het overwinnen wil."

Toen rees voor Pierre de hooge gestalte van den voorzichtigen en wijzen paus op, die zich de moderne behoeften besefte, geneigd was de machten der eeuw te gebruiken, om deze te veroveren, die zaken deed, ja zelfs in een financieele debacle den door Pius IX nagelaten schat bijna verloren had, en nu de bres trachtte te stoppen en den schat te herstellen, om hem grooter aan zijn opvolger na te laten. Spaarzaam, ja, maar spaarzaam voor de behoeften der Kerk, waarvan hij besefte, dat zij groot waren, iederen dag grooter werden, voor haar een levensquaestie waren, indien zij het atheïsme op het gebied van scholen, inrichtingen en allerlei vereenigingen bestrijden wilde. Zonder geld was zij niets meer dan een vazal, overgeleverd aan de genade der burgerlijke machten van het koninkrijk Italië en andere Katholieke naties. Daardoor kwam het, dat hij, ondanks zijn liefdadigheidszin, ondanks het feit, dat hij rijkelijk nuttige werken steunde, welke den triomf van het Geloof konden verhaasten, een afschuw had van nuttelooze uitgaven en voor zich zelf en voor anderen uiterst spaarzaam was. Persoonlijke behoeften had hij niet. Van het begin van zijn pausschap af had hij zijn klein particulier vermogen geheel gescheiden van den grooten rijkdom van den Heiligen Stoel, had hij geweigerd iets daarvan af te nemen, om de zijnen te helpen. Nooit had een paus zoo weinig aan het nepotisme toegegeven; zijn drie neven en zijn twee nichten waren arm gebleven en verkeerden in groote financieele moeilijkheden. Hij luisterde noch naar praatjes, noch naar klachten, noch naar beschuldigingen; hij bleef doof en ontoegankelijk daarvoor, verdedigde energiek de millioenen van het pausdom tegen de vele hardnekkige begeerige lusten, tegen zijn omgeving en tegen zijn familie. Hij stelde er zijn trots in den toekomstigen pausen, het onoverwinlijke wapen, het leven gevend geld, na te laten.

"Maar waarin bestaan," vroeg Pierre, "eigenlijk de inkomsten en de uitgaven van den Heiligen Stoel?"

Monsignor Nani haastte zich zijn ontwijkend gebaar te herhalen.

"O van die dingen weet ik absoluut niets... Wend u tot mijnheer Habert, die zoo goed op de hoogte is."