Part 21
"Ach neen, neen, praat me niet van dezen! Hij heeft alles bedorven, alles in den grond bedorven! Een man, die zich als een stier voor het werk spande, die zijn kunst tot een ambacht verlaagde, zoo en zooveel meter per dag! En een mensch zonder eenig begrip of gevoel voor het mysterievolle of ongekende, die alles zoo grof zag, dat je een walg krijgt van de schoonheid, mannenlichamen als boomstammen, vrouwen als reusachtige slagerinnen, klompen gevoelloos vleesch, zonder dat daarachter iets van een goddelijke of duivelsche ziel spreekt!... Een metselaar, en als gij wilt, een kolossaal metselaar, maar meer niet!"
Onbewust kwam in dit verwarde, door de zucht naar het eigenaardige en zeldzame verdorven ras van den moeden moderne de noodlottige haat tegen gezondheid, kracht en flinkheid te voorschijn. Deze Michelangelo, die zonder eenige moeite schiep, die het wondermooiste kunstwerk achtergelaten heeft, ooit door een kunstenaar ter wereld gebracht, was de booze vijand! Zijn misdaad bestond juist in dat scheppen, dat leven geven, zoodat al die kleine kunstgewrochtjes der anderen, zelfs de besten, in dezen overstroomenden vloed van levend in de zon geworpen wezens verdronken en ondergingen.
"Waarachtig," zeide Pierre moedig; "ik kan het niet met u eens zijn. Ik heb zoo juist geleerd, dat in de kunst het leven alles is en dat alleen de scheppers de onsterfelijkheid verdienen. Het geval van Michelangelo lijkt mij beslissend, want alleen door dat buitengewone verwekken van levend en prachtig vleesch, waaraan uw verweekelijktheid aanstoot neemt, is hij de bovenmenschelijke meester, het monster, dat al de anderen dooddrukt. Laten de op buitenissigheid belusten, de intellectueele scherpzinnigen maar spitsvondig het equivoque en onzichtbare uitpluizen, laten zij het hoogste der kunst maar leggen in de keuze van een gezochte behandeling en het halfdonker van het symbool, Michelangelo blijft de Almachtige, de Schepper van menschen, de Meester van het licht, den eenvoud en de gezondheid, hij blijft eeuwig als het leven zelf."
Thans glimlachte Narcisse slechts met een medelijdend- en hoffelijk-minachtend lachje. Och ja, niet iedereen ging uren lang in de Sixtijnsche kapel voor een Botticelli zitten, zonder ooit zijn blikken te richten naar de Michelangelo's. En kort brak hij het gesprek af met de woorden:
"Maar het is elf uur. Mijn neef zou me hier laten waarschuwen, zoodra hij ons ontvangen kon. Ik begrijp niet, dat ik nog niemand gezien heb... Willen we zoolang naar de Raffaëlgalerij gaan?"
En boven in de galerij oordeelde hij weer heel helder en juist over de werken; zijn onbevangen blik keerde terug, zoodra hij niet meer bezeten werd door zijn haat tegen reusachtige werken en geniale decors.
Maar ongelukkig kwam Pierre uit de Sixtijnsche kapel; hij moest zich eerst uit de omarming van het monster rukken, vergeten wat hij gezien had, wennen aan wat hij daar zag, voor hij de reine schoonheid hiervan genieten kon. Het was, alsof hij eerst een te koppigen wijn gedronken had, die hem bedwelmde en belette dezen anderen lichteren, maar toch ook geurigen wijn lekker te vinden. Hier treft de bewondering niet als een bliksemstraal, maar werkt de betoovering met langzame, doch onweerstaanbare macht. Het is als Racine vergeleken bij Corneille, Lamartine bij Hugo--het eeuwige paar, wijfje en mannetje, in de eeuwen van den roem. Bij Raffaël triompheeren de adel, de gratie, de exquise, onberispelijke, goddelijk harmonische lijn; het is niet alleen meer het lichamelijke symbool, zooals Michelangelo het zoo prachtig neergeworpen heeft, maar tevens een in de schilderkunst overgebrachte psychologische analyse van groote scherpzinnigheid. Bij Raffaël is de mensch meer veredeld, meer geïdealiseerd, meer van binnen uit gezien. En ook wanneer daar iets sentimenteels, iets vrouwelijks, waarvan men de teedere huivering voelt, in ligt, toch heerscht hier een krachtige, bewonderenswaardige, grondige en groote techniek.
Langzamerhand kwam Pierre onder de bekoring van deze hoogste meesterschap; deze krachtige, elegante, jonge mannenschoonheid, deze visie van de opperste schoonheid in de hoogste volmaaktheid roerde hem tot in het diepst van zijn hart. Maar terwijl de vóór de schilderingen in de Sixtijnsche kapel ontstane schilderijen "De Strijd om het Heilige Sacrament" en "De School van Athene" hem de meesterwerken van Raffaël toeschenen, voelde hij daarentegen, dat de kunstenaar in "De Brand van den Borgo" en meer nog in "Heliodorus uit den tempel verjaagd" en "Attila tegengehouden bij de poorten van Rome" den bloesem van zijn goddelijke gratie verloren had, daar de verpletterende grootheid van Michelangelo op hem inwerkte. Welk een inslaan als van den bliksem, toen de Sixtijnsche kapel geopend werd en de rivalen binnentraden. Het monster daar beneden had geschapen en zelfs de grootste onder de stervelingen liet hier iets van zijn ziel, zonder dat hij zich ooit meer van den onderganen invloed vrij maken kon.
Dan bracht Narcisse Pierre naar de loggia's, naar de zoo lichte, zoo smaakvol ingerichte glazen galerij. Maar Raffaël was dood; de kartons, die hij achtergelaten had, waren slechts het werk van leerlingen. Het was een plotseling, volkomen verval. Nooit had Pierre beter begrepen, dat het genie alles is, dat met zijn verdwijnen de geheele school ineenstort. De geniale mensch is als het ware een samenvatting van het tijdvak, geeft op een bepaald oogenblik der beschaving al het sap van den socialen bodem, dat dan menigmaal gedurende eeuwen uitgeput blijft. Het prachtige uitzicht, dat men van uit de loggia's heeft, interesseerde hem nog te meer, toen hij merkte, dat hij aan de andere zijde van den St. Damasiushof de door den paus bewoonde verdieping zag. Beneden lag de hof met zijn zuilengaanderij, zijn fontein, zijn wit plaveisel, fel en kaal in de zon te branden.
Hier was beslist niets van de schaduw, van het gedempt-vrome mysterievolle, waarvan de omgeving der oude Noordelijke kathedralen hem hadden doen droomen. Rechts en links van het bordes, dat toegang gaf tot de vertrekken van den paus en den kardinaal-secretaris, stonden vijf rijtuigen, de koetsier rechtop op den bok, de paarden onbeweeglijk in het felle licht. En geen levende ziel bracht leven in de woestijn van den grooten, vierkanten hof met de drie verdiepingen loggia's, die met haar groote ramen aan reusachtige broeikassen denken deden; de flikkering der ruiten en de roodachtige afstraling der steenen schenen de kaalheid van het plaveisel en van de gevels in een soort ernstige majesteit te vergulden als een heidenschen, aan den zonnegod gewijden tempel.
Maar nog meer trof Pierre het wondermooie panorama van Rome, dat zich onder die ramen van het Vaticaan ontrolde. Hij had geen oogenblik het vermoeden gehad, dat het zoo zijn zou, en plotseling maakte de gedachte zich van hem meester, dat de paus van zijn ramen uit geheel Rome voor zich uitgestrekt zag, samengedrongen, alsof hij slechts zijn handen behoefde uit te steken, om het weer te nemen. Lang dronk hij dat ongehoord-mooie schouwspel met zijn oogen en zijn hart in, want hij wilde het met zich mede dragen, het bewaren.
Een geluid van stemmen stoorde hem in zijn overpeinzingen en deed hem omkijken; hij zag, hoe een lakei in zwarte livrei, nadat hij Narcisse zijn boodschap medegedeeld had, diep groette.
De jonge man kwam naar den priester toe.
"Mijn neef, monsignor Gamba del Zoppo laat mij weten, dat hij ons vanochtend niet zal kunnen ontvangen. Het schijnt, dat hij onverwacht dienst moet doen."
Maar zijn verlegenheid liet zien, dat hij niet aan dat excuus geloofde en begon te vermoeden, dat zijn neef, gewaarschuwd en bang gemaakt door een of andere goede ziel, er tegen opzag zich met deze zaak in te laten. Dit hinderde hem, die zoo gaarne een ander een dienst bewees en niet tegen moeite opzag. Maar hij glimlachte reeds weer, toen hij eraan toevoegde:
"Luister, misschien is er wel een middel om toch toegang te krijgen. Indien u uw middag vrij hebt, zullen wij samen dejeuneeren en dan hier terugkomen, om de Galleria degl' antichi te bezichtigen. Het zal mij dan wel gelukken mijn neef te vinden, afgezien nog van het feit, dat wij door een gelukkig toeval den paus zelf kunnen ontmoeten, als hij naar de tuinen gaat."
Bij het hooren, dat de audiëntie nogmaals uitgesteld was, had Pierre eerst een zeer groote teleurstelling ondervonden. Hij nam dan ook, daar hij over zijn geheelen dag beschikken kon, het aanbod van Narcisse gaarne aan.
"Ik ben werkelijk bang, dat ik misbruik begin te maken van uw vriendelijkheid... Ik dank u van ganscher harte."
Zij dejeuneerden tegenover de St. Pieter in een klein restaurant van den Borgo, dat gewoonlijk alleen door pelgrims bezocht werd. Het eten was er trouwens zeer slecht. Tegen twee uur liepen zij de Basilica om over de piazza della Sagrestia en de piazza Santa Marta, om van de achterzijde in de Galleria te komen. Het was een licht, verlaten en warm stadsdeel, waar de jonge priester opnieuw en in veel sterker mate het gevoel van kale, vale en als door de zon verbrande majesteit kreeg, dat hij gehad had bij het zien van den St. Damasiushof. Toen hij om de reusachtige apsis van den kolos heen liep, begreep hij de ontzaglijkheid daarvan nog beter: een groote menigte gebouwen is hier opgestapeld, die door de ledige ruimte van het plaveisel, waarop een fijne grassoort groeit, omzoomd wordt. In die zwijgende oneindigheid speelden slechts twee kinderen in de schaduw van een muur. De oude Munt der pausen, de Zecca, die nu Italiaansch is en door soldaten des konings bewaakt wordt, staat links van de naar de Galleria leidende gang, terwijl rechts daartegenover zich een poort van het Vaticaan bevindt, waar een schildwacht der Zwitsersche Garde staat; door die poort komen de met twee paarden bespannen rijtuigen, die volgens de etiquette de bezoekers van den kardinaal-secretaris en van Zijn Heiligheid naar den St. Damasiushof brengen.
Zij volgden de lange gang, de straat, die tusschen een vleugel van het paleis en den muur der pauselijke tuinen loopt. Eindelijk kwamen zij aan de Galleria degl' antichi. O, deze groote, uit eindelooze zalen gevormde Galleria, de Galieria, die eigenlijk drie musea bevat, de zeer oude Galleria Pio-Clementino, de Galleria Chiaramonte en den Braccio-Nuovo; het is een geheele wereld, die in de aarde teruggevonden en uitgegraven is en in het felle zonlicht verheerlijkt wordt. Meer dan twee uur liep de jonge priester er door, ging van de eene zaal naar de andere, verblind door deze meesterwerken, bedwelmd door zooveel genie en zooveel schoonheid. Niet alleen de beroemde stukken sloegen hem met verbazing, zooals de Laokoon en de Apollo van Belvédère, ook niet de Meleager of zelfs de torso van Hercules; meer nog werd hij getroffen door het ensemble, door de ontelbare beelden van Venus, Bacchus, vergoddelijkte keizers en keizerinnen, door dezen prachtigen opbloei van mooie lichamen, die de onsterfelijkheid van het leven uitjubelden.
Drie dagen te voren had hij het museum van het Capitool bezocht, waar hij de Venus, den Stervenden Galliër, de wondermooie, zwartmarmeren Kentauren, de buitengewone verzameling busten bewonderd had. Maar hier steeg door dezen onuitputtelijken rijkdom die bewondering tot stomme verbijstering. En daar hij misschien nog meer naar leven dan naar kunst zocht, bleef hij opnieuw in zelfvergetelheid voor de busten staan, waarin zoo werkelijk en echt het historische Rome herleeft, dat ongetwijfeld niet in staat was geweest zich op te werken tot de ideale schoonheid van Griekenland, maar dat het leven schiep. Zij zijn daar allen: de keizers, de wijsgeeren, de geleerden, de dichters, zij herleven allen in een wonderbare intensiteit, zooals zij waren, angstvallig door den kunstenaar bestudeerd en weergegeven met hun mismaaktheden, hun gebreken, de kleinste bijzonderheden in hun trekken; en uit dit overdreven streven naar waarheid kwam het karakter, een herleving van onvergelijkelijke macht voort. Er bestaat niets hoogers; het zijn de menschen zelf, die herleven, die de geschiedenis weer doen opstaan, deze valsche geschiedenis, door het onderwijs waarvan geslachten van leerlingen de oudheid verafschuwen. Maar hoe begrijpt men haar, hoe gaat men sympathie ervoor voelen, als men dit alles gezien heeft. En zoo kwam het, dat de kleinste marmeren brokstukken, de afgebroken standbeelden, de verminkte bas-reliefs, een goddelijke arm van een nymf, de gespierde dij van een satyr den glans van een lichtende, groote en krachtige beschaving doen opleven.
Narcisse bracht Pierre terug naar de honderd meter lange Galleria dei Candelabri, waar prachtige beeldhouwwerken te vinden zijn.
"Kijk eens, mijn waarde abbé, het is pas vier uur. Wij zullen hier een oogenblik gaan zitten, want het gebeurt meermalen dat de Heilige Vader hier door komt, om naar den tuin te gaan. Het zou een groot geluk zijn, wanneer u hem zoudt kunnen zien, en wie weet misschien spreken!... In ieder geval zult u wat uitrusten, want u zult wel doodmoe zijn..."
Alle suppoosten kenden hem, zijn verwantschap met monsignor Gamba del Zoppo opende alle deuren van het Vaticaan voor hem, waar hij dikwijls geheele dagen doorbracht. Er stonden twee stoelen, zij gingen erop zitten en Narcisse begon onmiddellijk weer over kunst te spreken.
Welk een verwonderlijk lot, welk een verheven en geleende koninklijkheid bezit Rome toch! Het schijnt een middelpunt te zijn, waarin de geheele wereld samenkomt, maar waar niets uit den bodem zelf, die van den beginne af met onvruchtbaarheid geslagen is, opschiet. De kunsten moeten hier geacclimatiseerd, het genie van de omliggende volkeren hierheen overgeplant worden; doch is dat eenmaal gedaan, dan bloeien zij in volle pracht op. Onder de keizers, wanneer Rome de koningin der aarde is, krijgt het van Griekenland de schoonheid van zijn monumenten en beeldhouwwerken. Later, als het Christendom ontstaat, is het in Rome nog geheel doordrenkt door het heidendom, trouwens op een anderen bodem verwekt het de Gotische kunst, de Christelijke kunst bij uitnemendheid. Nog later, in den tijd der Renaissance, bloeit wel in Rome de eeuw van Julius II en Leo X, maar deze beweging, welke het dien grooten opbloei bracht, werd voorbereid door Toscaansche en Umbrische kunstenaars.
Voor de tweede maal krijgt het zijn kunst van buiten, die het de heerschappij over de wereld geeft en daar een triomphantelijke grootte aanneemt. Toen had het ontwaken der oudheid plaats: Apollo en Venus worden tot nieuw leven gewekt en door de pausen zelf aangebeden, die, na Nicolaas V droomen het pauselijke Rome gelijk te maken aan het keizerlijke. Na de zoo oprechte, teere en sterke voorloopers, Fra Angelico, Perugino, Botticelli, en zoovele anderen, verschijnen twee majesteiten: Michelangelo en Raffaël, de bovenmenschelijke en de goddelijke. Dan volgt een plotselinge val: honderdvijftig jaren moeten verloopen om te komen tot Caravaggio, tot alles wat de schilderkunst, bij gebrek aan genie, aan krachtige kleur en uitbeelding bereiken kon. Dan duurt het verval voort tot Bernini, die de vervormer, de werkelijke schepper van het Rome der tegenwoordige pausen is, het wonderkind, dat van zijn achttiende jaar af een geheel geslacht van marmeren dochters verwekt, de alles omvattende architect, wiens verbazingwekkende werkzaamheid den gevel van de St. Pieter voltooid, de zuilengang gebouwd, het inwendige van de basilica versierd, tallooze fonteinen, kerken en paleizen opgericht heeft. En dit was het einde van alles, want van af dat oogenblik is Rome langzamerhand uit het leven verdwenen, heeft het zich iederen dag wat meer uit de moderne wereld teruggetrokken, alsof deze stad, die altijd van andere steden geleefd heeft, eraan ten gronde ging, dat zij haar niets meer kon afnemen, om zichzelf daaruit nieuwen roem te scheppen.
"Bernini, o, die heerlijke Bernini!" ging Narcisse, in extase wegzwijmelend, voort; "hij is zoo kráchtig en exquis, zijn scherpzinnigheid is steeds wakker, hij bezit een vruchtbaarheid vol gratie en pracht... En altijd weer komen zij aan met hun Bramante, hun Bramante met zijn meesterwerk, zijn correcte en koude Cancellaria! Nu, laten wij zeggen, dat hij de Michelangelo en Raffaël van de architectuur is geweest, en verder niet over hem praten!... Maar Bernini, de heerlijke Bernini, wiens zoogenaamde slechte smaak uit meer fijnheid en verfijning bestaat dan de anderen genie gelegd hebben in hun kolossaalheid en volmaaktheid. De rijke en diepe ziel van Bernini, waarin onze tijd zich terugvinden moest, is zoo triompheerend gezocht!... Kijk toch eens in de Villa Borghese naar de Apollo en Daphné-groep, die hij op zijn achttiende jaar gemaakt heeft, en vooral in de Santa Maria della Vittoria zijn Heilige Theresia in extase! Ach, deze Heilige Theresia! Men ziet den hemel open, de siddering, die het goddelijke genieten door het lichaam der vrouw zendt, de tot krampen opgevoerde wellust van het geloof, het naar adem snakkende schepsel, dat van overweldigende zaligheid in de armen van haar God sterft!... Ik heb uren en uren voor haar doorgebracht, zonder de kostbare, verterende oneindigheid van het symbool ooit te hebben kunnen uitputten!"
Zijn stem stierf weg, en Pierre, die zich over zijn onbewusten haat tegen gezondheid, eenvoud en kracht niet langer verwonderde, luisterde nauwlijks naar hem, overweldigd als hij werd door de gedachte, die zich meer en meer van hem meester maakte: het heidensche Rome ontwaakte weer in het Christelijke Rome en maakte daarvan het Katholieke Rome, het nieuwe politieke, gehiërarchiseerde en beheerschende centrum van de regeering der volkeren. Was het, met uitzondering dan van den oorspronkelijken katakombentijd, ooit Christelijk geweest? Deze gedachten waren als het ware een voortzetting, een bevestiging van die, welke hij op den Palatinus, op de Via Appia, in de St. Pieter gehad had. En dezen zelfden ochtend in de Sixtijnsche kapel en in de Stanza della Segnatura, in de bedwelming, waarin de bewondering hem gebracht had, had hij het nieuwe bewijs, dat het genie hem gaf, wel begrepen. Weliswaar kwam in Michelangelo en Raffaël het heidendom slechts terug in een door den Christelijken geest bewerkte vervorming. Maar lag het er niet aan ten grondslag? Kwamen de reusachtige naaktfiguren van den eersten niet uit den vreeselijken hemel van Jehova, dien hij door den Olympus heen gezien had? Lieten de ideale figuren van den tweede niet onder den kuischen sluier der Heilige Maagd de heerlijke en begeerlijke Venuslichamen zien? Nu was Pierre zich daar ten volle van bewust, en bij de verbazing, die hem overstelpte, voegde zich een gevoel van verlegenheid, want die tallooze, mooie lichamen, deze naaktfiguren, die de hartstochtelijke levenslust verheerlijkten, gingen in tegen den droom, dien hij in zijn boek gedroomd had: het verjongd Christendom, dat vrede gaf aan de wereld, de terugkeer tot den eenvoud, tot de reinheid der eerste tijden.
Plotseling hoorde hij tot zijn verbazing hoe Narcisse, zonder dat hij begrijpen kon door welken overgang van gedachten hij daartoe kwam, hem bijzonderheden begon te vertellen over het dagelijksch leven van Leo XIII.
"Ja, mijn waarde abbé, op zijn vier-en-tachtigste jaar is hij nog zoo werkzaam als een jonge man, leidt hij een leven van wilskracht en arbeid, zooals wij het geen van beiden gaarne leven zouden!... Om zes uur staat hij al op, leest zijn mis in zijn particuliere kapel en ontbijt dan met wat melk. Van acht tot twaalf uur is het vervolgens een onafgebroken défilé van kardinalen, prelaten, alle congregatie-aangelegenheden, die hem onder de oogen komen moeten, en ik verzeker u, dat er geen meer ingewikkelde bestaan. Om twaalf uur hebben de openbare en gemeenschappelijke audiënties plaats. Om twee uur dineert hij. Dan volgt een siësta, die hij wel verdiend heeft, of een wandeling in den tuin tot zes uur. Menigmaal houden de particuliere audiënties hem dan nog een paar uur bezig. Om negen uur soupeert hij, maar hij eet bijna niets, leeft van niets, en dan altijd alleen aan een klein tafeltje... Wat zegt u wel van de etiquette, die hem tot een dergelijke eenzaamheid verplicht? Stel u voor: een mensch, die in geen achttien jaar een dischgenoot gehad heeft, altijd alleen zit in zijn grootheid?... Om tien uur zondert hij zich, nadat hij met zijn vertrouwden de Rozenkrans gebeden heeft, af in zijn kamer. Maar ook al gaat hij naar bed, hij slaapt weinig; meermalen wordt hij bezocht door slapeloosheid; dan staat hij weer op, roept een secretaris, om dezen aanteekeningen of brieven te dicteeren. Wanneer een belangrijke zaak hem bezighoudt, dan geeft hij zich daar geheel aan, denkt er onophoudelijk aan. Dat is zijn leven, daarin ligt het geheim van zijn gezondheid: een voortdurend wakkere, bezige geest, een kracht, die behoefte heeft zich te uiten... U weet natuurlijk ook, dat hij langen tijd met liefde de Latijnsche poëzie beoefend heeft. Men beweert ook, dat hij in dagen van strijd een waren hartstocht voor de journalistiek heeft, zoozeer zelfs, dat hij de artikelen in de bladen, die hij steunt, inspireert, ja ook dicteert, wanneer zijn liefste denkbeelden op het spel staan."
Er volgde een stilte. Ieder oogenblik keek Narcisse in deze groote, verlaten en plechtige Galleria dei Candelabri te midden van de roerlooze, spookachtig witte marmeren beelden, of het kleine gevolg van den paus nog niet kwam, om zich naar den tuin te begeven.
"Het zal u wel bekend zijn," ging Narcisse voort, "dat men hem op een lagen stoel naar beneden draagt, die zoo smal is, dat hij door alle deuren heen kan. Het is een heele tocht! Bijna twee kilometers door de loggia's, de Stanza di Raffaeli, de schilderijen- en beeldhouwwerkengalerijen, ongerekend de talrijke trappen. In het kort een eindelooze tocht, voor men hem beneden neerzet in een allée, waar een rijtuig met twee paarden staat te wachten.--Het is prachtig weer vanavond. Hij zal zeker komen. Heb nog maar even geduld!"
Terwijl Narcisse deze bijzonderheden vertelde, zag Pierre de geheele geschiedenis voor zich herleven. Eerst kwamen de mondaine en praallievende pausen der Renaissance, zij, die de Oudheid hadden opgewekt en ervan droomden den Heiligen Stoel weer met het keizerlijk purper te drapeeren: Paul II, de prachtlievende Venetiaan, die den palazzo di Venezia had gebouwd; Sixtus V, wien wij de Sixtijnsche kapel te danken hebben; Julius II en Leo X, die van Rome een stad van theatralen pronk, van kostbare feesten, tournooien, balletten, jachtpartijen, maskerades en festijnen maakten. Het pausdom had juist onder den grond, in het stof der puinhoopen, den Olympus teruggevonden; en als bedwelmd door den uit den ouden bodem opstijgenden levensstroom, stichtte het de musea, maakte daarvan weer de prachtige, aan den eeredienst der algemeene bewondering teruggegeven heidensche tempels. Nooit had de Kerk zich nog in zoo'n doodsgevaar bevonden, want al bleef men ook in de St. Pieter den Christus vereeren, zoo troonden toch Juppiter en al de marmeren goden en godinnen met hun triompheerende lichamen in de zalen van het Vaticaan.