Part 15
Evenals den vorigen dag was Piere één en al verbazing. Weer strekte de lange en smalle straat zich uit tot de piazza del Popolo, geheel wit van licht, slechts met dit onderscheid, dat nu de huizen aan den rechterkant in de zon baadden, terwijl die aan de linkerzijde in de schaduw lagen. Wat, was dat de Corso? Deze halfdonkere, tusschen hooge, zware gevels ingedrukte loopgraaf! Deze armoedige weg, waar hoogstens drie rijtuigen naast elkaar konden rijden, die door dicht op elkaar gedrongen winkels met hun etalages van klatergoud omzoomd werd. Geen vrije ruimte, geen wijde horizonten, geen schaduwgevend, verfrisschend groen. Niets dan een stooten, een dringen en een bijna verstikken langs de kleine trottoirs onder een kleine reepje hemel. Vergeefs noemde Dario hem de historische en weelderige paleizen: palazzo Bonaparte, palazzo Doria, palazzo Odelscachi, palazzo Sciarra, palazzo Chigi; vergeefs wees bij hem de piazza Colonna met de zuil van Marcus Aurelius, het drukste plein der stad, waar steeds een groote menigte pratend en kijkend rondslentert; vergeefs deed hij hem, tot aan de piazza del Popolo, de kerken, de huizen, de dwarsstraten, de via Candotti, aan het einde waarvan in de glorie van de ondergaande zon, de Santa Trinità dei Monti als goud boven de triomphantelijke Spaansche trap oprees, bewonderen,--Pierre bleef den teleurstellenden indruk houden van een straat zonder breedte en zonder licht. De paleizen schenen hem droefgeestige ziekenhuizen of kazernes toe; de piazza Colonna toonde een jammerlijk gemis aan boomen; alleen de Santa Trinità dei Monti had hem door haar schittering als in een verre apotheose betooverd.
Maar nu ging het van de piazza del Popolo weer naar de piazza de Venezia terug, en weer terug, en nogmaals terug, twee-, drie-, viermaal, onvermoeibaar. Dario was in zijn element, liet zich zien, keek rond, groette, werd gegroet. Op de twee trottoirs slenterde een dicht op elkaar gedrongen menigte, wier oogen zich tot achter in de rijtuigen boorden, wier handen de handen van hen, die erin zaten, hadden kunnen drukken. Langzamerhand werd het aantal rijtuigen zóó groot, dat de ononderbroken, vast aaneengesloten dubbele rij verplicht was stapvoets te gaan. Bij het voortdurend langs elkaar gaan van degene, die heen-, en van degene, die terugreden, kon men elkaar aanraken, elkaar goed opnemen. Geheel Rome drong zich hier samen, hoopte zich op in de kleinst denkbare ruimte; het waren menschen, die elkaar kenden en elkaar hier weer vonden als in de vertrouwelijkheid van een salon; menschen, die niet op vertrouwelijken voet met elkaar stonden en tot tegenovergestelde kringen behoorden, maar hier tegen elkaar aan stieten en elkaar tot in de ziel kijken konden. Nu ging Pierre een licht op; hij begreep den Corso, de oeroude gewoonte, den hartstocht en de glorie der stad. Ja, het genot lag juist in de nauwte van de straat, in dat gedwongen tegen elkaar stooten, waardoor onverwachte ontmoetingen, de bevrediging van nieuwsgierigheid, het ten toon spreiden van ijdelheid, het voeren van eindelooze gesprekken mogelijk werd. De geheele stad zag hier elkaar dagelijks terug, liet zich zien, loerde op elkaar, het was een op den duur zoo dringende behoefte geworden om elkaar zóó te zien, dat een man van goede familie, die den Corso meed, als een wilde beschouwd werd, die buiten zijn kringen, zonder couranten leefde.
Dario glimlachte steeds door, boog steeds weer ten groet; hij noemde Pierre prinsen en prinsessen, hertogen en hertoginnen, klinkende namen, wier glans de geschiedenis vulde, wier klankrijke lettergrepen het op elkaar botsen van wapenrustingen in den slag, de pauselijke processies met haar purper ornaat, haar gouden tiara's, haar heilige, van juweelen fonkelende gewaden voor den geest riepen. Maar Pierre zag tot zijn wanhoop dikke dames, kleine heeren, opgeblazen of ziekelijke wezens, die door de moderne kleeding nog leelijker werden. Toch vielen enkele knappe vrouwen op, vooral jonge meisjes, zwijgend, met groote, heldere oogen. Toen Dario, hem het paleis Buongiovanni wees, een grooten gevel uit de zeventiende eeuw met door lofwerk omgeven ramen, voegde hij er lachend aan toe:
"Kijk, daar staat Attilio op het trottoir... U weet wel, de jonge luitenant Sacco!"
Met een hoofdknikje antwoordde Pierre, dat hij op de hoogte was. Attilio, in zijn uniform, jong met zijn levendig en flink uiterlijk en zijn open gezicht, waarin de blauwe oogen van zijn moeder liefdevol glansden, nam hem dadelijk voor zich in. Hij was inderdaad de jeugd en de liefde in hun geestdriftige en zich om de toekomst niet bekommerde hoop.
"U zult zien," ging Dario voort, "dat hij, wanneer we terugkomen, er nog staat. Let maar op, dan zal ik u tevens nog op iets anders opmerkzaam maken ook."
Hij sprak vroolijk over de jonge meisjes, die in den Sacré-Coeur in zoo strenge afzondering opgevoede en verder meestal zoo onwetende jonge prinsessen en hertoginnen, die daarna haar opvoeding voltooiden in de rokken van haar moeder, met haar den verplichten wandelrit op den Corso maakten en de eindelooze dagen verder leefden in de afzondering der sombere paleizen. Maar welke stormen woedden in deze zwijgende zielen, waarin niemand nog was afgedaald! Hoe wies onder die passieve gehoorzaamheid, onder die schijnbare onwetendheid omtrent dat, wat haar omringde, soms haar wilskracht op! Hoevelen wilden hardnekkig haar leven zelf maken, den man, die in haar smaak vallen zou, zelf kiezen, hem hebben tegen de geheele wereld in. En de geliefde werd onder den stroom van jonge mannen op den Corso gezocht en uitverkoren; de geliefde werd onder de wandeling met de oogen gevischt, met de reine oogen, die spraken, wier blik voor de bekentenis, voor de algeheele overgave voldoende waren, zonder dat één ademtocht over de kuisch gesloten lippen behoefde te komen. Ten slotte kwamen dan de in de kerk heimelijk overhandigde liefdesbrieven, maakte de omgekochte kamenier de in den beginne zoo onschuldige ontmoetingen makkelijk. Ten slotte volgde dan aan het eind dikwijls een huwlijk.
Celia nu had Attilio gewild vanaf het eerste oogenblik, dat hun blikken elkaar ontmoet hadden op een doodelijk vervelenden dag, dat zij hem voor het eerst uit een raam van het paleis Buongiovanni had gezien. Hij keek toevallig op en zij had, terwijl zij zichzelf met haar groote, reine oogen, die in de zijne rusten bleven, gaf, hem voor eeuwig gevangen. Zij was slechts een liefhebbende vrouw--niets meer. Hij viel in haar smaak, zij wilde hèm, hèm en geen ander. Zij zou desnoods twintig jaar op hem gewacht hebben, maar zij hoopte hem door de kalme hardnekkigheid van haar wil dadelijk te veroveren. Allerlei verhalen omtrent vreeselijke uitbarstingen van woede van haar vader, die zich echter te pletter liepen tegen haar eerbiedig en halsstarrig zwijgen, deden de rondte. De prins, van gemengd bloed, de zoon van een Amerikaansche en zelf de echtgenoot van een Engelsche, streed slechts, om te midden van de instortingen om hem heen, zijn naam en zijn vermogen intact te houden.
Het gerucht liep, dat tengevolge van een woordenwisseling, waarin hij haar voor de voeten wierp niet voldoende over haar dochter gewaakt te hebben, de prinses met al den hoogmoed en al het egoïsme van een vreemdelinge, die vijf millioen medegebracht had, in verzet gekomen was. Was het niet voldoende, dat zij hem vijf kinderen geschonken had? Zij bracht haar dagen in aanbidding van zichzelf door, bemoeide zich niet met Celia, liet het huishouden, waarin de storm woedde, aan zichzelf over.
Maar het rijtuig reed opnieuw langs het paleis en Dario waarschuwde Pierre.
"Ziet u, daar is Attilio weer... En kijk nu eens naar boven naar het derde raam van de eerste verdieping."
Het was een kort, maar charmant tooneeltje. Pierre zag een hoekje van het gordijn wat ter zijde trekken en het zachte gezichtje van Celia, een reine, gesloten lelie, werd zichtbaar. Zij glimlachte niet, zij bewoog zich niet. Niets was uit dien kuischen mond en die heldere oogen te lezen. Toch trok zij Attilio tot zich, gaf zij zich onvoorwaardelijk aan hem. Het gordijn viel weer neer.
"Die kleine heks!" prevelde Dario. "Wie kan ooit weten, wat er achter zooveel onschuld verborgen ligt?"
Toen Pierre omkeek, zag hij Attilio daar nog steeds met opgeheven hoofd staan; ook zijn gezicht was bewegingloos en bleek, zijn mond gesloten, zijn oogen wijd geopend. En deze grenzenlooze liefde in haar plotselinge almacht, de ware, eeuwige en jonge liefde, die zich verhief boven de eerzucht, en de berekeningen van de omgeving, trof hem diep.
Dan gaf Dario zijn koetsier bevel naar den Pincio te rijden: den op mooie middagen verplichten rit naar den Pincio. Eerst kwamen zij de piazza del Popolo over, het ruimste en regelmatigste plein van Rome, met zijn in aanleg zijnde straten, zijn symmetrische kerken, zijn obelisk in het midden, zijn twee boomgroepen, die aan beide zijden van den kleinen, witten rijweg, tusschen de ernstige, door de zon vergulde gebouwen tegenover elkaar staan. Dan reed het rijtuig rechts den oprit van den Pincio op, een prachtigen, met bas-reliefs, standbeelden en fonteinen versierden zigzagweg, een apotheose van marmer, een herinnering aan het oude Rome, die zich tusschen het groen opricht. Maar de tuin bovenop kwam Pierre klein voor, niet veel meer dan een groot plein, een vierkant met vier lanen, die noodig waren, om de equipages eindeloos te kunnen laten keeren en draaien. Een ononderbroken rij borstbeelden van beroemde mannen uit het oude en nieuwe Italië liep langs de alleeën heen. Pierre bewonderde vooral de boomen, de zeldzaamste, met groote zorg gekozen en onderhouden boomsoorten, bijna alle met altijd groen loof, waardoor hier zoowel in den zomer als in den winter een heerlijke, in alle tinten van groen genuanceerde schaduw verkregen werd. Het rijtuig begon nu door de mooie frissche lanen achter de andere equipages, die één onafgebroken stroom vormden, te rijden.
Pierre merkte in een donkerblauwe, elegant bespannen victoria een jonge dame alleen op. Zij was knap, klein, kastanjebruin met een matte tint, groote zachte oogen, en zag er bescheiden en verleidelijk eenvoudig uit. Bij haar streng costuum van feuille-morte-zijde droeg zij een grooten, eenigszins extravaganten hoed. Toen Dario haar vrij onbeschaamd opnam, vroeg de priester hem haar naam, wat den jongen prins deed glimlachen. O, niemand, Tonietta, een van de weinige demi-mondaines, waarover Rome sprak.
Dan vertelde hij, met de openhartige vrijmoedigheid van zijn ras in liefdesquaesties, bijzonderheden: haar afkomst was niet met volkomen zekerheid bekend; sommigen beweerden, dat zij de dochter van een kroegbaas in Tivoli was, anderen daarentegen beweerden, dat een Napolitaansche bankier haar vader was. Doch hoe dit zij, in ieder geval was het een zeer intelligent meisje, dat zich een zekere beschaving eigen gemaakt had en uitstekend wist te ontvangen in haar klein paleis in de Via dei Mille, dat zij van den ouden, thans overleden markies Manfredi gekregen had. Zij afficheerde zich niet, had nooit meer dan één amant tegelijk, en de prinsessen en hertoginnen, die dagelijks op den Corso door haar in onrust geraakten, vonden haar fatsoenlijk. Een bijzondere eigenschap had haar vooral beroemd gemaakt; meermalen maakte een zoo hartstochtelijke passie zich van haar meester, dat zij zich voor niets aan haar geliefde gaf en alleen iederen ochtend een ruiker witte rozen van hem wilde hebben, zoodat de menschen, wanneer zij haar dikwijls weken achtereen met deze reine rozen, dezen witten bruidsbouquet op den Pincio zagen, met liefdevol welgevallen naar haar keken.
Maar Dario viel zichzelf in de rede om plechtig een dame, die alleen in gezelschap van een heer in een grooten landauer voorbij reed, te groeten. En hij zeide eenvoudig tot den priester:
"Mijn moeder."
Pierre kende haar, althans vicomte de la Choue had hem het een en ander over haar verteld: haar tweede huwelijk op vijftigjarigen leeftijd na den dood van prins Onofrio Boccanera; de manier, waarop de nog altijd mooie vrouw precies als een jong meisje op den Corso, een knappen, vijftien jaar jongeren man, die in haar smaak viel, met haar blikken gevischt had; en wie die man, die Jules Laporte, was, een oud-sergeant der Zwitsersche garde, naar men beweerde, een voormalige commis-voyageur in reliquieën, die gecompromitteerd was geweest in een geruchtmakende zaak van valsche reliquieën; hoe zij van hem een markies Montefiori gemaakt had van statig voorkomen--de laatste van de geluksridders in het legendarische land, waar de herders met koninginnen trouwen.
Toen een volgende maal de groote landauer weer voorbij reed, nam Pierre hen beiden goed op. De markiezin was werkelijk nog verbazingwekkend in haar tot vollen bloei gekomen, klassiek-Romeinsche schoonheid, groot, flink gebouwd, hoogblond, met een godinnekop met regelmatige, eenigszins domme trekken; alleen het lichte dons, waarmede haar bovenlip bedekt was, verried haar leeftijd. De markies, deze geromaniseerde Zwitser uit Genève, maakte met zijn breede, krachtige officiersschouders en zijn opgedraaide snor werkelijk een imposanten indruk; hij was niet dom, heel vroolijk en plooibaar en zeer onderhoudend in gezelschap van dames. Zij was zóó trotsch op hem, dat zij hem overal medesleepte en ten toon stelde; zij was met hem het leven opnieuw begonnen, alsof zij twintig jaar was, en verteerde in zijn armen het kleine, uit de catastrophe van de villa Montefiori geredde vermogen. Zij vergat haar zoon zóó volkomen, dat zij hem menigmaal slechts op den wandelrit zag en als een toevallige kennis groette.
"Laten we naar den zonsondergang achter de St. Pieter gaan kijken!" zeide Dario in zijn rol van consciëntieus vreemdelingengids.
Het rijtuig keerde naar het terras terug, waar een militaire kapel met vreeselijke uitbarstingen der koperinstrumenten speelde. Verschillende equipages stonden reeds stil om te luisteren, terwijl een steeds grooter wordende menigte voetgangers, eenvoudige wandelaars, zich om de tent opgehoopt hadden. Van dat bewonderenswaardige, zeer hooge en zeer breede terras ontrolde zich een der heerlijkste panorama's van Rome. Aan de overzijde van den Tiber, boven den vaalbleeken chaos van de nieuwe wijk der Prati del Castello, verrees de St. Pieter tusschen het groen van den Monte Mario en den Janiculus. Dan kwam links de geheele oude stad, een eindelooze vlakte van daken, een deinende, onafzienbare zee van gebouwen. Doch steeds weer keerden de blikken terug naar de St. Pieter, die in reine en majestueuse grootschheid in het azuur troonde. En de langzame zonsondergangen achter den kolos, achter in den grenzenloozen hemel maken, van af dit terras gezien, een verheven indruk.
Nu eens is het een ineenstorten van bloedroode wolken, zijn het veldslagen van reuzen, die met bergen tegen elkander strijden en onder de monsterachtige ruïnes van brandende steden verpletterd worden. Dan weer teekenen zich tegen een donker meer slechts roode scheuren af, alsof een lichtnet uitgeworpen was, om tusschen de algen de verdwenen dagvorstin weer op te visschen. Weer een ander maal is het een rose nevel, een zacht stof, dat een regenbui in de verte, waarvan het gordijn over het mysterie van den horizont getrokken is, met paarlen doorstreept heeft. Weer een ander maal is het een triomftocht van purper en goud, wolkenwagens, die over een vuurstraat rijden, galeien, die over een azuren zee trekken, prachtvolle en phantastische stoeten, die in den geleidelijk dieper wordenden afgrond der schemering afdalen.
Maar dien avond ontvouwde zich voor Pierre het schouwspel in een kalme, verblindende grootschheid. Eerst, juist boven den dom van de St. Pieter, was de zon, in een smetteloozen, diepblauwen hemel ondergaande, nog zóó schitterend, dat het oog haar glans niet verdragen kon. In die flikkering scheen de dom als witgloeiend, als een dom van vloeibaar zilver, terwijl de wijk ernaast, de daken van den Borgo, als in een zee van gloed veranderd was. Dan, naarmate de zon verder daalde, nam haar gloed af, kon men haar aanschouwen; en weldra gleed zij majestueus langzaam achter den dom, die zich diepblauw afteekende; tot, geheel erachter schuilgaand, de dagvorstinne niets meer was dan een aureool, een lichtkring, waaruit kroonvormige, vlammende stralen schoten. En dan begon het droombeeld, de zeldzame belichting der ramenrij, die zich onder den koepel uitstrekt; het licht veranderde ze in de roodgloeiende openingen van een smeltoven, zoodat men had kunnen gelooven, dat de dom een in de lucht hangend, door het geweld der vlammen opgeheven en gedragen kolenvuur was. Dat duurde nauwlijks drie minuten. Beneden doken de reeds niet meer duidelijk te onderscheiden daken van den Borgo weg in violette dampen, terwijl de horizont zich van den Janiculus tot den Monte Mario in een duidelijk zwarte lijn afteekende; nu werd op zijn beurt de hemel purper en goud, een oneindige rust van bovenaardsche helderheid over de verdwijnende aarde. Het laatst gingen de ramen uit, ging de hemel uit, bleef alleen nog in den invallenden nacht de onbestemde, steeds vager wordende ronding van den dom van de St. Pieter.
En door een heimelijke gedachtenverbinding zag Pierre op dat oogenblik nogmaals de hooge, droefgeestige en ten ondergang neigende gestalten van kardinaal Boccanera en den ouden Orlando voor zich oprijzen. Op den avond van dien dag, waarop hij na elkaar deze in hun verwachtingen zoo groote mannen had leeren kennen, stonden zij beiden aan den horizont boven hun vernederde stad, aan den rand van den hemel, dien de dood scheen te grijpen. Zou dan alles zoo met hen instorten, alles in den nacht van den afgeloopen tijd uitgaan en verdwijnen?
VIJFDE HOOFDSTUK
Den volgenden dag kwam Narcisse wanhopig aan Pierre vertellen, dat zijn neef, monsignor Gamba del Zoppe, de geheime kamerheer, onder voorwendsel, dat hij ziek was, twee of drie dagen tijd gevraagd had, voor hij den jongen priester ontvangen en zich met zijn audiëntie bezig houden kon. Pierre was dus tot niets doen veroordeeld, daar hij niet langs een anderen weg een poging durfde wagen om den paus te spreken, want men had hem zóó bang gemaakt, dat hij vreesde door een onhandigen stap alles te zullen bederven. En daar hij toch iets doen moest, om den tijd te dooden, begon hij Rome te bezichtigen.
Zijn eerste bezoek gold de ruïnes van den Palatinus. Reeds om acht uur 's ochtends, bij een helderen hemel, ging hij alleen op weg en begaf zich naar den in de Via Santo Teodoro gelegen ingang, een hek, omgeven door de woningen der bewakers. Dadelijk kwam een van dezen naar hem toe en bood zich als gids aan. Pierre had liever op goed geluk af willen rondzwerven, maar hij vond het moeilijk het aanbod van den man, die zeer vloeiend en met een vriendelijk glimlachje Fransch sprak, te weigeren. Het was een klein, ineengedrongen mannetje, een oud-soldaat van even boven de zestig, met een vierkant, opgeblazen, door een dikke, grijze snor in tweeën gedeeld gezicht.
"Als mijnheer de abbé zoo goed wil zijn mij te volgen... Ik zie, dat mijnheer de abbé een Franschman is. Ik ben een Piemontees en ken de Franschen goed: ik heb aan hun zijde bij Solferino gevochten. Ja, ja, men kan zeggen wat men wil, maar je vergeet het niet zoo gauw, wanneer je wapenbroeders geweest bent... Hier rechtsaf, als het u blieft!"
Toen Pierre opkeek, zag hij de reeks cypressen, die het plateau van den Palatinus omzoomen en die hij den dag van zijn aankomst van af den Janiculus gezien had. In de zoo teerblauwe lucht maakte het donkere groen van die boomen den indruk van zwarte franje. Behalve deze zag men niets, de helling strekte zich kaal en naakt, vuil stofgrijs uit, bestrooid met enkele kreupelboschjes, te midden waarvan stukken van oude muren uitstaken. Het was de verwoesting, de vlekkige troosteloosheid der opgravingen, waarvoor alleen de geleerden zich kunnen opwinden.
"De paleizen van Tiberius, Caligula en der Flavii liggen daar in de hoogte," ging de gids voort. "Maar die bewaren wij voor het laatst, we zullen eerst een rondgang maken."
Toch ging hij wat links af en bleef voor een uitholling, een soort grot in de helling van den berg, staan.
"Dit is het wolvenhol, waar de wolvin Romulus en Remus zoogde. Vroeger was aan den ingang nog de vijgeboom Rominalis te zien, die de tweelingen tegen regen en zon beschermde."
Pierre kon een glimlach niet onderdrukken, zoo eenvoudig en vast overtuigd van de waarheid van wat hij zeide, gaf de man zijn uitleggingen, zóó trotsch bovendien op al dien ouden roem, als ware het de zijne. Maar toen de oud-soldaat hem bij de grot de sporen van Roma quadrata gewezen had, overblijfselen van muren, die werkelijk uit den tijd van Rome's stichting te stammen schenen, begon Pierre zich te interesseeren, deed een eerste ontroering zijn hart kloppen. Dit kwam natuurlijk niet, omdat het zoo'n wondermooi schouwspel was, want het waren slechts enkele blokken gehouwen steen, die zonder cement of kalk op elkaar gelegd waren, maar een verleden van zeven-en-twintig eeuwen rees hier voor zijn geest op, en deze afgebrokkelde, zwart geworden steenen, die een zoo machtig gebouw van pracht en almacht gedragen hadden, kregen een buitengewone majesteit.
Zij zetten hun rondgang voort en liepen nu naar rechts, steeds langs de helling van den berg. De annexen der paleizen moesten tot hier geloopen hebben: overblijfselen van portieken, ingestorte zalen, nog staande gebleven zuilen en friezen omzoomden het hobbelige pad, dat tusschen kerkhofgrassen slingerde; de gids, die dat, wat hij wist, zoo goed vertelde, omdat hij het nu al tien jaar lang iederen dag herhaald had, bleef de onzekerste hypothesen ten beste geven, terwijl hij aan iederen puinhoop een verhaal toevoegde.
"Het paleis van Augustus," zeide hij eindelijk met een gebaar van zijn hand naar de aardophoopingen.
Ditmaal waagde Pierre, die absoluut niets zag, te vragen:
"Waar dan?"
"O, mijnheer de abbé, het schijnt, dat aan het einde van de vorige eeuw de gevels nog stonden. Je kwam er van den anderen kant, van de Sacra Via, in. Aan dezen kant was er een groot balkon, dat den grooten Circus Maximus beheerschte, en vanwaar men de spelen zien kon. Overigens is het paleis, zooals u constateeren kunt, nog bijna geheel begraven onder dien grooten tuin boven, den grooten tuin van de villa Mills. Wanneer men geld genoeg voor de opgravingen hebben zal, zal men het terugvinden, dat is zeker, evenals den tempel van Apollo en dien van Vesta, welke ernaast stonden."
Hij wendde zich nu naar links en ging het Stadium binnen, den kleinen circus voor de wedloopen, die zich vlak langs de zijde van het paleis van Augustus uitstrekte; nu begon ook de priester zich te interesseeren en geestdriftig te worden. Niet dat zich hier een voldoende bewaard gebleven ruïne, die een monumentalen aanblik opleverde, bevond; geen zuil was op haar plaats gebleven en alleen de muren aan den rechterkant stonden nog, maar men had het geheele plan teruggevonden, de grenssteenen aan ieder einde, de zuilengang om de baan, de groote loge van den keizer, die, nadat zij links in het paleis van Augustus geweest was, vervolgens in het paleis van Septimius Severus ingemetseld was en naar rechts uitkeek. En de gids liep nog steeds te midden van die verstrooide puinhoopen, gaf uitvoerige en preciese uitleggingen, verzekerde, dat de heeren der directie van de uitgravingen hun Stadium tot in de kleinste bijzonderheden vastgesteld hadden, zoodat zij bezig waren er een nauwkeurig plan van te maken met de juiste plaats der zuilen, de standbeelden in hun nissen, het soort marmer, waarmede de muren bedekt waren.
"O, de heeren zijn volkomen op hun gemak," eindigde hij zijn uitlegging, terwijl hij zelf een gelukzalig gezicht trok. "De Duitschers zullen geen aanmerking kunnen maken en hier niet alles ondersteboven gooien, zooals zij op het Forum gedaan hebben, waar je niet meer weet, waar je bent, sedert zij er met hun wetenschap gekomen zijn."