Part 19
En welk een verblindend en glorierijk Hof om dezen triomfzetel heen! Het geheele pauselijke personeel, de stroom van assisteerende prelaten, de patriarchen, de aartsbisschoppen en bisschoppen, allen in gouden ornaat en met mijters! De geheime kamerheeren in violette zijde, de werkelijke kamerheeren in zwart fluweel met den gouden halskraag en ketting! Het ontelbare geestelijke en wereldlijke gevolg, wier opsomming honderd bladzijden der Gerarchia zou beslaan, de protonotarii, de kapelaans, de prelaten van alle klassen en alle rangen, afgezien nog van het Militair Huis, de gendarmes met hun berenmutsen, de Palatijnsche garden in blauwe broek en zwarte tunica, de Zwitsersche garden in hun geel, zwart en rood gestreepte harnassen van zilver, de garden der edelen, die in hun hooge laarzen, hun witte broeken, hun roode, met goud bestikte mantels, hun gouden epauletten en hun gouden helmen een schitterenden aanblik opleverden.
Maar sedert Rome de hoofdstad van Italië was, werden de vleugeldeuren niet meer wijd geopend, integendeel men hield ze zorgvuldig gesloten, en de enkele malen, dat de paus de mis nog kwam celebreeren, zich kwam vertoonen als de hoogste uitverkorene, als de belichaming Gods op aarde, vulde de kerk zich slechts met genoodigden, moest men een kaart hebben, om toegang te verkrijgen. Het was niet meer het volk, de vijftig-, zestigduizend Christenen, die samenstroomden en zich verdrongen, neen, het waren bevriende toeschouwers, die voor particuliere en gesloten plechtigheden in het bijzonder uitgezocht werden. En zelfs wanneer men erin slaagde er eenige duizenden bijeen te krijgen, dan was het nog steeds een beperkt, tot een gala-concert genoodigd publiek.
Hoe langer Pierre door dit in den harden glans van het marmer flikkerende, koude en majestueuse museum wandelde, des te meer werd hij doordrongen van het gevoel, dat hij zich in een heidenschen tempel bevond, opgericht ter eere van den god van licht en praal. Een groote tempel van het oude Rome had er ongetwijfeld evenzoo uitgezien met dezelfde met polychroom marmer bekleede muren, dezelfde kostbare zuilen, dezelfde gewelven met vergulde vakken. Datzelfde gevoel zou hij nog sterker krijgen bij het bezoeken van andere basilica's, die ten slotte hem tot de kennis der onbetwistbare waarheid brengen zouden. Daar was in de eerste plaats de Christelijke kerk, die het zich in alle kalmte en vermetelheid makkelijk maakte in den heidenschen tempel: zooals bijvoorbeeld San Lorenzo in Miranda, die zich in den tempel van Antoninus en Faustina thuis voelde als in zijn eigen huis en de zeldzame porticus van cipoline [9] en de mooie lijst van wit marmer behouden had; of wel de Christelijke kerk, die uit den gevelden stam, het oude verwoeste gebouw weer opgewassen was, zooals de tegenwoordige San Clemente bijvoorbeeld, waaronder eeuwen van tegenstrijdige godsdiensten lagen, een zeer oud monument uit den tijd der Republiek, een ander uit den keizertijd, waarin men een Mithratempel herkend heeft, en ten slotte een oud-Christelijke basilica. Vervolgens had men de Christelijke kerk, zooals de Santa Agnese fuori le Mura, die geheel naar het voorbeeld van de staatsbasilica der Romeinen, het Gerechtshof of de Beurs, gebouwd was. Ten slotte en vooral had men de Christelijke kerken, die met de uit in puinhoopen liggende tempels gestolen materialen opgetrokken waren.
Zoo bijvoorbeeld de zestien prachtige zuilen uit diezelfde Santa Agnese fuori le Mura van verschillende marmersoorten, die blijkbaar aan verschillende goden ontstolen waren; de een-en-twintig zuilen van Santa Maria dei Trastevere, die uit een tempel van Isis en Serapis afkomstig waren, wier afbeeldingen zich nog op de kapiteelen bevinden; de zes-en-dertig wit marmeren Ionische zuilen van de Santa Maria Maggiore, die uit den tempel van Juno Lucina komen, de twee-en-twintig in materiaal, hoogte en bewerking geheel verschillende zuilen van Santa Maria d'Aracoeli, waarvan de legende zegt, dat enkele aan Juppiter zelf ontstolen zijn uit den tempel van Juppiter Capitolinus, die zich op dezelfde plaats op den heiligen top verhief. Heden nog herleven de tempels van het rijke keizertijdperk in de prachtige basilieken van San Giovanni de Laterano en San Paolo fuori le Mura. Was niet de basilica van San Giovanni, de Moeder en het Hoofd van alle kerken, met haar vijf, door vier zuilenrijen gescheiden schepen, met haar twaalf reusachtige Apostelbeelden, die als een dubbele rij van goden naar den Heer der Goden voerden, met haar bas-reliefs, haar friesen, haar lijsten, het eerepaleis van een heidensche godheid, wier koninkrijk van deze wereld is? En vindt men niet in de pas voltooide San Paolo in den glans van het nieuwe marmer de woning der Onsterfelijken van den Olympus terug?
Het is de typische tempel met de majestueuse zuilengaanderij onder het vlakke, met vergulde vakken versierde gewelf, de marmeren vloer van onvergelijkelijk mooi materiaal en onvergelijkelijk mooie bewerking, de zuilen met de violette voeten en de witte kapiteelen, de witte lijsten met violette friesen, de overal terugkeerende vermenging van deze beide kleuren, die zulk een goddelijk vleeschelijke harmonie vormen, welke denken doet aan de verheven, door den dageraad gebade lichamen der groote godinnen. Nergens, evenmin als in de St. Pieter een donker, een mysterievol voor den Onzienlijke geopend plekje.
En toch bleef de St. Pieter, krachtens haar recht als kolos, nog het grootste van deze groote monsters. Zij is het levende bewijs van dat, wat de zucht naar het monsterachtig-groote vermag, wanneer de mensch in zijn trotschen overmoed met behulp van verspilde en weggegooide millioenen God onderbrengen wil in de te groote en te rijke woning van steenen, waarin de mensch in Zijn naam triompheert.
Tot dezen pronkkolos had dus na zoovele eeuwen de vrome ijver van het oorspronkelijke geloof geleid. Men vond er het sap van den Romeinschen bodem in terug, dat te allen tijd in onredelijke monumenten is opgeschoten. Het schijnt, dat de onbeperkte heerschers, die er achtereenvolgens geregeerd hebben, dien hartstocht voor cyclopischen bouw met zich mede brachten, dien putten uit den geboortegrond, waarop zij groot geworden zijn, want zij hebben dien zonder onderbreking van beschaving op beschaving aan elkaar overgeleverd. Het is een onophoudelijk opbloeien der menschelijke ijdelheid: allen hadden den drang om hun naam op een muur te schrijven, om, nadat zij meesters der wereld geweest zijn, het tastbare bewijs van hun ééndaagschen roem achter te laten, het eeuwige gebouw van brons en marmer, dat tot aan het einde der dagen van hen getuigen zal.
In den grond van de zaak ligt daarin slechts de veroveringsgeest, de trotsche eerzucht van het ras, dat steeds om de wereldheerschappij strijdt; en wanneer alles ineen gestort is, wanneer een nieuwe maatschappij uit de puinhoopen opstaat, en men meent, dat deze van den hoogmoed genezen en tot den ootmoed teruggekeerd is, dan blijkt dat opnieuw een dwaling te zijn; het oude bloed bruist in haar aderen, zij geeft opnieuw toe aan den overmoedigen waanzin van haar voorouders en wordt, zoodra zij groot en sterk geworden is, een prooi van al de overgeërfde heftigheid. Er is geen beroemde paus, die niet heeft willen bouwen, die niet de traditie der Caesars opgevat heeft, die hun regeering in steen vereeuwigden, bij hun dood tempels voor zich lieten oprichten, om over te gaan in de rij der goden.
Dezelfde zorg voor aardsche onsterfelijkheid openbaart zich weer, het is een wedijver, wie het grootste, het stevigste, het mooiste monument zal achterlaten; en de ziekte is zoo hevig, dat de minder rijken, die niet bouwen konden, zich tevreden hebben moeten stellen met herstellingen, er een behagen in schepten de herinnering aan hun bescheiden werken aan het nageslacht achter te laten door marmeren tafels met praalzieke inscripties aan te brengen. Vandaar, dat men steeds weer die tafels aantreft; geen muur heeft nieuwe fundamenten gekregen of de paus heeft daarop zijn wapens gedrukt; geen ruïne is hersteld, geen paleis weer in goeden staat gebracht, geen fontein schoongemaakt, zonder dat de regeerende paus het werk teekent met zijn Romeinschen titel Pontifex Maximus.
Het is een nachtmerrie, een onvrijwillige uitspatting, de onvermijdelijke opbloei uit deze sedert meer dan twee duizend jaar uit puinhoopen gevormde humus. Onophoudelijk rijzen monumenten op uit dit stof van monumenten. En men vraagt zich af, of Rome ooit Christelijk geweest is. Rome in zijn verdorvenheid, waarmede de oude Romeinsche bodem bijna dadelijk de leer van Jezus bevlekt heeft, met zijn heerschzucht, zijn hartstochtelijk verlangen naar aardschen roem, die, zonder acht te slaan op de zwakken en de reinen, op de liefderijken en eenvoudigen van het oorspronkelijke Christendom, den triomf van het Katholicisme bewerkt hebben.
Toen, in een plotselinge ingeving, zag Pierre in een hooger licht de waarheid stralen. Het was op het oogenblik, dat hij voor de tweede maal door de reusachtige basilica liep en de graftomben der pausen bewonderde. O, die graftomben! Daarginds in de vlakke Campagna, in het volle zonlicht, aan beide zijden van de Via Appia, die was als een triomphantelijk entree, welke den vreemdeling naar den verheven, door een kroon van paleizen omgorden Palatinus leidde, daarginds verhieven zich de gigantische graven der machtigen en rijken in een glans en in een schittering, in een onvergelijkelijke pracht, die den trots van een sterk, wereldbeheerschend ras in marmer vereeuwigde. Dan, dicht daarbij, onder de aarde, in den donkeren, stillen nacht, onder in armzalige molsgaten verborgen zich de andere graven, de kleinen, de armen, de lijdenden, zonder kunst of rijkdom, wier bescheidenheid verkondigde, dat een ademtocht van teederheid en berusting over de aarde gestreken was, dat een mensch broederschap en liefde, het opgeven van aardsche goederen voor de eeuwige vreugde van het toekomstige leven was komen prediken en aan de nieuwe aarde het zaad van zijn Evangelie toevertrouwd, de verjongde menschheid gezaaid had, die de oude wereld zou hervormen.
En nu waren uit dat eeuwen in den grond begraven zaad, nu waren uit die zoo nederige, zoo onbekende graven, waarin de martelaars hun zachten slaap sliepen, nu waren daaruit weer nieuwe graven opgeschoten, even reusachtig, even praalvol als de verwoeste oude graven der afgodendienaars. Hun marmer verhief zich in de heidensche pracht van een tempel en verkondigde denzelfden bovenmenschelijken trots, dezelfde waanzinnige zucht naar wereldoverheersching. In de Renaissance wordt Rome weer heidensch, komt het oude keizerlijke bloed weer boven en sleept het Christendom mede in den heftigsten aanval, dien het ooit te doorstaan heeft gehad. O, die graven der pausen in de St. Pieter met hun overmoedig-onbeschaamde verheerlijking, met hun zinnelijke praal, hoe dagen zij den dood uit en willen zij de onsterfelijkheid op aarde brengen! Het zijn reuzengroote pausen van brons, het zijn allegorische figuren, het zijn dubbelzinnige engelen, mooi als mooie meisjes, als begeerlijke vrouwen met heupen en boezems als van godinnen.
Paulus III zit op een hoogen piedestal met de Gerechtigheid en de Wijsheid half liggend aan zijn voeten; Urbanus VIII zit tusschen de Wijsheid en den Godsdienst, Innocentius IX tusschen den Godsdienst en de Gerechtigheid, Innocentius XII tusschen de Gerechtigheid en de Naastenliefde, Gregorius XIII tusschen den Godsdienst en de Kracht. De knielende Alexander VII heeft naast zich de Wijsheid en de Gerechtigheid, voor zich de Naastenliefde en de Waarheid; daarnaast staat een geraamte met een ledigen zandlooper. De eveneens knielende Clemens XIII triompheert op een monumentalen sarkophaag, waarop de Godsdienst, die een kruis draagt, steunt, terwijl onder den rechts zich bevindenden Genius van den Dood twee reusachtige leeuwen liggen, het symbool der almacht. Het brons verkondigde de eeuwigheid der figuren, het witte marmer glansde als mooi, rijp vleesch, het polychrome marmer viel neer in rijke draperieën en verhieven in het felle, vergulde licht der reusachtige schepen de monumenten tot een apotheose.
Pierre ging van de eene tombe naar de andere, steeds voortloopend in de bezonde, trotsche, eenzame basilica. Ja, deze graven sloten zich met keizerlijke praal bij die van de Via Appia aan.
Het was ongetwijfeld Rome--de bodem van Rome, de bodem, waaruit trots en heerschzucht opschoten als het gras uit de velden, de bodem, die van het oorspronkelijke Christendom het overwinnend Katholicisme gemaakt had den bondgenoot der machtigen en rijken, de reusachtige regeeringsmachine, opgericht voor de verovering der volkeren. In de pausen waren de Caesars weder ontwaakt. De herediteit werkte, het bloed van Augustus was weer boven gekomen, bruiste door hun aderen, verteerde hun brein met bovenmenschelijke eerzucht. Alleen Augustus had de wereldheerschappij kunnen verwezenlijken, Augustus, imperator en pontifex maximus, meester van lichamen en zielen. Vandaar de eeuwige droom der pausen, die wanhopig zijn, omdat zij slechts het geestelijke behouden kunnen en niets van het wereldlijke willen afstaan, want zij koesteren nog steeds de eeuwenoude, nooit opgegeven hoop, dat de droom zich nog eens verwezenlijken en van het Vaticaan een tweeden Palatinus maken zal, vanwaaruit zij, als onbeperkte despoten, over de veroverde volkeren heerschen zullen.
ZESDE HOOFDSTUK
Pierre bevond zich nu reeds veertien dagen te Rome, maar de zaak, waarvoor hij gekomen was, de verdediging van zijn boek, vorderde niet. Hij koesterde nog steeds den vurigen wensch den paus te spreken, zonder dat ten gevolge van de verschillende uitstellen en van den angst, dien monsignor Nani hem voor een onvoorzichtigen stap had ingeboezemd, te voorzien was, wanneer of hoe die wensch bevredigd zou worden. Daar hij begreep, dat zijn verblijf heel lang zou kunnen duren, had hij besloten zijn celebret in het vicariaat te laten viseeren en las nu iederen ochtend zijn mis in de Santa Brigittakerk op de piazza Farnese, waar hij door abbé Pisoni, den vroegeren biechtvader van Benedetta, zeer vriendelijk ontvangen was.
Dien Maandag wilde hij vroeg naar de intieme receptie van donna Serafina gaan, in de hoop daar nieuws te hooren en zijn zaak te kunnen bespoedigen. Misschien zou monsignor Nani er zijn, misschien zou hij het geluk hebben er den een of anderen prelaat of kardinaal te vinden, die hem zou willen helpen. Vergeefs had hij getracht tenminste enkele inlichtingen van don Vigilio te krijgen. Maar als opnieuw bevangen door wantrouwen en vrees, na een oogenblik dienstvaardig geweest te zijn, ontweek de secretaris van kardinaal Boccanera hem, verborg zich, vastbesloten zich niet in te laten met een beslist verdacht en gevaarlijk avontuur. Bovendien had hij twee dagen te voren zoo'n hevigen aanval van koorts gekregen, dat hij zijn kamer moest houden.
Zoo had Pierre geen anderen troost dan Victorine Bosquet, het tot huishoudster opgeklommen vroegere kindermeisje, de Beauceronneesche, die na een dertigjarig verblijf in Rome, dat zij nog niet kende, nog steeds haar oud Fransch hart behouden had. Zij sprak met hem over Auneau, als had zij het den vorigen dag nog gezien. Maar dien dag was zij niet zoo levendig en opgewekt als anders; en toen zij hoorde, dat hij 's avonds naar de receptie wilde gaan, schudde zij haar hoofd.
"U zult de dames niet opgewekt aantreffen. Die arme Benedetta heeft groot verdriet. Het schijnt, dat het er met haar echtscheiding niet heel schitterend voor staat."
Geheel Rome sprak erover. Het gepraat was opnieuw begonnen en wond de zwarte en witte kringen beide op. Het was dan ook volstrekt niet noodig, dat Victorine bang behoefde te zijn zich aan onbescheidenheid schuldig te maken, als zij haar landgenoot iets vertelde. In antwoord op de memorie van advocaat Morano, die, steunend op getuigenverklaringen en schriftelijke bewijzen, trachtte aan te toonen, dat het huwlijk wegens impotentie van den echtgenoot niet voltrokken kon zijn, had monsignor Palma, de voor deze aangelegenheid door de Conciliecongregatie als verdediger van het huwlijk gekozen theoloog, een vreeselijke tegen-memorie ingediend. In de eerste plaats trok hij de maagdelijkheid van de eischeresse sterk in twijfel, terwijl hij de technische termen van het certificaat der beide vroedvrouwen betwistte en een grondig onderzoek door twee doktoren eischte, voor welke formaliteit het schaamtegevoel der jonge vrouw teruggeschrikt was. Bovendien citeerde hij wetenschappelijk vastgestelde, physiologische gevallen, waarin jonge meisjes gemeenschap gehad hadden met mannen, zonder dat een spoor van ontmaagding te vinden geweest was.
Hij legde verder sterk den nadruk op het in de memorie van graaf Prada voorkomende verhaal, waarin deze, zeer eerlijk, aarzelde te zeggen of het huwlijk voltrokken was of niet, zóó had de gravin zich verzet; hij had het wel gemeend op het oogenblik, dat de daad in normale omstandigheden ten einde gebracht was, maar bij nadere overweging durfde hij dat niet beslist te verzekeren, gaf hij toe, dat hij, toegevend aan zijn heftige begeerte, zich misschien illusies gemaakt had over een volkomen bezit. Monsignor Palma juichte over dien twijfel, versterkte dien nog door al de spitsvondige redeneeringen, die deze zaak mogelijk maakte, ja hij voerde zelfs tegen de echtgenoote aan de verklaring der kamenier, die zij zelf als getuige had laten dagvaarden, en die het lawaai van den strijd gehoord had en bevestigde, dat na dezen eersten nacht mijnheer en mevrouw steeds afzonderlijk geslapen hadden. Het hoofdargument van de memorie was echter, dat het, zelfs, wanneer de eischeresse het onbetwistbare bewijs van haar maagdelijkheid geven kon, daarom niet minder vast stond, dat haar weigering alleen de voltrekking van het huwelijk belet had, daar de eerste voorwaarde voor de voltrekking de gehoorzaamheid der vrouw is. Na een vierde memorie, die van den rapporteur, waarin deze de drie andere resumeerde en aan kritiek onderwierp, was de congregatie tot stemming overgegaan en had met één stem meerderheid de nietigverklaring van het huwlijk uitgesproken. Dit was een zoo precaire oplossing der quaestie, dat monsignor Palma krachtens zijn recht onmiddellijk een aanvullingsonderzoek geëischt had, waardoor het geheele proces opnieuw behandeld moest worden en een nieuwe stemming noodig was.
"Die arme contessina!" riep Victorine uit; "zij zal nog van verdriet sterven, want ondanks haar kalm uiterlijk wordt het lieve kind door liefde verteerd... Het schijnt, dat advocaat Palma meester is van den toestand, dat hij de zaak net zoo lang kan rekken als hij zelf wil. En bovendien heeft het al zooveel gekost en zal het nog meer kosten. Abbé Pisoni--u kent hem nu goed--heeft waarachtig een prachtig idee gehad, toen hij met dit huwelijk voor den dag kwam. En ik wil geen kwaad zeggen van de nagedachtenis van mijn lieve mevrouw, gravin Ernesta, die een heilige was, maar zij heeft haar dochter ongelukkig gemaakt door haar aan graaf Prada te geven."
Zij hield even op, om er dan in haar aangeboren rechtvaardigheidszin aan toe te voegen:
"Trouwens ik kan mij best begrijpen, dat graaf Prada met het heele geval ook niet erg ingenomen is. Ze maken zich te vroolijk over hem. Maar dat neemt niet weg, dat ik zeg, dat het van Benedetta toch wel dwaas is, om zooveel poespas te maken. Als het van mij afhing, dan zou zij vanavond nog haar Dario in haar kamer hebben; zij houdt toch zooveel van hem en ze verlangen al zoolang naar elkaar. Wel zeker, zonder burgemeester en zonder pastoor, zij zijn zoo jong en zoo mooi en zouden zoo graag samen gelukkig zijn... Geluk, lieve God, geluk is zoo zeldzaam!"
Toen zij zag, dat Pierre haar verbaasd aankeek, begon zij vroolijk met het kalme evenwicht van het lagere Fransche volk, dat alleen nog maar gelooft aan een gelukkig, fatsoenlijk leven, te lachen.
Dan klaagde zij op bescheiden wijze haar leed over een andere onaangenaamheid, die over het heele huis haar schaduw wierp. Het was eveneens een terugslag van die ongelukkige echtscheidingsquaestie. Donna Serafina en advocaat Morano hadden een woordenwisseling gehad. De laatste was zeer uit zijn humeur over het echec, dat hij met zijn memorie geleden had, en verweet pater Lorenza, den biechtvader van de tante en de nicht, haar aangezet te hebben tot een proces, waaruit niets dan schandaal kon voortkomen. En hij was niet meer in het paleis Boccanera teruggekomen. Het was het afbreken van een meer dan dertigjarige liaison en bracht groote beroering in alle Romeinsche salons, die Morano's handelwijze ten sterkste afkeurden. Donna Serafina was des te meer verbitterd en beleedigd, omdat zij vermoedde, dat hij de woordenwisseling slechts als voorwendsel gebruikte, om haar voor iets geheel anders te verlaten, om een plotselingen, bij een man van zijn positie en vroomheid misdadigen hartstocht, dien een jong, intrigeerend burgermeisje hem ingeboezemd had.
Toen Pierre 's avonds den met geel Louis XIV brocaat behangen salon binnentrad, bemerkte hij inderdaad, dat er een zekere zwaarmoedigheid heerschte onder het gedempte licht van de door kant omsluierde lampen. Er was niemand dan Benedetta en Celia, die met Dario op de canapé zaten te praten, terwijl kardinaal Sarno, achter in een fauteuil verscholen, zonder een woord te zeggen, naar het eindelooze, onuitputtelijke gebabbel luisterde van de oude tante, die iederen Maandag met de kleine prinses medekwam. Donna Serafina zat alleen op haar gewone plekje aan de rechterzijde van den haard; een heimelijke woede verteerde haar, dat zij de linkerzijde tegenover haar ledig zag, het plekje, dat Morano gedurende de dertig jaar van zijn trouw ingenomen had. Pierre merkte ook haar angstigen, daarna wanhopigen blik op, dien zij bij zijn binnenkomen op hem wierp; zij loerde als het ware op de deur, daar zij blijkbaar den wispelturige nog verwachtte. Zij hield zich echter zeer flink en zag er met haar fijne, meer dan ooit in haar corset geregen taille, met haar hard oude-jongejuffrouwengezicht, haar sneeuwwit haar en haar zeer donkere wenkbrauwen nog trotsch uit.
Nadat Pierre haar begroet had, liet hij dadelijk de hem geheel beheerschende gedachte blijken door te vragen of hij dien avond niet het genoegen zou hebben, monsignor Nani te zien.
En zij kon zich niet weerhouden te zeggen:
"O, monsignor Nani verlaat ons, evenals alle anderen. Wanneer je de menschen noodig hebt, verdwijnen ze."
Zij had ook een zekeren wrok tegen den prelaat, omdat hij zich ondanks zijn vele beloften, bij de echtscheiding op den achtergrond gehouden had. Ongetwijfeld verborg hij als altijd onder zijn buitengewoon vleiende welwillendheid een ander plan. Zij had echter dadelijk berouw over de bekentenis, die haar woede haar ontrukt had, en zeide:
"Misschien komt hij nog. Hij is zoo goed en heeft zoo met ons op."
Ondanks haar vurig bloed wilde zij politiek zijn, om het ongeluk zoo mogelijk te kunnen overwinnen. Haar broeder, de kardinaal, had haar gezegd, hoe de houding der Conciliecongregatie hem hinderde, want hij twijfelde er geen oogenblik aan, of de koele ontvangst, die de eisch van zijn nicht gevonden had, was gedeeltelijk het gevolg van het feit, dat sommige van zijn medekardinalen het uit rancune tegenover hem gedaan hadden. Zelf wenschte hij thans de scheiding, die alleen het voortbestaan van het geslacht verzekeren kon, daar Dario het nu eenmaal in zijn hoofd gezet had met niemand dan met zijn nicht te trouwen. Alle ongelukken kwamen nu tegelijk en troffen de geheele familie; hij was beleedigd in zijn trots, zijn zuster deelde in zijn verdriet en was bovendien in haar hart gewond; Benedetta en Dario waren wanhopig, dat hun verwachtingen nogmaals de bodem ingeslagen werd.
Toen Pierre bij de canapé kwam, waar de jongelui zaten te praten, hoorde hij, dat er fluisterend over niets dan over de catastrophe gesproken werd.