De drie steden: Rome

Part 17

Chapter 173,715 wordsPublic domain

Eén oogenblik was deze droom werkelijkheid geworden. Augustus, imperator en pontifex, heeft de menschheid bezeten, geheel, zonder reserve, als een hem persoonlijk toebehoorend iets in zijn hand gehouden. En later, na het verval, toen de macht zich gesplitst had en weer tusschen rex en pontifex verdeeld was, hebben de pausen geen anderen, hartstochtelijken wensch, geen andere, eeuwenlange politiek gekend dan het staatkundig gezag, de wereldheerschappij weer terug te veroveren. Het atavistische bloed, het roode, gretig-begeerige bloed van den voorvader brandde in hun harten.

Dan--nadat Augustus gestorven en zijn paleis gesloten, geheiligd en een tempel geworden was--zag Pierre het paleis van Tiberius uit den grond oprijzen. Het stond op deze plek zelf, onder zijn voeten, onder de mooie steeneiken, die hem beschutting gaven. Men voelde, dat het stevig en groot moest zijn met binnenplaatsen, zuilengangen en zalen--ondanks het sombre humeur van den keizer, die ver van Rome leefde te midden van een volk van verklikkers en wellustelingen, wiens hart en brein tot aan misdaad en tot aan de vreeselijkste aanvallen van krankzinnigheid door de macht vergiftigd waren. Dan rees het paleis van Caligula op, een uitbreiding van het paleis van Tiberius.

Men had booggewelven aangebracht om den bouw te kunnen vergrooten, over het Forum een brug geslagen, die op den Capitolinus uitkwam, daar de vorst in staat wilde zijn op zijn gemak met Juppiter te gaan spreken, voor wiens zoon hij zich uitgaf. De troon had ook hem woest, tot een tierenden, in zijn almacht ongebreidelden gek gemaakt. Dan, na Claudius, Nero, die, alles overtreffend, den Palatinus niet groot genoeg vond, een reusachtig paleis voor zichzelf eischte, zich meester maakte van de heerlijke tuinen, welke tot aan den top van den Esquilinus liepen, om daar zijn Gouden Paleis te bouwen, een droom van ongekende weelde, dien hij niet ten volle verwezenlijken kon en waarvan de puinhoopen weldra verdwenen tijdens de onlusten, die op het leven en den dood van dit door hoogmoed krankzinnige monster volgden. Dan vielen, binnen achttien maanden, Galba, Otho, Vitellius op elkaar in de modder en in het bloed, nadat het purper ook hen tot monsters en krankzinnigen gemaakt had, nadat ook zij zich aan den keizerlijken trog als zwijnen met genietingen hadden volgestopt.

Dan komt met de Flavii in den beginne de rust van de menschelijke rede en goedheid. Titus en Vespasianus bouwen weinig op den Palatinus, doch dan begint met Domitianus weer de vreeselijke waanzin der almacht, onder de heerschappij van vrees en verklikkerij, van dwaze gruwelen, misdaden, onnatuurlijke uitspattingen. Bouwwerken van waanzinnige ijdelheid rijzen op, wier weelde wedijverde met die van de tempels der goden, zooals het paleis van Domitianus, dat door een steegje van dat van Tiberius gescheiden was, zich verheffend als een geweldige apotheose met zijn audiëntiezaal met den gouden troon en de zestien zuilen van Phrygisch en Numidisch marmer, de acht met prachtige beelden versierde nissen, met zijn rechtszaal, zijn groote eetzaal, zijn peristylium, zijn appartementen, die vol stonden met graniet, porphier en albaster, bewerkt door beroemde kunstenaars, om de wereld te verblinden. Dan, jaren later, werd nog een laatste paleis aan de geweldige massa andere toegevoegd, het paleis van Septimius Severus, een trotsch bouwwerk nog: booggewelven, die hooge zalen droegen; verdiepingen, die zich op terrassen verhieven; torens, die de daken beheerschten; een Babylonische opeenhooping daar op de uiterste spits van den berg, tegenover de Via Appia, opdat, naar men zeide, de landslieden van den keizer, de uit Afrika, zijn geboorteland, gekomen provincialen reeds van den horizont af zich zouden kunnen verbazen over zijn geluk en hem aanbidden in zijn roem.

En nu zag Pierre al deze in het zonlicht opgeroepen en opgestane paleizen hoog en schitterend om en voor zich staan. Zij waren als het ware aan elkaar gesoldeerd, sommige slechts door kleine steegjes gescheiden. Door den wensch der bewoners om geen duimbreed terrein te verliezen op dien heiligen top, waren zij in een compacte massa opgeschoten als een monsterachtige bloei van matelooze kracht en macht en trots; slechts millioenen waren voor hen voldoende, de wereld moest voor het genot van één enkeling bloeden. In werkelijkheid was het slechts één paleis, dat steeds weer grooter werd als de gestorven keizer god geworden was en de nieuwe keizer, de heilige woning, die een tempel werd, waarin de schim van den doode hem misschien angst aanjoeg, verlatend, de dringende behoefte voelde om een eigen paleis te bouwen, om in de eeuwigheid van den steen de onverwoestbare herinnering aan zijn regeering te houwen. Allen hadden die bouwwoede bezeten; zij scheen onverbrekelijk verbonden te zijn met den bodem, met den troon, waarop zij zaten, zij herleefde in ieder hunner met steeds toenemende heftigheid, verteerde hen met den drang om elkaar door steeds dikkere en hoogere muren, door nog grooter opeenstapelingen van marmer, zuilen en beelden, te overtreffen.

Allen beheerschte dezelfde gedachte aan een roemrijk overleven, om aan het verbijsterde nageslacht het bewijs van hun grootheid na te laten, om zich te vereeuwigen in onvergankelijke wonderwerken, om voor altijd met het geheele gewicht van die kolossen op de aarde te drukken, wanneer de wind reeds lang hun lichte asch verstrooid zou hebben. Zoo was het plateau van den Palatinus niets meer geweest dan de eerbiedwaardige ondergrond van een wonderbaar monument, een dichte vegetatie van naast elkaar geplaatste en op elkaar gestapelde gebouwen, waarin ieder nieuw woonhuis als een vulkanische uitbarsting van hoogmoedskoorts was en wier geheele massa met haar sneeuwschittering van wit marmer, met haar levendige tinten van het gekleurde marmer, Rome en de geheele wereld gekroond had met het ontzaglijkste en onbeschaamdste heerscherspaleis, woning, tempel, basilica of kathedraal, dat zich ooit in den hemel heeft opgericht.

Maar in deze buitensporige kracht, in dezen buitensporigen roem lag de dood. Zeven-en-een-halve eeuw monarchie en republiek hadden Rome groot gemaakt, en in de vijf eeuwen van het keizerrijk zou het koningsvolk tot aan de laatste spier verteerd worden. Het ontzaglijke territorium, de verst gelegen provinciën, werden langzamerhand geplunderd en uitgeput; de fiscus verslond alles, groef den afgrond van het onvermijdelijke bankroet; het volk ontaardde, gevoed als het werd met het gif der spelen, en verviel tot het nietsdoen vol uitspattingen der Caesars, terwijl huurlingen vochten en den grond bebouwden.

Sedert Constantijn heeft Rome een mededinger, Byzantium. De verbrokkeling begint met Honorius, en na hem zijn twaalf keizers voldoende, om het vernietigingswerk te voltooien, de stervende prooi te verscheuren, tot aan Romulus Augustulus, den laatsten, den jammerlijken zwakkeling, wiens naam als het ware een bespotting van de roemrijke geschiedenis, een dubbele hoon aan den stichter van Rome en aan den stichter van het keizerrijk is. Op den verlaten Palatinus triompheerde nog steeds de geweldige opstapeling van muren, verdiepingen, terrassen en hooge daken. Toch had men er reeds sieraden afgerukt, standbeelden verwijderd, om ze naar Byzantium te brengen. Het Christelijk geworden keizerrijk sloot dan de tempels, doofde het vuur van Vesta uit, maar eerbiedigde nog het oude palladium, het gouden beeld van Victoria, het symbool van het eeuwige Rome, dat vroom in de kamer van den keizer zelf bewaard werd. Tot in de vierde eeuw behield het zijn eeredienst. Maar in de vijfde eeuw storten de Barbaren zich op Rome, plunderen het, steken het in brand, nemen met karren vol den door de vlammen gespaarden buit mede. Zoolang de stad van Byzantium afhankelijk was, had een opper-intendant in de keizerlijke paleizen gewoond en den Palatinus bewaakt. Dan gaat alles ten onder, verdwijnt in den nacht der Middeleeuwen.

Het schijnt, dat van dat oogenblik af de pausen langzamerhand de plaats der Caesars ingenomen hebben, hun opvolgers geworden zijn in hun verlaten marmeren huizen en in hun steeds levende heerschzucht. Zeker hebben zij het paleis van Septimius Severus bewoond, is een concilie gehouden in het Septizonium, evenals later paus Gelasius II in een naburig klooster op dien vergoddelijkten berg gekozen is. Weer was het Augustus, die uit het graf opstond, weer was hij het met zijn Heilig College, die den Romeinschen Senaat tot nieuw leven wekte. In de twaalfde eeuw behoorde het Septizonium aan Camaldulische monniken, die het afstonden aan de machtige familie Frangipani, welke het versterkte, zooals zij het Colosseum, de bogen van Constantinus en Titus versterkt hadden tot een reusachtige vesting, die den eerbiedwaardigen berg, de wieg, bijna in zijn geheel innam. De geweldenarijen der burgeroorlogen, de verwoestingen der invasies woedden erover als orkanen, vernietigden de muren, maakten de paleizen en de torens met den grond gelijk. Later kwamen er generaties, die zich van de ruïnen meester maakten, en zich met het recht van den vinder en van den veroveraar vestigden, er kelders, zolders, stallen van maakten.

Op de puinhoopen, die de mozaïekvloeren der keizerlijke paleizen bedekten, werden moestuinen en wijngaarden aangelegd. Van alle kanten schoten brandnetels en struiken op, die den toegang tot deze eenzame velden versperden; de klimop vrat de reeds op den grond liggende zuilenrijen weg. En er kwam een dag, waarop de reusachtige opeenhooping van paleizen en tempels, waarop de triomphantelijke woning der Caesars, die het marmer had moeten vereeuwigen, in het stof der aarde scheen terug te keeren en onder den deinenden bodem in de vegetatie, welke de gevoellooze Natuur erover heen stortte, verdwenen. In de brandende zon was tusschen de wilde bloemen niets te zien dan dikke, gonzende vliegen, terwijl troepen geiten vrij rondzwierven in de troonzaal van Domitianus en het ingestorte heiligdom van Apollo.

Pierre voelde een huivering door zich gaan. Zooveel kracht en trots, zooveel grootheid!--en zoo spoedig vervallen en voor altijd weggejaagd! Welke nieuwe, barbaarsche, wrekende adem had over die schitterende beschaving moeten blazen, om haar aldus uit te dooven; in welk een verkwikkenden slaap, in welke kinderlijke onwetendheid moest zij gevallen zijn, om zoo plotseling met haar pracht en haar meesterwerken onder te gaan. Hij vroeg zich af hoe het mogelijk was, dat geheele paleizen met hun bewonderenswaardig beeldhouwwerk, hun zuilen en standbeelden langzamerhand inzakken en verdwijnen konden, zonder dat iemand op het denkbeeld kwam ze te beschermen.

Deze meesterwerken, die men later onder een algemeenen kreet van bewondering opgroef, waren niet door een catastrophe verzwolgen; neen, zij waren als verdronken, door den stijgenden vloed om hun voeten, dan om hun middel, eindelijk om hun hals gegrepen, totdat eindelijk op een dag het hoofd wegzonk. Hoe is het te verklaren, dat heele generaties het lijdelijk aanzagen, geen hand tot redding uitstaken? Het schijnt, dat een zwart gordijn plotseling over de aarde getrokken is: een nieuwe menschheid begint met een nieuw brein, dat nieuw gevormd en uitgerust moet worden. Rome was als het ware leeggeloopen; wat vuur en zwaard beschadigd hadden, werd niet hersteld, een onbegrijpelijke onverschilligheid liet de te groote, nutteloos geworden gebouwen instorten, ongerekend nog, dat de nieuwe godsdienst den ouden vervolgde, hem zijn tempels ontstal, zijn goden vernietigde. Ten slotte voltooiden ophoopingen en aanplempingen die ramp, want de bodem steeg steeds meer, de alluviale lagen der jonge Christelijke wereld bedekten en nivelleerden de oude, heidensche maatschappij. En nadat men de tempels, de bronzen daken, de marmeren zuilen gestolen had, werden uit het Colosseum en het theater van Marcellus ook nog de steenen weggerukt, de beelden en bas-reliefs met hamerslagen vernietigd en in den oven geworpen, om de kalk voor de nieuwe monumenten van het Katholieke Rome te maken.

Het was bijna een uur en Pierre ontwaakte als uit een droom. De zon viel als een goudregen door het glanzende loof der steeneiken, Rome was aan zijn voeten in de groote hitte ingesluimerd. Hij besloot den tuin te verlaten; nog vervolgd door verblindende visioenen, liep hij moeilijk over het ongelijke plaveisel der Via Triumphalis. Om den dag vol te maken had hij zich voorgenomen des middags de oude Via Appia te bezichtigen. Daar hij niet naar de Via Giulia terugkeeren wilde, dejeuneerde hij in een restauratie in de voorstad in een groote, half donkere zaal, waar hij geheel alleen, te midden van de zoemende bromvliegen, meer dan twee uur bleef zitten wachten op het dalen der zon.

O, deze Via Appia, deze oude Koningin der wegen, die de Campagna in een lange, rechte lijn met de dubbele rij van haar trotsche graven doorsnijdt, was voor hem niets dan de triomphantelijke voortzetting van den Palatinus! Dezelfde drang naar pracht en heerschappij, dezelfde wil om in het marmer de herinnering aan de Romeinsche grootheid te vereeuwigen. De vergetelheid was overwonnen, de dooden wilden niets van rust weten, bleven aan beide zijden van dezen door menschen uit de geheele wereld betreden weg tusschen de levenden staan. De vergoddelijkte beelden van hen, die niet meer dan stof waren, keken nog heden de voorbijgangers met hun ledige oogen aan; de opschriften spraken nog, zeiden luid de namen en de titels. Van af het graf van Caecilia Metella tot aan het graf Casale Rotondo strekte zich vroeger die dubbele rij, onafgebroken, kilometers ver langs dien vlakken, rechten weg uit; het was een soort in de lengte aangelegd dubbelkerkhof, waarin de ijdelheid der rijken en machtigen met elkaar wedijverde, wie het grootste, met de weelderigste verspilling ingerichte mausoleum nalaten zou.

Dit verlangen naar blijven leven, deze pronkachtige zucht naar onsterfelijkheid, deze behoefte om den dood, door hem in tempels onder te brengen, te vergoddelijken is blijven bestaan in de tegenwoordige pracht van den Campo Santo in Genua en den Campo Verano in Rome met hun monumentale graftomben. Welk een visioen van mateloos groote graven links en rechts van den roemrijken weg, waarover de Romeinsche legioenen bij haar terugkeer van de verovering der wereld stampten. Daar het graf van Caecilia Metella met zijn reusachtige klokken, zijn muren, die zoo dik waren, dat de Middeleeuwen er een met tinnen gekroonden vestingtoren van gemaakt hebben. Dan alle volgende moderne bouwwerken, die opgericht werden om de in de omgeving gevonden marmeren fragmenten weer op hun oorspronkelijke plaats terug te brengen, oude van hun beeldhouwwerken beroofde pilasters van cement en baksteen, die als half-weggevreten rotsen zijn blijven staan, kale blokken, die nog vormen aangeven, huisjes in den vorm van tempels, cippen, [7] op sokkels rustende sarkophagen. Een wonderbare rij van reliëfs stelde de portretten der dooden in groepen van drie of vijf voor; staande beelden lieten de dooden in een apotheose opnieuw herleven; in de nissen stonden banken, waarop de wandelaars konden gaan zitten en de gastvrijheid der dooden prijzen; grafschriften loofden de dooden, de bekende en de onbekende, de kinderen van Sextus Pompeius Justus, Marcus Servilius Quartus, Hilarius Fuscus, Rabirius Hermodorus, afgezien van de graven, die op goed geluk af aan Seneca, de Horatii en Curiatii toegeschreven werden. En eindelijk, aan het einde lag het meest bijzondere, het reusachtigste van alle graven, de zoogenaamde Casale Rotondo. Het is zóó groot, dat men een hoeve met een olijvenboschje heeft kunnen maken op den onderbouw, die een dubbele, met Korinthische zuilen, groote kandelabers en tooneelmaskers versierde rotonde droeg.

Pierre, die zich in een rijtuig tot het graf van Caecilia Metella had laten brengen, zette zijn wandeling te voet voort, liep langzaam tot den Casale Rotondo. Hier en daar kwam het oude plaveisel nog te voorschijn, groote platte steenen, lavastukken, die door den tijd krom getrokken waren, en zelfs voor de best veerende wagens hard waren. Rechts en links strekken zich twee randen gras uit, die de ruïnes der graven omzoomen; verwaarloosd, door de zomerzon verbrand kerkhofgras en met dikke lila distels en hooge, gele fenkel bestrooid. Een klein, zonder cement opgetrokken muurtje, zóó laag, dat men er met zijn arm op leunen kan, sluit aan beide zijden deze rosachtige ruimten, waarin de krekels tsjirpen, af; en aan de andere zijde daarvan strekt onafzienbaar de eindelooze, kale Campagna Romana zich uit. Nauwlijks ziet men aan de randen hier en daar op groote tusschenruimten een piniepijn, een eucalyptus, van stof witte olijf- en vijgeboomen. Links steken de overblijfselen van de Acqua Claudia zich met hun booggewelven roestkleurig af tegen de weiden; onvruchtbare velden, wijngaarden met kleine hoeven, strekken zich in de verte uit tot de Sabijnsche en de violet-blauwe Albaansche bergen, waarin de lichte vlekken van Frascati, Rocca di Papa en Albano steeds grooter en witter worden naar mate men er dichter bij komt. Rechts daarentegen, aan den zeekant, verbreedt de vlakte zich en zet zich in reusachtige, golvende lijnen voort, zonder één huis, zonder één boom, in een eenvoudige, buitengewone grootschheid. Zij vormt één enkele lijn, een oceaanachtigen horizont, dien een rechte lijn van het eene einde naar het andere van den hemel scheidt. In het hartje van den zomer brandt alles, vlamt de grenzenlooze prairie in een valen gloed. Van af September begint deze oceaan van gras groen te worden en verliest zich in de verte, in rose en mauve, in het verblindende, met goud doorschoten blauw der mooie zonsondergangen.

Zijn droomen verder spinnend, liep Pierre langzaam den eindeloozen vlakken weg, welks melancholieke majesteit uit eenzaamheid en stilte bestaat, af. Hij strekt zich, volkomen kaal, in een geheel rechte lijn tot in het oneindige uit, in de oneindigheid der Campagna. In hem herhaalde zich de opstanding van den Palatinus, richtten aan beide zijden van den weg de graven zich weer op in den verblindenden glans van hun marmer. Had men niet hier aan den voet van dezen baksteenpilaster, die den zeldzamen vorm van een groote vaas heeft, onder overblijfselen van enorme sphinxen het hoofd van een reusachtig beeld gevonden? En hij zag het kolossale beeld weer tusschen de enorme neergehurkte sphinxen staan. Verderop had men in de kleine cel van een graftombe een mooi, hoofdloos vrouwenbeeld gevonden; hij zag het nu weer in zijn geheel voor zich met een het leven vol kracht en aanminnigheid toelachend gezicht. Van het eene einde naar het andere vulden de opschriften elkander aan, hij las ze, begreep ze zonder veel moeite, voelde zich als broeder met die twee duizend jaar geleden gestorvenen herleven. Ook de weg werd weder bevolkt, de wagens rolden dreunend voort, legerscharen trokken met zwaren stap voorbij, het volk uit het naburige Rome verdrong zich in de koortsachtige opwinding van groote steden.

Onder de Flavii, de Antonini, in de groote jaren van het Keizerrijk bereikte de Via Appia het toppunt van weelde in haar als tempels gebeeldhouwde en vergulde reuzengraven. Welk een monumentale straat van den dood, welk een monumentale entree was deze rechte weg, waarop de groote dooden u met de buitengewone praal van hun de asch overlevenden trots begroetten, u geleidden naar de levenden! Bij welk groot, de wereld beheerschend volk moest men komen, dat het zijn dooden de opdracht gegeven had den vreemdeling te zeggen, dat niets bij hen een einde nam, zelfs de dooden niet, die in overgroote monumenten glorievol vereeuwigd werden? Grondmuren als voor een citadel, een toren van twintig meter middellijn om er een vrouw in te begraven!

Pierre keerde zich om en zag duidelijk geheel aan het einde van den prachtigen, verblindenden, door het marmer van zijn doodspaleizen omzoomden weg den zich in de verte verheffenden Palatinus met het glanzende marmer der keizerspaleizen, de enorme opeenstapeling der paleizen, wier almacht de aarde beheerschte.

Maar hij kreeg een kleine huivering: twee carabinieri, die hij in deze woestijn niet gezien had, verschenen tusschen de puinhoopen. De streek werd onveilig gemaakt, de autoriteiten zorgden daarom, zelfs midden op den dag, discreet voor de veiligheid der toeristen. Iets verder had hij een andere ontmoeting, die hem ontroerde. Het was een geestelijke, een groote grijsaard met een zwarte soutane met rooden zoom en rooden gordel, in wien hij tot zijn groote verbazing kardinaal Boccanera herkende. Hij had den weg verlaten en liep langzaam in den grasrand tusschen hooge fenkelplanten en groote distels; hij hield zijn hoofd gebogen en was tusschen de grafruïnes, waarlangs zijn voet streek, zóó in gedachten verzonken, dat hij den jongen priester zelfs niet zag. Beleefd wendde deze zich af, verbaasd hem zoo alleen en zoo ver van Rome aan te treffen. Maar hij begreep het onmiddellijk, toen hij achter een groot gebouw een zwaren, met twee zwarte paarden bespannen karos zag staan, waarnaast roerloos een lakei in donkere livrei stond te wachten, terwijl de koetsier zelfs zijn plaats op den bok niet verlaten had; hij herinnerde zich, dat de kardinalen, die in Rome niet te voet mochten gaan, naar de Campagna moesten rijden, als zij eenige lichaamsbeweging wilden nemen.

Maar welk een trotsche triestheid, welke een eenzame en als het ware afgezonderde grootschheid omgaf dezen grooten, peinzenden grijsaard, die, een vorst voor God en voor de menschen, verplicht was naar de woestijn, naar de graven te gaan, om een weinig frissche avondlucht in te ademen.

Pierre had reeds lange uren tusschen de graven doorgebracht, de schemering viel en hij was nog getuige van een prachtigen zonsondergang. Links van hem nam de door de roestkleurige waterleidingbuizen doorsneden en in de verte door de in rose nevels vervluchtigende Albaansche bergen afgesloten Campagna een leisteenkleurige tint aan; rechts daarentegen, aan de zeezijde ging de dagvorstin onder tusschen kleine wolkjes, een geheelen archipel van goud in een oceaan van uitstervenden gloed. En niets anders, niets dan die saphieren met robijnen bestrooide hemel over de eindelooze, vlakke lijn der Campagna! Niets anders: geen heuveltje, geen kudde, geen boom. Niets tusschen de graven dan de donkere silhouet van kardinaal Boccanera, die zich groot tegen het laatste purper van de zon afteekende.

Den volgenden ochtend vroeg ging Pierre, aangegrepen door een koorts om alles te zien, naar de Via Appia terug, om de katakomben van St. Calixtus te bezichtigen. Het is het grootste en merkwaardigste der christelijke kerkhoven, dat, waar verscheidene der eerste pausen begraven zijn. Men gaat tusschen olijfboomen en cypressen een door de zon half verbranden tuin door, komt aan een uit planken en pleisterwerk opgetrokken hut, een armzalig winkeltje, waarin religieuse artikelen verkocht worden, en staat dan voor een moderne, vrij makkelijke trap, waarlangs men naar beneden gaat. Pierre vond hier tot zijn blijdschap Fransche Trappisten, die deze katakomben bewaken en de touristen rondleiden moesten.

Juist stond een frater op het punt met twee dames, Françaises, moeder en dochter, naar beneden te gaan. De dochter was bekoorlijk jong, de moeder nog een knappe vrouw. Beiden glimlachten, hoewel zij toch wel wat bang waren, toen de frater de dunne lange kaarsen aanstak. Hij had een voorhoofd met vele deuken, de breede, krachtige jukbeenderen van een streng geloovige; zijn lichte heldere oogen verrieden de onschuld van zijn ziel.

"Zoo, mijnheer de abbé, u komt juist op tijd... Als de dames het goed vinden, kunt u u bij ons aansluiten, want drie fraters zijn reeds beneden en u zoudt lang moeten wachten. We zitten midden in het reisseizoen."