Part 16
Pierre glimlachte en zijn belangstelling nam nog toe, toen hij langs gebroken trappen en over gaten geslagen houten bruggen in de reusachtige ruïnes van het paleis van Septimius Severus gekomen was. Het paleis verhief zich op de Zuidpunt van den Palatinus en zag eindeloos ver uit op de Via Appia en de Campagna Romana. Alleen de onderbouw ervan bestaat nog, de onderaardsche zalen, die onder de bogen van het terras aangebracht zijn, waarmede men het te bekrompen geworden plateau van den berg uitgebreid had. En deze blootgelegde onderbouw was voldoende om een denkbeeld te geven van het prachtige paleis, dat erop rustte, zoo reusachtig en machtig als deze in zijn onverwoestbare massa gebleven is. Hier verhief zich het beroemde Septizonium, de toren met zijn zeven verdiepingen, die eerst in de veertiende eeuw verdwenen is. Hier bevindt zich nog een door cyclopische arcaden gedragen terras, vanwaar men een schitterend uitzicht heeft. Vervolgens komt niets dan een opeenhooping van dikke, half ingestorte muren, gapende afgronden te midden van ingevallen zolderingen, rijen van eindelooze gangen en reusachtige zalen, waarvan de bestemming niet bekend is. Al deze door de nieuwe administratie goed onderhouden, schoongeveegde en van onkruid bevrijde ruïnes hebben haar romantische woestheid verloren, om een kale en sombere grootschheid aan te nemen. Maar stralen van de levende zon verguldden de oude muren, drongen door spleten tot achter in de donkere zalen door, brachten met hun schitterend stof leven in de zwijgende droefgeestigheid van deze doode majesteit, die uitgegraven was uit de aarde, waarin zij sedert eeuwen geslapen had. Over de oude, roodachtige, van tegels gemaakte en van hun prachtige marmerbekleeding beroofde muren legde de purpermantel der zon opnieuw een vorstelijke glorie.
Pierre liep nu reeds bijna anderhalf uur rond en nog moest hij de menigte voorste paleizen op het plateau zelf bezichtigen.
"Wij moeten teruggaan," zeide de gids. "Zooals u ziet, versperren de tuinen der villa Mills en het klooster van Santa Bonaventura ons den weg. We zullen er eerst door komen, wanneer de opgravingen hier deze geheele zijde blootgelegd hebben. O, mijnheer de abbé, wanneer u een kleine vijftig jaar geleden hier op den Palatinus gewandeld hadt! Ik heb plattegronden uit dien tijd gezien. Het waren niets dan wijngaarden, niets dan kleine, door heggen afgesloten tuinen, een echte Campagna, een echte woestijn, waarin je geen levende ziel ontmoette... En te moeten denken, dat al deze paleizen daaronder sliepen!"
Pierre volgde hem, zij liepen weer langs het paleis van Augustus, gingen naar boven en betraden het paleis der Flavii. Het was reusachtig groot, nog half onder de villa ernaast verborgen en bestond uit een menigte groote en kleine zalen, over de bestemming waarvan men het nog steeds niet eens is. De troonzaal, de rechtzaal, de eetzaal en het peristylium schijnen echter vast te staan. Doch voor het overige is alles slechts phantasie, vooral wat de kleine particuliere vertrekken betreft. Trouwens geen muur staat meer overeind; men zag niets dan uitstekende fundamenten, afgebrokkelde grondmuren, die op den grond het plan van het gebouw aangaven. De eenige als door een wonder gespaard gebleven ruïne is het paleis, dat volgens de overlevering aan Livia toebehoord zou hebben; in vergelijking met de reusachtige paleizen ernaast is het opvallend klein, drie zalen zijn met haar nog wonderlijk frissche muurschilderingen, mythologische tooneelen, bloemen en vruchten, intact gebleven. Van het paleis van Tiberius is zelfs geen steen zichtbaar, de overblijfselen ervan liggen verborgen onder het prachtige openbare park, dat op het plateau een voortzetting van de oude Farnesische tuinen vormt; en van het paleis van Tiberius ernaast, boven het Forum, bestaat, evenals van het paleis van Septimius Severus, niets meer dan een reusachtige onderbouw, steunmuren, op elkaar geplakte verdiepingen, hooge booggewelven, die het paleis droegen, kolossale keldergewelven, waarin het dienstpersoneel en de wachtposten woonden en zich overgaven aan voortdurende drinkgelagen. Deze geheele, de stad beheerschende hoogte had dus niets dan nauwlijks herkenbare sporen, groote, grijze en kale, door het houweel doorstoken terreinen, waaruit enkele brokstukken van muren opstaken; en er was een groote geleerdenphantasie voor noodig om de oude keizerlijke pracht, die hier geheerscht had, weer te construeeren.
De gids bleef desniettemin zijn explicaties geven met een rustige overtuiging en naar het ledige wijzen, alsof de monumenten zich nog voor hem oprichtten.
"Hier zijn wij op de piazza Palatina. Links is de gevel van het paleis van Domitianus, rechts die van het paleis van Caligula, en wanneer u zich omkeert, hebt u den tempel van Juppiter Stator tegenover u... De Sacra Via liep tot dit plein en ging onder de Porta Mugonia door, een der drie oude poorten van het oorspronkelijke Rome."
Hij hield op en wees met zijn hand naar de noordwestzijde van den berg.
"U zult reeds opgemerkt hebben, dat aan die zijde de Caesars niet gebouwd hebben. Blijkbaar moesten zij heel oude, nog uit den tijd van vóór de stichting van Rome dateerende en door het volk vereerde monumenten eerbiedigen. Daar bevonden zich de door Euander en zijn Arcadiërs gebouwde tempel van Victoria, het wolvenhol, dat ik u heb laten zien, de nederige, uit aarde en twijgen opgetrokken hut van Romulus... Dat alles is teruggevonden, mijnheer de abbé, daar is geen twijfel aan, wat de Duitschers ook beweren mogen."
Maar plotseling riep hij op een manier, alsof hij het interressantste vergeten had:
"Ten slotte zullen we naar de onderaardsche gang gaan, waarin Caligula vermoord is."
Zij daalden af in een lange, overdekte gang, waarin thans de zon door scheuren vroolijke stralen werpt. Enkele pleisterversieringen en mozaiekfiguren zijn nog over. Doch daardoor is de plek niet minder melancholiek en eenzaam, als gemaakt voor afschuwelijke tragiek. De stem van den oud-soldaat was gedempter gaan klinken; hij vertelde hoe Caligula, van de Palatijnsche spelen terugkeerend, de gril kreeg alleen in die gang af te dalen, om de heilige dansen te zien, die jonge Aziaten daar dien dag repeteerden. Op die wijze kon de leider der samenzweerders, Chereas, in het donker hem het eerst in zijn buik steken. De keizer, brullend, wilde vluchten. Maar toen stortten de moordenaars, zijn creaturen, zijn meest geliefde vrienden, zich op hem, wierpen hem op den grond en doorhakten hem met steken, terwijl hij, waanzinnig van woede en angst, de donkere gang vulde met zijn geloei als van een dier, dat geslacht wordt. Toen hij dood was, viel de stilte weer neer, en de moordenaars vluchtten vol ontzetting.
Het klassieke bezoek aan de ruïnes van den Palatinus was hiermede geëindigd. Toen Pierre weer boven was, had hij nog slechts één wensch, n.1. zich te bevrijden van zijn gids en alleen te blijven in dezen stillen droomtuin, die den top van den Rome beheerschenden berg besloeg. Drie uur liep hij nu rond, hoorde hij die zware, eentonige stem in zijn ooren zoemen, zonder hem ook maar één enkelen steen te sparen. Nu kwam de brave man weer terug op zijn vriendschap voor Frankrijk en gaf een lang relaas over den slag bij Magenta. Met een vriendelijken glimlach nam hij het zilverstuk, dat de priester hem gaf, en begon dan aan den slag bij Solferino. Er dreigde geen einde aan te komen, toen het toeval wilde, dat een dame een inlichting vragen kwam. Dadelijk ging hij met haar mede.
"Goeden dag, mijnheer de abbé. U kunt door het paleis van Caligula naar beneden komen. En u weet waarschijnlijk, dat een geheime, in den grond uitgegraven trap van dat paleis naar de woning der Vestaalsche Maagden op het Forum leidde. Men heeft haar nog niet teruggevonden, maar zij moet er zijn."
Welk een heerlijke verlichting, toen Pierre, eindelijk alleen, een oogenblik op een van de marmeren banken in den tuin kon gaan zitten! Er waren daar slechts enkele boomgroepen, taxisboomen, cypressen, palmen, maar de prachtige, steeneiken, waaronder de bank stond, gaven een diepe, heerlijk frissche schaduw. Ook de droomerige eenzaamheid had haar groote bekoring, de huiverende stilte, die van dezen ouden bodem uitging, welke gedrenkt was door de geschiedenis, de opzienbarendste, in de volle pracht van een bovenaardschen trots schitterende geschiedenis. Eens hadden de Farnesische tuinen dit deel van den berg in een heerlijk, met boschjes versierd lustplekje veranderd; de sterk beschadigde gebouwen der villa bestaan nog, en ongetwijfeld is een zekere bekoring gebleven; de ademtocht der Renaissance strijkt nog steeds als een liefkoozing door het glanzende loof der oude steeneiken. Men bevindt zich daar te midden van het lichtgevleugelde volk der visioenen, onder den zwevenden adem van tallooze generaties, die in de graszoden slapen.
Maar het in de verte, rondom dezen verheven top verstrooide Rome, lokte Pierre zóó onweerstaanbaar, dat hij niet kon blijven zitten. Hij stond op en ging naar de balustrade van een terras. Onder hem breidde het Forum zich uit en aan het einde verrees de Monte Capitolino.
Het was niet meer dan een opeenhooping van grijze gebouwen, zonder eenige voornaamheid of schoonheid. Men zag niets dan den achtergevel van het Senatorenpaleis, een vlakken gevel met kleine ramen, bekroond door een hoogen campanile. Deze groote, kale, roestkleurige muur verborg de kerk Santa Maria di Aracoeli, den top, waarop de tempel van Juppiter Capitolinus, goddelijke bescherming verleenend, in koninklijke pracht geschitterd had. Verder links op de helling van den Monti Caprino, waar in de Middeleeuwen geiten gegraasd hadden, verhieven zich nu reeksen leelijke huizen, terwijl de enkele mooie boomen van den palazzo Caffarelli, waarin het Duitsche gezantschap ondergebracht was, met hun groen den top van de oude Tarpeïsche rots bedekten, die thans, bijna onvindbaar, onder de stadsmuren verloren gaat. Dat was dus die Monte Capitolino, de roemrijkste der zeven heuvelen, met zijn vesting, met zijn tempel, waaraan de heerschappij van de wereld beloofd was, de St. Pieter van het oude Rome!--deze aan de zijde van het Forum steile, aan den kant van den Campus Martius loodrechte berg met zijn vreeselijken aanblik, die berg, welken de bliksem bezocht, dien het asylbosch met zijn heilige eiken tot in het verste verleden geheimzinnig maakte en huiveren deed voor het grimmige onbekende.
Later had de Romeinsche grootheid hier haar tabularium, haar staatsarchief. De triumphatoren beklommen hem, de keizers werden er goden, hier stonden hun marmeren standbeelden. En thans, op dit oogenblik vroeg het oog verwonderd hoe zooveel geschiedenis, zooveel roem zich heeft kunnen ontwikkelen op zoo kleine ruimte, op dit bergachtige, armzalige eilandje van armoedige daken, op een molshoop, niet grooter en niet hooger dan een klein, tusschen twee dalen in gelegen marktvlek.
Een tweede verrassing was voor Pierre het bij den Capitolinus beginnende en zich langs den Palatinus uitstrekkende Forum: een eng, tusschen de naburige heuvels ingeperst plein, een laagliggend terrein, waarop het zich uitbreidende Rome, daar er gebrek aan ruimte was, zijn gebouwen als het ware op elkaar had moeten zetten. Men heeft diep moeten graven om, onder de vijftien meter hooge, door de eeuwen aangebrachte alluviale lagen, den eerbiedwaardigen bodem der Republiek terug te vinden. Thans ziet men niet meer dan een lange, witachtige, goed onderhouden groeve zonder struiken of klimop, waarin brokstukken van het plaveisel, onderstukken van zuilen, grondmuren te voorschijn komen. De in haar geheel weer opgebouwde Basilica Julia is niet veel meer dan de projectie van een architectonisch plan. Aan dezen kant heeft slechts de Arcus van Septimius Severus zijn breedte ongeschonden weten te bewaren, terwijl de enkele van den tempel van Vespasianus overgebleven en door een wonder te midden van de ineenstortingen staande gebleven zuilen een trotsche elegance, een majestueuse koenheid van evenwicht aangenomen hebben en fijn en verguld in den blauwen hemel opstijgen.
Ook de Phocas-zuil staat nog en van de rostra [6] ernaast ziet men, wat daarvan met behulp van de in de omgeving gevonden stukken gereconstrueerd is. Maar men moet verder gaan dan de twee of drie zuilen van den tempel van Castor en Pollux, verder dan de sporen van het paleis der Vestaalsche Maagden, verder dan den tempel van Faustina, waarin de Christelijke San-Lorenzo-kerk het zich zoo gemakkelijk gemaakt heeft, verder nog dan den ronden tempel van Romulus, om de buitengewone gewaarwording van het enorme te ondergaan, die de Basilica van Constantinus met haar drie reusachtige, gapende gewelven geeft. Van den Palatinus af gezien zou men ze voor voorportalen kunnen houden, die toegang geven tot een wereld van reuzen; zoo dik was het metselwerk, dat een van de arcaden afgevallen stuk als een van een berg losgeraakt blok op den grond ligt. En hier, op dat beroemde, zoo enge en tevens zoo onbegrensde Forum heeft zich eeuwenlang de geschiedenis afgespeeld van het grootste aller volkeren--vanaf de legende der Sabijnsche Maagden, die de Romeinen met de Sabijnen verzoenden, tot aan de afkondiging der volksrechten en volksvrijheden, die de plebejers geleidelijk op de patriciërs hadden veroverd.
Was het niet tegelijk de Markt, de Beurs, het Gerechtshof, de Zaal der politieke vergaderingen, open, in de vrije lucht? De Gracchen verdedigden er de zaak der kleine luiden, Sulla plakte er zijn proscriptielijsten aan, Cicero sprak er en zijn bloedend hoofd werd er vastgespijkerd. Daarna verdonkerden de keizers zijn ouden glans, begroeven de eeuwen de monumenten en de tempels onder hun stof, zoodat de Middeleeuwen er slechts plaats vonden voor een veemarkt. De eerbied is thans teruggekomen, een grafschennende eerbied, een weetgierigheids- en wetenschapskoorts, die door hypothesen nog aangewakkerd wordt en op dezen historischen bodem, waar geslachten boven elkaar liggen, op een dwaalweg raakt en weifelt tusschen de vijftien of twintig reconstructies, welke men van het Forum gemaakt heeft en waarvan de eene even aannemelijk is als de ander. Voor een eenvoudig voorbijganger, die noch een archaeoloog noch een geleerde van beroep is, die niet den vorigen dag zijn Romeinsche Geschiedenis nagelezen heeft, verdwijnen de bijzonderheden; hij ziet in dit in alle richtingen doorgraven en doorzochte terrein niets dan een stadskerkhof, waar de uitgegraven oude steenen verbleeken en waaruit de groote melancholie van gestorven volkeren oprijst. Van plek tot plek zag Pierre het door de wielen der wagens uitgeholde plaveisel van de Sacra Via, die telkens weer verschijnt, zich kronkelt, daalt en stijgt; en hij dacht aan den triumphus, den zegetocht van den triomphator, dien zijn wagen zoo hard deed schokken op het ruwe plaveisel van den roem.
Maar naar het zuidoosten verbreedde zich de horizont en zag hij aan gene zijde van den Titus- en van den Constantinusboog het groote massief van het Colosseum. O, deze kolos, waarvan de eeuwen als met een reusachtigen zwaai van een zeis nog slechts de helft afgerukt hebben, blijft in zijn ontzaglijkheid, in zijn majesteit als steenen kant bestaan met zijn honderden ledige, in het blauw des hemels uitkijkende vensters.
Het is een wereld van voorportalen, trappen en gangen, een wereld, waarin men te midden van de eenzaamheid in de stilte van den dood verdwaalt. Binnenin gelijken de afgebrokkelde, door de lucht verweerde trappen op de vormenlooze treden van een ouden uitgedoofden krater, een soort natuurlijken circus, dien de macht der elementen in de onverwoestbare rotsen uitgehouwen hebben. Maar de heete zonnen van achttienhonderd jaren hebben deze ruïne verbrand en rood gemaakt, die tot den natuurstaat teruggekeerd is, kaal en verguld is als een berghelling, sedert zij van haar planten beroofd is, die dit hoekje tot een stuk oerwoud maakten. En thans, welk een visioen, wanneer de phantasie dit doode gebeente weer vleesch, bloed en leven teruggeeft, den circus weer vult met de negentig duizend toeschouwers, die er een plaats vinden konden, de spelen en gevechten weer doet plaats hebben en een geheele beschaving vanaf den keizer en zijn Hof tot aan de deining van het plebs in de beweging en schittering van een geheel, door hartstocht ontvlamd volk onder den rooden weerschijn van het reusachtige, purperen velum ophoopt!
Verder aan den horizont bevond zich nog een tweede cyclopische ruïne, de thermen van Caracalla; ook zij zijn als een spoor van een van de aarde verdwenen ras van reuzen achtergebleven: zalen van overdreven en onverklaarbare grootte en hoogte, twee voorportalen, waarin men de bevolking van een stad ontvangen kan; een frigidarium, welks bassin vijfhonderd badenden tegelijk kon bevatten; een tepidarium en een caldarium van gelijken omvang, alle ontstaan uit een zucht naar het overweldigende! En het angstaanjagende massieve van het monument, de dikte der zuilen en pilaren, zooals geen vesting die ooit gekend heeft! Een oneindigheid, waarin de bezoekers eruit zien als verdwaalde mieren! Het is een zoo buitengewoon zwelgen in cement en baksteenen, dat men zich afvraagt, voor welke menschen, voor welke menigten dit monsterachtige gebouw neergezet kan zijn! Thans zou men ze voor oude, van een hoogte afgestorte rotsen houden, die hier opgehoopt liggen voor den bouw van een titanenwoning...
Pierre werd door het onmatige verleden, waarin hij onderdompelde, overweldigd. Aan alle kanten, aan de vier windstreken van den wijden horizont herleefde de geschiedenis en steeg als een hooge golf naar hem op. Die blauwachtige, onafzienbare vlakten daar in het Noorden en Westen waren het oude Etrurië; in het Oosten teekenden de getande toppen der Sabijnsche bergen zich tegen den gezichtseinder af, terwijl in het Zuiden de Albaansche bergen en Latium zich onder den goudregen der zon uitstrekten. Alba Longa lag daar en de met eiken bekroonde Monte Cavo met zijn klooster, dat den ouden tempel van Juppiter vervangen heeft. Dan aan zijn voeten, aan gene zijde van het Forum en van den Capitolinus, breidde Rome zelf zich uit, de Esquilinus recht tegenover hem, de Coelius en de Aventinus rechts, de andere, die hij niet kon zien, de Quirinalis en de Viminalis links van hem. Achter hem aan den oever van den Tiber de Janiculus. En de stad kreeg een stem en vertelde hem haar doode grootheid.
Een onwillekeurige bezwering van het verleden, een opstanding van het doode voltrok zich in hem. De Palatinus, dien hij zooeven bezichtigd had, die grijze, melancholieke, als een verdoemde stad met den grond gelijk gemaakte, met enkele instortende muren bestrooide Palatinus, werd levend, bevolkt, rees opnieuw op met zijn paleizen en tempels. Hier was de wieg zelf van Rome, Romulus had hier op dezen top, die den Tiber beheerschte, zijn stad gesticht, terwijl daartegenover de Sabijnen den Capitolinus bezetten. De zeven koningen van de twee-en-een-halve eeuw geduurd hebbende monarchie hadden hem zeker bewoond, ingesloten door hooge, sterke muren, waarin slechts drie poorten gemaakt waren. Dan kwamen de vijf eeuwen der republiek, de grootste, de roemrijkste, degene, die het Italiaansche schiereiland en daarna de wereld aan Rome onderworpen hadden.
Gedurende die overwinnende jaren vol socialen strijd en oorlog, had het grooter wordende Rome de zeven heuvelen bevolkt, was de Palatinus nog slechts de eerbiedwaardige wieg gebleven met zijn legendarische tempels, hoewel ook hier langzamerhand particuliere gebouwen oprezen. Maar dan triompheerde Caesar, de belichaming der almacht van het ras, na Gallië en Pharsalos, in den naam van het geheele Romeinsche volk; hij was dictator, keizer, nadat hij het geweldige werk verricht had, waaraan de vijf eeuwen van het keizerrijk in den galop van hun losgelaten lusten zich te goed gingen doen. En Augustus kon de macht in handen nemen, de roem van Rome stond op zijn toppunt; de milliarden lagen in de provincies te wachten om gestolen te worden; de keizerlijke pracht begon zich in de hoofdstad der wereld voor de oogen der verre, verblinde en overwonnen volkeren te ontvouwen.
Hij was op den Palatinus geboren, en nadat de overwinning bij Actium hem het keizerschap gegeven had, stelde hij er zijn eer en zijn trots in om van dien heiligen, door het volk vereerden berg te regeeren. Hij kocht er de particuliere huizen, bouwde er zijn paleis met een tot nog toe ongekende weelde: een door vier pilasters en acht zuilen gedragen atrium; een peristylium, dat door zes-en-vijftig Ionische zuilen omgeven werd; particuliere vertrekken, geheel van marmer, daaromheen; een verspilling van marmer, dat met groote kosten uit het buitenland gehaald werd; de felste kleuren, schitterend als edelgesteenten. En hij woonde met de goden samen: hij had naast zijn paleis den grooten tempel van Apollo en een tempel van Vesta gebouwd, om zich het eeuwige, goddelijke koningschap te verzekeren. Van nu af was het zaad der keizerlijke paleizen uitgestrooid; zij groeiden en woekerden en bedekten den geheelen Palatinus.
O, deze almacht van Augustus, die vier-en-veertig jaren van een volkomen, absolute, bovenmenschelijke heerschappij, zooals geen ander despoot, zelfs in den waanzin zijner droomen, die gekend heeft. Hij liet zich alle titels geven, hij had in zijn persoon alle ambten vereenigd. Als imperator en consul stond hij aan het hoofd der legers, oefende hij het uitvoerend gezag uit; als pro-consul bezat hij de suprematie in de provinciën; als levenslang censor en princeps heerschte hij over den senaat; als tribunus was hij de meester van het volk. En hij liet zich uitroepen tot Augustus; hij was heilig, god onder de menschen, had zijn tempel, zijn priesters, werd tijdens zijn leven aangebeden als een op aarde wandelende godheid. En ten slotte werd hij pontifex maximus, zoodat hij de religieuse macht met de staatkundige vereenigde. Daar de pontifex maximus geen particulier huis mocht bewonen, had hij zijn paleis tot staatseigendom verklaard. Daar de pontifex maximus zich niet mocht verwijderen van den tempel van Vesta, had hij in zijn paleis een tempel voor die godin gebouwd en liet hij de bewaking van het oude altaar aan den voet van den Capitolinus over aan de Vestaalsche Maagden.
Niets was hem te duur, want hij voelde wel, dat in die in één persoon vereenigde dubbele macht, in het tegelijk rex en pontifex, keizer en paus zijn de menschelijke souvereiniteit, het in de hand houden van de menschen en van de wereld lag. Al het levenssap van een krachtig ras, al de opgehoopte overwinningen en al de nog verspreid liggende rijkdommen ontplooiden zich bij Augustus in een éénige schittering, zooals zij nooit meer in zulk een glans stralen zou. Hij was werkelijk de meester der wereld; zijn voet rustte op het voorhoofd der veroverde en tot vrede gedwongen volkeren; een onsterfelijke roem van kunst en letterkunde omgaf hem. Het schijnt, dat op dat oogenblik in hem de oude en gretig-begeerige eerzucht van zijn volk, de eeuwenlange strijd, dien het gevoerd had, om het koningsvolk der aarde te zijn, zijn bevrediging vond.
Het is het Romeinsche bloed, het is het bloed van Augustus, dat eindelijk in keizerlijk purper in de zon rood òplicht. Het is het bloed van Augustus, den goddelijken, triompheerenden, onbeperkten heerscher over zielen en lichamen, het bloed van een man, in wien de erfenis van zeven lange eeuwen van nationalen trots haar toppunt bereikt, van wien een ontelbare en eindelooze nakomelingschap van universeelen trots door de eeuwen heen uitgaan zal. Want nu was het beslist: het bloed van Augustus zou in de aderen van alle heerschers over Rome weder ontwaken en kloppen, hen vervolgen met den zich eeuwig vernieuwenden droom der wereldheerschappij.