Part 2
Deze vreeselijke kreet van een ter dood veroordeeld ras, dat in ellende en honger ondergaat, bleef in Pierre's ooren, bleef in zijn hart doorklinken; hij kon dien avond niet eten, den slaap niet vatten. Was het mogelijk, dat een dergelijke gruwel, een zoo volslagen armoede, een zoo zwarte, met den dood eindigende ellende voorkwam midden in het groote, met rijkdommen pronkende, van genietingen en genot dronken Parijs, dat voor zijn vermaak millioenen op straat smeet? Wat, aan den eenen kant zooveel groote fortuinen, zooveel nuttelooze, bevredigde grillen en luimen, zooveel levens vervuld met alle mogelijke geluk; en aan den anderen kant een zoo hardnekkige armoede, zelfs geen brood, geen enkele hoop, moeders, die zich dooden met haar zuigelingen, waaraan zij niets meer te geven hadden dan het bloed van haar uitgedroogde borsten!
Een woest verzet kwam in hem op; een oogenblik drong het bewustzijn tot hem door hoe belachelijk nutteloos weldadigheid en naastenliefde was. Waartoe diende het te doen wat hij deed, waartoe diende het de kleinen van de straat op te rapen, den ouders hulp te brengen, het lijden der ouden te verlengen? Het maatschappelijk gebouw was verrot tot in zijn grondvesten, alles moest in modder en bloed ten onder gaan. Slechts een groote daad van gerechtigheid kon de oude wereld wegvagen, om de nieuwe op te bouwen. En op dat oogenblik zag hij zoo duidelijk de onherstelbare breuk, de ongeneeslijke kwaal, den zeker doodelijken kanker der ellende, dat hij de heftige plannen van geweldenaren begreep, dat hij zelf bereid was te erkennen, dat een verwoestende en reinigende orkaan komen, dat de aarde door vuur en zwaard herboren worden moest, zooals vroeger, toen de vreeselijke God branden zond, om de vervloekte steden weer gezond te maken.
Toen abbé Rose hem dien avond hoorde snikken, ging hij naar boven, om hem op vaderlijke wijze te beknorren. Die man was een heilige vol oneindige zachtheid en vertrouwen. Wat, wanhopig zijn, lieve God, terwijl het Evangelie bestaat! Was de goddelijke grondstelling: "Hebt elkander lief!" niet voldoende voor het heil der menschheid? Hij had een afschuw van geweld en zeide, dat, hoe groot de ellende ook zijn mocht, er toch snel een einde aan zou komen, zoodra men terug zou keeren tot het tijdperk van eenvoud, deemoed en reinheid, toen de Christenen als schuldelooze broeders met elkaar leefden. Welk een heerlijke schildering gaf hij van de Evangelische maatschappij, welker terugkeer hij met een rustige vroolijkheid opriep, alsof deze zich den volgenden dag verwezenlijken zou. En Pierre moest ten slotte glimlachen, behagen scheppen in dat mooie troostende sprookje, in zijn behoefte om aan die vreeselijke nachtmerrie te ontkomen. Zij praatten tot laat in den nacht en zetten de volgende dagen het gesprek over dit onderwerp, dat den ouden priester zoo lief was, voort. Telkens weer weidde hij uit over nieuwe bijzonderheden, sprak hij van het komend koninkrijk van liefde en rechtvaardigheid met de ontroerende overtuiging van een goed man, die zeker was niet te zullen sterven zonder God op aarde gezien te hebben.
Toen vond in Pierre een nieuwe omwenteling plaats. De uitoefening der liefdadigheid in die arme wijk had hem met een eindelooze deernis vervuld: zijn hart was door het zien van die ellende, aan welker genezing hij wanhoopte, geschokt, verscheurd. En door het weder ontwaken van zijn gevoeligheid voelde hij dikwijls, dat zijn rede naar den achtergrond gedrongen werd; hij keerde tot zijn kindsheid terug, tot die behoefte aan universeele liefde, welke zijn moeder in hem gelegd had. Hij droomde van hersenschimmige opbeuring, verwachtte een hulp van onbekende machten. Zijn vrees, zijn haat voor de brutaliteit der feiten wierpen hem in een steeds grooter wordend verlangen naar redding door liefde. Het was de hoogste tijd, om de vreeselijke, onvermijdelijke catastrophe, den broederoorlog der klassen, die de oude wereld zou wegvagen, welke veroordeeld was onder de opeenhooping van misdaden te verdwijnen, te bezweren. Tot in het diepst van zijn ziel overtuigd, dat de ongerechtigheid haar toppunt bereikt had, dat het wraakuur spoedig slaan zou, waarop de armen de rijken dwingen zouden om te deelen, gaf hij zich van dat oogenblik over aan zijn droom van een vredige oplossing, van een broederkus tusschen alle menschen, van den terugkeer tot de zuivere moraal van het Evangelie, die Jezus gepredikt had.
In den beginne werd hij door twijfel gekweld: was die verjonging van het oude Katholicisme mogelijk, kon men tot de jeugd, tot de reinheid van het primitieve Christendom terugkeeren? Hij begon studies te maken, te lezen, te vragen, zich steeds meer op te winden voor die groote vraag van het Katholieke socialisme, die sedert eenige jaren zoo druk en luidruchtig besproken werd; en in zijn hem doorhuiverende liefde voor de armen en geheel voorbereid als hij was op het wonder der broederschap, verloor hij langzamerhand de scrupules van zijn rede, dwong hij zich tot de overtuiging, dat de Christus een tweede maal komen zou, om de lijdende menschheid te verlossen. Ten slotte formuleerde dit alles zich in zijn geest tot de zekerheid, dat het gelouterde Christendom, tot zijn oorsprong teruggebracht, de eenige macht was, die de tegenwoordige maatschappij zou kunnen redden, door de bloedige crisis, waarmede zij bedreigd werd, te bezweren.
Toen hij twee jaren geleden Lourdes vol verzet tegen dien lagen afgodendienst verlaten had, toen zijn geloof voor altijd gestorven was, maar zijn hart toch door de eeuwige behoefte aan het goddelijke, die alle schepselen kwelt, verontrust werd, was uit het diepst van zijn ziel een kreet in hem opgestegen: "Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst!" En nu meende hij dien nieuwen godsdienst of liever dien hernieuwden godsdienst ontdekt te hebben. Zijn doel was de maatschappelijke redding; tot het geluk der menschheid zou hij de eenige nog krachtige moreele autoriteit gebruiken, de ver om zich heen grijpende organisatie van het wonderbaarlijkste werktuig, dat men ooit voor het regeeren van volkeren gesmeed heeft.
Gedurende de langzame ontwikkelingsperiode, die Pierre doormaakte, hadden, behalve abbé Rose, twee mannen een grooten invloed op hem. Een goed werk had hem in aanraking gebracht met monseigneur Bergerot, een bisschop, dien de paus, ter belooning van een heel leven vol bewonderenswaardige liefdadigheid, onlangs tot kardinaal verheven had, niettegenstaande het heimelijk verzet van zijn omgeving, welke in den Franschen prelaat, die zijn diocees als vader regeerde, een vrijgeest vermoedde. Pierre geraakte door den omgang met dezen apostel, dezen zielenherder, een van die eenvoudige en goede leiders, zooals hij ze voor de toekomstige gemeenschap wenschte, nog meer in geestdrift. Maar zijn samenwerken met vicomte Philibert de la Choue, dien hij in Katholieke werkliedenvereenigingen ontmoet had, was nog beslissender voor zijn apostolaat.
De vicomte, een knappe man met militaire allures en een lang, edel gezicht, dat echter door een ingedrukten en te kleinen neus ontsierd werd, wat het eindéchec van een slecht geëquilibreerde natuur scheen aan te duiden, was een der ijverigste leiders van het Fransche Katholieke socialisme. Hij bezat groote domeinen en een groot fortuin, hoewel men beweerde, dat een mislukte landbouwonderneming het reeds bijna tot op de helft verminderd had. In zijn departement had hij getracht modelboerderijen op te richten, waar hij zijn denkbeelden in zake Christelijk socialisme in toepassing bracht. Maar het succes scheen hem ook daar niet aan te moedigen. Wel was het hem daardoor gelukt afgevaardigde te worden. Hij sprak dikwijls in de Kamer en zette in lange, schitterende redevoeringen het programma van zijn partij uiteen. Onvermoeibaar in zijn ijver trad hij bovendien als leider van pelgrimstochten naar Rome op, als voorzitter van vergaderingen, hield lezingen, gaf zich geheel aan het volk, welks verovering, zooals hij tot zijn vertrouwden zeide, alleen de triomf der Kerk verzekeren kon.
Op die wijze oefende hij een grooten invloed uit op Pierre, die naïevelijk in hem de eigenschappen bewonderde, welke hij voelde zelf niet te bezitten, een organisatietalent, een strijdbaren, eenigszins onrustigen wil, die er enkel en alleen op gericht was om in Frankrijk de Christelijke maatschappij te hervormen. De jonge priester leerde veel uit zijn omgang met dezen Christen-socialist, maar hij bleef toch de man van het gevoel, de droomer, die, zonder te letten op politieke noodzakelijkheden, regelrecht zijn vlucht nam naar de toekomststad van het algemeen geluk, terwijl de vicomte daarentegen de pretentie had de vernietiging der liberale idee van '89 te willen voltooien door voor den terugkeer tot het verleden gebruik te maken van de desillusie en den toorn der democratie.
Pierre doorleefde eenige verrukkelijke maanden. Nog nooit had een neophyt zoo geheel en al voor het geluk van anderen geleefd. Hij was een en al liefde, hij brandde van hartstocht voor zijn apostolaat. Zijn bezoeken bij het ongelukkige volk, bij de mannen, die geen werk hadden, bij de moeders en kinderen zonder brood, gaven hem dagelijks een steeds grootere zekerheid, dat een nieuwe godsdienst ontstaan moest, om een ongerechtigheid te doen ophouden, waaraan de in opstand gekomen wereld een gewelddadigen dood zou moeten sterven. En aan dit ingrijpen van het goddelijke, aan die wedergeboorte van het primitieve Christendom was hij vast besloten mede te werken; hij wilde alle krachten van zijn geheele wezen geven, om die te verhaasten.
Zijn Katholiek geloof bleef dood; hij geloofde niet meer aan dogma's, mysteriën en wonderen. Maar één hoop bleef hem bij, n.l. dat de Kerk nog iets goeds kon uitwerken, door de onweerstaanbare, moderne, democratische beweging te leiden, ten einde de volkeren voor de dreigende sociale catastrophe te behoeden. Sedert hij zich tot taak gesteld had het Evangelie weer terug te brengen in het hart van het hongerende en morrende volk der voorsteden, was in zijn ziel de rust teruggekeerd. Hij was nu werkzaam, hij leed minder onder het vreeselijk gevoel van het Niet, dat hij uit Lourdes had medegebracht, en daar hij zich niet meer met vragen kwelde, verteerde de angst der onzekerheid hem niet langer. Met de kalme opgewektheid, welke een eenvoudige plichtsvervulling met zich brengt, bleef hij de mis lezen. Zelfs begon hij tot de meening te komen, dat het mysterie, hetwelk hij aldus celebreerde, dat alle mysteriën en alle dogma's ten slotte niets waren dan symbolen, kerkelijke gebruiken, die noodig waren voor de kindsheid der menschheid en waarvan men zich weer los zou kunnen maken, wanneer de grooter geworden, gelouterde en beschaafde menschheid in staat zijn zou den verblindenden glans der naakte waarheid te verdragen.
In zijn drang om nuttig te zijn, in zijn hartstochtelijk verlangen, om zijn geloof luide uit te schreeuwen, zette Pierre zich op een ochtend aan zijn tafel en begon een boek te schrijven. Het was zoo geheel natuurlijk gekomen; dat boek was als een hartekreet buiten iedere letterkundige idee om. In een nacht, dat hij niet slapen kon, was de titel in de duisternis plotseling voor hem opgevlamd: Het Nieuwe Rome. Dat zeide alles, want moest niet van Rome, het eeuwige en heilige Rome, de verlossing der volkeren uitgaan? De eenige, nog bestaande autoriteit was dáár; de verjonging kon slechts geboren worden uit de gewijde aarde, waarin de oude Katholieke eik opgegroeid was.
In twee maanden schreef hij dit boek, dat hij sedert een jaar, zonder er zich bewust van te zijn, door zijn studies over het hedendaagsche socialisme voorbereid had. Het was in hem als een dichterlijke opbruising; menigmaal scheen het hem toe alsof hij die bladzijden droomde, terwijl een innerlijke en als uit de verte klinkende stem ze hem dicteerde. Dikwijls gaf vicomte Philibert de la Choue, wanneer hij hem het den vorigen dag geschrevene voorlas, levendig uit een oogpunt van propaganda zijn goedkeuring te kennen, want, zeide hij, men moet het volk ontroeren, om het te kunnen leiden. Ook moest men vrome, maar tegelijk toch onderhoudende liederen componeeren, die in de werkplaatsen gezongen behoorden te worden.
Monseigneur Bergerot, dien het boek uit een oogpunt van dogmatiek vrij koud liet, was daarentegen diep getroffen door de vurige inspiratie van naastenliefde, die uit iedere bladzijde sprak. Ja zelfs beging hij de onvoorzichtigheid den auteur een brief met verlof, om het boek te drukken, te schrijven en hem toe te staan dien als voorwoord daarin af te laten drukken. Dit werk nu, dat in Juni verschenen was, had de Indexcongregatie verboden en ter verdediging van dat boek was de jonge priester vol verbazing en geestdrift naar Rome gesneld; hij brandde van verlangen om zijn overtuiging te doen zegevieren, vastbesloten zijn zaak te verdedigen voor den Heiligen Vader zelf, wiens denkbeelden hij meende uitgesproken te hebben.
Terwijl Pierre aldus zijn drie laatste jaren herleefde, had hij zich niet bewogen; hij stond nog steeds tegen de borstwering tegenover het Rome van zijn droomen en van zijn begeerte. Achter hem reden nog steeds rijtuigen af en aan; magere Engelschen en corpulente Duitschers liepen langs hem heen, na aan den klassieken horizont de vijf in den reisgids aangegeven minuten geschonken te hebben, terwijl de koetsier en het paard van zijn rijtuig kalm met gebogen hoofd in de zon wachtten, die het op het bankje staande handkoffertje stoofde. Pierre zelf scheen in zijn zwarte soutane nog slanker, teerder, fijner geworden te zijn, terwijl hij zich geheel onbeweeglijk overgaf aan het verheven schouwspel. Na zijn terugkeer uit Lourdes was hij vermagerd, zijn gezicht smaller geworden. Sedert zijn moeder weer de overwinning in hem behaald had, scheen het groote, rechte voorhoofd--de toren der rede, die hij aan zijn vader te danken had--af te nemen, terwijl de goedige, ietwat groote mond, de teere, oneindig liefderijke kin nu zijn gelaat beheerschten en zijn ziel verrieden, die ook in de milde vlam van zijn oogen brandde.
O, met welke liefderijke en vurige blikken aanschouwde hij het Rome van zijn boek, het nieuwe Rome, waarvan hij droomde. Had in den beginne in de eenigszins wazige zachtheid van den wondermooien ochtend het geheel hem aangegrepen, thans kon hij de bijzonderheden onderscheiden. Met een kinderlijke blijdschap herkende hij alle monumenten, die hij zoo lang op plattegronden en in photographieënverzamelingen bestudeerd had. Daar aan zijn voeten, beneden den Janiculus strekte de Trastevere zich uit met zijn chaos van zijn oude, roodachtige huizen, wier door de zon verbrande daken den loop van den Tiber verborgen. Het vlakke uitzicht op de stad verbaasde hem eenigszins. Van af dit hooge terras zag het er, zoo in vogelvlucht gezien, als het ware genivelleerd uit: de zeven beroemde heuvelen vormden slechts kleine kopjes, een ternauwernood merkbare deining in de breede zee der gevels.
Ja, daar ginds rechts, tegen het blauwachtig verschiet der Albaansche bergen donker-violet afstekend, lag wel de Aventinus met zijn drie tusschen het groen half verscholen kerken; lag daar ook de ontkroonde Palatinus, door een rij cypressen als met een donkere franje omzoomd. De Coelius daarachter ging als het ware verloren, liet slechts de in het goudstof der zon verbleekende boomen der villa Mattei zien. Slechts de slanke klokketoren en de beide kleine koepeltjes van Santa Maria Maggiore wezen heel in de verte aan den anderen kant der stad, den Esquilinus aan, terwijl hij op den top van den dichter bij gelegen Viminalis niets onderscheidde dan een in het zonlicht badend gewirwar van witachtige, met kleine bruine lijnen doorstreepte blokken, die denken deden aan een verlaten steengroeve.
Langen tijd zocht hij naar den Capitolinus, zonder dien te kunnen ontdekken. Hij trachtte zich te oriënteeren, en maakte zich ten slotte wijs, dat hij wel den campanile [2] zag, daar in de laagte, vóór de Santa Maria Maggiore, dat vierkante, zóó bescheiden torentje, dat het te midden van de omgevende daken verloren ging. Links kwam dan de Quirinalis, herkenbaar aan den langen gevel van het koninklijk paleis, dien hospitaal- of kazernegevel, hardgeel, glad en met een eindeloos aantal kleine raampjes doorboord. Toen hij zich heelemaal omgekeerd had, deed een plotselinge aanblik hem onbeweeglijk staan. Buiten de stad, boven de boomen van den tuin Corsini rees de dom van St. Pieter voor hem op. Hij scheen op het groen te rusten en leek in den helderblauwen hemel zelf zóó teer hemelsblauw, dat hij met het eindelooze azuur scheen samen te smelten.
Pierre werd niet moede te kijken en zijn blikken gingen onophoudelijk van het eene einde van den horizont naar het andere. Lang staarde hij naar de edele, uitgetande randen en de trotsche gratie der met steden bezaaide Sabijnsche en Albaansche bergen, welker gordel den horizont afsloot. Kaal en majestueus, als een doode woestijn, en blauwgroen als een onbeweeglijke zee strekte de Campagna romana zich in reusachtige slaglichten uit; eindelijk onderscheidde hij den lagen en ronden toren van het graf van Caecilia Metella, waarachter een dunne, bleeke lijn de oude Via Appia aanwees. Puinhoopen van waterleidingen bestrooiden het gras met het stof van ingestorte werelden. Dan gingen zijn blikken weer terug--en weer zag hij de nieuwe stad, het gewirwar van gebouwen. Hier dichtbij herkende hij aan zijn naar de rivier gekeerde loggia den grooten roodgelen kubus van den palazzo Farnese. Die lage, nauwlijks zichtbare koepel daar verderop moest die van het Pantheon zijn.
Dan herkende hij, met plotselinge sprongen, de pas weer gewitte muren van San Paolo fuori le Mura, welke op die van een groote graanschuur geleken; dan de standbeelden van San Giovanni in Laterano, licht en nauwlijks zoo groot als insecten; vervolgens de ontelbare koepels, dien van del Gesù, dien van San Carlo, dien van San Andrea della Valle, dien van San Giovanni de Fiorentini; eindelijk zooveel andere met herinneringen vervulde gebouwen nog, het kasteel der Heilige Engelen met zijn fonkelend standbeeld, de villa Medici, die de geheele stad beheerschte, het terras van den Pincio, waar tusschen enkele boomen marmergroepen òplichtten, en in de verte de hooge loofdaken der villa Borghese, die met hun groene toppen den horizont afsloten.
Vergeefs zocht hij het Colosseum. Toch begon het zachte noordenwindje de ochtendnevelen uiteen te jagen. In de wazige verte teekenden geheele stadswijken zich krachtig af als voorgebergten in een door de zon beschenen zee. Hier en daar lichtte tusschen de onduidelijke massa der huizen een wit stuk muur òp, flikkerde een rij vensters, wierp een tuin een groote vlek; alles tezamen vormde een verrassende kleurenpracht. Het overige, het gewirwar van straten en pleinen, de tallooze, in alle richtingen gezaaide eilanden, vermengden zich en losten zich op in de levende glorie der zon, terwijl van de daken hooge, witte rookkolommen opstegen en langzaam door de oneindige reinheid der lucht trokken.
Doch weldra concentreerde, door een heimlijk instinct, Pierre's geheele aandacht zich op drie punten van den grenzenloozen horizont. De lijn der slanke cypressen, die den top van den Palatinus zwart omzoomden, ontroerde hem: daarachter was niets meer dan een ledige ruimte: de paleizen der Caesars waren verdwenen, ingestort, door den tijd met den grond gelijk gemaakt. Hij riep ze weer voor zijn geest op, hij meende ze zich weer te zien oprichten als onbestemde en trillende spoken van goud in het purper van den schitterenden ochtend. Dan keerden zijn blikken terug naar de Sint Pieter; daar stond de dom nog en beschermde het Vaticaan, dat, zooals Pierre wist, dicht tegen de zijde van den kolos rustte; hij vond hem zoo triomphantelijk, krachtig en groot, dat hij hem toescheen als een reuzenkoning, die over de stad heerschte en eeuwig van overal zichtbaar was. Vervolgens wendde hij zijn blikken weer naar den anderen heuvel tegenover zich, naar den Quirinalis, waar het paleis des konings niets meer dan een lage, platte, geel geverfde kazerne leek.
De geheele eeuwenoude geschiedenis van Rome met haar voortdurende omwentelingen, haar telkens weer terugkeerende wederopleving lag daar in dien symbolischen driehoek, in die drie toppen, welke elkaar over den Tiber heen aankeken, voor hem: het opbloeiende, oude Rome met zijn paleizen en tempels, de monsterbloesem van keizerlijke macht en pracht; het pauselijke Rome, dat in de Middeleeuwen de wereld beheerschte en deze reusachtige kerk in al haar herwonnen schoonheid op de Christenheid liet drukken; het hedendaagsche Rome, dat hij niet kende, dat hij tot nu toe veronachtzaamd had, welks zoo kaal en koud koninklijk paleis een armoedigen indruk op hem maakte, den indruk van een jammerlijke, heiligschennende moderniseeringspoging op een eenige stad, die men liever aan den droom der toekomst had moeten overlaten. Hij zette het bijna pijnlijke gevoel van een hinderlijk heden van zich af, hij wilde zich niet ophouden bij een geheel nieuwe wijk, een klein, kleurloos, blijkbaar nog in aanbouw zijnd stadje, dat hij duidelijk dicht naast de St. Pieter op den oever der rivier zag. Hij had van een geheel ander nieuw Rome gedroomd, droomde er nog van, zelfs tegenover den in het stof der eeuwen vernietigden Palatinus, tegenover den dom van St. Pieter, in welks breede schaduw het Vaticaan sliep, tegenover het paleis van den Quirinalis, dat geheel nieuw opgebouwd en geverfd was en echt burgerlijk heerschte over de nieuwe wijken, die overal opschoten en groote scheuren maakten in het lichaam der oude stad met haar roode, in de heldere ochtendzon schitterende daken.
Het Nieuwe Rome! Weer vlamde voor Pierre's oogen de titel van zijn boek op en deed hem in een nieuwe overpeinzing wegzinken. Hij doorleefde nog eenmaal zijn boek, zooals hij daareven zijn leven doorleefd had. Hij had het met geestdrift geschreven en daarvoor van de op goed geluk af gemaakte aanteekeningen gebruik gemaakt. Een indeeling in drie deelen had zich als vanzelf opgedrongen, het verleden, het heden, de toekomst.
Het verleden was de buitengewone geschiedenis van het oorspronkelijke Christendom, van de langzame evolutie, die van dat Christendom het tegenwoordige Katholicisme gemaakt had. Hij toonde aan, dat onder iedere godsdienstige evolutie zich een economische quaestie verborg, en dat per slot van rekening de eeuwige kwaal niets anders is dan de eeuwige strijd tusschen de armen en de rijken. Bij de Joden breekt onmiddellijk na het nomadenleven, wanneer zij Kanaän veroverd hebben en het bezit ontstaan is, de klassenstrijd uit. Er zijn rijken en er zijn armen; van af dat oogenblik bestaat de sociale quaestie.
De overgang had plotseling plaats gehad, de nieuwe stand van zaken verergerde zoo snel, dat de armen, die zich nog de gouden eeuw van het nomadenleven herinnerden, er dubbel onder leden en met des te meer kracht hulp eischten. Tot aan Jezus toe zijn de propheten niets anders dan opstandelingen, die uit de ellende van het volk opkomen, die zijn lijden uitschreeuwen, de rijken met verwijten overstelpen, aan wie zij alle rampen voorstellen als straf voor hun onrechtvaardigheid en hun hardvochtigheid. Jezus zelf is slechts de laatste van hen; hij treedt als het ware op als de levende opvordering van het recht der armen. De propheten, socialisten en anarchisten, hadden de maatschappelijke gelijkheid gepredikt door de vernietiging der wereld, als zij niet rechtvaardig was, te eischen. Ook hij brengt den armen haat tegen de rijken bij. Zijn geheele leer is een bedreiging tegen den rijkdom, tegen het bezit; en wanneer men het Koninkrijk der Hemelen, dat hij beloofde, als den vrede en de broederschap op deze aarde opvat, dan zou het slechts een terugkeer zijn tot de gouden eeuw van het herdersleven, dan de droom der Christelijke gemeenschap, zooals hij na hem door zijn discipelen verwezenlijkt schijnt te zijn.