De drie steden: Rome

Part 18

Chapter 183,774 wordsPublic domain

De dames knikten hoffelijk en hij gaf den priester een der kleine dunne kaarsen. Moeder en dochter schenen geen van beiden vroom te zijn, want zij hadden een schuinschen blik op de soutane van Pierre geworpen en waren plotseling angstig geworden. Ze gingen naar beneden en kwamen bij een soort nauwe gang.

"Past op, dames," zeide de frater telkens weer, terwijl hij den bodem met zijn kaars verlichtte; "loopt langzaam, want er zijn hier heuvels en dalen."

En dan begon hij met een heldere stem en de kracht van een buitengewone zekerheid zijn explicatie. Pierre was zwijgend afgedwaald, hij had een gevoel, alsof er een prop in zijn keel zat, en zijn hart klopte van opwinding. O, hoe dikwijls had hij in den onschuldigen seminarietijd gedroomd van deze katakomben der eerste Christenen, deze toevluchtsoorden van het oorspronkelijke geloof! En hoe dikwijls had hij er kort geleden, toen hij zijn boek schreef, nog aan gedacht als aan het oudste en eerbiedwaardigste spoor van de gemeente der armen en eenvoudigen, welker terugkeer hij predikte! Maar zijn geest was geheel vervuld van de schilderijen der dichters, de groote prozaschrijvers, die de katakomben beschreven hadden. Hij zag ze door het vergrootglas der phantasie, stelde ze zich groot voor, als onderaardsche steden met breede avenuen en reusachtige zalen, die vele menschen bevatten kunnen. En in welk een armzalige en nederige werkelijkheid kwam hij terecht!

"Ach ja," antwoordde de frater op de vragen van moeder en dochter, "het is niet breeder dan een meter, twee menschen kunnen niet naast elkaar loopen... En hoe men het gegraven heeft? O, dat is heel eenvoudig. Een familie, een begrafenisvereeniging wilde een graf hebben, niet waar? Welnu, dan groef zij met een houweel de eerste gang in die zoogenaamde tufsteenlaag: een roodachtige, weeke en toch taaie substantie, zooals u ziet, die makkelijk te bewerken en volkomen waterdicht is; in het kort een grondsoort, die voor dit doel als het ware geschapen is en de lijken prachtig geconserveerd heeft."

Hij hield even op en liet bij het zwakke licht van zijn kaars de rechts en links in de wanden gegraven nissen zien.

"Kijk, dat zijn de loculi... Zij groeven dus een onderaardsche gang, waarin zij aan beide kanten deze boven elkaar liggende nissen aanbrachten, en legden daarin de meestal alleen in een doodskleed gewikkelde lijken. Dan sloten zij de opening met een marmeren plaat af, die zorgvuldig met cement vastgemaakt werd... Nu is alles duidelijk, niet waar? Wanneer andere families zich bij de eerste aansloten, wanneer de vereenigingen zich uitbreidden, maakten zij de gang, naarmate deze vol raakte, grooter, groeven andere naar links en naar rechts, ja zelfs legden zij een dieper gelegen tweede verdieping aan. Kijk, hier zijn wij in een gang, die ruim vier meter hoog is. Nu zult u vragen, hoe men de lijken zoo hoog krijgen kon. Welnu, zij heschen de lijken niet in de hoogte, maar lieten ze juist zakken, daar men steeds dieper graven ging, zoodra de onderste nissen vol waren... Zoo hebben ze op deze plek bijvoorbeeld in nog geen vier eeuwen gangen van zestien kilometer gegraven, waarin meer dan een millioen Christenen begraven moeten zijn. En nu bestaan er dozijnen van zulke katakomben, de geheele Campagna romana is op deze wijze ondergraven. Denkt daar eens goed over na en maakt dan zelf uw berekening maar!"

Pierre luisterde met de grootste aandacht. Vroeger had hij in België een kolenmijn bezocht, en hij vond hier dezelfde nauwe gangen, dezelfde verstikkende zware lucht, een niets dan donkerte en zwijgen terug. Slechts de kleine kaarsen flikkerden in de dichte duisternis, die zij echter niet verlichtten. En nu begreep hij eindelijk den arbeid van deze doodgraverstermieten, deze op goed geluk afgegraven muizengaten, verder open gemaakt naar gelang van de behoeften, zonder eenige kunst, zonder symmetrie, daar waar het houweel toevallig in den grond gezet werd. De hobbelige bodem daalde en steeg bij iederen pas, de wanden liepen scheef, er was in het geheel niet met een waterpas of een schietlood gewerkt. Het was slechts een werk van noodzaak en naastenliefde van naïeve, vrijwillige doodgravers, van onontwikkelde werklieden, die in de onbeholpenheid der decadence vervallen waren. Dat alles bleek vooral duidelijk uit de op de marmeren platen aangebrachte opschriften en emblemen, die men voor kinderlijke teekeningen had kunnen houden, zooals straatjongens die op muren maken.

"Zooals u ziet," ging de trappist voort, "meestal is het slechts een naam; dikwijls nog niet eens een naam, doch alleen maar de woorden in pace... Een enkele maal vindt men een embleem: de duif der reinheid, de palm van den martelaar, of wel de visch, waarvan het Grieksche woord [8] uit vijf letters bestaat, die de initialen zijn der vijf Grieksche woorden: Jezus Christus, zoon van God, redder der menschen."

Weer bracht hij het kleine vlammetje dicht bij de wanden, en zij zagen de palm, een enkele streep in het midden, waartegen kleinere streepjes stelselmatig gezet waren, de duif of de visch, in een contour gevormd, terwijl de staart voorgesteld werd door een zigzaglijn en het oog door een ronde punt. De letters der korte opschriften waren scheef, ongelijk en zonder vormen, het plompe schrift van onwetenden en eenvoudigen.

Maar thans waren zij bij een krypt gekomen, een soort kleine zaal, waarin men de graven van verscheidene pausen teruggevonden had, o. a. van paus Sixtus II, een heiligen martelaar, ter eere van wien paus Damasius een prachtig, metrisch opschrift had laten aanbrengen, dat nog te lezen is. Verder liet men in een even kleine zaal ernaast, een familiegraf, dat later met naïeve muurschilderingen was versierd, de plek zien, waar men het lijk van de Heilige Caecilia gevonden had. De trappist ging met zijn explicaties voort, gaf toelichtingen bij de schilderijen, leidde daar de onweerlegbare bevestiging uit af van alle sacramenten en van alle dogma's, den doop, het Avondmaal, de opstanding, de opwekking van Lazarus, Jonas uitgespuwd door den walvisch, Daniël in den leeuwenkuil, Mozes, die water uit de rotsen sloeg, den wonderdoenden baardeloozen Christus van de eerste eeuwen.

"U ziet," zeide hij telkens; "alles is er, er is niets van te voren bedacht, alles is even authentiek."

Op een vraag van Pierre, wiens verwondering steeds grooter werd, erkende hij, dat de katakomben oorspronkelijke eenvoudige kerkhoven waren en dat er geen enkele godsdienstige ceremonie gehouden werd. Later eerst, in de vierde eeuw, toen men de martelaren vereerde, gebruikte men de krypt voor den eeredienst. Eveneens werden zij pas een toevluchtsoord tijdens de vervolgingen, in den tijd, dat de Christenen genoodzaakt waren de toegangen te verbergen en te maskeeren; tot op dat oogenblik hadden zij vrij en wettelijk open gestaan. De ware geschiedenis was dus als volgt: vier eeuwen waren zij kerkhoven, werden dan gedurende de troebelen toevluchtsoorden en verwoest, vervolgens tot in de achtste eeuw vereerd, dan van hun heilige reliquieën beroofd, om ten slotte gedurende meer dan zeven eeuwen in vergetelheid te geraken, door de aarde verstopt en begraven te zijn, zoodat de eerste opgravingen in de vijftiende eeuw ze als een buitengewone vondst aan het licht brachten, als een historisch probleem, waarover eerst in onze dagen het laatste woord gesproken is.

"Weest zoo goed even te bukken, dames," ging de pater welwillend en dienstvaardig voort. "Hier in deze nis bevindt zich een skelet, dat men nog niet aangeraakt heeft. Het ligt hier nu zestien- of zeventienhonderd jaar. U kunt dus wel begrijpen hoe zorgvuldig men de lijken neerlegde. De geleerden zeggen, dat het een vrouw is, ongetwijfeld een jong meisje... Het geraamte was verleden jaar nog geheel ongeschonden, maar thans is de schedel ingevallen. Een Amerikaan heeft er met een stok op geslagen, om zich te vergewissen, dat het hoofd niet valsch was."

De dames hadden zich voorover gebogen en haar bleeke gezichten drukten in het zwakke dansende licht een met ontzetting vermengd medelijden uit. Het jonge meisje vooral met haar rooden mond en haar groote, donkere oogen scheen een oogenblik met medelijdende smart te zijn vervuld. Dan viel alles weer in het donker terug; de kaarsen richtten zich op en zetten in de diepe duisternis haar tocht door de gangen voort. Een uur nog duurde het bezoek, want de gids spaarde hun geen enkele bijzonderheid; zijn ijver dreef hem voort, als was hij werkzaam voor het zieleheil van de touristen.

Pierre liep nog steeds voort en een groote verandering voltrok zich in hem. Langzamerhand, naarmate hij meer zag en begreep, veranderde zijn eerste verbazing, dat hij de werkelijkheid zoo geheel verschillend vond van wat de vertellers en dichters erover geschreven hadden, zijn desillusie terecht te komen in deze zoo onbeholpen en ruw in die roodachtige aarde gegraven mollegangen, in een broederlijke ontroering, in een verteedering, die zijn hart week maakte. En dat kwam niet door de gedachte aan de vijftienhonderd martelaren, wier heilige gebeenten daar gerust hadden; neen, maar welk een zachte, berustende en in den dood door hoop gewiegde menschheid lag daar!

Voor de Christenen waren deze lage, donkere gangen slechts een tijdelijke slaapplaats. Dat zij de lijken niet verbrandden, zooals de heidenen dat deden, maar ze begroeven, was een gevolg van het feit, dat zij van de Joden het geloof aan de opstanding des vleesches overgenomen hadden; en die gelukkige gedachte aan een sluimeren, aan een goede rust na een rechtvaardig leven in afwachting van de hemelsche belooning, maakte den oneindigen vrede, de eindelooze bekoring van deze diepe onderaardsche stad uit. Alles daarin sprak van een donkeren en stillen nacht, alles sliep er in een verheerlijkte onbeweeglijkheid, alles oefende er geduld tot het nog verre ontwaken. Kon men iets ontroerenders denken dan die platen van terracotta of marmer, die zelfs geen naam droegen, doch waarin alleen de woorden in pace, in vrede, gegraveerd waren? Eindelijk in vrede zijn, in vrede slapen, in vrede hopen op den toekomstigen hemel na volbrachte taak! En deze vrede scheen te heerlijker, omdat hij in diepen ootmoed genoten werd! Ongetwijfeld was iedere kunst hier verdwenen, de doodgravers groeven op goed geluk af met de onregelmatigheid van onbeholpen werklieden, de kunstenaars konden geen naam meer graveeren, geen palm of geen visch meer beitelen.

Doch welk een heldere stem van een jonge menschheid steeg uit deze armzaligheid en deze onwetendheid op! Armen, eenvoudigen, onwetenden rustten hier, sliepen hier onder de aarde, terwijl de zon daarboven haar werk voortzette. Welk een naastenliefde, welk een broederschap in den dood! Echtgenoot en echtgenoote lagen dikwijls bij elkaar met het kind aan hun voeten; in den overstroomenden vloed der onbekenden verdwenen de persoonlijkheid, de bisschop, de martelaar: de meest ontroerende gelijkheid, die der bescheidenheid, heerschte onder in al dat stof, in deze nissen, op deze platen. Dezelfde naïveteit, dezelfde bescheidenheid deed de eindelooze rijen der sluimerende hoofden één worden. Nauwlijks veroorloofden de opschriften zich een lofprijzing, en dan nog hoe voorzichtig, hoe teergevoelig! De mannen zijn zeer waardig, zeer vroom, de vrouwen zijn zeer zacht, zeer mooi, zeer kuisch. Een geur van kindsheid stijgt hier op, een onbegrensde en zoo echt menschelijke teederheid, de dood der eerste Christelijke gemeente, die dood, welke zich verborg, om weer te herleven, en niet meer droomde van het rijk van deze wereld.

En plotseling zag Pierre in zijn herinnering de graven, die hij den vorigen dag gezien had, weer voor zich oprijzen, die weelderige graven, die hij zich aan beide kanten van de Via Appia voor den geest geroepen had, die in het volle zonlicht den heerscherstrots over een geheel volk ten toon spreidden. Met hun reusachtige afmetingen, hun opeenstapeling van marmersoorten, hun onbescheiden inscripties, hun meesterwerken van beeldhouwers, hun friezen, bas-reliefs en beelden straalden zij in pralende pracht. O, welk een schril contrast vormde die luisterrijke avenue van den dood midden in de vlakke Campagna Romana, die als een triomfweg naar de koninklijke, eeuwige stad voerde, met de onderaardsche stad der Christenen, die verborgen, zachte, mooie, kuische doodenstad! Hier was niets meer dan slaap, dan een gewilde en aanvaarde nacht, een verheven berusting, die zich in de hoop op de zaligheid des hemels gaarne toevertrouwde aan de goede rust in de duisternis; en alles, tot aan het stervend, zijn schoonheid verliezend heidendom, tot aan de onbeholpenheid der werklieden toe, verhoogde de bekoring van deze armoedige, ver van de zon, in den nacht der aarde gegraven kerkhoven.

Millioenen wezens hadden zich ootmoedig in deze als door voorzichtige mieren doorboorde aarde ter ruste gelegd, hadden er eeuwen lang hun slaap geslapen, zouden dien er nog slapen, gewiegd door de stilte en de duisternis, wanneer niet de menschen hun begeerte naar vergetelheid waren komen storen, vóór de bazuinen van het Jongste Gericht de opstanding hadden verkondigd. De dood had nu van het leven gesproken; er was niets, dat meer, dat intenser, dat aandoenlijker leefde dan deze begraven steden van naamlooze, onbekende en ontelbare dooden. Eens was een diepe ademtocht uit haar opgerezen--de ademtocht van een nieuwe menschheid, die de wereld zou hernieuwen. Met den ootmoed, met de minachting van het vleesch, met den angstigen haat tegen de natuur, met het opgeven van aardsche genietingen, met het hartstochtelijk verlangen naar den dood, die bevrijdt en het paradijs opent, begon een andere wereld. En het bloed van Augustus, zoo trotsch in zijn purper, zoo schitterend in zijn hoogste heerschappij, scheen een oogenblik te verdwijnen, alsof de nieuwe aarde het had opgezogen in haar donkere graven.

De frater stond erop den dames de trap van Diocletianus te laten zien en vertelde haar de legende daarvan.

"Ja, een wonder... Onder dien keizer vervolgden de soldaten de Christenen, die in deze katakomben een schuilplaats zochten; en toen de soldaten hen daarin volgen wilden, brak de trap en stortten allen naar beneden... De treden zijn thans nog gebroken. Gaat u maar kijken, het is maar een paar stappen."

Doch de dames waren doodmoe en bovendien gaven deze donkerte en al die doodenverhalen haar een zoo onbehagelijk gevoel, dat zij erop stonden dadelijk weer naar boven te gaan. Trouwens de dunne kaarsen waren bijna opgebrand; en allen werden verblind, toen zij eindelijk weer in het zonlicht voor het kleine winkeltje met religieuse artikelen stonden. Het jonge meisje kocht een presse-papier, een stuk marmer, waarin de visch gebeiteld was, het symbool van Jezus Christus, den Zoon Gods, den Redder der menschen.

Den namiddag van dienzelfden dag bezocht Pierre de Basilica van de St. Pieter. Hij kende er nog niets van dan het groote plein met zijn obelisk en zijn twee fonteinen, waar hij eens over gereden was. De reusachtige lijst der zuilengang van Bernini, deze uit zuilen en pilasters bestaande vierhoek, omgeeft het met een gordel van monumentale majesteit. Op den achtergrond verheft zich de door haar gevel gedrukte en zwaar gemaakte Basilica, wier verheven dom den hemel vult.

Onder de brandende zon strekten zich de met kiezelzand bestrooide, eenzame hellingen uit, de eene lage, versleten en verbleekte trede volgde op de andere. Geheel aan het einde trad Pierre binnen. Het was drie uur; breede zonnestralen vielen door de hooge, vierkante ramen; links in de Cappella Clementina begon een godsdienstoefening, de vesper ongetwijfeld. Maar hij hoorde niets; slechts de ontzaglijke grootte van het schip viel hem op. Met langzame stappen doorliep hij, omhoog kijkend, de matelooze afmetingen. Daar waren dadelijk bij den ingang de groote wijwaterbakken met hun Engelen, die zoo dik als Amors waren; daar was het middenschip, het geweldige, met vakken versierde, halfcirkelvormige gewelf; daar waren bij het kruis de vier cyclopische pijlers, die den dom steunden; daar waren de kruisbeuken en de apsis, die ieder afzonderlijk zoo groot zijn als een van onze kerken. Ook de trotsche praal, de verblindende, neerdrukkende pracht trof hem: de koepel, die als een ster schitterde in de levendige tinten en het goud van zijn mozaïeken; de prachtige baldakijn, waarvan het brons uit het Pantheon genomen is, en die het hoofdaltaar kroont, dat over het graf van den Heiligen Petrus staat, waarheen de dubbele trap der Confessie leidt, die door zeven-en-tachtig eeuwig brandende lampen verlicht wordt; de marmersoorten ten slotte, een verkwisting en verspilling van de zeldzaamste witte en gekleurde marmersoorten naast en boven elkaar.

O, dat polychrome marmer, waarin Bernini zwelgde! Uit marmer bestaat de heerlijke vloer, waarin het geheele gebouw zich weerspiegelt; van marmer is de bekleeding der pijlers, die versierd zijn met de medaillons der pausen, afwisselend met de tiara en de sleutels, die bolwangige Engelen dragen; van marmer zijn de met gecompliceerde zinnebeelden overladen muren, waarop men telkens weer de duif van Innocentius X terugvindt; van marmer zijn de nissen met haar reusachtige beelden in barokstijl; van marmer de loggia's en haar balkons; van marmer de dubbele trap der Confessie; van marmer de rijke altaren en de nog rijkere graftomben! Alles, het groote middenschip, de zijbeuken, de kruisbeuken, de apsis, alles was van marmer, schitterde in rijkdom van marmer, zonder dat men een hoekje vinden kon, zoo groot als de palm van een hand, dat niet de overmoedige pralerij van het marmer toonde. En zoo triompheerde de Basilica, onbestreden erkend en bewonderd als de grootste en rijkste kerk der wereld.

Pierre liep maar steeds; hij dwaalde door de schepen, keek, zonder echter iets te kunnen onderscheiden. Hij bleef een oogenblik voor den bronzen Heiligen Petrus staan, die in zijn stijve, hiëratische houding op zijn marmeren sokkel stond. Enkele geloovigen kwamen den grooten teen van den rechtervoet kussen; sommigen veegden die, alvorens haar te kussen af; anderen deden het, zonder haar af te vegen, drukten er dan hun voorhoofd op, om haar vervolgens nogmaals te kussen. Dan keerde hij naar de linker kruisbeuk terug, waarin zich de biechtstoelen bevonden. Hier zitten steeds priesters gereed, om in alle talen de biecht af te nemen. Anderen wachten, met een lang stokje gewapend, en slaan zachtjes daarmede op het hoofd van de nederknielende zondaars, die daarmede een aflaat van dertig dagen krijgen. Doch er waren slechts weinig menschen; de priesters verdreven in hun kleine houten kastjes de verveling van het wachten door, alsof ze thuis waren, lezen of schrijven.

En weer stond hij voor de Confessie, waar de zeven-en-tachtig als sterren fonkelende lampen hem zoo imponeerden. Het hoofdaltaar, waarop alleen de paus mag celebreeren, stond met den trotschen weemoed der eenzaamheid onder den reusachtigen, met bloemen versierden baldakijn, welks bewerking en vergulding meer dan een half millioen gekost hebben. Dan herinnerde hij zich de ceremonie, die in de Cappella Clementina gecelebreerd werd, en hij verwonderde zich in het geheel niets meer te hooren. Hij vermoedde, dat zij reeds afgeloopen was, en wilde zich daarvan overtuigen. Maar hoe dichter hij bij de kapel kwam, des te sterker drong een geluid, dat aan verre tonen van een fluit denken deed, tot zijn oor door. Hij hoorde het steeds duidelijker, doch eerst toen hij voor de kapel zelf stond, herkende hij de orgeltonen. Roode gordijnen, die voor de ramen getrokken waren, dempten het zonlicht; zoo werd de kapel geheel door een helderen, rooden vuurgloed en de diepe klanken van een ernstige muziek vervuld. Maar hoe klein was zij, hoe ging zij als het ware verloren in de reuzenruimte van het schip, dat men op zestig passen afstands noch de stemmen noch het dreunen van het orgel onderscheiden kon!

Bij het binnentreden had Pierre gedacht, dat de ontzaglijke kerk leeg en dood was. Daarna had hij echter in de verte eenige wezens opgemerkt Er waren menschen, maar zóó weinig en op zulke groote afstanden, dat het den indruk maakte, alsof zij er niet waren. Toeristen slenterden met hun reisgids in hun hand met moede beenen rond. In het midden van het groote schip was een schilder aan zijn ezel bezig een gedeelte van de kerk op het doek te brengen. Dan kwam een geheel Fransch seminarie voorbij onder leiding van een prelaat, die een explicatie gaf omtrent de graftomben. Maar die vijftig, die honderd personen telden niet, maakten in de groote ruimte nauwlijks den indruk van enkele verdwaalde zwarte mieren, die angstig den weg zoeken.

Van dat oogenblik af had hij het duidelijke gevoel, dat hij zich in een reuzengalazaal bevond, in de voorzaal van een onmatig groot ontvangpaleis. De breede zonnestralen, die door de hooge, vierkante ramen zonder gordijnen binnenvielen, wierpen in de kerk een verblindend licht, vervulden haar in haar geheele ruimte als met een glorie. Geen bank, geen stoel was te zien, niets dan de prachtige, kale, eindelooze vloer, een vloer als in een museum, die den dansenden regen der stralen weerkaatste. Nergens een hoekje voor stille overpeinzing, nergens een mysterievol, donker hoekje om neer te knielen en te bidden. Overal het felle licht, de glans, de majesteit en de pracht van het volle daglicht.

En in deze verlaten, in goud en purper vlammende operazaal kwam hij, die slechts de huivering van onze Gotische kathedralen kende, waarin in het donker onbestemde menigten snikken in het woud der pilasters; hij, die de smartelijke herinnering aan de uitgeteerde architectuur en beeldhouwkunst der Middeleeuwen, welke geheel ziel is, met zich bracht, kwam nu midden in deze pronkende majesteit, in deze reusachtige, leege praal, welke niets dan lichaam is! Vergeefs zocht hij naar een arme, knielende vrouw, naar een geloovig of lijdend wezen, dat zich in een halfdonker toevertrouwde aan den Ongekende, met gesloten mond sprak met den Onzienlijke. Hij zag hier niets dan het moede komen en gaan van toeristen, het gewichtige druk-doen van de prelaten, die de jonge priesters naar de voorgeschreven staties brengen, terwijl in de kapel links de vesper voortgezet werd, zonder dat één geluid tot de ooren der bezoekers doordrong.

Pierre begreep, dat dit het geraamte was van een monumentalen kolos, uit wien het leven langzaam wegvlood. Om hem te vullen, om hem zijn werkelijke ziel in te blazen, was de geheele pracht van de religieuse praal noodig; waren de tachtig duizend geloovigen noodig, die het schip kon bevatten, de groote pauselijke ceremoniën, de schittering der Kerst- en Paaschfeesten, de optochten, die in een decor en mise-en-scène van een grand opéra hun heilige luxe ontvouwen. En hij riep zich voor den geest wat hij van deze pracht wist: een aanbiddende menigte overstroomde de Basilica, de bovenmenschelijke stoet bewoog zich te midden van de ter aarde gebogen hoofden, het kruis en het zwaard openden de processie, de kardinalen schreden twee aan twee voort als de goden der pleïade, gekleed in het kanten koorhemd, het priesterkleed en den mantel van rood moiré, waarvan de sleep door de sleepdragers vastgehouden werd. En eindelijk kwam de paus. Hij zat als een machtige Juppiter op een schild van rood fluweel in een leunstoel van rood fluweel en goud en was gekleed in wit fluweel met den gouden koorrok, de gouden stola en de gouden tiara. De dragers van de sedia gestatoria fonkelden in hun roode, met goud bestikte tunica's, de flabelli bewogen boven het hoofd van den eenigen, souvereinen pontifex de groote veeren waaiers, die men vroeger voor de afgodsbeelden van het oude Rome zwaaide.