Part 22
Vervolgens rees een ander visioen voor Pierre op, dat der moderne pausen vóór de Italiaansche occupatie, Pius IX vrij nog en zich dikwijls bewegend in zijn geliefd Rome. De groote, roode en gouden koets werd door zes paarden getrokken, omgeven door de Zwitsersche garde, gevolgd door een peloton edelgarden. Op den Corso verliet de paus meermalen zijn rijtuig en zette zijn wandelrit te voet voort; dan galoppeerde een bereden garde vooruit, om te waarschuwen en alles te doen stilstaan. Onmiddellijk schaarden de rijtuigen zich in een rij; de mannen stapten uit, om op straat neer te knielen, terwijl de vrouwen eenvoudig bleven staan en het hoofd eerbiedig bogen bij de nadering van den Heiligen Vader, die, glimlachend en zegenend, met langzamen stap tot aan de piazza del Popolo ging. En nu kwam Leo XIII, de vrijwillige gevangene. Achttien jaar lang nu al in het Vaticaan opgesloten, had hij achter deze dikke, zwijgende muren, in dat onbekende, waarin het bescheiden leven van al zijn dagen wegvloot, een hoogere majesteit, iets heilig en huiveringwekkend mysterievols gekregen.
O, deze paus, dien men niet meer ontmoet, dien men niet meer ziet, die voor den gewonen mensch verborgen is als een dier vreeselijke godheden, die alleen de priesters in het gelaat durven zien! Hij heeft zich opgesloten in dat weelderige Capitool, dat zijn voorgangers uit den Renaissance-tijd gebouwd en versierd hadden voor reusachtige feesten; hij leeft daar, ver van de groote menigte, in een gevangenis, met de mooie mannen en de mooie vrouwen van Michelangelo en Raffaël, met de marmeren goden en godinnen, den schitterenden Olympus, die den godsdienst van het licht en van het leven viert. Het geheele pausdom baadt daar met hem in het paganisme. Welk een schouwspel, wanneer deze tengere grijsaard met zijn sneeuwwitte haren, door die zalen der Galleria degl' Antichi komt, om zich naar den tuin te begeven. Rechts en links zien de standbeelden met al hun naakt vleesch hem voorbijkomen: Juppiter en Apollo en Venus, de heerscheres, en Pan, de universeele god, wiens lach de vreugden der aarde inluidt. Nereïden baden zich in den doorzichtigen stroom, Bacchanten dartelen zonder sluier in het warme gras. Kentauren dragen galoppeerend op hun dampende flanken mooie, in wellust zwijmelende meisjes weg. Ariadne wordt verrast door Bacchus, Ganymedes liefkoost den adelaar, Adonis doet de paren in liefde ontvlammen.
En de witte grijsaard wordt op zijn lagen stoel door dit triompheerende vleesch, die pronkende, pralende, verheerlijkte naaktheid, die de almacht der natuur, het eeuwige mysterie verkondigt, gedragen. Sedert men haar teruggevonden, uitgegraven en geëerd heeft, heerscht zij daar opnieuw onvergankelijk; en vergeefs heeft men wijnrankbladeren aan de standbeelden aangebracht, evenals men de grootsche figuren van Michelangelo gekleed heeft: het geslacht vlamt, het leven schuimt over, het zaad stroomt wild-bruisend door de aderen der wereld.
Dicht daarbij in de onvergelijkelijk rijke Vaticaansche Bibliotheek, waarin het geheele menschelijke weten slaapt, zal het een nog vreeselijker gevaar zijn, zal een ontploffing het Vaticaan en zelfs de St. Pieter ten val brengen, wanneer ook die boeken eens ontwaken en luide spreken, zooals de schoonheid der Venussen en de mannekracht der Apollo's gesproken hebben. Maar de witte, zoo magere grijsaard schijnt niets te zien, niets te hooren, en de Juppiterkoppen en de Herculestorso's en de Antinoi met hun dubbelzinnige heupen, blijven hem zwijgend voorbij zien gaan.
In zijn ongeduld vroeg Narcisse een suppoost, die hem verzekerde, dat Zijne Heiligheid reeds in den tuin was. De meeste keeren namelijk ging men, om den weg te bekorten, door een kleine overdekte galerij, die voor de Munt uitkwam.
"We zullen ook gaan, als ge het goed vindt!" zeide hij tegen Pierre. "Ik zal zien, dat we toegang tot de tuinen krijgen."
Beneden in den vestibule, waar een deur uitkwam op een breede laan, begon hij weer te praten met een anderen suppoost, een voormalig pauselijk soldaat, dien hij speciaal kende. Onmiddellijk liet deze hem met Pierre doorgaan; maar hij kon niet zeker zeggen of monsignor Gamba del Zoppo met Zijne Heiligheid was.
"Het komt er niet op aan," begon Narcisse weer, toen zij samen in de allée waren; "ik geef nog steeds de hoop op een gelukkige ontmoeting niet op... En nu zijn we in de beroemde tuinen van het Vaticaan."
Deze tuinen zijn zeer uitgestrekt. De paus kan, wanneer hij door de alleeën en dan door de wijngaard en den moestuin gaat, vier kilometer loopen. Zij beslaan het plateau van den Vaticaanschen heuvel, die aan alle zijden nog door den ouden muur van Leo IV omgeven wordt, wat hen van de omliggende kleine dalen scheidt. Vroeger liep de muur door tot den Engelenburg, waar de zoogenaamde Leostad was. Er is geen plek, vanwaar men in die tuinen zien kan, geen enkele nieuwsgierige blik zou erin kunnen doordringen, behalve van den dom van de St. Pieter, en slechts haar reusachtige schaduw valt op brandend heete dagen in de tuinen. Zij vormen als het ware een wereld op zichzelf, een gevariëerd en volkomen geheel, dat iedere paus getracht heeft mooier te maken: een groot grasperk met geometrische gazons met twee mooie palmen beplant en met citroen- en oranjeappelboomen in potten versierd; een vrijere, schaduwrijker tuin, waarin zich tusschen diepe heggen en lanen de Aquilone, de fontein van Giovanni Vesanzio en het oude Casino van Pius IV bevinden; de boschjes met de prachtige steeneiken, die door breede alleeën doorsneden worden en als uitlokken tot langzame wandelingen; en eindelijk, na nog andere boomgroepen, de moestuin en de goed onderhouden wijngaard.
Al loopend door de boschjes vertelde Narcisse aan Pierre bijzonderheden over het leven van den Heiligen Vader in deze tuinen. Wanneer het weer het toelaat, gaat hij er om den anderen dag wandelen. Vroeger verhuisden de pausen in Mei van het Vaticaan naar het Quirinaal, dat koeler en gezonder is, terwijl zij den tijd der grootste hitte doorbrachten in Castel Gandolfo aan het Albaansche Meer. Tegenwoordig heeft de Heilige Vader geen ander zomerverblijf dan de zoo goed als ongedeerd gebleven toren van den ouden muur van Leo IV. Hij brengt daar de warmste dagen door en heeft zelfs een soort paviljoen ernaast laten bouwen voor zijn gevolg, om er langer verblijf te kunnen houden. Narcisse, die hier bekend was, kon vrij naar binnen gaan en Pierre een blik laten slaan in het eenige door Zijne Heiligheid bewoonde vertrek, een groote ronde kamer met een half-kogelvormige zoldering, waar de hemel op geschilderd is met de symbolische teekenen der sterren, waarvan er een, de Leeuw, als oogen twee sterren heeft, die door een bijzonder verlichtingssysteem 's nachts fonkelen. De muren zijn zoo dik, dat men door een der ramen af te sluiten, in de nis een soort kamer heeft kunnen maken, waarin zich een rustbed bevindt. Verder bestond het meubilair uit een groote schrijftafel, een kleinere eettafel en een grooten, geheel vergulden, koninklijken leunstoel, een der geschenken ter gelegenheid van het bisschopsjubileum. En men denkt aan de eenzame, stille dagen in deze lage torenkamer, koel als een graf, wanneer de heete Juli- en Augustuszon in de verte op het in slaap gevallen Rome brandt.
Dan nog verdere bijzonderheden. In een anderen, door een kleinen, witten koepel bekroonden toren, dien men tusschen het groen ziet, is een sterrenwacht opgericht. Ook is er onder de boomen een Zwitsersch chalet, waarin Leo XIII gaarne uitrust. Hij gaat meermalen te voet naar den moestuin en stelt vooral belang in den wijngaard, dien hij dikwijls bezoekt, om te zien, of de druiven rijpen en de oogst goed worden zal. Maar wat den jongen priester het meest verbaasde was te hooren, dat de Heilige Vader, toen hij jonger en sterker was, een hartstochtelijk jager geweest was. In het bijzonder was hij een vriend van den "roccolo". Aan den rand van een boschje worden langs een allée netten met groote, breede mazen gespannen, zoodat die allée aan beide zijden afgesloten is. In het midden zet men op den grond de kooien met lokvogels, wier zang al heel spoedig de vogels uit de buurt, de roodborstjes, grasvinken, nachtegalen en allerlei soorten vijgeneters lokt. Wanneer er dan veel bij elkaar waren, klapte Leo XIII, die verscholen op den loer zat, in zijn handen en verschrikte de vogels, die opvlogen en met hun vleugels in de mazen van het net bleven hangen. Men behoefde ze dan nog slechts uit te zoeken en met een lichten druk van den duim te wurgen. Gebraden vijgeneters vormen een groote delicatesse.
Toen zij door het kreupelhout teruggingen, zag Pierre tot zijn groote verbazing een kleine imitatie der Grot van Lourdes, die met behulp van rotsjes en cementblokken gemaakt was. Zijn ontroering was zóó groot, dat hij die voor Narcisse niet verbergen kon.
"Dus is het toch waar?... Men had het mij verteld, maar ik dacht, dat de paus breeder van opvatting en los van dat lage bijgeloof was."
"O," antwoordde Narcisse, "ik geloof, dat de Grot uit den tijd van Pius IX dateert, die voor Notre-Dame de Lourdes een dankbare vereering had. In ieder geval is het een geschenk, en Leo XIII zorgt alleen maar, dat de Grot niet in verval geraakt."
Gedurende enkele minuten bleef Pierre roerloos en zwijgend voor die nabootsing, voor dat kinderlijke, religieus stuk speelgoed staan. Verscheidene bezoekers hadden uit vromen ijver hun visitekaartjes in de spleten van het cement achtergelaten. Teleurgesteld en droevig gestemd begon hij met hangend hoofd en geheel verzonken in een troosteloos gepeins over de jammerlijke dwaasheid der wereld, Narcisse weer te volgen.
Lieve God, hoe heerlijk was ondanks alles dit einde van een mooien dag, welk een alles overwinnende bekoring steeg in dit aanbiddelijke gedeelte der tuinen uit de aarde op! Meer dan onder de flauwe schaduw van het kreupelhout, meer zelfs dan tusschen de vruchtbare wijngaardranken voelde hij hier midden op dit kale, verlaten, trotsche en brandende grasperk de volle kracht der machtige natuur. In het dunne gras, dat regelmatig de geometrische afdeelingen, die door de alleeën gevormd werden, sierde, zag men nauwlijks eenige lage struiken, dwergrozen, aloës en half verdroogde bloemperkjes, terwijl in den barokken smaak van vroeger enkele groene heestertjes nog het wapen van Pius IX vormden.
Niets stoorde de warme stilte dan het zachte, kristallijnen geruisch van de fontein in het midden, een regen van droppels, die onophoudelijk uit een bekken vielen. Geheel Rome met zijn vurigen hemel, zijn souvereine lieftalligheid, zijn veroverenden wellust scheen dit vierkante mozaïek van groen te bezielen; half verwaarloosd en geschroeid als het was, nam het in de oude huivering van een vlammenden hartstocht, die nooit sterven kon, een zwaarmoedigen trots aan. Oude vazen, oude standbeelden, naakt en wit in de ondergaande zon, stonden om het grasperk heen. En sterker dan de geur der eucalyptussen en der pijnboomen, sterker ook dan de geur der rijpende oranjeappelen steeg de geur der groote taxisboomen op, zoo vol gulzig leven, dat hij als de geur zelf der manlijke kracht van dezen ouden, door menschenstof verzadigden bodem, de voorbijgangers als het ware bedwelmde.
"Het is werkelijk wonderlijk, dat wij Zijne Heiligheid niet gezien hebben," zeide Narcisse. "Het rijtuig is zeker de andere allée doorgereden, toen wij in den toren van Leo IV waren."
Hij begon nu over zijn neef, monsignor Gamba del Zoppo, en legde Pierre uit, dat het ambt van "Copiere", van opperschenker, dat deze als een der vier geheime kamerheeren moest vervullen, nog slechts een zuiver eerebaantje was, vooral sedert de diplomatieke diners en de diners ter eere van bisschopswijdingen gegeven werden bij den kardinaal-secretaris in het staatssecretariaat. Monsignor Gamba del Zoppo, wiens blooheid en onbeduidendheid spreekwoordelijk waren, scheen geen andere rol te spelen dan Leo XIII, die hem om zijn voortdurende vleierijen en de anecdotes, welke hij zoowel uit de zwarte als de witte kringen wist te vertellen, gaarne mocht, op te vroolijken. Deze dikke, vriendelijke en zelfs, wanneer zijn eigen belangen daardoor geen gevaar liepen, dienstvaardige man, was een wandelende courant. Hij wist alles en versmaadde zelfs keukenpraatjes niet. Op die wijze stevende hij kalm op het kardinaalschap aan; hij was zeker van den kardinaalshoed, zonder dat hij zich eenige andere moeite behoefde te geven dan op de wandelingen nieuwtjes te vertellen. En God weet, dat hij daarvoor stof genoeg vond in dat gesloten Vaticaan met zijn gewemel van prelaten van alle soorten, onder dat pauselijk personeel, waarbij geen vrouwen zijn en dat alleen uit oude jonggezellen in lange kleeren bestaat, die slechts leven in matelooze eerzucht, in heimlijken en afschuwlijken strijd en in woesten haat, welke, naar men zegt, soms nog wel grijpt naar het goede, oude gif van vroeger tijden!
Plotseling bleef Narcisse staan.
"Kijk, ik wist het wel... Daar is de Heilige Vader... Maar wij hebben geen geluk. Hij zal ons zelfs niet zien. Hij stapt weer in zijn rijtuig."
Inderdaad was de koets tot den rand van het kreupelhout gereden en de kleine stoet, die uit een smalle allée kwam, liep erheen.
Pierre had een schok in zijn hart gekregen. Onbeweeglijk stond hij met Narcisse half verborgen achter den hoogen pot van een citroenboom en kon slechts uit de verte den witten grijsaard, zoo tenger in de fladderende plooien van zijn witte soutane, zeer langzaam loopend met kleine pasjes, die over het zand schenen te glijden, zien. Nauwlijks kon hij het magere, als uit oud, doorzichtig ivoor gesneden gezicht, waarin vooral de groote neus boven de dunne lippen opviel, onderscheiden. Maar de zeer donkere oogen glansden nieuwsgierig glimlachend, terwijl hij zijn oor naar rechts gewend hield, naar monsignor Gamba del Zoppo, die, dik en kort, met een bloem in het knoopsgat en waardig, ongetwijfeld bezig was een verhaal te vertellen. Aan de andere zijde liep een der edelgarden, terwijl twee andere prelaten volgden.
Het was slechts een alledaagsch tooneeltje; reeds stapte Leo XIII in de gesloten koets. En te midden van dien grooten, brandend heeten, met geuren bezwangerden tuin vond Pierre weer dezelfde vreemde ontroering terug, die zich in de Galleria dei Candelabri van hem meester gemaakt had, toen hij zich voor den geest had geroepen, hoe de paus tusschen de hun triomphantelijke naaktheid ten toon spreidende Venussen en Apollo's gedragen werd. Daar vierde slechts de heidensche kunst de eeuwigheid van het leven, de prachtige en almachtige krachten der natuur. Hier echter zag hij hem baden in de natuur zelf, in de mooiste, wellustigste, hartstochtelijkste natuur.
O, deze paus, deze witte grijsaard, die zijn God, den God van smarten, ootmoed en verzaking, door de lanen van dezen liefdetuinen leidde, wanneer na heete dagen mat de avond valt en de geuren van pijnboomen en eucalyptussen, van rijpe oranjeappelen en taxisboomen hem liefkoozen! Geheel en al omgaf Pan hem hier met de machtige uitstroomingen van zijn manlijke kracht. Hoe heerlijk zou het zijn daar te leven te midden van de pracht van den hemel en van de aarde, de schoonheid van de vrouw er lief te hebben en zich te verblijden in de algemeene vruchtbaarheid. Plotseling werd hij zich van de waarheid bewust, dat uit het land van licht en vreugde slechts een wereldlijke, op verovering en politieke macht beluste godsdienst kon ontsproten zijn en niet de mystieke en lijdende godsdienst van het Noorden, de religie der ziel.
Maar Narcisse liep met den jongen priester verder, terwijl hij hem nog meer bijzonderheden vertelde: over de gulle eenvoudigheid van Leo XIII, die dikwijls bleef staan om met de tuinlieden te praten en te vragen naar den stand der boomen, naar den verkoop der oranjeappelen; over de liefde, welke hij gehad had voor twee gazellen, die hij uit Afrika ten geschenke gekregen had, mooie, teere dieren, die hij graag streelde en bij wier dood hij geweend had. Maar Pierre luisterde niet meer; en toen zij zich weer op het plein voor de St. Pieter bevonden, keerde hij zich om en keek nogmaals naar het Vaticaan.
Zijn blikken vielen op de bronzen deur en hij herinnerde zich, hoe hij zich 's ochtends afgevraagd had, wat er achter die metalen, met groote spijkers beslagen spijlen verborgen was. Hij durfde zich nog geen antwoord geven op die vraag; hij durfde nog niet te beslissen, of de nieuwe, naar broederschap en gerechtigheid smachtende volkeren er den door de toekomstige democratieën verwachten godsdienst zouden vinden, want hij nam nog slechts een eersten indruk met zich mede. Maar hoe sterk was die indruk en welk een beginnende ramp voor zijn droom! Een bronzen deur--ja, het was een harde, onbedwingbare deur, die het Vaticaan met haar oude paneelen dichtmetselde, het zoo streng van de overige wereld scheidde, dat er sinds drie eeuwen niets binnengekomen was. Zoo even had hij daarachter de oude eeuwen, tot aan de zestiende toe, zien herleven. De tijd was er als het ware stil blijven staan. Niets was er meer, dat leefde; de uniformen zelfs der Zwitsersche garde, van de edelgarden, van de prelaten waren niet veranderd; men vond er de wereld van driehonderd jaar geleden terug met haar zelfde etiquette, haar zelfde kleeding, haar zelfde denkbeelden. Want ook al sloten de pausen zich, als een hautain protest, de laatste vijf-en-twintig jaar vrijwillig op, dat nam niet weg, dat die inmetseling in het verleden, in de traditie van veel langer geleden dateerde en een op andere wijze ernstig gevaar vormde.
Het geheele Katholicisme was er evenals zij opgesloten, hardnekkig vasthoudend aan zijn dogma's, in zijn starre onbeweeglijkheid nog slechts levend door zijn wijde hiërarchische organisatie. Kon dan het Katholicisme ondanks zijn schijnbare soepelheid in niets toegeven zonder gevaar te loopen geheel medegesleept te worden? En dan--wat voor een vreeselijke wereld vol trots, vol eerzucht, vol haat en strijd! En welk een vreemde gevangenis, welke vreemde toenaderingen daar achter die sloten en grendels: de Christus in gezelschap van Juppiter Capitolinus, de geheele Christelijke Oudheid verbroederd met de Apostelen, de herder van het Evangelie, die in naam der armen en eenvoudigen regeert, omgeven door de geheele pracht der Renaissance! Op het plein voor de St. Pieter ging de zon onder, de zachte wellust van den Romeinschen avond zonk neer van den helderen hemel; en de jonge priester bleef wanhopig na dien mooien dag, doorgebracht met Michelangelo, Raffaël, de Oudheid en den Paus in het grootste paleis der wereld.
"En nu moet ik mij verder excuseeren, mijn waarde abbé!" zeide Narcisse. "Ik wil u niet verhelen, dat ik bang ben, dat mijn dappere neef zich niet in uw zaak wil compromitteeren... Ik zal nog wel eens naar hem toe gaan, maar u zult verstandig doen niet te veel meer op hem te rekenen."
Het was bijna zes uur toen Pierre in den palazzo Boccanera terugkwam. Gewoonlijk ging hij bescheiden door het steegje en liep hij de kleine trap op, waarvan hij een sleutel had. Maar hij had dien ochtend een brief van vicomte Philibert de la Choue ontvangen, waarvan hij den inhoud aan Benedetta wilde mededeelen. Dus ging hij de groote trap op. Tot zijn verwondering vond hij echter niemand in de antichambre. Op gewone dagen ging Victorine, wanneer Giacomo uit moest, daar aan een handwerkje zitten naaien. Haar stoel stond er wel, hij zag zelfs op een tafeltje het linnen, dat zij aan het verstellen was, liggen, zij was dus ongetwijfeld weggegaan. Hij nam de vrijheid den eersten salon binnen te gaan. Het was er bijna reeds donker, de schemering stierf er zacht weg. De priester bleef staan, durfde niet verder gaan, toen hij uit den salon ernaast, den grooten gelen salon, een stemmengeruisch, geritsel, bonsen hoorde. Eerst klonk een dringend smeeken, dan woedend gebrom. Plotseling aarzelde hij niet meer; hij werd ondanks zichzelf als medegesleept door de zekerheid, dat iemand zich in dat vertrek verdedigde en op het punt stond het onderspit te delven.
Toen hij het vertrek binnenvloog, zag hij daar tot zijn groote verbijstering Dario als dol, in een uitbarsting van wilden hartstocht, waarin het ongebreidelde bloed der Boccanera's, ondanks de elegante uitputting van het ras, weer boven kwam: hij hield Benedetta bij haar schouders, had haar achterover op een canapé geworpen, wilde haar met geweld bezitten, terwijl hij haar gezicht met zijn heete woorden verzengde.
"Om Gods wil, lieveling... Om Gods wil, als je niet wilt, dat ik en jij sterven... Je zegt het toch zelf... het is uit... dat huwlijk zal nooit vernietigd worden... Laten we toch niet langer ongelukkig zijn, heb mij lief zooals ik jou liefheb... en laat mij je liefhebben, laat mij je liefhebben!"
Maar weenend, met een gelaat vol onuitsprekelijke liefde en onuitsprekelijke smart stootte de contessina hem met haar uitgestrekte armen van zich af.
"Neen, neen, ik heb je lief, ik wil niet, ik wil niet!"
Op dat oogenblik had Dario, terwijl hij een wanhopig gebrom uitstiet, het gevoel, dat iemand binnenkwam. Hij richtte zich heftig op en keek Pierre met een waanzinnig-starenden blik aan, zonder hem goed te herkennen. Dan streek hij met zijn handen over zijn gezicht, over zijn door tranen overstroomde wangen, over zijn met bloed doorloopen oogen en vluchtte, terwijl hij een vreeselijk: "Ach" uitbrulde, waarin zijn bedwongen begeerte nog in tranen en berouw streed.
Benedetta was hijgend op den canapé blijven zitten; haar moed en haar kracht waren gebroken. Maar toen Pierre, verlegen met zijn rol en geen woorden kunnende vinden, zich ook wilde verwijderen, vroeg zij hem met een stem, die al kalmer begon te worden:
"Neen, neen, mijnheer de abbé, ga niet weg... Neem plaats wat ik u smeeken mag, ik wou graag even met u praten."
Hij meende zich echter voor zijn plotseling binnenkomen te moeten verontschuldigen, zeide haar, dat de deur van den eersten salon half open stond en hij in de antichambre alleen maar het verstelgoed van Victorine gezien had.
"Dat is waar!" riep de contessina uit; "Victorine moest er zijn, ik heb haar zooeven nog gezien. Toen mijn arme Dario zijn zelfbeheersching verloor, heb ik haar geroepen. Waarom is zij niet gekomen?"
Dan voegde zij in een opwelling van vertrouwelijkheid, terwijl haar gezicht nog brandde van den strijd, eraan toe:
"Luister eens, mijnheer de abbé, ik zal u alles vertellen, want ik wil niet, dat u een te laag idee van mijn armen Dario krijgt. Dat zou me veel leed doen... Kijk u eens, wat er zooeven hier gebeurd is, is ook eenigszins mijn eigen schuld. Gisteravond heeft hij mij om een onderhoud in deze kamer gevraagd, om eens rustig en kalm te kunnen praten; en daar ik wist, dat mijn tante op dit uur niet thuis zou zijn, heb ik hem gezegd te komen... Het is heel natuurlijk, niet waar, dat wij na het groote verdriet, dat het bericht, dat mijn huwlijk ongetwijfeld nooit vernietigd zal worden, ons veroorzaakt heeft, elkaar even spreken wilden? Wij lijden te veel, er moet een besluit genomen worden... En toen hij kwam, begonnen wij te huilen, hebben wij lang in elkaars armen gelegen, elkaar geliefkoosd en onze tranen vermengd. Ik heb hem wel duizendmaal gekust en hem gezegd, dat ik hem aanbad, dat ik er wanhopig onder was hem zoo ongelukkig te maken, dat ik zeker aan mijn verdriet hem zoo ongelukkig te zien, sterven zou. Misschien heeft hij daarin een aanmoediging gezien, en bovendien hij is toch ook geen engel, ik had hem niet zoo lang aan mijn hart moeten drukken... U begrijpt, mijnheer de abbé, ten slotte is hij als dol geworden en heeft hij datgene gewild wat ik aan de Heilige Maagd gezworen heb alleen aan mijn echtgenoot te geven."
Zij zeide het kalm, eenvoudig, zonder eenige verlegenheid. Een flauw glimlachje speelde om haar lippen, toen zij voortging: