Part 23
"O, ik ken mijn armen Dario heel goed. Maar dat belet niet, dat ik hem liefheb, integendeel. Hij ziet er teer, ja zelfs een beetje ziekelijk uit, maar in den grond der zaak is hij hartstochtelijk, moet hij zijn zinnen bevredigen. Ja, het oude bloed bruist nog in hem, en ik weet wat dat zeggen wil, want als klein meisje had ik soms aanvallen van woede, waarin ik op den grond lag te stampen; en ook nu nog moet ik, wanneer ik dergelijke aanvallen krijg, tegen me zelf strijden, me pijnigen, om niet de grootst mogelijke dwaasheden uit te halen... Mijn arme Dario! Hij kàn zoo moeilijk leed verdragen! Hij is precies een klein kind, dat zijn luimen dadelijk ingewilligd zien wil; maar in den grond der zaak is hij toch ook heel verstandig, wacht hij op mij, omdat hij begrijpt, dat het ware geluk voor hem bij mij is, die hem aanbid."
Nu kreeg Pierre een helder inzicht in het karakter van den jongen prins, dat hij tot nog toe niet volkomen begrepen had. Hoewel hij doodelijk veel van zijn nicht hield, had hij toch steeds door elders zijn vermaken gezocht. Een volmaakte egoïst, maar toch een vriendelijke, aardige jongen. Vooral was hij niet in staat leed te verdragen, had hij een afschuw van lijden, leelijkheid en armoede, zoowel bij hem als bij anderen. Met hart en ziel was hij voor vreugde, schittering, uiterlijken schijn en leven in de open, vrije lucht. En bovendien was hij uitgeput, bezat hij nog slechts kracht voor dit leven van niets doen, kan hij zelfs niet meer denken of willen, zoodat het nooit zelfs in hem opgekomen was zich aan te sluiten bij het nieuwe regime. Daarbij kwam nog de matelooze Romeinsche trots, een met scherpzinnigheid en een steeds levendig, praktisch begrip der werkelijkheid verbonden luiheid, en bij de zachte lieftalligheid van zijn eindigend geslacht, bij zijn voortdurende behoefte aan een vrouw, aanvallen van woedende begeerte, een dierlijke, menigmaal losbarstende zinnelijkheid.
"Mijn arme Dario! Laat hij naar een andere vrouw gaan, ik neem het hem niet kwalijk," voegde Benedetta er met haar mooi glimlachje zacht aan toe. "Je moet niet het onmogelijke aan een man vragen, niet waar?"
Toen Pierre, wiens denkbeelden omtrent Italiaansche jaloezie geheel geschokt werden, haar verbaasd aankeek, riep zij, brandend van hartstochtelijke aanbidding:
"Neen, neen, daar ben ik niet jaloersch op. Hij vindt er genot in en mij hindert het niet. Ik weet heel goed, dat hij steeds tot mij zal terugkeeren, dat hij alleen nog maar aan mij zal toebehooren, wanneer ik dat willen, wanneer ik dat kunnen zal."
Er volgde een stilte. De salon begon zich in duisternis te hullen, het goud aan de groote wandtafeltjes doofde uit, een eindelooze droefgeestigheid viel van de hooge, donkere zoldering en het oude gele behang met zijn herfsttinten. Spoedig daarna trad door een toevallige belichting een schilderij boven den canapé, waarop de contessina zat, uit de duisternis te voorschijn: het portret van het jonge, mooie meisje, van Cassia Boccanera, die in haar liefde gerechtigheid geoefend had. Weer trof hem de gelijkenis en hij dacht hardop:
"De verzoeking is sterker dan de menschen, er komt altijd een oogenblik, waarop men bezwijkt. Als ik daareven niet binnengekomen was..."
Heftig viel zij hem in de rede:
"Ik, ik!... O, u kent mij niet. Ik zou liever gestorven zijn."
En in een vreemde, vrome exaltatie, geheel opgeheven door haar liefde en als had het bijgeloof den hartstocht tot extase opgevoerd, voegde zij eraan toe:
"Ik heb de Madonna gezworen mijn maagdelijkheid te geven aan den man, dien ik liefheb, doch eerst op den dag, dat hij mijn man zal zijn; en dien eed heb ik gehouden ten koste van mijn geluk, en ik zal hem houden ten koste van mijn leven, als het moet... Ja, Dario en ik zullen desnoods sterven, maar de Heilige Maagd heeft mijn woord en de engelen in den hemel zullen niet weenen."
Zij gaf zich geheel in al haar oprechtheid, met een eenvoud, die eerst ingewikkeld, onverklaarbaar schijnen kon. Ongetwijfeld werd zij beheerscht door die zonderlinge voorstelling van menschelijken adel, welke het Christendom gelegd heeft in verzaking en reinheid, die een protest is tegen de eeuwige materie, de krachten der natuur, de oneindige vruchtbaarheid van het leven. Maar in haar was het nog iets meer: voor haar had de maagdelijkheid een onschatbare waarde, was zij een kostbaar goddelijk geschenk, dat zij aan den door haar hart uitverkoren geliefde geven wilde, die, zoodra God hen verbonden zou hebben, ook de meester van haar lichaam was. Voor haar bestond er buiten het door den priester gewijde huwlijk slechts doodzonde en gruwel. Dat alles verklaarde haar langen tegenstand aan Prada, dien zij niet liefhad; haar wanhopigen, pijnlijken tegenstand aan Dario, dien zij aanbad, maar aan wien zij zich slechts geven wilde in een wettig huwlijk. Welk een marteling moest het voor die in liefde ontvlamde ziel zijn weerstand te bieden aan die liefde! Welk een niet eindigende strijd van haar plichtsgevoel en haar eed aan de Heilige Maagd met den hartstocht, dien hartstocht van haar geslacht, welke soms, zooals zij zelf bekende, in haar woedde als een storm!
Pierre keek haar in de wegstervende schemering aan en het was hem, alsof hij haar nu voor het eerst zag, voor het eerst begreep. Haar dualiteit verried zich in haar eenigszins krachtige en zinnelijke lippen, in haar groote, zwarte, ondoorgrondelijke oogen, in haar zoo kalm, zoo verstandig, zoo kinderlijk-teer gezicht. Achter deze vurige oogen, onder die lelie-reine huid raadde men de innerlijke spankracht van de bijgeloovige, trotsche en eigenzinnige vrouw, die zich hardnekkig bewaarde voor haar liefde, die slechts werkte, om daarvan te genieten en er in haar beredeneerde bedachtzaamheid steeds op voorbereid was, dat een hartstochtelijke dwaasheid haar mede zou kunnen sleepen. O, hoe kon hij zich nu begrijpen, dat men haar liefhad! Hoe voelde hij, dat een zoo aanbiddelijk wezen met haar heerlijke oprechtheid, haar onstuimige terughouding, om zich beter te kunnen geven, het leven van een man vervullen kon! Zij kwam hem voor als de jongere zuster van die liefelijke en tragische Cassia, die met haar voortaan nuttelooze maagdelijkheid niet langer leven wilde en zich in den Tiber geworpen had, terwijl zij haar broeder Ercolo en het lijk van Flavio, haar geliefde, met zich trok!
In een liefdevolle opwelling greep Benedetta de beide handen van Pierre.
"Mijnheer de abbé, u bent nu een veertien dagen hier, en ik heb al een groote genegenheid voor u opgevat, omdat ik voel, dat u een vriend bent. Indien u ons niet dadelijk begrijpt, moet u toch niet te slecht over ons oordeelen. Ik zweer u, dat ik, hoe onwetend ik ook ben, altijd tracht zoo goed mogelijk te handelen."
Hij werd diep geroerd door haar beminlijkheid en hij dankte haar daarvoor, terwijl hij een oogenblik haar mooie handen in de zijne nam, want ook hij had een groote genegenheid voor haar opgevat. Weer sleepte een droom hem mede: haar opvoeder zijn, als hij den tijd daarvoor had, in ieder geval niet weer te vertrekken, zonder deze ziel gewonnen te hebben voor de denkbeelden van naastenliefde en broederschap, die de zijne waren. Was dit bewonderenswaardige, indolente, onwetende, niets omhanden hebbende schepseltje, dat slechts haar liefde wist te verdedigen, niet het Italië van gisteren? Het zoo mooie, sluimerende Italië van gisteren met haar uitstervende lieftalligheid, zoo betooverend in haar sluimering, in wier diepe, donkere, hartstochtelijk brandende oogen nog zoo veel ongekends verborgen lag? Welk een heerlijke taak haar te wekken, haar te onderrichten, haar te veroveren voor de waarheid, het volk der lijdenden en der armen, het verjongde Italië van morgen, zooals hij zich dat droomde!
In dat rampzalige huwlijk met graaf Prada, in dien breuk met hem, wilde hij zelfs een eerste mislukte poging zien: het moderne Noord-Italië ging te vlug te werk, was te ruw in zijn poging om het zachte, achtergebleven, nog groote en trage Rome lief te hebben en te hervormen! Maar kon hij de taak niet opnieuw opvatten, had hij niet gemerkt, dat zijn boek na de verbazing, die de eerste lezing in haar gewekt had, in de leegte van haar slechts door haar verdriet gevulde dagen, haar gedachten bezig gehouden had, haar belang inboezemde. Wat, zich voor anderen, zich voor de minderen dezer wereld, voor het geluk der ongelukkigen te interesseeren? Was het mogelijk, dat daarin een verzachting van eigen leed lag? Zij was reeds ontroerd; en hij nam zich voor haar tranen te doen vloeien, terwijl hij zelf naast haar beefde bij de gedachte aan de eindelooze liefde, die zij geven zou, wanneer zij zou liefhebben.
De nacht was geheel gevallen en Benedetta stond op om een lamp te vragen. Toen Pierre afscheid nam, hield zij hem nog even terug in de donkerte. Hij zag haar niet meer, hoorde haar nog slechts met haar ernstige stem zeggen:
"U zult toch geen al te slechte opinie van ons meenemen, mijnheer de abbé? Dario en ik hebben elkaar lief, en dat is geen zonde, wanneer men verstandig is. Ja zeker, ik heb hem al zoo lang lief! Stel u voor, ik was nauwlijks dertien en hij achttien, toen we al zoo heel veel van elkaar hielden in dien grooten tuin van de villa Montefiori, welken men heelemaal verwoest heeft... O, wat voor dagen hebben wij daar doorgebracht--heele middagen onder de boomen, uren lang in onvindbare schuilhoekjes--en wat hebben wij elkaar als cherubijnen gekust! Wanneer de tijd kwam, dat de oranjeappelen rijp werden, bedwelmde ons de geur der vruchten. En de groote taxisboomen, wat omhulden ze ons met hun geur, die onze harten sneller deed kloppen! Thans kan ik dien niet meer inademen, zonder duizelig te worden."
Giacomo bracht de lamp en Pierre ging naar zijn kamer. Op de kleine trap vond hij Victorine, die even schrok, alsof zij daar was gaan staan, om hem op te wachten, als hij uit den salon kwam. Zij volgde hem, praatte, hoorde hem uit. En plotseling ging de priester een licht op.
"Waarom ben je niet gekomen, toen je meesteres je riep? Je zat toch in de antichambre te naaien?"
Eerst wilde zij verbaasde oogen opzetten, zeggen, dat zij niets gehoord had. Maar haar open, gul gezicht kon niet liegen, lachte ondanks alles. Ten slotte bekende zij dapper en vroolijk.
"Wat ging mij dat aan? Waarom moest ik tusschenbeide komen? En bovendien voelde ik mij heel rustig, ik weet, dat de prins veel te veel van haar houdt, om mijn kleine Benedetta kwaad te doen."
In werkelijkheid had zij, begrijpend waar het om ging, bij den eersten hulproep haar werk op de tafel neergelegd en was zoo zacht mogelijk weggeslopen, om de lieve kinderen, zooals zij ze noemde, niet te moeten storen.
"De arme kleine," begon zij weer, "hoe dom van haar om zich om het hiernamaals zoo te kwellen. Groote God, wat voor kwaad zou erin steken, wanneer zij elkaar wat geluk gaven, daar zij elkaar toch liefhebben? Zoo lollig is het leven toch niet! En wat een wroeging later, wanneer het te laat zou zijn!"
Toen Pierre alleen in zijn kamer was, voelde hij zich duizelig worden. De groote taxisboomen! Evenals hij, had zij bij hun scherpen, krachtigen geur gehuiverd. En zij kwamen terug en riepen hem dien der pauselijke tuinen in herinnering, de wellustige, verlaten en in de hoogstaande zon brandende, Romeinsche tuinen. De beteekenis van den geheelen dag werd hem nu duidelijk. Het was de vruchtbare ontwaking, het eeuwige protest van de natuur en van het leven, de Venus en de Hercules, die men gedurende eeuwen in den grond heeft kunnen begraven, maar die er toch eens weer uit oprijzen; die men diep in het heerschzuchtige, starre en koppige Vaticaan kan willen opsluiten, maar die zelf daar regeeren en onbeperkt de wereld beheerschen.
ZEVENDE HOOFDSTUK
Toen Pierre den volgenden dag na een lange wandeling weer voor het Vaticaan stond, waarheen een soort obsessie hem steeds weer terugbracht, ontmoette hij opnieuw monsignor Nani. Het was een Woensdagavond en de assessor bij het Heilig College had juist zijn wekelijksche audiëntie bij den paus gehad, aan wien hij over de zitting, die de Heilige Congregatie 's ochtends gehouden had, rapport uitbracht.
"Welk een gelukkig toeval, mijn waarde zoon! Ik dacht juist aan u... Wilt ge Zijne Heiligheid in het openbaar zien, alvorens hem in een particuliere audiëntie te spreken?"
Hij had weer zijn gewone glimlachende welwillendheid, waarin men nauwlijks de zachte ironie voelde van den man, die alles wist, alles kon, alles voorbereidde.
"Zeker, heel graag, monseigneur", antwoordde Pierre, een weinig verbaasd door dat plotselinge aanbod. "Iedere afleiding is welkom, wanneer je je dagen met wachten verspilt."
"Neen, neen, ge verspilt uw dagen niet," viel de prelaat hem vlug in de rede. "Ge ziet, ge denkt na, ge ontwikkelt u... Maar om op de zaak terug te komen. Ongetwijfeld weet u, dat de groote internationale bedevaart van den Pieterspenning Vrijdag te Rome komt en Zaterdag door Zijne Heiligheid ontvangen wordt. Den volgenden dag, Zondag, is er een andere plechtigheid. Zijne Heiligheid zal dan in de basilica de mis lezen... Welnu, ik heb nog enkele kaarten over. Hier hebt u nog zeer goede plaatsen voor de beide dagen."
Hij had uit zijn zak een kleine elegante, met zijn gouden naamcijfer voorziene portefeuille gehaald en nam daaruit twee kaarten, een rose en een groene, die hij aan den jongen priester gaf.
"Als u eens wist, hoe men er om vecht! U herinnert zich die twee Fransche dames nog wel, die van verlangen branden om Zijne Heiligheid te zien? Ik heb niet te veel willen aandringen, om een audiëntie voor haar te krijgen; ook zij hebben zich tevreden moeten stellen met de kaarten, die ik haar gegeven heb... Ja, de Heilige Vader voelt zich wat vermoeid. Ik was zooeven bij hem en vond, dat hij er geel en koortsachtig uitziet. Maar hij is zoo moedig, in hem leeft alleen zijn ziel."
Hij glimlachte weer zijn nauwlijks merkbaar spottend glimlachje.
"Ja, hij is een voorbeeld voor de ongeduldigen, mijn waarde zoon... Ik hoor, dat monsignor Gamba del Zoppo niets voor u heeft kunnen doen. Maar u moet u dat niet al te zeer aantrekken. Laat ik u nogmaals zeggen, dat dit lange wachten zeker een genade der Voorzienigheid is. Het leert u, het dwingt u dingen te begrijpen, die gij, Fransche priesters, ongelukkig niet voelt, wanneer gij in Rome komt. En misschien zal u dit voor fouten behoeden... Kom, draag het kalm en zeg tegen uzelf, dat alles in Gods hand ligt en geschiedt op het door Zijn hooge wijsheid vastgestelde oogenblik."
Hij stak hem zijn mooie, lenige hand toe. Het was als de hand van een vrouw, maar haar druk had de kracht van een stalen schroef. Dan stapte hij in het rijtuig, dat op hem stond te wachten.
De brief, dien Pierre van vicomte Philibert de la Choue ontvangen had, was toevallig een lange kreet van verbittering en wanhoop naar aanleiding van de internationale bedevaart van den Pieterspenning. Hij schreef van zijn bed af, waaraan hij door een hevigen jichtaanval gekluisterd was, en kon niet komen. Het meest verdroot hem echter, dat de president van het comité, die als zoodanig natuurlijk de bedevaart aan den paus moest voorstellen, juist baron de Fouras was, een van zijn meest verbitterde tegenstanders uit de oude conservatieve Katholieke partij; en hij twijfelde er geen oogenblik aan, of de baron zou van die gelegenheid gebruik maken, om den paus tot zijn theorie van vrije corporaties over te halen, terwijl hij, de la Choue, slechts heil voor het Katholicisme en voor de wereld verwachtte van gesloten, verplichte corporaties. Hij smeekte Pierre dan ook zich tot de hem gunstig gezinde kardinalen te wenden, niet te rusten voor hij door den paus ontvangen was en Rome niet te verlaten zonder hem de hoogste goedkeuring te brengen, die de overwinning beslissen kon. De brief gaf bovendien interessante bijzonderheden over de bedevaart. Zij bestond uit drie duizend uit alle landen saamgekomen pelgrims, uit Frankrijk, België, Spanje, Oostenrijk, ja zelfs Duitschland, en werd in kleine groepjes door bisschoppen en leiders der corporaties naar Rome gebracht. Frankrijk was met drie duizend pelgrims het sterkst vertegenwoordigd. Een internationaal comité was te Parijs werkzaam geweest, om alles te organiseeren, een moeilijk werk, want het was een zeer gemengd gezelschap, leden der aristocratie, damesvereenigingen, arbeidersvereenigingen, alle klassen, leeftijden en geslachten, als broeders in hetzelfde geloof. De vicomte voegde er nog aan toe, dat de bedevaart, die millioenen aan den paus brengen zou, den datum van zijn aankomst zóó gekozen had, dat zij als het ware het protest van het algeheele Katholicisme was tegen de feesten van 20 September, waarmede het Quirinaal den glorierijken verjaardag van de verheffing van Rome tot hoofdstad vierde.
Pierre meende, dat het vroeg genoeg zou zijn als hij tegen elf uur kwam, want de plechtigheid zou eerst om twaalf uur beginnen. Zij zou plaats vinden in de Sala dei Beatificazione, een groote, mooie zaal, die boven de zuilengaanderij van de St. Pieter ligt en in 1890 in een kapel veranderd is. Een der ramen ziet uit op de middelste loggia, vanwaaraf vroeger de nieuw-gekozen paus het volk, Rome en de wereld zegende. Twee andere zalen, de Sala regia en de Sala ducale lagen ervoor. Toen Pierre echter naar de plaats, waarop zijn groene kaart hem in de Sala dei Beneficazione zelf recht gaf, wilde gaan, vond hij de drie zalen met een zóó dicht op elkaar gepakte menigte gevuld, dat hij er zich slechts met de uiterste moeite een weg door kon banen. Een uur lang verdrong men elkaar reeds op die manier in de vurige koorts en de toenemende opwinding van de drie- of vierduizend daar opgesloten personen. Eindelijk kon hij tot de deur der derde zaal komen, maar bij het zien van die buitengewone opeenhooping van hoofden ontzonk hem de moed en trachtte hij zelfs niet verder te gaan.
De Sala dei Beatificazione, die hij, toen hij op zijn teenen ging staan, met één enkelen blik overzag, was onder de hooge, strenge zoldering rijk versierd, verguld en beschilderd. Tegenover den ingang, waar anders het altaar stond, was op een lage estrade de pauselijke troon geplaatst, een groote fauteuil van rood fluweel, welks rug en armen van goud schitterden; de draperieën van den eveneens roodfluweelen baldakijn vielen naar achter en ontplooiden zich als twee groote purperen vleugels. Doch vooral trof Pierre die menigte, die menigte vol ongebreidelden hartstocht, zooals hij ze nog nooit vroeger gezien had, wier harten hij met luide slagen hoorde kloppen, wier oogen het koortsachtige ongeduld van hun wachten trachtten te misleiden door naar den ledigen troon te kijken, dien te aanbidden.
O, die troon. Hij verblindde hen, hij bracht hen een onmacht nabij, evenals de gouden monstrans, waarin het Gode behaagde persoonlijk plaats te nemen. Men zag daar arbeiders in zondagskleeren met heldere kinderblikken en ruwe, thans in extase vertrokken gezichten, burgerjuffrouwen in haar voorgeschreven zwarte japonnen, bleek door een soort heilige vrees en bovenmatig verlangen, heeren in gekleede jas en witte das, stralend, vast overtuigd, dat zij de Kerk en de volkeren redden. Maar in het bijzonder viel een groep van deze laatsten, om den pauselijken troon, in het oog, de leden van het internationale comité met baron de Fouras aan het hoofd, een groote, corpulente, blonde vijftiger, die zich steeds heen en weer bewoog en als een generaal op den ochtend van een beslissende overwinning bevelen gaf. Hier en daar schitterde tusschen de grijze en zwarte menigte de violette zijde van een bisschop, daar iedere herder bij zijn kudde had willen blijven. De gebaarde of gladgeschoren hoofden van de wereldlijke geestelijken en de ordebroeders in hun bruine, zwarte of witte kleederen staken boven de menigte uit. Rechts en links wapperden de banieren, die vereenigingen en congregaties als geschenk voor den paus medebrachten. De deining steeg steeds hooger, het bruisen der zee zwol steeds aan; de zweetende gezichten, de brandende oogen, de versmachtende monden straalden een zoo ongeduldige liefde uit, een zoo zware geur steeg uit die opgehoopte menigte op, dat de atmospheer er als het ware dik en donker door werd.
Maar plotseling zag Pierre naast den troon monsignor Nani, die, nadat hij hem uit de verte opgemerkt had, hem een teeken gaf naderbij te komen. En toen Pierre met een bescheiden gebaar te kennen gaf, dat hij liever bleef waar hij was, gaf de prelaat het niet op, maar zond een zaalwachter naar hem met bevel ruimte voor hem te maken.
"Waarom kwam u niet naar uw plaats toe?" vroeg de prelaat, toen de zaalwachter hem eindelijk bij den troon gebracht had. "Uw kaart geeft u recht hier links van den troon te staan."
"Ach, ik zou zooveel menschen lastig hebben moeten vallen, dat ik dat niet wilde. En bovendien is het te veel eer voor mij."
"Neen, neen, ik heb u deze plaats niet voor niets gegeven. Ik wil, dat u vooraan staat, om alles goed te kunnen zien en niets van de plechtigheid te verliezen."
Pierre kon niets anders dan hem dankbaar zijn. Hij zag nu, dat verschillende kardinalen en vele prelaten van het pauselijk Hof eveneens aan beide zijden van den troon stonden te wachten. Tevergeefs echter zocht hij naar kardinaal Boccanera, die nooit in de St. Pieter of op het Vaticaan kwam dan wanneer zijn dienst hem daartoe verplichtte. Maar wel zag hij kardinaal Sanguinetti, die in een druk gesprek gewikkeld was met baron de Fouras. Even kwam monsignor Nani nog naar hem toe, om hem twee andere Eminenties te wijzen, zeer invloedrijke en machtige persoonlijkheden: den kardinaal-vicaris, een corpulenten, kleinen man met een koortsachtig, door eerzucht verteerd gelaat, en den kardinaal-secretaris, robuust, gespierd en met grove trekken, het romantische type van een Siciliaanschen bandiet, die de discrete en glimlachende kerkelijke diplomatie gekozen heeft. Nog enkele passen verder stond, afgezonderd, de grootpenitentarius, zwijgend, met een lijdend uiterlijk en een vaal, mager ascetengezicht.
Het had twaalf uur geslagen. Er ontstond een ongegronde vreugde, een beweging, die zich als een diepe golf uit de twee andere zalen voortplantte. Doch het waren slechts de zaalwachters, die de menigte achteruitdrongen om een doorgang voor den pauselijken stoet vrij te maken. Plotseling echter klonken uit de eerste zaal toejuichingen, kwamen naderbij, zwollen aan. Ditmaal was het de stoet. Voorop een afdeeling der Zwitsersche garde in klein tenue onder bevel van een sergeant; dan de in het rood gekleede dragers; vervolgens de Hofprelaten, waaronder vier geheime kamerheeren. En eindelijk liep tusschen twee pelotons edelgarden in half-gala de Heilige Vader alleen, te voet, flauwtjes glimlachend, langzaam naar rechts en links zegenend. Met hem was het gejuich, dat uit de zalen ernaast opsteeg, binnengedrongen in de Sala dei Beatificazione: de hartstochtelijke liefde wies tot waanzin aan; en onder de tengere witte handen, die zich zegenend uitstrekten, waren al deze schepsels, die de onmacht nabij waren, op hun beide knieën gevallen. Op den grond was niets meer te zien dan een neergeworpen, als door de verschijning van God verpletterd, vroom volk.