Part 14
"Ja, zij is een goede ziel, zij is niet slecht. Maar wat zal je eraan doen? Zij hield niet van Luigi en hij zelf is misschien een beetje heftig geweest... Die dingen zijn geen geheim meer, ik praat er vrij met u over, daar tot mijn groot verdriet de geheele wereld ze kent."
Orlando gaf zich geheel aan zijn herinneringen over en vertelde, hoe gelukkig hij zich vóór het huwlijk gevoeld had bij de gedachte aan het wondermooie schepseltje, dat zijn dochter worden en jeugd en bekoring om zijn ziekestoel brengen zou. Hij had altijd een vereering gehad voor de schoonheid, de hartstochtelijke vereering van een minnaar, wiens eenige liefde steeds de vrouw gebleven zou zijn, indien het vaderland niet het beste van zijn wezen tot zich getrokken had. En Benedetta aanbad hem, vereerde hem, kwam steeds weer bij hem zitten in zijn klein armoedig kamertje, dat dan schitterde door den glans van goddelijke charme, die zij met zich bracht. Hij herleefde in haar frisschen adem, in den zuiveren geur en de stralende teederheid, waarmede hij haar omringde. Maar welk een vreeselijk drama onmiddellijk daarna, wat had zijn hart gebloed, toen hij niet wist, hoe hij de echtgenooten verzoenen moest. Hij kon zijn zoon geen ongelijk geven, dat hij de erkende echtgenoot wilde zijn.
In den beginne, na den eersten rampzaligen nacht, na die botsing tusschen de beide echtgenooten, die beiden hardnekkig aan hun recht vasthielden, had hij gehoopt Benedetta in de armen van haar man terug te kunnen brengen. Maar toen zij hem weenend alles vertelde, hem haar oude liefde voor Dario bekende, hem haar afschuw tegen de daad, tegen het geven van haar maagdelijkheid aan een anderen man, zeide, toen begreep hij, dat zij nooit toegeven zou. Een geheel jaar was verloopen, hij had een jaar vastgenageld op zijn ziekestoel doorgebracht, terwijl onder hem, in die weelderige vertrekken, waarvan de geluiden zelfs niet tot zijn ooren doordrongen, dat hartverscheurende drama afgespeeld werd. Hoe dikwijls had hij getracht te luisteren, bang voor twisten, wanhopig zich niet meer nuttig te kunnen maken. Van zijn zoon, die zweeg, vernam hij niets; hij hoorde slechts nu en dan bijzonderheden van Benedetta. En dit huwlijk, waarin hij eens den zoo vurig verlangden band tusschen het oude en het nieuwe Rome gezien had, dat niet voltrokken huwlijk maakte hem wanhopig; het was het echec van al zijn verwachtingen, de definitieve ontgoocheling van zijn levensdroom. Hij zelf was ten slotte naar een echtscheiding gaan verlangen, zoo ondragelijk was het lijden onder een dergelijken toestand.
"Ach, lieve vriend, nog nooit heb ik het fatale van zekere tegenstellingen zoo goed begrepen--en hoe men met het meest liefhebbende hart en het oprechtste karakter zijn ongeluk en dat van anderen bewerken kan."
Maar de deur ging opnieuw open en ditmaal kwam, zonder geklopt te hebben, graaf Prada binnen. Onmiddellijk nam hij, na den bezoeker, die opgestaan was, vluchtig gegroet te hebben, zacht de handen van zijn vader en betastte die, bang, dat hij ze te warm of te koud vinden zou.
"Ik kom juist van Frascati, waar ik heb moeten overnachten, zoo druk heb ik het met dat onderbroken bouwen. Ze hebben me gezegd, dat u een slechten nacht gehad hebt."
"Wel neen, geen quaestie van."
"O, u zoudt het nooit bekennen... Waarom blijft u er zoo hardnekkig bij om hier te wonen, zonder eenig gemak? Dat gaat op uw jaren niet meer. U zoudt me er zoo'n groot pleizier mede doen, als u een meer comfortabele kamer nam, waar u beter zoudt kunnen slapen."
"Neen, hoor, ik denk er niet aan... Ik weet, dat je het goed met mij meent, beste Luigi. Maar laat ik mijn eigen zin nou maar doen. Dat is de eenige manier, om mij gelukkig te maken."
Pierre werd diep getroffen door de innige liefde, die uit de blikken der beide mannen straalde, terwijl zij elkaar oog in oog aankeken. Het scheen hem zoo aandoenlijk, zoo prachtig mooi toe, daar toch zooveel tegenstrijdige denkbeelden en handelingen, zooveel verschillen, die een moreele breuk veroorzaakt hadden, hen scheidden.
Hij vergeleek hen met belangstelling. Graaf Prada, die korter en gezetter was, had denzelfden energieken, krachtigen kop met borstelig zwart haar, dezelfde openhartige, eenigszins harde oogen in een blozend gezicht met dikke snor. Maar de mond verschilde, een zinnelijke, vraatzuchtige mond met een wolfsgebit, een bloeddorstige mond, als geschapen voor den avond na den slag, wanneer het er slechts nog om gaat in de overwinning van anderen te bijten. Dat was dan ook de reden, waarom men, wanneer zijn vrijmoedige oogen geprezen werden, zeide: "Ja, maar zijn mond bevalt mij niet." Zijn voeten waren groot, zijn handen dik en te breed, maar mooi.
Pierre verwonderde er zich over, dat hij precies zoo was als hij verwacht had. Hij kende zijn geschiedenis nauwkeurig genoeg, om zich een beeld van den heldenzoon te kunnen vormen, dien de overwinning bedorven had, die met vollen mond den door het roemrijke zwaard van zijn vader gemaaiden oogst verslindt. Hij ging vooral na hoe de deugden van zijn vader van den rechten weg afgeweken waren, zich in het kind tot ondeugden vervormd hadden; de edelste eigenschappen waren ontaard, de heldhaftige, onbaatzuchtige energie was woeste genotzucht, de man van den slag de man van den buit geworden, sedert de grootsche gevoelens van geestdrift sliepen, sedert men niet meer vocht en te midden van den opgehoopten buit in alle kalmte plunderde en roofde. En de held, de met lamheid geslagen, tot onbeweeglijkheid gedoemde vader moest getuige zijn van de ontaarding van zijn zoon, den met millioenen volgepropten zakenman.
Maar Orlando stelde Pierre voor.
"Mijnheer de abbé Pierre Froment, over wien ik je zoo dikwijls gesproken heb, de schrijver van het boek, dat ik je heb laten lezen."
Prada was dadelijk zeer vriendelijk en begon onmiddellijk met een intelligenten hartstocht over Rome te spreken als iemand, die er een groote moderne hoofdstad van maken wil. Hij had het na het tweede keizerrijk gemetamorphoseerde Parijs, het na de overwinningen van Duitschland vergroote en verfraaide Berlijn gezien; en volgens hem werd Rome, als het zich bij die beweging niet aansloot, als het niet een groote stad werd, die een groot volk bewonen kon, met een spoedigen dood bedreigd. Of een ineenstortend museum of een nieuw-geschapen, herboren stad.
Vol belangstelling, reeds bijna gewonnen luisterde Pierre naar dezen welsprekenden man, wiens krachtige en heldere geest hem inpalmde. Hij wist hoe handig hij gemanoeuvreerd had in de zaak van de villa Montefiori, waarbij hij rijk geworden was en zoovele anderen zich geruïneerd hadden, daar hij ongetwijfeld de onvermijdelijke catastrophe reeds voorzien had op het oogenblik, waarop de agiowoede de geheele natie nog het hoofd op hol bracht. Toch ontdekte hij op dit wilskrachtige, energieke gezicht reeds teekenen van moeheid, vroegtijdige rimpels, afhangende lippen, alsof de man uitgeput raakte van het voortdurende strijden tusschen al die instortingen om hem heen, welke den grond ondermijnden en door den terugslag ook de best belegde fortuinen dreigden mede te sleepen. Men vertelde, dat Prada in den laatsten tijd ernstige zorgen gehad had; niets stond meer vast, alles kon opgeslokt worden ten gevolge van de financieele crisis, die van dag tot dag dreigender werd. Bij dezen ruwen zoon van Noord-Italië ontstond onder den verweekelijkenden, verderfelijken invloed van Rome een soort verval, een langzame verrotting. Al zijn hartstochten hadden hun bevrediging gezocht, hij putte er zich in uit door alles--zijn zucht naar geld, zijn passie voor vrouwen--hun volle maat te geven. Vandaar de groote, zwijgende droefheid van Orlando, als hij dit snelle verval van zijn veroveraarsras zag, terwijl Sacco, de Zuid-Italiaan, door het klimaat geholpen en als geschapen voor die wellustige lucht en voor die door de zon verbrande steden vol oud stof, er zich ontwikkelde als de natuurlijke vegetatie van den door de misdaden der geschiedenis gedrenkten bodem en zich er langzamerhand van alles, van rijkdom en macht, meester maakte.
Toen de naam Sacco genoemd werd, vertelde de vader den zoon van Serafina's bezoek. Zonder verder iets te zeggen, keken zij beiden elkaar met een glimlach aan. Het gerucht liep, dat de overleden minister van Landbouw misschien niet dadelijk vervangen zou worden, dat een andere minister het departement ad interim zou leiden en men de opening der Kamer afwachten zou.
Daarna kwam het gesprek op het paleis Boccanera, waarbij Pierre dubbel aandachtig toeluisterde.
"Zoo, logeert u in de Via Giulia," zeide de graaf tegen hem. "Daar slaapt het heele oude Rome in de stilte der vergetelheid."
Onbevangen sprak hij over den kardinaal en zelfs over Benedetta, de contessina, zooals hij zeide, wanneer hij over zijn vrouw sprak. Hij deed alles om geen toorn te laten blijken. Maar de jonge priester voelde, dat hij inwendig beefde, dat zijn hart nog bloedde en gromde van wrok. Bij hem brak de begeerte naar de vrouw los met de heftigheid van een behoefte, die onmiddellijk bevredigd moest worden; ongetwijfeld was dat weer een der ontaarde deugden van zijn vader: de dwepende geestdrift, die op het doel toesnelde en tot onmiddellijk handelen aanzette. Toen hij, na zijn liaison met prinses Flavia, Benedetta, de goddelijke nicht van een zoo mooi gebleven tante, bezitten wilde, had hij zich dan ook in alles geschikt; in een huwelijk, in den strijd tegen dat jonge meisje, dat hem niet lief had, in het zekere gevaar zijn geheele leven te bederven. Liever had hij Rome in brand gestoken dan van haar afgezien. En dat, waaraan hij thans zonder hoop op genezing leed, de steeds weer opengaande wonde in zijn borst was het bewustzijn, dat hij haar niet bezeten had, dat hij zeggen moest, dat zij de zijne was en zich aan hem geweigerd had.
Nooit zou hij den smaad kunnen vergeten; de wond bleef in zijn onbevredigden hartstocht, waar de minste ademtocht het branden weer aanwakkerde. En onder het correcte uiterlijk verborg zich een razende, jaloersche en wraakzuchtige wellusteling, die tot een misdaad in staat was.
"Mijnheer de abbé is op de hoogte," prevelde de oude Orlando met zijn droevige stem.
Prada maakte een gebaar als om te zeggen, dat iedereen op de hoogte was.
"O, vader, als ik niet naar u geluisterd had, zou ik mij nooit tot dat nietigverklaringsproces geleend hebben. De contessina zou dan wel verplicht geweest zijn weer in de echtelijke woning terug te keeren, en zich thans niet met haar liefje, dien neef Dario van haar, vroolijk over ons maken."
Op zijn beurt wilde Orlando nu met een gebaar protesteeren.
"Maar natuurlijk, vader. Waarom denkt u, dat zij van hier gevlucht zou zijn als het niet is, om thuis in de armen van haar minnaar te leven? En ik vind zelfs, dat het paleis in de Via Giulia met zijn kardinaal vrij vuile zaakjes verbergt."
Deze strafbare, volgens hem publieke, schaamtelooze liaison was het gerucht, dat hij verspreidde, de beschuldiging, die hij overal inbracht tegen zijn vrouw. Feitelijk geloofde hij er zelf niet aan, daar hij het koele verstand van Benedetta, het bijgeloovige, bijna mystieke begrip, dat zij in haar maagdelijkheid legde, haar vasten wil om alleen toe te behooren aan den man, dien zij liefhad en die haar echtgenoot voor God was, maar al te goed kende. Doch hij vond, dat een dergelijke beschuldiging een goede en zeer handige politiek was.
"Tusschen twee haakjes," riep hij plotseling uit, "weet u al, vader, dat ik inzage gehad heb van de memorie van Morano. Het staat nu vast: als het huwelijk niet voltrokken is kunnen worden, dan is dat ten gevolge van de impotentie van den echtgenoot."
Hij barstte in een luiden lach uit, als wilde hij daardoor te kennen geven, dat hij dit het toppunt van het komische vond. Maar hij was onder zijn heimelijke verbittering bleek geworden, zijn lachende mond had een harden, wreed-moorddadigen trek; blijkbaar had slechts deze valsche, voor een man van zijn viriliteit zoo smadelijke beschuldiging van impotentie hem er toe gebracht zich in dit proces te verdedigen, iets, waarvan hij in den beginne niets had willen weten. Hij zou zich dus verzetten. Overigens was hij overtuigd, dat zijn vrouw de nietigheidsverklaring niet verkrijgen zou. En nog altijd lachend gaf hij enkele vrij brutale bijzonderheden over het gebeurde en legde uit, dat het niet zoo gemakkelijk was met een vrouw, die zich verzet en bijt en krabbelt, maar dat hij er geen eed op zou durven doen, dat het hem niet gelukt was. In ieder geval zou hij het bewijs vragen, het Godsoordeel, zooals hij, nog harder lachend om zijn grap, zeide, en wel voor de verzamelde kardinalen.
"Luigi," zeide Orlando zacht met een blik op den jongen priester.
"Ja, ik zwijg al, u hebt gelijk, vader. Maar werkelijk het is zoo afschuwlijk, zoo belachelijk... U weet toch wat Lisbeth gezegd heeft: "Arme jongen, dan moet ik dus zeker van een kleinen Jezus bevallen.""
Orlando kon wederom zijn misnoegen niet onderdrukken, want hij hield er niet van, dat zijn zoon, wanneer er een bezoeker was, zoo openlijk over zijn liaison sprak. Lisbeth Kauffmann, nauwlijks dertig jaar, hoogblond, zeer blozend en steeds even lachend en vroolijk, behoorde tot de vreemdelingenkolonie; zij was weduwe, haar man was twee jaar te voren te Rome, waar hij genezing was komen zoeken voor een borstkwaal, overleden. Daar zij rijk genoeg was, om niemands hulp noodig te hebben, was zij, een hartstochtelijke kunstliefhebster en zelf een vrij goede schilderes, te Rome gebleven; zij had in de Via Principe Amadeo, in een der nieuwere wijken, een klein paleis gekocht, waarvan de groote, in een atelier veranderde, in alle jaargetijden met bloemen doorgeurde en met oude stoffen behangen zaal op de tweede verdieping aan de beau monde van Rome heel goed bekend was. Daar bewoog zij zich in lange blouses gekleed, in haar voortdurende vroolijkheid; zij was een beetje overmoedig en kon gewaagde grappen vertellen, doch had zich, behalve met Prada, nog niet gecompromitteerd.
Hij viel blijkbaar in haar smaak en zij had zich eenvoudig aan hem gegeven, toen zijn vrouw hem verliet. Zij was thans in de zevende maand van haar zwangerschap, die zij volstrekt niet trachtte te verbergen; integendeel zij zag er zoo kalm en gelukkig uit, dat haar uitgebreide vriendenkring haar bleef bezoeken, als was dat in dit vrije leven van groote kosmopolitische steden van geen beteekenis. In de omstandigheden, waarin hij verkeerde, was Prada met die zwangerschap natuurlijk ten zeerste ingenomen; zij was in zijn oogen het beste argument tegen de beschuldiging, waaronder zijn manlijke trots leed. Maar zonder dat hij het zichzelf bekennen wilde, bloedde de ongeneeslijke wond in zijn hart er niet minder om; want noch dit aanstaande vaderschap, noch het vleiende bezit van de knappe Lisbeth wogen op tegen de bitterheid van Benedetta's weigering: haar wilde hij met al den hartstocht, die in hem was, bezitten, haar had hij vreeselijk willen straffen, omdat hij haar niet bezeten had.
Pierre, die van deze liaison niet op de hoogte was, begreep niets van het gesprek. Daar hij zich verlegen voelde en zich een houding wilde geven, had hij een dik boek van de tafel genomen en zag tot zijn verwondering, dat het een Fransch onderwijsboek was, een van die handboeken voor het baccalaureaat, die een samenvatting van de in het programma vereischte kennis bevatten. Het was slechts een eenvoudig en practisch boek voor het lager onderwijs, maar het handelde over de geheele wiskunde, de natuur- en scheikunde, zoodat het een korte samenvatting was van de veroveringen der eeuw en van den tegenwoordigen stand van het menschelijk weten.
"Zoo," riep Orlando, blij over de afleiding, uit, "kijkt u het boek van mijn ouden vriend Théophile Morin in. Zooals u wel weten zult, was hij een der duizend van Marsala en heeft hij met ons Sicilië en Napels veroverd. Een held!... En nu al meer dan dertig jaar geleden is hij naar Frankrijk teruggekeerd als eenvoudig leeraar, wat hem ook al niet rijk gemaakt heeft. Hij heeft dan ook een boek geschreven, dat, naar het schijnt, zóó goed verkocht wordt, dat hij op het denkbeeld gekomen is daar ook nog een voordeeltje uit te slaan door vertalingen, o. a. een Italiaansche... Wij zijn broeders gebleven, en hij heeft gedacht van mijn invloed, dien hij voor zeer gewichtig houdt, gebruik te maken. Maar hij vergist zich, helaas; ik geloof niet, dat het mij gelukken zal een uitgever ervoor te vinden."
Prada, die weer correct en voorkomend geworden was, haalde zijn schouders op, vol van het scepticisme van zijn tijdgenooten, die er alleen maar op uit zijn de bestaande dingen te handhaven, om er zooveel mogelijk nut uit te trekken.
"Waarom ook?" prevelde hij. "Er zijn al veel te veel boeken."
"Neen, neen, er zijn niet te veel boeken," antwoordde de oude man hartstochtelijk. "We hebben boeken, steeds meer boeken noodig. Door het boek en niet door het zwaard, zal de menschheid de leugen en de ongerechtigheid overwinnen, den definitieven broedervrede tusschen alle volkeren veroveren... Ja, je lacht, ik weet, dat je dat mijn denkbeelden van 48 noemt, "vieille barbe", zooals men bij u in Frankrijk zegt, nietwaar mijnheer Froment? Maar daarom staat het niet minder vast, dat Italië dood is, als men zich niet haast het probleem van onderen aan te vatten, dat wil zeggen, wanneer men het volk niet maakt; en er bestaat maar één manier, om een volk te maken en menschen te scheppen, en die is, dat men ze onderwijst, dat men door het onderwijs de groote, verloren kracht ontwikkelt, die thans in onwetendheid en luiheid ten onder gaat... Ja, ja, Italië is geschapen, laten we thans Italianen scheppen. Boeken, boeken en nog eens boeken! En steeds verder voorwaarts, steeds dieper de wetenschap, de helderheid in, indien wij leven, goed, gezond en sterk zijn willen!"
De oude Orlando, die zich half opgericht had, was met zijn machtigen leeuwenkop heerlijk om aan te zien; het schitterende wit van zijn baard en zijn hoofdhaar scheen te vlammen. En zijn kreet van hoop had door dit reine, in zijn gewilde armoede zoo aandoenlijke vertrek met zulk een hartstochtelijk vertrouwen weerklonken, dat de jonge priester een andere gestalte voor zich zag oprijzen, die van kardinaal Boccanera, geheel zwart, slechts het haar wit als sneeuw, eveneens bewonderenswaardig in zijn heldhaftige schoonheid, hoog opgericht midden in zijn in puin vallend paleis, waarvan de vergulde balken op zijn schouders dreigden neer te storten. O, deze groote stijfkoppen, die geloovigen, die ouders, die manlijker, hartstochtelijker blijven dan de jongen! Deze twee stonden aan twee tegenover elkaar liggende einden van meeningen, daar zij niet één gemeenschappelijke idee, niet één gemeenschappelijke liefde hadden, en toch schenen zij alleen in dit oude Rome, waar alles in stof vervloog, onverwoestbaar en als twee gescheiden broeders onbeweeglijk aan den horizont te staan en over de stad heen hun protest uit te schreeuwen. De aanblik van deze beiden in hun grootschheid, in hun eenzaamheid, in hun verheven zijn boven de dagelijksche laagheid, vulde een dag met een droom der eeuwigheid.
Prada had dadelijk met kinderlijk-bezorgden druk de handen van den ouden man in de zijne genomen, om hem te kalmeeren.
"Ja, ja, vader, u hebt gelijk, gelijk zooals altijd, en ik ben een domkop, om u tegen te spreken. Maar ik smeek u, beweeg u niet zoo, uw plaid valt af en uw voeten zullen weer koud worden."
Hij knielde naast zijn vader neer en legde de plaid met oneindige zorg weer goed; daar bleef hij ondanks zijn vier-en-veertig jaar als een kleine jongen op den grond zitten en sloeg zijn vochtige, in zwijgende vereering smeekende oogen naar hem op, terwijl de oude man, kalm nu en ontroerd, met bevende vingers zijn haar streelde.
Pierre was langer dan twee uur daar geweest, toen hij eindelijk, zeer getroffen en ontroerd door alles wat hij gezien en gehoord had, afscheid nam. Opnieuw moest hij beloven terug te komen, om langer te praten. Buiten gekomen, liep hij op goed geluk verder. Het was nog geen vier uur; hij wilde in dit heerlijke uur, waarin de zon aan den verfrischten, onmetelijk blauwen hemel daalde, zonder een vooraf vastgesteld plan dwars door Rome slenteren. Maar bijna onmiddellijk bevond hij zich in de Via Nazionale, die hij den vorigen dag bij zijn aankomst doorgereden had; hij herkende de groene, naar het Quirinaal loopende tuinen, de witachtige, buitensporig groote Bank, de pijnboomen van de villa Aldobrandini; dan zag hij bij de kromming, toen hij staan bleef, om de Trajanuszuil, die nu als een donkere schacht tegen den achtergrond van het reeds door de schemering gevulde lage plein afstak, nog eens te zien, plotseling tot zijn groote verbazing een victoria stilhouden, waaruit een jonge man hem beleefd riep, terwijl hij hem met zijn hand wenkte.
"Mijnheer de abbé Froment! Mijnheer de abbé Froment!"
Het was de jonge prins Dario Boccanera, die zijn dagelijkschen wandelrit op den Corso ging maken. Bijna altijd à court d'argent, leefde hij nog slechts van de vrijgevigheid van zijn oom, den kardinaal. Maar evenals alle Romeinen zou hij, als het noodig was, droog brood gegeten hebben, om zijn rijtuig, zijn paard en zijn koetsier te kunnen houden. In Rome is een rijtuig een onontbeerlijke luxe.
"Als u wilt instappen, mijnheer de abbé, zal het mij een genoegen zijn u iets van onze stad te laten zien."
Ongetwijfeld wilde hij, door voorkomend te zijn jegens haar protégé, Benedetta een pleizier doen. En bovendien vond hij het, daar hij niets anders te doen had, aardig den jongen priester, die, naar men zeide, zoo intelligent was, in te wijden in wat hij voor de bloem van Rome, het onnavolgbare leven hield.
Pierre moest het wel aannemen, ofschoon hij liever alleen zijn wandeling voortgezet had. Toch interesseerde hem de jonge man, deze laatstgeborene van een uitgeput ras; van wien hij voelde, dat hij niet tot denken of handelen in staat was. doch die verder ondanks zijn trots en zijn indolentie zeer innemend was. Veel meer Romein dan patriot, had hij nooit de geringste neiging gehad zich te rallieeren, hij leefde liever in afzondering en niets doen. Ondanks zijn hartstochtelijk karakter deed hij geen dwaasheden, daar hij zeer practisch en overleggend was, zooals trouwens de meesten van zijn stadgenooten niettegenstaande hun schijnbare onstuimigheid. Zoodra het rijtuig, na de piazza de Venezia overgestoken te zijn, op den Corso gekomen was, liet hij zijn kinderlijke ijdelheid, zijn liefde voor het gelukkige en vroolijke leven buitenshuis onder den mooien hemel blijken. En dat alles drukte hij zoo duidelijk uit in het eenvoudige gebaar, waarmede hij zeide:
"De Corso!"