De drie steden: Rome

Part 13

Chapter 133,943 wordsPublic domain

Dan verdween als het ware de kamer; Pierre zag in een plotselinge en diepe ontroering niets meer dan den ouden Orlando. Hij geleek op een ouden, witharigen, nog prachtigen, sterken, grooten leeuw. Een bosch van grijze haren op een krachtigen kop met een dikken mond, een dikken, platten neus, groote, donkere, fonkelende oogen. Een lange witte, nog jeugdig-krachtige baard, kroezend als die van een god. Men zag, dat in dezen leeuwenkop vreeselijke hartstochten gewoed moesten hebben; maar al deze hartstochten, de zinnelijke zoowel als de geestelijke, hadden hun uitbarsting gevonden in patriotisme, in dolzinnige bravoure en in een onmatige onafhankelijkheidsliefde. En de oude, door den bliksem getroffen held zat daar nu op zijn fauteuil genageld, de doode beenen door een zwarten plaid bedekt. Alleen de armen, de handen leefden; alleen het gelaat straalde van lichaams- en geestkracht.

Orlando wendde zich tot zijn oppasser en zeide zacht:

"Je kan wel gaan, Batista. Kom over een paar uur maar terug."

Dan keek hij Pierre strak aan en riep met een ondanks zijn zeventig jaar nog krachtige stem:

"Eindelijk dus, beste mijnheer Froment; nu kunnen we eens op ons gemak praten... Neem dien stoel daar en kom voor mij zitten."

Maar hij had den verbaasden blik, waarmede de priester het kale vertrek rond keek, gemerkt, en voegde er vroolijk aan toe:

"Je moet me niet kwalijk nemen, dat ik je in mijn cel ontvang. Ja, ik leef hier als een monnik, als een gepensionneerd oud soldaat, die thans buiten het leven staat... Mijn zoon valt me nog steeds lastig met zijn verlangen, dat ik een van de mooie kamers beneden neem. Maar waarom zou ik dat doen? Ik heb geen enkele behoefte, ik houd niet van veeren bedden, want mijn oude botten zijn gewend aan den harden grond... En bovendien heb ik hier zoo'n prachtig uitzicht! Geheel Rome komt naar mij--nu ik het niet meer bezoeken kan."

Met een gebaar naar het raam had hij de verlegenheid en den lichten blos verborgen, die steeds op zijn gelaat kwam, wanneer hij zijn zoon op die wijze verontschuldigde, zonder de ware reden te willen bekennen, die hem in zijn armelijke inrichting deed blijven.

"Het is prachtig mooi!" verklaarde Pierre, om hem een genoegen te doen. "Ook ik voel mij zoo gelukkig u eindelijk eens te zien; zoo gelukkig uw dappere handen, die zooveel heldendaden verricht hebben, te kunnen drukken."

Met een nieuw gebaar scheen Orlando het verleden weg te willen schuiven.

"Kom, kom, dat alles ligt achter den rug en is begraven... Laten we liever over u spreken, mijn waarde mijnheer Froment, over u, die nog zoo jong is en het heden zijt, en laten we gauw over uw boek spreken, dat de toekomst is... O, als u eens wist hoe woedend ik mij in den beginne gemaakt heb over uw boek, over uw: Nieuw Rome!"

Hij lachte nu en nam het boek, dat toevallig naast hem op de tafel lag. Met zijn breede reuzenhand sloeg hij op den omslag.

"Neen, u kunt u niet voorstellen hoe dikwijls ik onder het lezen tegen u uitgevaren ben!... De paus, nog eens de paus, en altijd de paus! Het nieuwe Rome voor den paus en door den paus! Het triompheerende Rome, dat morgen, dank zij den paus, ontstaat, gegeven aan den paus, zijn roem samensmeltend met dien van den paus!... En wij dan? En Italië? En al de millioenen, die wij uitgegeven hebben, om van Rome een grootsche hoofdstad te maken? Ja, men moet een Franschman, en nog wel een Parijsche Franschman zijn, om zoo'n boek te schrijven. Maar laat ik het u dan zeggen, als u het niet weet, waarde heer, dat Rome de hoofdstad van het koninkrijk Italië geworden is; er is hier een koning Humbert, en er zijn Italianen, een geheel volk, dat Rome, het glorierijke, opgestane Rome, voor zich behouden wil!"

Het jeugdige vuur van den grijsaard deed Pierre op zijn beurt lachen.

"Ja, ja, dat heeft u mij geschreven. Maar wat heeft dat eigenlijk met mijn standpunt te maken? Naar mijn meening is Italië slechts een natie, een deel der menschheid, en ik wil de eendracht, de broederschap der volkeren, een verzoend, geloovig, gelukkig menschdom. Wat komt de regeeringsvorm, een monarchie of een republiek er op aan? Wat komt het denkbeeld van een éénig en onafhankelijk vaderland erop aan, als er nog slechts een vrij, in gerechtigheid en waarheid levend volk bestaat!"

Van dezen geheelen geestdriftigen kreet had Orlando slechts één woord in zich opgenomen.

"De republiek! Ik heb er in mijn jeugd innig naar verlangd!" ging hij zacht en met een peinzend gelaat voort. "Ik heb voor haar gestreden, ik heb samengezworen met Mazzini, een heilige, een geloovige, die zich tegen het absolute te pletter geloopen heeft. En daarna? Men moest de praktische noodzakelijkheid aanvaarden, zelfs de meest intransigenten hebben zich aangesloten... Zou thans de republiek ons redden? In ieder geval zou zij maar weinig verschillen van onze parlementaire monarchie: zie maar wat er in Frankrijk gebeurt. Waarom dan een revolutie te wagen, die de macht misschien brengen zou in de handen van de uiterste revolutionnairen, van de anarchisten? Daar zijn wij allen bang voor, daar is onze berusting het bewijs voor... Ik weet wel, dat sommigen de redding zien in een republikeinsche federatie; alle oude kleine staatjes omgezet in even zoovele republieken onder leiding van Rome. Het Vaticaan zou daarbij misschien heel wat kunnen winnen. Men kan niet zeggen, dat het daarvoor werkt, het ziet alleen niet zonder welgevallen de mogelijkheid ervan onder de oogen. Maar het is een droom, een droom!"

Hij vond zijn vroolijkheid, waarin zelfs een zweempje ironie doorklonk, terug.

"Weet u wat mij in uw boek zoo aangetrokken heeft? Want, ondanks al mijn bedenkingen heb ik het tweemaal gelezen... Welnu, dat Mazzini zelf het bijna geschreven kon hebben. Ja, ik heb er mijn jeugd in teruggevonden, al de overdreven-dolle verwachtingen, die ik op mijn vijf-en-twintigste jaar koesterde, de hoop, dat Christus' godsdienst de pacificatie der wereld door het Evangelie tot stand brengen zou... Wist u wel, dat, lang vóór u, Mazzini de hernieuwing van het Katholicisme gewild heeft? Hij schoof het dogma en de discipline ter zijde, hield slechts de moraal over. En het nieuwe Rome, het Rome van het volk, gaf hij aan de algemeene Kerk, waarin alle andere Kerken van het verleden zouden samensmelten: Rome, de eeuwige, de gepraedestineerde Stad, de moeder en de koningin, wier heerschappij opnieuw ontstond tot het definitieve geluk der menschheid!... Is het niet zonderling, dat het tegenwoordige neo-Katholicisme, de nog onbestemde spiritualistische herleving, de idee der Christelijke gemeenschap en der Christelijke naastenliefde, waarover men het thans zoo druk heeft, in den grond der zaak niets anders is dan een terugkeer tot de mystieke en humanitaire denkbeelden van 1848? Ach, ik heb dat alles medegemaakt, ik heb erin geloofd en ervoor gestreden, en ik weet in welk een treurige verwarring die vluchten in het blauw van het mysterieuse ons gebracht hebben! Wat zal ik u zeggen? Ik heb mijn vertrouwen verloren!"

En toen Pierre zich van zijn kant ook opwond en antwoorden wilde, viel hij hem dadelijk in de rede:

"Neen, laat mij uitpraten... Ik heb u alleen willen overtuigen hoe beslist noodzakelijk het voor ons was, Rome te veroveren en tot hoofdstad van Italië te maken. Zonder Rome kon het nieuwe Italië niet bestaan. Rome was de oude glorie; Rome bevatte in zijn stof de souvereine macht, die wij herstellen wilden, het gaf aan hem, die het bezat, kracht, schoonheid, eeuwigheid. In het middelpunt van het land gelegen, was het het hart daarvan, moest het er het leven van worden, zoodra men het uit den langen slaap van zijn puinhoopen gewekt zou hebben... O, wat hebben wij ernaar verlangd te midden van onze overwinningen en nederlagen, gedurende de jaren van afschuwlijk ongeduldig wachten! Ik, ik heb het meer dan eenige vrouw liefgehad en begeerd; mijn bloed brandde, ik werd wanhopiger naar mate ik ouder werd. En toen wij het in ons bezit hadden, waren wij zoo dwaas het weelderig, grootsch, tot heerscheres, tot de gelijke van andere groote hoofdsteden, Berlijn, Parijs en Londen te willen maken... Kijk er naar. Het is nog steeds mijn eenige liefde, mijn eenige troost, nu ik dood ben, daar niets meer in mij leeft dan mijn oogen."

Met hetzelfde gebaar had hij weer naar het raam gewezen. Onder den diepen hemel strekte Rome, purper en goud in de schuin vallende zonnestralen, zich in het oneindige uit. Heel in de verte sloten de boomen van den Janiculus den horizont met hun groenen, helder smaragdgroenen gordel af, terwijl meer naar links de dom van de St. Pieter, bleek-blauw, op een in het felle licht doffen saphier geleek. Dan kwam de lager gelegen stad, de oude stad, rood, als verbrand door eeuwen van heete zomers; zij was zoo zacht voor het oog, zoo mooi in het diepe leven van het verleden, een grenzenlooze chaos van daken, gevelmuren, torens, campaniles en koepels. Maar op het eerste plan, onder het raam, lag de nieuwe stad, die men in de laatste vijf-en-twintig jaar gebouwd had, op elkaar gehoopte, nog krijtachtige kubussen van metselwerk, die noch de zon noch de geschiedenis in haar purper gehuld hadden. Vooral de daken van het reusachtige ministerie van Financiën strekte zich in zijn afschuwlijke leelijkheid als eindelooze, troosteloos-vale steppen uit. En op die nieuwe gebouwen waren ten slotte de blikken van den ouden soldaat uit den veroveringstijd blijven rusten.

Er ontstond een stilte. Pierre voelde de lichte koude van de verborgen, onuitgesproken droefheid langs zich strijken en wachtte beleefd.

"Neem me niet kwalijk, dat ik u in de rede gevallen heb," ging Orlando voort. "Maar ik geloof, dat we niet met vrucht over uw boek kunnen spreken, zoolang u Rome niet van nabij gezien en bestudeerd hebt. U bent gisteren pas hier gekomen, niet waar? Welnu, loop de stad door, kijk en vraag, en ik geloof, dat vele van uw denkbeelden veranderen zullen. Ik verwacht vooral veel van den indruk, dien het Vaticaan op u maken zal, daar u toch alleen gekomen zijt om den paus te zien en een werk voor de Indexcongregatie te verdedigen. Waarom zouden wij ons thans in een nuttelooze discussie begeven, waar de feiten zelf u tot geheel andere denkbeelden brengen zullen, veel beter, dan ik het door de mooiste redevoeringen zou kunnen?... Dus afgesproken, u komt nog eens terug, en dan zullen we weten waarover we spreken moeten, en het misschien eens worden kunnen."

"Zeker," antwoordde Pierre. "Ik was vandaag alleen maar gekomen, om u dank te zeggen, dat u mijn boek met belangstelling gelezen hebt, en om in u een der sieraden van Italië te begroeten."

Orlando, verstrooid, luisterde niet, zijn blikken waren nog altijd op Rome gevestigd. Hij wilde niet, dat erover gesproken werd, maar ondanks zichzelf begon hij, geheel door een heimelijke onrust beheerscht, met fluisterende stem als in een onwillekeurige biecht weer te spreken:

"Ongetwijfeld zijn wij te hard van stapel geloopen. Er waren onvermijdelijke, nuttige uitgaven: straten, havens, spoorwegen. En gewapend moest het land ook worden; in den beginne heb ik me dan ook tegen de zware militaire lasten niet verzet... Maar later, dat zware oorlogsbudget--de lasten van een oorlog, die niet kwam, het wachten waarop ons geruïneerd heeft. O, ik ben altijd een vriend van Frankrijk geweest; het eenige, dat ik het verwijt, is, dat het den toestand, die ons opgedrongen was, de beweegredenen, die wij hadden voor ons verbond met Duitschland, niet begrepen heeft... En de milliarden, die Rome ingeslikt heeft! Dat was waanzin; wij hebben gezondigd uit geestdrift en hoogmoed. In de droomen, die ik, eenzame oude, hier kon droomen, ben ik een der eersten geweest, die den afgrond, de verschrikkelijke financieele crisis, het bankroet, waarin de natie zou ondergaan, vooruitgezien heb. Ik heb het mijn zoon en allen, die bij mij kwamen, toegeschreeuwd, maar wat hielp het? Zij luisterden niet naar mij, zij waren krankzinnig, kochten, verkochten, bouwden in hun speculatiewoede en hersenschimmige geldwoede. U zult het zien, u zult het zien... Het ergste is, dat wij niet, zooals u, in een dichte landbevolking een reserve aan goud en menschen hebben, een spaarkas, die steeds gereed staat, om de door de catastrophes geslagen gaten weer te vullen. Bij ons hernieuwt het opstijgen van het volk, dat nog niets beteekent, het sociale bloed niet door een gestadigen toevloed van nieuwe menschen, het is arm, het heeft geen oude wollen kousen, die het ledigen kan. De ellende is vreeselijk, waarom het te ontkennen? Zij, die geld hebben, verteren het liever kleinzielig in de steden dan het te wagen in landbouw- en industrieele ondernemingen. Fabrieken worden zoo goed als niet gebouwd. De bodem wordt nog op dezelfde barbaarsche wijze als twee duizend jaar geleden bebouwd... Daar ligt Rome, Rome, dat geen Italië geschapen heeft, dat Italië door zijn vurigen hartstocht tot hoofdstad gemaakt heeft; Rome, dat nog slechts het schitterende decor van den roem der eeuwen is, Rome, dat ons met zijn ontaarde, hoogmoedige en nietsdoende pauselijke bevolking niets gegeven heeft dan de schittering van dat decor! Ik heb het te lief gehad, ik heb het nog te lief, dan dat ik er spijt over kan hebben hier te zijn. Maar, groote God, tot welk een waanzin heeft het ons gebracht, hoeveel millioenen heeft het ons gekost, wat drukt het ons met zijn triomphantelijk gewicht!... Zie zelf, zie zelf slechts!"

En hij wees op de kleurlooze daken van het ministerie van Financiën, de eindelooze, troostelooze steppe, als had hij daar den bij voorbaat gemaaiden oogst van roem, de afschuwlijke kaalheid van het dreigend bankroet gezien. Zijn oogen werden omsluierd door heimelijke tranen; hij zag er trotsch uit in zijn aan het wankelen gebrachte hoop, in zijn hem pijnigenden angst, met zijn grooten, witharigen leeuwenkop. Nu was hij machteloos, vastgenageld in die zoo kale en lichte, zoo hoogmoedig armelijke kamer, die een protest scheen te zijn tegen den monumentalen rijkdom van het geheele kwartier. Dat was het dus wat men uit de verovering gemaakt had! En hij was nu door den bliksem getroffen, niet in staat nog eenmaal zijn bloed en zijn ziel te geven.

"Ja, ja," riep hij opnieuw uit; "wij gaven alles, ons hart en ons hoofd, ons geheele bestaan, zoolang het erom ging het vaderland één en onafhankelijk te maken. Maar wie interesseert zich, nu het vaderland geschapen is, voor de reorganisatie van zijn financiën! Dàt is geen ideaal! En dat is de reden, waarom, terwijl de ouden sterven, geen nieuwe man onder de jongeren opstaat!"

Plotseling hield hij, eenigszins verlegen en glimlachend over zijn eigen onstuimigheid, op.

"Neem me niet kwalijk, dat ik zoo doorsla! Ik ben nu eenmaal onverbeterlijk... Maar nu zullen we er werkelijk over uitscheiden; u komt terug, wanneer u alles gezien hebt, en dan praten we verder."

Vanaf dat oogenblik was hij een innemend gastheer, en Pierre begreep uit de vriendelijkheid en welwillendheid, waarmede hij hem omgaf, hoe het hem speet te veel gesproken te hebben. Hij bezwoer hem lang te Rome te blijven, het niet te vlug te veroordeelen, overtuigd te zijn, dat Italië in den grond der zaak Frankrijk nog altijd liefhad; hij wilde ook, dat men Italië liefhad, een ware angst greep hem aan bij de gedachte, dat men het misschien niet meer liefhad. Evenals den vorigen avond in het paleis Boccanera was de priester zich bewust, dat men een soort druk op hem uitoefende om hem tot bewondering en liefde te dwingen. Evenals een vrouw, die voelt, dat zij niet mooi is, aan zich twijfelt en prikkelbaar is, was Italië bang voor den indruk, dien het op zijn bezoekers zou maken, trachtte het ondanks alles al hun liefde te behouden.

Toen Orlando hoorde, dat Pierre in het paleis Boccanera logeerde, wond hij zich opnieuw op; hij maakte een gebaar van levendige ergernis, toen hij juist op hetzelfde oogenblik op de deur hoorde kloppen. Hij riep binnen, maar hield tevens den priester terug.

"Neen, ga niet weg, ik wil weten..."

Een dame kwam binnen. Zij was de veertig gepasseerd, was klein en rond, knap nog met haar poppengezichtje en haar vriendelijke glimlachjes, blond en had groene, als bronwater heldere oogen. Tamelijk goed gekleed zag zij er in haar reseda-kleurig toilet aardig, bescheiden en bezadigd uit. "Ha, ben jij het, Stefana?" zeide de grijsaard, terwijl hij zich liet omhelzen.

"Ja, oom, ik kwam langs en wilde even zien hoe u het maakte."

Het was mevrouw Sacco, een nicht van Orlando. Zij was te Napels geboren, haar moeder een Milaneesche, was getrouwd met den Napolitaanschen bankier Pagani, die later geheel geruïneerd werd. Na de ruïne was Stefana getrouwd met Sacco, toen nog slechts een laag ambtenaar bij de posterijen. Van dat oogenblik af had Sacco, die het huis van zijn schoonvader weer in de hoogte wilde brengen, zich in vreeselijke, gecompliceerde en verdachte zaken geworpen en ten slotte het onverwachte geluk gehad tot Kamerlid gekozen te worden. Sedert hij naar Rome gekomen was, om dat op zijn beurt te veroveren, had zijn vrouw hem in zijn verterende eerzucht moeten helpen, toilet maken en een salon openen; en al gedroeg zij zich daarbij wat onbeholpen, toch bewees zij hem diensten, die niet te verachten waren, daar zij zeer spaarzaam en voorzichtig was, en het huishouden op uitnemende wijze bestuurde, alle uitstekende en goede Noord-Italiaansche eigenschappen, die zij van haar moeder geërfd had en die een scherp contrast vormden met het onrustige karakter en de liederlijkheid van haar man, in wien Zuid-Italië met zijn wellustige hartstochten steeds weer opvlamde.

De oude Orlando, die Sacco verachtte, had voor zijn nicht, in wie hij zijn eigen bloed terugvond, een zekere toegenegenheid behouden. Hij dankte haar voor haar vriendelijkheid en begon bijna onmiddellijk over het bericht in de ochtendbladen, daar hij heel goed begreep, dat de afgevaardigde zijn vrouw gezonden had om te hooren, hoe hij erover dacht.

"En hoe staat het met het ministerschap?"

Zij was gaan zitten en keek, zonder zich te haasten, naar de couranten, die op de tafel slingerden.

"O, daaromtrent is nog niets bepaald, de couranten hebben te vroeg gesproken. Sacco is bij den minister-president ontboden en zij hebben samen een onderhoud gehad. Maar hij aarzelt, hij is bang niet genoeg op de hoogte te zijn van Landbouw. O, als het Financiën was!... En bovendien, hij zou nooit een besluit nemen zonder u te raadplegen. Hoe denkt u erover, oom?"

Hij viel haar met een heftig gebaar in de rede.

"Neen, neen, met zulke zaken bemoei ik mij niet."

Het vlugge succes van dien avonturier Sacco, die altijd in troebel water vischte, was een gruwel in zijn oogen, het begin van het eind. Zijn zoon Luigi bracht hem tot vertwijfeling; maar als men bedacht, dat Luigi met zijn levendig begrip en zijn altijd nog goede eigenschappen, niets was, terwijl Sacco, dat warhoofd, deze eeuwige wellusteling, zich in de Kamer had weten te werken en nu op het punt stond een portefeuille te bemachtigen! Een klein, donker, uitgedroogd mannetje met groote, ronde oogen, uitstekende jukbeenderen en kin, altijd dansend en schreeuwend, zeldzaam welsprekend, met een krachtige, machtige en tevens streelende stem! Indringerig, van alles gebruik makend, verleidend en heerschzuchtig!

"Versta me goed, Stefana, zeg aan je man, dat de eenige raad, dien ik hem geef, is zoo gauw mogelijk weer ambtenaar bij de Posterijen te worden, waar hij misschien diensten bewijzen kan."

Den oud-soldaat ergerde het voornamelijk, dat een kerel als Sacco als een bandiet Rome binnengevallen was, Rome, welks verovering zooveel edele krachtsinspanning gekost had. Op zijn beurt veroverde Sacco het, ontnam het aan hen, die het zoo duur gekocht hadden, nam er bezit van, doch alleen om er zijn ongebreideld verlangen naar macht te bevredigen. Onder een vriendelijk uiterlijk was hij besloten alles te verslinden. Na de overwinning waren, nu de buit daar nog warm lag, de wolven gekomen. Het Noorden had Italië geschapen, het Zuiden ijlde nu op den buit af, wierp zich daarop, leefde ervan als van een prooi. En aan de woede van den verpletterden held lag vooral ten grondslag het zich steeds duidelijker openbarende antagonisme tusschen het Noorden en het Zuiden: het Noorden arbeidzaam en spaarzaam, politiek voorzichtig, ontwikkeld en open voor moderne denkbeelden; het Zuiden onwetend en lui, genotzuchtig, met de hinderlijke onordelijkheid in daden en den ledigen glans van mooie, welluidende woorden.

Stefana glimlachte kalm, terwijl zij naar Pierre, die bij het raam was gaan staan, keek.

"O, oom, dat zegt u wel, maar toch houdt u van ons, en meer dan eens hebt u mij een goeden raad gegeven, waarvoor ik u nog dankbaar ben... Onder andere in die geschiedenis met Attilio..."

Zij bedoelde haar zoon, den luitenant, en zijn liefdesavontuur met Celia, de kleine prinses Buongiovanni, waarover alle zwarte en witte salons spraken.

"Attilio--dat is heel wat anders!" riep Orlando uit. "Evenals jij, is hij van mijn bloed, en het is wonderlijk, zooals ik mij in dien kwajongen terugvind. Ja, hij is precies eender als ik, toen ik zoo oud was, en mooi en dapper en enthousiast... Je ziet, dat ik mezelf complimentjes maak. Maar werkelijk, ik mag Attilio heel graag, hij ligt me aan het hart, want hij is de toekomst, hij geeft mij mijn hoop terug... En hoe staat het met zijn geschiedenis?"

"Och oom, die quaestie bezorgt ons heel wat verdriet. Ik heb er al eens met u over gesproken, maar u haalde uw schouders op en zeide, dat de ouders in dergelijke quaesties de jongelui hun liefdeszaken zelf maar in orde moesten laten brengen... Maar wij willen toch niet, dat men overal zegt, dat wij onzen zoon aansporen de kleine prinses te schaken, om dan later haar geld en haar titel te trouwen."

Orlando lachte hartelijk.

"Dat is me ook een bezwaar! Je man heeft je zeker opgedragen dat tegen me te zeggen? Ja, ik weet, dat hij in deze quaestie graag den fijngevoelige speelt. Maar ik zeg je nog eens, ik houd me voor minstens zoo netjes als hij is, en als ik een zoo openhartigen, zoo goed en zoo naïef-verliefden zoon had als den jouwe, dan zou ik hem laten trouwen met wie en zooals hij wilde... De Buongiovanni's! Lieve God, het zou voor de Buongiovanni's met al hun adel en al het geld, dat zij nog hebben, een groote eer zijn om een knappen jongen met zoo'n goed hart tot schoonzoon te hebben."

Weer kreeg Stefana's gelaat een uitdrukking van kalme voldaanheid. Zij kwam zeker alleen, om dat te hooren.

"Goed, oom, ik zal het aan mijn man zeggen en hij zal daar zeker rekening mede houden, want, al is u streng voor hem, hij heeft een ware vereering voor u. En wat dat ministerschap aangaat, daar komt misschien niets van. Sacco zal naar omstandigheden handelen."

Zij was opgestaan en nam afscheid van den grijsaard, terwijl zij hem, evenals bij haar komst, teeder omarmde. Zij maakte hem een complimentje over zijn goed uitzien, vond hem nog knap en deed hem glimlachen door te zeggen, dat zij een dame kende, die nog dol op hem was. Na met een kleine buiging den zwijgenden groet van den jongen priester beantwoord te hebben, ging zij op haar bescheiden en kalme manier weg.

Een oogenblik bleef Orlando zwijgen en hield, in zijn droefgeestige stemming terugvallend, zijn blik gericht op de deur; hij dacht ongetwijfeld aan het verdachte en pijnlijke heden, dat zoo zeer verschillend is van het roemrijke verleden. Plotseling wendde hij zich weer tot Pierre, die nog steeds wachtte.

"Dus logeer je in het paleis Boccanera, vriendlief. Wat een ongeluk ook daar!"

Maar toen de priester hem zijn gesprek met Benedetta verteld had en dus ook zei, dat zij nog altijd van hem hield en nooit zijn goedheid vergeten zou, wat er ook gebeuren mocht, maakte een ontroering zich van hem meester. Zijn stem beefde.