Part 20
"Waarom ben je toch zoo wanhopig?" vroeg Celia. "Per slot van rekening is de nietigverklaring van het huwlijk met één stem meerderheid uitgesproken. Het proces wordt alleen nog eens gevoerd. Het is alleen een quaestie van uitstel."
Maar Benedetta schudde haar hoofd.
"Neen, neen, als monsignor Palma zoo blijft aandringen, zal Zijne Heiligheid nooit zijn toestemming geven. Het is uit."
"O, als we maar rijk, heel rijk waren!" prevelde Dario met een vaste overtuiging, die echter niemand lachen deed.
Dan zacht fluisterend tegen zijn nicht:
"Ik moet je beslist spreken; op deze manier kunnen we niet verder leven."
En zij antwoordde eveneens zacht fluisterend:
"Kom morgenmiddag om vijf uur. Ik zal thuis blijven en zorgen alleen te zijn."
Dan sleepte de avond zich eindeloos verder. Pierre zag met diepe ontroering de verslagenheid van de gewoonlijk zoo kalme en verstandige Benedetta. Haar diepe oogen in haar rein, kinderlijk-teer gezicht waren als omsluierd door ingehouden tranen. Hij had reeds een groote genegenheid voor haar opgevat, daar hij haar steeds in een zoo gelijkmatige, zij het ook eenigszins indolente stemming zag, en wist hoe zij onder dezen schijn van kalmte den hartstocht van haar vlammenziel verborg. Toch trachtte zij te glimlachen om de vertrouwlijke mededeelingen van Celia, wier liefdesaangelegenheden er beter voor stonden dan de hare. Een oogenblik slechts werd het gesprek algemeen, toen de oude tante met verheffing van stem over de onwaardige houding sprak, die de Italiaansche pers tegenover den Heiligen Vader aannam. Nooit schenen de betrekkingen tusschen het Quirinaal en het Vaticaan zoo slecht geweest te zijn.
De anders zoo stille kardinaal Sarno deelde mede, dat de paus ter gelegenheid van de heiligschennende feesten van 20 September ter herinnering aan de inneming van Rome, een nieuw protest zou slingeren naar alle Christelijke staten, die door hun onverschilligheid medeplichtig waren aan den roof.
"Ja, probeer maar den paus en den koning te laten trouwen!" zeide donna Serafina op bitteren toon, zinspelend op het betreurenswaardige huwlijk van haar nicht.
Zij scheen geheel buiten zichzelf te zijn, het was te laat om monsignor Nani of een ander nog te verwachten. Toch flikkerden haar oogen bij een onverwacht lawaai van stappen op; met vlammende blikken keek zij naar de deur, doch zag tot haar groote teleurstelling Narcisse Habert binnentreden, die zich over zijn late komst bij haar kwam verontschuldigen. Zijn aangetrouwde oom, kardinaal Sarno, had hem in dezen zoo gesloten salon geïntroduceerd en hij was er ten gevolge van zijn, naar men beweerde, intransigente godsdienstige denkbeelden welwillend ontvangen. Dien avond echter kwam hij, ondanks het late uur, slechts voor Pierre. Hij nam dezen dadelijk ter zijde.
"Ik was er zeker van u hier te zullen vinden, ik heb met mijn neef, monsignor Gamba del Zoppo, in de ambassade gedineerd en heb goed nieuws voor u... Hij zal u morgenochtend in zijn appartement op het Vaticaan ontvangen."
Dan op nog meer fluisterenden toon:
"Ik geloof wel, dat hij trachten zal u bij den Heiligen Vader te introduceeren... In het kort, de audiëntie schijnt mij zeker."
Pierre voelde een groote vreugde over dat nieuws, dat hij kreeg in dezen droefgeestigen salon, waar hij nu reeds bijna twee uur in steeds grooter wanhoop verviel. Eindelijk dus toch een oplossing! Na Dario de hand gedrukt en Benedetta en Celia begroet te hebben, ging hij naar zijn oom den kardinaal, die, nu hij eindelijk van de tante bevrijd was, begon te spreken. Maar hij praatte over bijna niets anders dan over zijn gezondheid en het weer en herhaalde enkele onbeteekenende anecdotes, die men hem verteld had, zonder ooit één woord los te laten over de dreigende ingewikkelde en verschrikkelijke dingen, die hij aan de Propaganda onder handen had. Het was alsof hij, buiten zijn bureau, in deze teruggetrokkenheid en in dit op den achtergrond treden een bad nam, waarin hij uitrustte van de zorgen over de heerschappij der wereld. Allen stonden nu op en namen afscheid.
"Vergeet het vooral niet," zeide Narcisse nogmaals tot Pierre; "morgenochtend om tien uur vindt u mij in de Sixtijnsche kapel. Voordat mijn neef u ontvangt, zal ik u dan de Botticelli's laten zien."
Den volgenden ochtend om half tien bevond Pierre, die te voet gekomen was, zich op het groote plein. Voordat hij zich naar de bronzen deur in den hoek van de zuilengaanderij rechts wendde, keek hij op en bleef enkele minuten naar het Vaticaan staan kijken. Hij kon zich niets minder monumentaals voorstellen dan deze opeenhooping van gebouwen, die zonder eenige architectonische orde en zonder eenige regelmaat in de schaduw van den dom der St. Pieter opgegroeid waren. Het eene dak stapelde zich op het andere, de gevels strekten zich breed en vlak uit, zoo, als de vleugels eraan toegevoegd en opgebouwd waren. Alleen de drie zijden van den St. Damasiushof schenen symmetrisch boven de zuilengaanderij; met de groote vensters der voormalige, thans gesloten loggia's deden zij denken aan drie groote broeikassen, waarvan de roodachtige steen in de zon glansde. Dat was dus het mooiste, het grootste paleis der wereld met elfhonderd vertrekken, die de schoonste kunstwerken van het menschelijk genie bevatten. Maar in zijn teleurstelling interesseerde Pierre zich slechts voor den hoogen rechtschen gevel, die uitziet op het plein, en waar hij wist, dat de ramen van de particuliere vertrekken van den paus op de tweede verdieping uitkwamen. Hij keek lang naar deze ramen, men had hem verteld, dat het vijfde raam rechts dat van de slaapkamer was, waarin men tot laat in den nacht een lamp branden zag.
Wat bevond zich achter deze bronzen deur daar voor hem, die de heilige drempel, de verbinding tusschen alle rijken der aarde en het koninkrijk Gods was, Wiens verheven vertegenwoordiger zich tusschen deze hooge, zwijgende muren ingekerkerd had? Hij keek uit de verte naar de met dikke, vierkante spijkers beslagen, metalen paneelen en hij vroeg zich af wat die streng-uitziende, oude vestingdeur verdedigde, verborg, wegsloot. Welke wereld zou hij daarachter vinden, wat voor een schat van ijverzuchtig in de donkerte bewaarde naastenliefde, wat voor een wedergeboorte der hoop voor de nieuwe, naar broederschap en gerechtigheid snakkende volkeren? Hij liet zich geheel door dien droom wiegen: de eenige en heilige redder, wakend in dit gesloten paleis, de heerschappij van Jezus voorbereidend, terwijl de oude, verrotte beschavingen in stof vallen zouden; de herder, die op het punt stond deze heerschappij af te kondigen door van onze democratieën de door den Heiland beloofde groote Christelijke gemeenschap te maken. Ja, de toekomst bereidde zich achter die bronzen deur voor, de toekomst zou daar ongetwijfeld uit te voorschijn treden.
Plotseling zag Pierre tot zijn groote verbazing monsignor Nani tegenover zich staan, die juist het Vaticaan verliet, om zich te voet te begeven naar het een paar passen verder gelegen paleis van den Santo Offizio, waar hij in zijn qualiteit als assessor woonde.
"O, monseigneur, ik ben zoo gelukkig. Mijn vriend, mijnheer Habert, zal mij voorstellen aan zijn neef, monsignor Gamba del Zoppo, en ik geloof werkelijk, dat ik de zoo vurig verlangde audiëntie verkrijgen zal."
Op zijn vriendelijke en fijne manier glimlachte monsignor Nani.
"Ja, ja, ik weet het!"
Dan herstelde hij zich.
"Ik ben er even blij om als gij, mijn waarde zoon. Maar nogmaals, wees voorzichtig."
Bang, dat de jonge priester mogelijk zou kunnen vermoeden, dat hij juist van monsignor Gamba del Zoppo kwam, den prelaat, die van de geheele toch al zoo angstige pauselijke hofhouding het makkelijkst bang te maken was, vertelde hij, dat hij van 's morgens vroeg al moeite deed voor twee Fransche dames, die eveneens van verlangen brandden, om den paus te zien, maar dat hij erg bang was niet te zullen slagen.
"Ik wil u eerlijk bekennen monseigneur," zeide Pierre, "dat ik den moed al begon te verliezen. Ja, het is hoog tijd, dat ik wat getroost word, want mijn verblijf hier is niet erg geschikt om je op te wekken."
Hij sprak verder en liet doorschemeren hoe zeer Rome het geloof in hem vernietigd had. Dagen, zooals hij ze op den Palatinus en op de Via Appia, daarna in de katakomben en in de St. Pieter doorgemaakt had, konden zijn onrust slechts grooter doen worden, zijn droom van een verjongd en triompheerend Christendom slechts vernietigen. Hij was door die bezoeken een prooi van den twijfel geworden. Een uitputting maakte zich van hem meester, nu hij zooveel van zijn steeds tot verzet bereid enthousiasme verloren had.
Zonder dat het glimlachje van zijn lippen verdween, luisterde monsignor Nani naar hem en schudde goedkeurend zijn hoofd. Blijkbaar was het zoo goed, had het zoover moeten komen. Hij scheen het voorzien te hebben en daarom tevreden te zijn.
"Enfin, mijn waarde zoon, alles komt in orde, zoodra gij de zekerheid hebt Zijne Heiligheid te zien."
"Dat is zoo, monseigneur, al mijn hoop is gevestigd op den zeer rechtvaardigen en helderzienden Leo XIII. Hij alleen kan over mij richten, omdat hij alleen in mijn boek zijn denkbeelden, die ik geloof zeer getrouw weergegeven te hebben, kan terugvinden... O, als hij wil, zal hij in naam van Jezus door de democratie en de wetenschap de oude wereld kunnen redden."
Zijn oude geestdrift maakte zich weer van hem meester en Nani knikte opnieuw goedkeurend, terwijl om zijn scherpe ogen en om zijn dunne lippen een steeds vriendelijker wordende uitdrukking kwam.
"Precies, precies, mijn waarde zoon... Gij zult met den Heiligen Vader spreken--en dan zult gij verder zien."
Toen hierop beiden opkeken naar den gevel van het Vaticaan, dreef hij de vriendelijkheid zoover om hem van zijn dwaling te genezen. Neen, het raam, waar men iederen avond licht zag, was niet van de slaapkamer van den paus. Het was het raam van een trapportaal, dat den geheelen nacht door gas verlicht werd. De kamer van den paus was twee ramen verder. Dan vielen zij weer in hun zwijgen terug en bleven, beiden nu ernstig geworden, naar den gevel kijken.
"Nu, tot ziens mijn waarde zoon. Ge komt me zeker wel eens van de audiëntie vertellen?"
Zoodra Pierre weer alleen was, ging hij de bronzen deur door; zijn hart klopte heftig, als had hij de heilige en vreeselijke plaats betreden, waar het toekomstige geluk voorbereid werd. Een schildwacht der Zwitsersche garde liep langzaam heen en weer; hij was in een grijsblauwen mantel gehuld, die slechts de zwart, geel en rood gestreepte broek liet zien; het scheen alsof deze mantel over een vermomming geworpen was, om de nu hinderlijk geworden verkleeding te bedekken. Onmiddellijk aan zijn rechterhand bevond zich de groote overdekte trap, die naar den St. Damasiushof leidde. Maar om in de Sixtijnsche kapel te komen, moest hij tusschen een dubbele rij zuilen de lange gaanderij volgen en de Scala Regia opgaan. En Pierre begon in deze reusachtige wereld, waarin alle afmetingen een overdreven, neerdrukkende majesteit kregen, bij het oploopen van de breede treden eenigszins te hijgen.
Toen hij de Sixtijnsche kapel binnenkwam, voelde hij zich eerst verbaasd. Zij kwam hem klein voor, een soort rechthoekige, zeer hooge zaal. Een mooi marmeren schot scheidt tweederde gedeelten af, het deel, waar bij groote plechtigheden de invités zich verzamelen; op het koor zitten de kardinalen op eenvoudige houten banken, terwijl de prelaten achter hen blijven staan. De pauselijke troon bevindt zich op een lage estrade rechts van het sober versierde altaar. Links is in den muur de smalle voor de zangers bestemde loggia met een marmeren balkon. Maar men moet eerst opkijken, men moet zijn blikken van de reusachtige fresco, die het Laatste Oordeel voorstelt en den geheelen achterwand inneemt, laten dwalen naar de zolder-schilderijen, die tusschen de twaalf lichte ramen--zes aan iederen kant--tot aan de kroonlijsten loopen, om plotseling te zien, dat alles uit elkaar schuift, en zich tot in het oneindige verbreedt.
Er waren gelukkig slechts drie of vier stille toeristen. Pierre zag onmiddellijk Narcisse Habert op een der kardinaalsbanken boven de trede, waarop de sleepdragers zitten. Onbeweeglijk, het hoofd wat achterover gebogen, scheen de jonge man in extase. Maar hij keek niet naar het werk van Michelangelo. Zijn blikken waren als het ware niet weg te krijgen van een der voorste fresco's onder de kroonlijst. Toen hij den priester herkend had, prevelde hij slechts met tranen in zijn oogen:
"O, lieve vriend, zie toch dien Botticelli!"
Dan viel hij weer in zijn extase terug.
Pierre was geheel en al verdiept in een aandachtige beschouwing van Michelangelo's bovenmenschelijk genie. Al het andere verdween, daar in de hoogte bevond zich als in een onbegrensden hemel niets dan deze buitengewoone kunstschepping. In den beginne sloeg het onverwachte hem met stomheid, dat de schilder de eenige schepper van dit werk had willen zijn; hij had geen hulp willen hebben, noch voor het marmer, noch voor het brons, noch voor het verguldsel. Het penseel van den schilder was voldoende geweest voor de pilasters, voor de zuilen, voor de marmeren kroonlijsten, voor de standbeelden en de bronzen ornamentiek, voor de gouden bloemen en rosetten, voor deze ongehoorde rijke versiering, welke de fresco's omlijstte. Hij stelde zich voor hoe het op den dag geweest was, toen men hem het kale gewelf ter bewerking gegeven had--niets dan kalk, niets dan den vlakken en witten muur, de honderden vierkante meters, die te bedekken waren. En hij zag hem voor deze reusachtige taak staan, zonder hulp te willen, de nieuwsgierigen wegjagen, zich geheel alleen opsluitend met zijn reuzenwerk. Vier en een half jaar was hij in grimmige eenzaamheid met het baren van dezen kolos bezig geweest. O, dit ontzaglijke werk, geschapen om een leven te vullen, dit werk, dat hij had moeten beginnen in een rustig vertrouwen in zijn wil en in zijn kracht--het was een geheele wereld, die hij in een voortdurenden drang van zijn scheppende manlijke kracht, in de volle ontplooiing van zijn almacht uit zijn hersens getrokken en daar neergeworpen had.
Dan echter doorrilde Pierre een siddering van bewondering, toen hij deze door een zienersoog vergroote menschheid zag. Zij stroomde over van een matelooze synthese, van een cyclopisch symbolisme. Als een natuurlijke bloei lichtte iedere schoonheid op: koninklijke gratie in koninklijken adel, verheven vrede in verheven geweld. En dan de volkomen beheersching der stof, de meeste gewaagde verkortingen, waarvan hij zeker was, dat zij slagen zouden, de voortdurende overwinning op de technische moeilijkheden, die door de gewelfde vlakken veroorzaakt werden! En vóór en boven alles de ongelooflijke naïveteit en de aanwending der middelen: de stof bijna tot niets teruggebracht, enkele kleuren rijkelijk gebruikt zonder eenig streven naar het gekunstelde of naar praal! En dat was voldoende, het bloed bruiste stormachtig, de spieren spanden zich onder de huid, de figuren kregen leven en traden met zulk een krachtig élan uit de lijst te voorschijn, dat daarboven over alles een vlam scheen te strijken, die aan dat volk een bovenmenschelijk, onsterfelijk leven gaf. Ja, het was het leven, het stralende, overwinnende leven--een ontzagwekkend, woekerend leven, een levenswonder, dat een enkele hand verwezenlijkt had; maar deze bezat dan ook de hoogste en verhevenste gave: eenvoud en kracht.
Men heeft daarin een geheele philosophie gezien, men heeft daarin het geheele menschenlot, de schepping der wereld, van den man en van de vrouw, de zondenval, de straf, de verzoening en ten slotte de gerechtigheid Gods bij het Laatste Oordeel willen zien, maar daarbij kon Pierre bij die eerste aanschouwing, in de stomme verbijstering, waarin een dergelijk werk hem bracht, zijn gedachten niet bepalen. Doch welk een verheerlijking van het menschelijk lichaam, van zijn schoonheid, van zijn gratie was dit alles! O, die Jehova, deze koninklijke, geweldige en vaderlijke grijsaard, medegesleurd in den orkaan van zijn schepping, met uitgestrekte armen werelden barend! En die heerlijke Adam met zoo adellijke lijnen en de uitgestoken hand, en dien Jehova, zonder hem aan te raken, met een bewonderenswaardig gebaar met den vinger bezielt! Een geheiligde ruimte ligt tusschen dien vinger van den Schepper en dien van het schepsel, een kleine ruimte, die echter de oneindigheid van het onzichtbare en het mysterievolle bevat!
En deze machtige en aanbiddellijke Eva, deze Eva met haar krachtigen schoot, die in staat is de toekomstige menschheid in zich te dragen, met de trotsche, teere aanminnigheid der vrouw, die bemind zal willen worden, al zou het tot haar verdoemenis leiden, de vrouw in haar volheid met haar verleiding, haar vruchtbaarheid, haar macht. Zelfs de in de vier hoeken der fresco's op pilasters zittende figuren vieren den triomf van het vleesch: de over haar naaktheid gelukkige twintig jonge mannen met hun prachtige torso's en hun bewonderenswaardige ledematen, zoo vol leven, dat een waanzinnige zucht naar beweging hen medesleept, buigt en in heldenhoudingen terugwerpt. En tusschen de vensters troonden de reuzen, de Propheten en de Sibyllen, de goden geworden man en vrouw, bovenmenschelijk in spierkracht en in hun intellectueele uitdrukking: Jeremia met zijn elleboog op zijn knie en zijn kin in zijn hand, verzonken in visioenen en droomen; de Sibylle van Erythrea met het reine profiel en zoo jong in haar rijke schoonheid, een vinger leggend op het open boek van het noodlot; Jesaja met den sterken mond der waarheid, opgezwollen onder de gloeiende kolen, trotsch, het gezicht half afgewend en een hand met bevelend gebaar omhoog geheven; de Sibylle van Cumae, angstaanjagend door haar weten en haar ouderdom, vast als een rots, met haar gerimpeld gezicht, haar roofvogelneus en haar vierkante kin, die eigenzinnig vooruitsteekt; Jonas, uitgespuwd door een walvisch en neergeworpen in een buitengewone verkorting, den romp verrekt, de armen gekromd, het hoofd achterovergeworpen, den grooten mond open en schreeuwend; en al de anderen, al de anderen, allen van dezelfde groote en majestueuze familie, heerschend met de souvereiniteit van eeuwige gezondheid en eeuwig intellect, den droom van een onverwoestbare, grootere en hoogere menschheid verwezenlijkend.
Ook in de vensterbogen en in de luchtgaten ontstonden en verdrongen zich gestalten vol schoonheid, macht en aanminnigheid; het zijn de voorvaderen van den Christus, peinzend-droomende moeders met mooie naakte kinderen, mannen met vooruitzienden, in de toekomst starenden blik, het gestrafte, uitgeputte, naar den beloofden Heiland snakkende ras, terwijl in de overhangende gewelfbogen der vier hoeken bijbelsche tooneelen naar voren treden, de overwinningen van Israël op den geest van het Kwade. En eindelijk de reusachtige fresco van den achtergrond, het Laatste Oordeel met zijn wemelende gestalten, die zoo talloos zijn, dat er dagen en dagen noodig zijn, om ze goed te zien, een razende, door den brandenden adem van het leven voortgesleepte menigte, vanaf de dooden, die door de woest bazuinende engelen der Apokalypse gewekt worden, vanaf de verdoemden, die de duivelen in de hel storten, tot den door apostelen en heiligen omgeven, richtenden Jezus, tot de stralende uitverkorenen, die door engelen gedragen, omhoog stijgen, terwijl nog hooger andere engelen met de instrumenten van het lijden triompheeren in volle glorie. En toch bewaart de zoldering boven deze reusachtige schildering, die dertig jaar later de kunstenaar in de volle rijpheid van zijn kunnen maakte, haar zekere superioriteit, want daarin heeft hij zijn ongerepte kracht, al zijn jeugd, het eerste opvlammen van zijn genie gegeven.
Pierre kon geen woorden vinden. Michelangelo was het monster, dat alles domineerde, alles terneer drukte. Om dat in te zien, behoeft men slechts naast het geweldige van zijn werk de werken van Perugino, Pinturicchio, Rosselli, Signorelli, Botticelli, al de andere bewonderenswaardige fresco's te aanschouwen, die onder de kroonlijst om de kapel loopen.
Narcisse had zijn oogen niet opgeslagen naar de verpletterende pracht van de zoldering. Geheel in extase verzonken, had hij zijn oogen niet afgewend van Botticelli, die hier drie fresco's heeft. Eindelijk sprak hij op fluisterenden toon:
"O, Botticelli, Botticelli! De elegance en de gratie van den lijdenden hartstocht, het diepe gevoel van de droefheid in de wellust! Hij heeft onze geheele moderne ziel geraden en met de verleidelijkste bekoring omgeven, die ooit van een kunstenaarsschepping is uitgegaan!"
Verbaasd keek Pierre hem aan. Dan waagde hij het te vragen:
"Maar komt u dan hier om Botticelli te zien?"
"Natuurlijk," antwoordde de jonge man met zijn gewone kalmte. "Iedere week kom ik eenige uren hier alleen voor hem en ik zie niets anders dan hem... Zie toch dat blad eens: Mozes en de dochters van Jethro. Heeft menschelijke teederheid en melancholie ooit iets aandoenlijkers geschapen?"
En met een zachte, vrome beving in zijn stem, als een priester, die in de verrukkelijke en angstaanjagende huivering van het heiligdom doordringt, ging hij voort:
"O, Botticelli, de vrouwen van Botticelli met haar lang, zinnelijk en rein gezicht, met haar onder de dunne kleeding iets te veel naar voren tredenden buik, met haar hoogopgerichte, soepele en zwevende houding, waarin haar geheele lichaam zich overgeeft. De jonge mannen, de engelen van Botticelli, die zoo echt en toch zoo mooi als vrouwen zijn, van een niet met zekerheid uit te maken geslacht, waarin zich de kracht der spieren paart aan de fijnheid der lijnen, allen omhoog gedragen door een vlam van verlangen, die zelfs de toeschouwers brandt. O, de monden van Botticelli, die zinnelijke, als vruchten zoo vaste, ironische of pijnlijk vertrokken monden, raadselachtig in hun plooien, zonder dat men kan zeggen of zij reine of afschuwlijke dingen verzwijgen. O, de oogen van Botticelli, die vleiende, hartstochtelijke, mystiek of wellustig zwijmelende oogen, soms vol van een zoo diepe smart in hun vreugde, dat er in de wereld geen ondoorgrondelijkere bestaan. O, de zoo zorgvuldig bewerkte handen van Botticelli, die als het ware een eigen intens leven bezitten, vrij spelen, zich met elkander vereenigen en met zulk een gezochte gratie elkaar kussen en met elkander spreken, dat zij er soms gemaniereerd door zijn, maar ieder met haar eigen uitdrukking, alle uitdrukkingen van genot en lijden der aanraking. En toch is er niets verweekelijkts noch iets leugenachtigs te zien; overal is een soort manlijke fierheid, een hartstochtelijke, prachtige beweging, die de figuren leven inblaast en medesleept, een volmaakt streven naar waarheid, een nauwkeurige waarneming, de grootste nauwkeurigheid, een echt realisme, dat gecorrigeerd en gematigd wordt door de geniale zeldzaamheid van het gevoel en het karakter en dat aan de leelijkheid zelve de onvergetelijke verheerlijking van den charme geeft!"
De verbazing van Pierre nam toe, terwijl hij luisterde naar Narcisse; hij merkte voor het eerst diens ietwat bestudeerde distinctie op, het gefriseerde, op Florentijnsche wijze geknipte haar, de blauwe, bijna malvekleurige oogen, die in zijn enthousiasme nog lichter werden.
"Zeker," zeide ten slotte Pierre, "Botticelli is een schitterend kunstenaar... Maar het komt me voor, dat hier Michelangelo..."
Met een bijna heftig gebaar viel Narcisse hem in de rede.